Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:4125

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
02-05-2014
Zaaknummer
2520987 CV EXPL 13-10004
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onverwijlde opzegging ex art. 7:677 / 7:678 BW van arbeidsovereenkomst met jonge caissière supermarkt wegens betrokkenheid bij fraude en/of diefstal en/of verduistering. Ondanks het feit dat met het voorliggende bewijs niet onomstotelijk vast is komen te staan dat werkneemster meer gedaan heeft dan één pakje sigaretten heimelijk zonder betaling via de loopband bij een door een ander bediende kassa in haar tas te doen verdwijnen, is dit voldoende voor ‘ontslag op staande voet’. De aangevoerde contra-argumenten en de (beperkte) meegewogen omstandigheden leiden niet tot een voor werkneemster gunstiger oordeel. Loyaliteit/betrouwbaarheid is een groot goed in de verhouding supermarktexploitant / caissière. Zelfs als niet gesteld en/of aangetoond is dat er strikte regels op dit punt gelden en dat daar streng de hand aan gehouden wordt, is deze eenmalige gedraging (in combinatie met de hardnekkige ontkenning) voldoende om rechtsgeldig een einde te laten komen aan de arbeidsrelatie. Het alsnog tonen van de videobeelden van het gebeurde wordt bij hetgeen wel is komen vast te staan, niet nodig geacht voor de oordeelsvorming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0402
AR 2014/268

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht / Kantonrechter

Zaaknummer 2520987 CV EXPL 13-10004

Vonnis van 30 april 2014

in de zaak

[eiseres]

wonend te [adres 1]

verder ook te noemen: “[eiseres]”

eisende partij

gemachtigde: mr. I.T.F. vanden Heuvel, werkzaam bij ARAG SE Nederland te Roermond

tegen

de besloten vennootschap PLUS [naam] B.V.

gevestigd en kantoorhoudend te [adres 2]

verder ook te noemen: “PLUS”

gedaagde partij

gemachtigde: mr. M.M.J.F. Sijben, advocaat te Heerlen

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[eiseres] heeft PLUS bij dagvaarding van 5 november 2013 in rechte betrokken ten overstaan van de kantonrechter te Heerlen voor een vordering als uiteengezet in het exploot van dagvaarding, tegelijk waarmee aan PLUS acht producties betekend zijn.

PLUS heeft - na herhaald uitstel en nadat wegens sluiting van de kantonlocatie Heerlen de behandeling van de zaak overgedragen was aan de kantonrechter te Maastricht - eerst op 29 januari 2014 schriftelijk geantwoord onder verwijzing naar zeven producties.

In het kader van het schriftelijk voorgezette debat hebben partijen vervolgens op 5 maart 2014 respectievelijk 2 april 2014 van repliek en dupliek gediend zonder nog producties aan het procesdossier toe te doen voegen.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak op vandaag gesteld is.

MOTIVERING

a. het geschil

[eiseres] vorderde bij exploot allereerst de veroordeling van PLUS - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van bedragen van € 1 781,33 bruto (onder afgifte van een specificatie van de herleiding van deze gefixeerde schadevergoeding naar een netto tegenwaarde) alsmede € 142,69 bruto, € 648,69 bruto en € 45,00 netto (bij wijze van ‘eindafrekening’), alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2013 dan wel 20 oktober 2013 althans vanaf ‘de dag dat dit bedrag uiterlijk betaald had moeten zijn’ en de drie laatste bedragen te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW tot het maximum van 50%. Daarnaast was in het petitum als eis geformuleerd dat de kantonrechter PLUS opdraagt [eiseres] inzage te geven in ‘de camarabeelden’ (kennelijk bedoeld: de met een videocamera gemaakte/opgeslagen beelden van kassawerkzaamheden op 19 september 2013) en/of deze aan haar af te geven, dat hij PLUS verder opdraagt ‘de beschuldigingen’ te rectificeren en daarvan ‘schriftelijk bewijs te leveren’ binnen drie dagen na betekening van een daartoe strekkend vonnis (op straffe van een te verbeuren dwangsom van € 500,00 per dag) en dat hij PLUS in de proceskosten verwijst.

