Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:4130

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
02-05-2014
Zaaknummer
2730748 CV EXPL 14-914
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonvordering c.a. van een werknemer over een korte periode na een weinig succesvol en op initiatief van de werknemer tussentijds beëindigde arbeidsovereenkomst voor drie maanden. De vordering als zodanig is naar samenstelling en omvang door werkgeefster bij antwoord niet bestreden. Wel wenst deze laatste, bijgestaan door een advocaat, een veel hogere (doch pertinent betwiste) tegenvordering in verrekening te brengen, echter zonder daarvoor ook een eis in reconventie in te stellen. Omdat dat beroep op verrekening in het licht van art. 6:136 BW onder die omstandigheden kansloos is (en het verschil van opvatting over verhaal van ‘schade’ en over de veroorzaking ook niet aan de strenge eisen van art. 7:661 BW getoetst kan worden met hulp van een afzonderlijk debat in reconventie), wijst de kantonrechter terstond vonnis en wijst hij de niet bestreden vordering van de werknemer toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0405
AR 2014/305

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht / Kantonrechter

Zaaknummer 2730748 CV EXPL 14-914

Vonnis van 16 april 2014

in de zaak

[eiser]

wonend te [adres 1]

verder ook te noemen: “[eiser] ”

eisende partij

gemachtigde: mr. W.J.F. Geertsen, advocaat te Maastricht

tegen

de vennootschap onder firma [gedaagde 1] (V.O.F.)

gevestigd en kantoorhoudend te [adres 2]

alsmede de twee vennoten

[gedaagde 2]

en

[gedaagde 3]

beiden wonend te [adres 2] op het adres waar ook de vennootschap kantoor houdt

gezamenlijk verder ook te noemen: “[gedaagde partij]” (in vrouwelijk enkelvoud)

gedaagde partij

gemachtigde: mr. C.S.B.E. Reinders, advocaat te Maastricht

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[eiser] heeft [gedaagde partij] bij dagvaarding van 21 januari 2014 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in het exploot van dagvaarding, tegelijk met welk exploot aan [gedaagde partij] acht producties betekend zijn.

[gedaagde partij] heeft - na zuivering van verleend verstek en na alsnog verkregen uitstel - op 12 maart 2014 schriftelijk geantwoord onder verwijzing naar één aan het antwoord gehechte productie in fotokopievorm.

De kantonrechter heeft vervolgens in verband met aard en inhoud van eis en verweer en mede acht slaand op overwegingen van proceseconomische aard aanstonds vonnis bepaald, zodat heden uitspraak gedaan wordt.

MOTIVERING

a. het geschil

[eiser] vordert de hoofdelijke veroordeling van de vennootschap en de beide vennoten - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van ‘loon over augustus 2013, openstaande verlofdagen en vakantiegeld’ tot een totaalbedrag van € 1 812,81 bruto (subsidiair een bedrag dat de kantonrechter passend oordeelt), te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW en de optelsom met de wettelijke rente vanaf het tijdstip /de tijdstippen van opeisbaarheid tot de datum van volledige voldoening, een en ander onder verwijzing van [gedaagde partij] (eveneens hoofdelijk) in de proceskosten. [eiser] baseert zijn vordering(en) op een kortstondige en op zijn initiatief met wederzijds goedvinden per 30 augustus 2013 beëindigde arbeidsovereenkomst, ter zake waarvan [gedaagde partij] het loon over de laatste maand alsmede ‘openstaande’ bedragen aan vakantiebijslag en vergoeding van niet-genoten verlofuren onbetaald gelaten heeft en wel tot een totaalbedrag van € 1 770,97 netto (wat volgens [eiser] correspondeert met het gevorderde bedrag van € 1 812,81 bruto).

Nadat [eiser] eerst zelf bij aangetekend verzonden brief van 24 september 2013 tevergeefs op betaling aangedrongen had en daar bij sommatie van 8 oktober 2013 nog eens aan herinnerd had, heeft [gedaagde partij] hem in een brief van 25 oktober 2013 voorgesteld met een betalingsregeling of met een reeks termijnbetalingen (lopend van medio december 2013 tot medio juli 2014) tot een totaal van € 1 770,97 genoegen te nemen. Zij deed daarvoor een beroep op betalingsproblemen, doch verklaarde dit ‘uiterst vervelend’ te vinden. Later is wel een loonspecificatie ‘Salaris 8-2013’ verstrekt, die uitkwam op dit nog te betalen bedrag van in totaal € 1 770,97 netto (loon augustus 2013 plus vakantiebijslag of ‘vakantiegeld’ plus uitbetaling restant verlofuren plus reiskostenvergoeding). [eiser] gemachtigde heeft vervolgens bij brief van 18 november 2013 het betalingsvoorstel afgewezen, de redenering verworpen (die niet in een brief neergelegd was) dat [eiser] zijn werk niet goed gedaan zou hebben en [gedaagde partij] (opnieuw) gesommeerd onverwijld althans voor 2 december 2013 tot betaling over te gaan op straffe van invordering in rechte met aanvullende vorderingen ter zake van wettelijke verhoging en wettelijke rente. In een brief van 3 december 2013 reageerde [gedaagde partij] hierop met het argument dat het (door haar ‘redelijk’ geachte) betalingsvoorstel mede ingegeven was door de (enigszins krom) aldus verwoorde overweging: “…gezien de schade welk ons bedrijf heeft geleden in het begeleiden en moeten herstellen van de door de heer [eiser] niet correcte taken in zijn management functie”. De aanvullende overweging luidde dat [gedaagde partij] tijd nodig dacht te hebben ‘om de schade te kunnen herstellen en daardoor tot uitbetaling over te kunnen gaan’. [gedaagde partij] heeft niet meer gereageerd op de brief d.d. 6 december 2013 van de gemachtigde van [eiser] waarin erop gestaan werd dat de verschuldigde € 1 770,97 voor 13 december 2013 voldaan werd, zodat procederen onvermijdelijk geworden is. [eiser] claimt thans in ieder geval ook de wettelijke verhoging over € 1 812,81 bruto en de wettelijke rente over het geheel.

[gedaagde partij] bestrijdt niet dat zij per 30 augustus 2013 nog € 1 770,97 netto aan [eiser] verschuldigd was en evenmin dat dit bedrag nimmer betaald is. Het verweer van [gedaagde partij] is echter volledig ingegeven door de wens dat de kantonrechter meegaat in haar beroep op verrekening van de hierop gebaseerde claim van [eiser] met (haar vordering tot vergoeding van) ‘schade die zij door toedoen van [eiser] geleden heeft’. In een betoog van twee pagina’s verwoordt [gedaagde partij] als haar opvatting dat de door [eiser] in de functie van ‘chief technical officer’ te verrichten werkzaamheden voor hem een (zelfstandige) verantwoordelijkheid met zich brachten waarvan hij zich (door ontoereikend ‘kennisveld’ en minder dan de verlangde ‘bekwaamheid’) onvoldoende gekweten heeft en dat hij bijgevolg zelfs ‘ernstig in gebreke gebleven’ is in zijn taakvervulling. Het volgens [gedaagde partij] ‘abominabele functioneren’ van [eiser] zou er toe geleid hebben dat ‘[gedaagde partij] heel veel uren heeft moeten besteden aan het corrigeren van de gemaakte fouten’ en dat ‘klanten uit ontevredenheid weggelopen zijn’, zodat [gedaagde partij] stelt schade geleden te hebben. Uit een door [gedaagde partij] overgelegde fotokopie van een intern urenoverzicht van een bij haar werkzame ‘project manager’ zou moeten blijken dat daarmee een bedrag van € 3 200,00 aan kosten van ‘extra time’ gemoeid was. Ook zou [gedaagde partij] (zonder verdere onderbouwing) een bedrag van € 5 000,00 aan ‘zo goed als zekere omzet’ verloren hebben ‘omdat klanten zijn gaan lopen door het handelen en nalaten van [eiser]’. Hoewel [gedaagde partij] min of meer erkent aanvankelijk jegens [eiser] slechts haar financiën als probleem opgeworpen te hebben als beletstel voor een betaling ineens, wenst zij zich ‘thans’ op verrekening van het aan hem verschuldigde bedrag met ‘haar eigen schade’ te beroepen. Zij voegt daaraan toe dat zij zulke schade ‘in zijn geheel’ (tot in totaal € 8 200,00) ‘in de toekomst nog op [eiser] wenst te verhalen op grond van wanprestatie’. Naast haar beroep op volledige verrekening behelst het verweer van [gedaagde partij] subsidiair een verzoek om (aanzienlijke) matiging dan wel op nihil stellen van de gevorderde wettelijke verhoging, omdat zij die verhoging ‘onbillijk’ acht ‘nu [eiser] een groot aandeel heeft gehad in de problematiek die thans ontstaan is binnen het bedrijf van [gedaagde partij]’.