[eiseres] baseert haar vorderingen (na een eerder tot tweemaal toe gedaan beroep op vernietigbaarheid van de opzegging waarvan zij later teruggekomen is) op de stelling dat een haar op 20 september 2013 door PLUS aangezegde (onverwijlde) opzegging van de arbeidsovereenkomst onregelmatig is in de zin van art. 7:677 lid 1 BW en PLUS derhalve schadeplichtig maakt, omdat een valide dringende reden ontbreekt. Dat, zoals de dringende reden in de opzeggingsbrief van de gemachtigde van PLUS geformuleerd is, [eiseres] ‘betrokken geweest’ is ‘bij fraude en/of diefstal en/of verduistering’, heeft PLUS volgens haar in het geheel niet aangetoond, terwijl de bewijslast te dien aanzien wel bij PLUS ligt. Als goed werkgeefster had PLUS onderzoek moeten instellen naar hetgeen op 19 september 2013 omstreeks 18:00 uur in de omgeving van een van haar kassa’s in de winkel plaatsgevonden heeft bij een transactie tussen [eiseres] en haar collega mevrouw [getuige 1] (door PLUS aangeduid als ‘[getuige 1]’) die volgens [eiseres] naar behoren afgewikkeld is (in haar woorden: “Zij mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat alle artikelen (sigaretten, scheermesje en wenskaart) waren aangeslagen en door haar betaald”). Zulk onderzoek impliceert volgens [eiseres] in ieder geval het bestuderen (én ‘vrijgeven’) van beelden van de beveiligingscamera’s, waartoe zij een vordering tot ‘inzage cq. afgifte’ instelt op de voet van art. 843a Rv (maar niet langs de weg van art. 223 Rv, zodat op dit onderdeel niet tussentijds beslist kon worden). Verder had PLUS hoor en wederhoor moeten toepassen onder de condities die daarvoor te gelden hebben. PLUS heeft volgens [eiseres] echter in het geheel geen hoor en wederhoor toegepast. [eiseres] is na 18:00 uur op 19 september 2013 in de avond nog bij PLUS (terug) geweest en heeft ook op 20 september 2013 een ‘bezoek’ aan het bedrijf gebracht (waar zij ‘de zoon van PLUS’ tegen het lijf liep en zelfs sprak), maar toen is over de kwestie (‘diefstal’) ‘met geen enkel woord gesproken’.

[eiseres] berekent de gefixeerde schadevergoeding ex art. 7:677 lid 4 BW iuncto art 7:680 lid 1 BW op een bedrag van € 1 781,33 en handhaaft bij repliek het uitgangspunt dat deze schadevergoeding op een gemiddelde van 35 uur per week ‘gebasseerd’ mag / moet worden.

De daarnaast bij exploot nog geclaimde resterende vakantierechten (vakantiebijslag en in geld om te zetten openstaand verlof) alsmede een netto bedrag van € 45,00 aan ‘borg’ achtte [eiseres] bij repliek ‘vervallen’ (zonder met zoveel woorden haar eis deswege tot nihil te verminderen), omdat PLUS inmiddels tot ‘eindafrekening’ overgegaan bleek te zijn. Daarop hoeft dan ook - met inbegrip van de verhoging en rente die er op gebaseerd zijn - niet verder ingegaan te worden. Wel handhaafde zij - naast de vordering ex art. 843a Rv en die ter zake van de gefixeerde schadevergoeding met rente - wegens het ingrijpende karakter van het ontslag en de aantasting van haar persoonlijke integriteit onder verwijzing naar art. 8 EVRM de verlangde ‘rectificatie van de beschuldigingen’. In voortgezet debat heeft [eiseres] wel - in reactie op het processuele verweer van PLUS - een aantal van haar feitelijke beweringen in het exploot aangepast en/of genuanceerd dan wel van een aanvulling voorzien, terwijl ze evenals PLUS de naam van ‘[getuige 1]’ als ‘[getuige 1]’ is gaan schrijven. Voor zover een en ander de beslissing kan beïnvloeden, zal daar onder de beoordeling melding van gemaakt worden.

Het verweer van PLUS komt er op neer dat zij de op feiten en bewijs stoelende opvatting toegedaan is dat zij [eiseres] terecht en op goede gronden op staande voet ontslagen heeft, dat zij het (overigens - in vergelijking met het bij exploot ter zake gevorderde - aanzienlijk hoger uitgevallen) brutobedrag aan vakantierechten bij wijze van ‘eindafrekening’ al in november 2013 aan [eiseres] uitbetaald had en dat [eiseres] na inlevering van enige bedrijfseigendommen op 21 november 2013 de ‘borg’ van € 45,00 terug ontvangen had. PLUS bestrijdt de omvang van de door [eiseres] (gemiddeld) gewerkte uren en daarmee het harerzijds bij exploot genoemde loon van € 1 015,00 bruto per vier weken, dat volgens PLUS op basis van overgelegde loonspecificaties over 2013 op een gemiddelde van € 311,47 bruto gesteld dient te worden. De claim van [eiseres] tot betaling van een (gefixeerde) schadevergoeding naar het gemiddelde loon plus vakantiebijslag over de normalter in acht te nemen opzegperiode (20 september tot 4 november 2013), die door PLUS consequent - maar foutief - aangeduid is als een ‘loonvordering’, komt volgens PLUS na herberekening uit op de som van € 467,21 bruto. De opvatting dat de kantonrechter aan toewijzing van dit lagere bedrag noch aan honorering van de overige claims toekomt, baseert PLUS op een uitvoerige uiteenzetting van hetgeen in haar visie werkelijk op 19 september 2013 voorgevallen is en van de tegenstrijdigheden en onwaarheden die zij in de uitlatingen en gedragingen van [eiseres] meent te kunnen waarnemen. Zij verwijst daarvoor tevens naar enige deels letterlijk geciteerde producties. PLUS zegt vanzelfsprekend bereid te zijn camerabeelden in het bestek van deze procedure te tonen, maar deze tonen volgens haar juist niet de ‘onschuld’ van [eiseres] aan waarvan deze uitgaat. Enige rectificatie is dan niet aan de orde, nog daargelaten hoe en waarom [eiseres] zich in haar ‘persoonlijke identiteit’ en integriteit aangetast voelt.

Waar nuttig en nodig - en voor zover al niet tot uitdrukking komend in de opsomming onder b. van feiten die zijn komen vast te staan - zullen specifiekere en/of meer in detail tredende stellingen van partijen aan de orde komen en gewogen worden bij de beoordeling onder c.

de feiten en omstandigheden

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of ondeugdelijk weersproken, en mede op basis van de inhoud van in dit opzicht onbetwist gebleven producties staat tussen partijen het navolgende vast.

  • -

    [eiseres], geboren [geboortedatum], is van 1 februari 2012 tot 20 september 2013 krachtens arbeidsovereenkomst bij PLUS werkzaam geweest als kassamedewerkster voor twee tot twaalf uren per week tegen het eens per vier weken onder afgifte van een loonspecificatie uit te betalen loon, laatstelijk naar een uurloon van € 7,25 bruto.

  • -

    Op 19 september 2013 beëindigde [eiseres] werkzaamheden aan een van de kassa’s van de lokale PLUS-supermarkt in Brunssum omstreeks 18:00 uur, terwijl - volgens de door haar niet weersproken schriftelijke verklaring van de toen zojuist zijn dienst aangevangen hebbende beveiligingsmedewerker [getuige 2] - collega [getuige 3] aan kassa 1 dienst had en [eiseres] zich naar de onbezette kassa 3 begaf, om te voldoen aan het interne voorschrift haar tas te laten zien/controleren door een aanwezige caissière / kassamedewerkster en/of om boodschappen af te rekenen.

  • -

    Op dat moment had ook (voor die avond) [getuige 1] kassadienst (met wie [eiseres] gesteld heeft voor ‘later die avond een privéafspraak’ gemaakt te hebben), een collega die blijkens de evenmin door [eiseres] bestreden schriftelijke verklaring van [getuige 3] zich staand achter [getuige 3], gezeten achter kassa 1, bevond toen [eiseres] haar toeriep ‘een pakje Marlboro’ (sigaretten) voor haar mee te nemen.