de beoordeling

[gedaagde partij] erkent ondubbelzinnig dat zij aan [eiser] ter zake van de voortijdige beëindiging van de voor drie maanden aangegane arbeidsovereenkomst - een beëindiging die kennelijk van de werknemer uitgegaan is, maar waarin onweersproken door [gedaagde partij] ‘per’ 30 augustus 2013 bewilligd is - nog bedragen aan loon, vakantie-uren en vakantiebijslag verschuldigd is omdat die na die datum niet tot uitbetaling gekomen zijn. Volgens [gedaagde partij], die ter zake ook een specificatie aan (de gemachtigde van) [eiser] verstrekt heeft, gaat het in totaal om een bedrag van € 1 770,97 netto. In dat bedrag is ook een tegemoetkoming reiskosten verwerkt naast loon over augustus 2013 en (beperkte) bedragen aan vakantiebijslag en compensatie van verlofuren. [eiser] vordert echter niet dit nettobedrag noch de (volledige) bruto tegenwaarde daarvan, doch slechts het brutobedrag van (‘de somma van’) € 1 812,81 dat blijkens de specificatie uitsluitend het loon van augustus 2013 representeert. Omdat niet meer toegewezen kan worden dan gevorderd is, zal [eiser] hoe dan ook een zeker bedrag aan onbetwist gebleven tegenprestatie van zijn arbeid tot of tot en met 30 augustus 2013 moeten derven. Dat bedrag van € 1 812,81 bruto zal hem echter onverkort toegewezen worden, omdat van verrekening in een situatie als de onderhavige en in het licht van de gemotiveerde betwisting van iedere aan [gedaagde partij] toekomende tegenvordering geen sprake kan zijn. [gedaagde partij] ziet allereerst over het hoofd dat niet iedere wanprestatie van een werknemer bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst de werkgever recht verschaft op vergoeding van schade, maar dat art. 7:661 BW schadeplichtigheid van de werknemer reserveert voor situaties van opzet en bewuste roekeloosheid; het een noch het ander is door [gedaagde partij] zelfs maar gesteld, laat staan met argumenten en bewijs onderbouwd. Het A4-tje met werkuren van een of meer andere werknemer(s) is bovendien zelfs geen begin van bewijs van enigerlei vorm van schade, laat staan schade als uitvloeisel van gebrekkig werk van [eiser] en nog veel minder aanwijzing is er dat zulke schade dan ook nog eens gerelateerd is aan opzettelijk of bewust roekeloos handelen van de werknemer [eiser]. De schijn is tegen [gedaagde partij] omdat de non-betaling aanvankelijk slechts op een betalingsprobleem gegrondvest was zonder enige relatie met het handelen van [eiser]. Tot slot betekent het door [gedaagde partij] achterwege laten van een vordering in reconventie in combinatie met de principiële en uitdrukkelijke betwisting van iedere aansprakelijkheid voor schade zijdens [eiser] dat de kantonrechter - zelfs zonder een volstrekt overbodig te achten tweede procesronde -toepassing zal geven aan art. 6:136 BW: het louter op verrekening gerichte verweer tegen de vaststaande vordering van [eiser] wordt zonder meer gepasseerd omdat de gegrondheid daarvan niet op eenvoudige wijze vast te stellen is. Omdat op geen enkel ander punt van de hoofdvordering (bij gebrek aan inhoudelijke betwisting) een nadere beslissing nodig is, leent het gevorderde bedrag van € 1 812,81 bruto zich dus voor directe toewijzing aan [eiser].

Hieruit volgt bijna direct dat ook de wettelijke verhoging - en wel naar het wettelijke maximum van 50% van de hoofdvordering - toegewezen moet worden. Weliswaar heeft [gedaagde partij] daar wel een (subsidiair) verweer tegen gericht, maar zo weinig substantieel en ter zake doend, dat ook dit verworpen wordt. Bij afwezigheid van enige mogelijkheid tot verrekening ontvalt [gedaagde partij] immers ieder reëel te achten beroep op billijkheidsargumenten. Financieel onvermogen komt op zich al geheel voor haar risico en dat geldt a fortiori voor een niet reëel te achten deponeren van de verantwoordelijkheid voor betalingsuitstel bij een werknemer wiens verplichting tot schadevergoeding vooralsnog slechts op drijfzand berust. Voor matiging van de wettelijke verhoging bestaat derhalve geen grond. [gedaagde partij] zal voor de vertraging [eiser] een bedrag van € 906,41 bruto extra moeten vergoeden. De wettelijke rente, tot slot, wordt toegewezen over de som van € 2 719,22 bruto vanaf 30 augustus 2013.

Deze uitkomst maakt dat [gedaagde partij] tevens in de kosten van de procedure verwezen zal worden. De kosten worden aan de zijde van [eiser] bepaald op een bedrag van € 477,06.

BESLISSING

[gedaagde partij] wordt hoofdelijk - en wel aldus, dat indien de een betaalt, de ander tot de hoogte van een dergelijke betaling gekweten zal zijn - veroordeeld om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting € 2 719,22 bruto te voldoen met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2013 tot de datum van volledige voldoening.

[gedaagde partij] wordt tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot de datum van dit vonnis begroot op een totaalbedrag van € 477,06, waarin begrepen een bedrag van € 150,00 aan salaris gemachtigde.

Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht,

en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.