  • -

    Achter kassa 1 bevindt zich namelijk in een rek het gehele assortiment sigaretten en tabak van de supermarkt.

  • -

    [getuige 1] is, nadat de beveiligingsmedewerker volgens zijn onweersproken verklaring haar nog eens attent gemaakt had op dit geroepen verzoek van [eiseres], met een pakje Marlboro Gold (sigaretten) én een pakje Elixyr (tabak) van kassa 1 naar kassa 4 gelopen en heeft toen in het voorbijgaan het pakje sigaretten achtergelaten op de loopband in de omgeving van de onbezette kassa 3 waar [eiseres] stond te wachten.

  • -

    Evenmin weersproken is hetgeen [getuige 2] (die direct na het gebeurde de opgenomen camerabeelden in het kantoor gecheckt heeft ter controle van zijn waarnemingen) schriftelijk verklaard heeft over het vervolg: [eiseres] haalde eerst haar ‘werkjasje’ uit haar tas, legde dit bovenop de sigaretten en deed het vervolgens terug in haar tas, waarbij het pakje sigaretten van de band verdwenen was; direct hierna ging [getuige 1] achter kassa 3 zitten en rekende met [eiseres] de boodschappen op de band af, waarna [getuige 2] het kassascherm controleerde en tot de conclusie kwam dat het afgerekende bedrag onmogelijk overeen kon stemmen met de optelsom van prijzen van die artikelen met inbegrip van een pakje sigaretten (‘het verschil was te groot’).

  • -

    [eiseres] heeft niet ontkend dat zij van het PLUS-filiaal sigaretten, scheermesjes, douchegel en deodorant mee naar huis genomen heeft en evenmin dat tegenover die aankopen om 18:13 uur een in rechte getoonde kassabon uitgedraaid is en dat slechts die laatste drie aankopen tot een totaalbedrag van € 8,55 in rekening gebracht zijn.

  • -

    De kassabon wijst ook uit dat voor die aankopen één biljet van € 20,00 afgegeven is en dat contant € 11,45 terugbetaald is.

  • -

    (Anders dan PLUS in haar conclusies suggereert, kan uit de verklaring van [getuige 2] noch uit enig ander stuk afgeleid worden dat ook het pakje tabak (Elixyr) op de band bij kassa 3 gelegen heeft / door [eiseres] meegenomen is, terwijl uit de ingebrachte kassabon ook niet blijkt dat [eiseres] gelijk heeft als zij stelt ‘een bedrag ad € 40,00 die zij in haar hand’ had aan ‘collega [getuige 1]’ gegeven te hebben om daar niet meer dan ’ als ‘wisselgeld € 10,- en kleingeld’ voor terug te ontvangen).

  • -

    [eiseres] is kennelijk terstond na een dergelijke afrekening naar huis vertrokken, terwijl [getuige 1] nog dienst had (en waarna [getuige 2] de camerabeelden bekeek).

  • -

    Zij heeft ‘later die dag’ gehoord dat [getuige 1] ‘door de politie is meegenomen voor verhoor’.

  • -

    Te omstreeks 20:30 uur heeft [eiseres] zich weer bij het PLUS-filiaal vervoegd, naar zij bij exploot stelde ‘om een flesje drinken te kopen’, maar geconfronteerd met een van die tweede transactie in deze procedure getoonde kassabon van 20:33 uur, heeft zij toegegeven dat het ging om aankoop van een pakje ‘Marlboro Filter Gold’.

  • -

    [eiseres] is (weken later) wel door de politie verhoord (‘verhoort’ zegt [eiseres] zelf), maar de Officier van Justitie (‘de politie’ volgens [eiseres]) heeft besloten van (verdere) vervolging af te zien.

  • -

    Omtrent het lot van collega [getuige 1] zijn ten processe geen nadere mededelingen gedaan en geen van de partijen heeft het nodig geoordeeld een verklaring van haar kant in te brengen (wel valt uit de brief van 20 september 2013 met aanzegging van onverwijlde opzegging aan [eiseres] af te leiden dat het de bedoeling van PLUS was om ook [getuige 1] op staande voet te ontslaan).

de beoordeling

Mede in verband met het laatste opgesomde feit blijft duister hoe [eiseres] in haar dupliek onder 9. , waar zij ingaat op beweringen omtrent samenspanning van [eiseres] en [getuige 1], kan beweren dat “Mevrouw [eiseres] ….juist geen verklaringen af(geeft) die overeenkomen met de verklaringen van mevrouw [getuige 1]”. Zij lijkt daarmee immers te erkennen dat zij weet wat [getuige 1] in het kader van het politieonderzoek en eventuele strafrechtelijke vervolging dan wel in het kader van toepassing van civielrechtelijke sancties over het gebeurde op 19 september 2013 verklaard heeft. De kantonrechter moet aannemen dat de opvatting van [getuige 1] dienaangaande op zijn minst [eiseres] niet vrijpleit, omdat anders niet in te zien valt waarom [eiseres] een voor haar gunstige(r) interpretatie van de kant van [getuige 1] niet inbrengt (al was het maar in geparafraseerde vorm bij de schriftelijke stellingname). Dit is des te bevreemdender omdat [eiseres] zelf al bij exploot aan de dag trad met de onthulling dat [getuige 1] en zij op 19 september 2013 ’s avonds nog een ‘privéafspraak’ hadden, zodat zij dus waarschijnlijk goed met elkaar overweg kunnen, en omdat [eiseres] haar bewering dat zij tevoren ‘20 euro’ van [getuige 1] gekregen had voor sigaretten en daarom aan de kassa niet één maar twee ‘briefjes van 20 euro’ overhandigd had, op een andere manier in de verste verte niet aannemelijk heeft kunnen maken (het tweede briefje, dat door [getuige 1] in ontvangst genomen zou zijn, is immers door niemand waargenomen). De hoop voor dat punt van haar verweer vestigen op camerabeelden doet in dat verband wat vreemd aan. Zeker nu [eiseres] naliet buiten rechte een vordering tot inzage / afgifte voorafgaand aan deze procedure te laten uitgaan naar PLUS en evenmin op de voet van art. 223 Rv een voorlopige voorziening in de rolprocedure gevorderd heeft. Als [eiseres] zich afvraagt wat [getuige 1] ‘met het 2e briefje van 20 euro heeft gedaan’, terwijl door PLUS noch enige getuige in deze zaak uit eigen waarneming of bij het bezichtigen van de camerabeelden een tweede biljet is opgemerkt, had natuurlijk niets haar belet dit aan [getuige 1] voor te leggen en het resultaat in deze procedure voor te leggen. Dat zij dit niet doet, wellicht om begrijpelijke redenen, blijft voor haar risico.

Haar wat verlate wederhoor dient zij er in ieder geval niet mee.

Vooralsnog veel belangrijker dan deze open vraag en de vele door [eiseres] zelf gewekte twijfels over haar geloofwaardigheid door frequente aanpassing, herziening of relativering van haar beweringen op onderdelen, is wat zij niet ontkent of niet uitdrukkelijk aanvecht. Met name de tamelijk precieze beschrijving van getuige [getuige 2] (bewaker, surveillant of beveiligingsmedewerker), die op 19 september 2013 te omstreeks 18:00 uur net in dienst gekomen was en fris van de lever met zijn neus (oog en oor) bovenop het gebeuren directe waarnemingen gepleegd heeft en deze achteraf ook aan de camerabeelden getoetst heeft, is op geen enkel essentieel onderdeel door [eiseres] bestreden. Daarmee is, omdat PLUS die constateringen tot de hare maakt en omdat deze aangevuld worden met een evenmin voor onjuist te houden kassabon, afdoende komen vast te staan dat [eiseres] (in ieder geval) een pakje Marlboro Gold meegenomen maar niet afgerekend heeft. Het lot van het pakje Elixyr tabak is duister gebleven, want dit kan zowel door [eiseres] als - waarschijnlijker - [getuige 1] meegenomen zijn. [eiseres] rookt waarschijnlijk Marlboro sigaretten en geen tabak, getuige ook de tweede aankoop van later die avond. Dat [eiseres] voor dit wegnemen of zonder betaling aan de macht van PLUS onttrekken van sigaretten een voldoende gewichtig excuus kan aanvoeren, is alleen al niet waarschijnlijk omdat zij niet de waarneming bestrijdt dat zij hierbij heimelijk (en dus bewust) tewerk gegaan is. Een pakje sigaretten op de lopende band bedekken met een werkuniform dat daarvoor uit de tas gehaald was, om vervolgens pakje en uniform in één beweging weer in de tas te laten verdwijnen, wijst bepaald niet op een ‘ongelukje’, vergissing of vergeetachtigheid in het kader van een druk gesprek met collega [getuige 1]. De op het oog onverklaarbare terugkeer naar het PLUS-filiaal omstreeks 20:30 uur, volgens het exploot om ‘een flesje drinken te kopen’, maar naar zij later erkend heeft, om (opnieuw!) een pakje Marlboro Gold aan te schaffen, kan vrijwel zeker niet los gezien worden van de wens van [eiseres] om poolshoogte te nemen. Of zij daartoe getipt was door [getuige 1], die inmiddels betrapt en aan de politie overgedragen was, kan in het midden blijven. Dat [eiseres] op dat moment dringend nog een pakje sigaretten nodig had, valt niet aan te nemen. Extra vragen worden opgeroepen door de curieuze switch die [eiseres] tussen exploot en repliek gemaakt heeft ter verklaring van het oorspronkelijk beoogde ‘flesje drinken’ als doel van haar tweede bezoek aan de supermarkt (het motief dat zij voor haar moeder met ‘COPD’ - toen nog steeds - wilde verbergen dat zij rookte, spoort dan misschien met een situatie in het verdere verleden, maar lijkt nogal strijdig met de rest van haar argumentatie in deze zaak). Ook de bewering dat de twee pakjes die bij de kassatransactie van 18:13 uur buiten de scanner gebleven waren, allebei voor [getuige 1] en niet voor haar bestemd waren, is in het licht van de transactie van 20:33 uur onaannemelijk: voor het pakje tabak (Elixyr), dat volgens de bewaker [getuige 2] niet bij kassa 3 op de band lag, mag dit opgaan (de kantonrechter heeft niet kunnen vaststellen dat [eiseres] bij de ontvreemding daarvan een directe rol gespeeld heeft), maar voor het pakje sigaretten ligt dit anders. [eiseres] had er dan ook (maar dat zou evenzeer gelden voor twee pakjes die zij eventueel beoogde voor [getuige 1] aan te schaffen) op moeten toezien dat het pakje Marlboro gescand én betaald werd. Zij kende de kassa-instructies en controle-eis als geen ander en kan zich niet verschuilen achter onoplettendheid.

Het gegoochel met de andere aankopen in de stellingname van [eiseres] (eerst wel een wenskaart, toen weer niet, maar weer wel douchegel en deodorant) en de later in de procedure getoonde onzekerheid over feiten of chronologie waar zij eerder een schijnbare overtuiging aan de dag legde, maakt de ontkenning van de opzet tot frauduleus handelen althans medewerking daaraan, bepaald niet overtuigender. Het gaat niet aan dat [eiseres] zich thans volledig achter [getuige 1] lijkt te willen verschuilen, die ‘zonder haar weten’ de pakjes sigaretten ‘niet aangeslagen’ heeft. Het door PLUS in de discussie betrokken argument dat een caissière die met geld van haar werkgeefster omgaat, te vertrouwen moet zijn en dat [eiseres] dit vertrouwen beschaamd heeft, zet zoden aan de dijk. Zelfs waar PLUS zich niet uitdrukkelijk op concrete geschreven instructies, harde beleidsregels en in het vooruitzicht gestelde sancties beroept. Dat die in concreto niet bestonden, is immers van de kant van [eiseres] niet als rechtvaardiging aangevoerd: zijn ontkent simpelweg een gedraging die het vertrouwen fundamenteel schond.

Dat er dus alleszins grond bestond voor PLUS om de sanctie van ontslag op het incident van 19 september 2013 ten aanzien van (ook) [eiseres] toe te passen, moet beaamd worden. Daaraan wordt onvoldoende afgedaan door het op zichzelf opmerkelijke feit dat PLUS terstond haar conclusies getrokken heeft zonder [eiseres] over het gebeurde te horen, daarmee het risico lopend dat zij er geheel naast zou zitten. Die procedurele schoonheidsfout zou haar wel opgebroken zijn als het later door [eiseres] alsnog gevoerde verweer plausibeler geweest was dan het thans blijkt te zijn of als [eiseres] met tastbaar tegenbewijs was gekomen. Of PLUS met de in de brief van 20 september 2013 verwoorde dringende reden ook tot onverwijlde opzegging kon overgaan, zal in het licht van de betwisting door [eiseres] dat de opgegeven reden juist én van voldoende dringend kaliber was, met name op het tweede aspect nader bezien moeten worden. Hoewel de genoemde kwalificatie in de opzeggingsbrief ‘betrokken bij fraude en/of diefstal en/of verduistering’ anders lijkt te suggereren, wordt hier [eiseres] niet rechtstreeks enig verwijt met een strafrechtelijke connotatie gemaakt. Dat laatste lijkt veeleer gereserveerd te zijn voor de rol van [getuige 1], die uiteindelijk de kassa bediende en geacht werd [eiseres] bij vertrek uit het filiaal te controleren. De ‘betrokkenheid’ van [eiseres] werd door PLUS in de ontslagbrief met name gelegd bij het ‘gebleken’ zijn van het na de dienst ‘mee naar huis’ genomen hebben van ‘twee pakjes sigaretten….. zonder dat deze zijn betaald’. De ‘opzet’ daartoe en het ‘bewust handelen’, ook in de brief verwoord, kan hier afgeleid worden uit de voldoende geachte waarneming dat [eiseres] een pakje sigaretten met haar werkuniform afdekte en in haar tas moffelde. Enige twijfelpunt voor de kantonrechter in de onderhavige zaak is dat PLUS er ten opzichte van [eiseres] in de aanzegging van is uitgegaan (ook waar het de werkelijke waarde van de transactie betrof) dat [eiseres] ‘twee pakjes sigaretten’ niet afrekende, terwijl dit slechts van één pakje in rechte is vastgesteld. Het had [eiseres] echter in de gehele context duidelijk kunnen en moeten zijn dat - ondanks het ongenoemd blijven van een op papier gezet beleid van de onderneming dat iedere (ook geringe) vorm van financiële onregelmatigheid op geen enkele wijze door de vingers gezien zou worden - zowel het wegnemen van twee pakjes sigaretten als dat van één pakje zonder te betalen, door haar werkgever als dringende reden aangemerkt werd en voldoende geacht werd voor ontslag op staande voet. De bedoeling van de werkgever om ook bij vaststelling van ontvreemding van de helft van de veronderstelde verdwenen producten [eiseres] te ontslaan om een dringende reden, mag in dit geval in de ontslagbrief ingelezen worden. De leeftijd van [eiseres], haar korte dienstverband én haar verhullende wijze van opereren bij en na het incident brengen tot slot met zich dat ook de overige omstandigheden (over de privésfeer heeft [eiseres] zich niet uitgelaten) niet maken dat ontslag op staande voet hier een te zwaar middel was.

Met instandhouding van het zelfs door [eiseres] gerespecteerde einde van de arbeidsverhouding doch zonder dat aan die opzegging het dringende en onverwijlde karakter op verlangen van [eiseres] ontnomen kan worden, worden alle (resterende) vorderingen aan [eiseres] ontzegd, zodat in het midden kan blijven of de wijze waarop zij haar vorderingen op ieder onderdeel omschreven en ingericht heeft, aan rechtens te stellen eisen voldoet.

Als geheel in het ongelijk gestelde partij dient [eiseres] in de proceskosten verwezen te worden, die aan de zijde van PLUS op € 350,00 aan salaris gemachtigde bepaald worden (conform het bij antwoord gevorderde met uitvoerbaarheid bij voorraad).

BESLISSING

De vorderingen van [eiseres] - voor zover zij deze zelf in voortgezet debat gehandhaafd heeft - worden alle afgewezen.

[eiseres] wordt daarom veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van PLUS tot de datum van dit vonnis begroot op € 350,00 aan salaris gemachtigde.

Het vonnis wordt voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht,

en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.