Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:4079

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
01-05-2014
Zaaknummer
03/700661-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van een straatroof in vereniging, openlijke geweldpleging en bedreiging met een (nep)vuurwapen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700661-13

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 april 2014

in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. R.R.J.W. Delsing, advocaat te Kerkrade.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is (inhoudelijk) behandeld op de zittingen 11 februari 2014 en 15 april 2014,

waarbij de officier van justitie, verdachte en diens raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met (een) ander(en) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft afgeperst

en/of samen met (een) ander(en) door middel van geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft bestolen van een beurs.

Feit 2: openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3], dan wel samen met (een) ander(en) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht

aan die [slachtoffer 3].

Feit 3: samen met (een) ander(en) [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de aan verdachte onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de aan verdachte onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot de onder 2 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte geweldshandelingen heeft verricht, noch dat hij een significante bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging of nauw en bewust heeft samengewerkt met medeverdachte [medeverdachte]. Verdachte heeft medeverdachte [medeverdachte] enkel onder de aangever vandaan getrokken toen zij met elkaar in gevecht waren. De verdachte heeft dit gedaan met de intentie om de ruzie te beëindigen. Van opzet op het toebrengen van letsel aan aangever of het plegen van geweld tegen aangever was geen sprake. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat

op grond van de bewijsmiddelen in het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte

de aangevers [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] met een vuurwapen heeft bedreigd.

Met betrekking tot de onder 1 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd

aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank1

Feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder a en b ten laste gelegde feiten, gelet op:

- de aangiftes van [slachtoffer 2]2 en [slachtoffer 1]3;

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting.

Feit 2

Op 13 november 2013 deed [slachtoffer 3] (hierna: aangever) bij de politie aangifte ter zake van openlijke geweldpleging. Aangever verklaarde dat hij op 9 november 2013 naar

een verjaardagsfeest was gegaan dat werd gehouden in een café in Brunssum. Omstreeks 03.00 uur had hij het café verlaten. Hij zat in zijn auto (een rode Opel Corsa) op iemand

te wachten toen er voor het café een vechtpartij ontstond. Aangever wilde niets te maken hebben met de ruzie en besloot om zijn auto te verplaatsen. Toen aangever langs de groep ruziënde mensen reed raakte hij met zijn auto de spiegel van een andere auto, die voor het café geparkeerd stond. Aangever reed verder, doch moest vervolgens uitwijken voor een persoon die plotseling voor zijn auto sprong. Hij verloor hierdoor de macht over het stuur

en botste tegen twee paaltjes langs de weg. Toen hij vervolgens het bestuurdersportier van zijn auto opende werd hij door twee donkere mannen, vermoedelijk Antillianen, uit zijn auto getrokken. Aangever kreeg direct harde klappen tegen zijn gezicht en op zijn hoofd. Degene die het meest aan het slaan was droeg een wit T-shirt. Op een gegeven moment lukte het aangever om de persoon met het witte T-shirt vast te pakken. Zij vielen vervolgens beiden

op de grond. De persoon met het witte T-shirt kwam bovenop aangever terecht. Aangever werd vervolgens wederom tegen zijn gezicht en op zijn hoofd geslagen. Plotseling zag hij

dat de man met het witte T-shirt een zilverkleurig vuurwapen in zijn handen had. Aangever zag en voelde dat hij ook met dit vuurwapen tegen zijn gezicht werd geslagen. Dat deed behoorlijk pijn. Uiteindelijk schoot een vriend van aangever te hulp en werd het gevecht beëindigd.4

Medeverdachte [medeverdachte] heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 10 november 2013, samen met verdachte, naar een feest was gegaan in een café in Brunssum. Omstreeks 03.00 uur was het feest afgelopen. [medeverdachte] was vervolgens naar buiten gegaan. Toen [medeverdachte] voor het café stond, zag hij plotseling dat een bestuurder van een rode Opel Corsa, die voor het café geparkeerd stonden, vol gas gaf en tegen een aantal andere geparkeerde auto’s aan reed. De bestuurder reed vervolgens op een aantal mensen af en stopte uiteindelijk voor het café. [medeverdachte] liep hierop naar de auto toe en sprak de bestuurder aan. Toen de bestuurder vervolgens uitstapte, ontstond er een gevecht tussen hem en de bestuurder. [medeverdachte] had

de bestuurder tijdens dit gevecht meermalen met gebalde vuist en met een nepvuurwapen tegen het gezicht geslagen. Volgens [medeverdachte] was de verdachte bij dit gevecht aanwezig en had hij de aangever van hem ([medeverdachte]) afgetrokken. Toen het gevecht was afgelopen, was [medeverdachte] samen met verdachte teruggelopen naar de witte auto van verdachte. Zij waren vervolgens ingestapt en weggereden.5

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat er op 10 november 2013 een feest gaande was in

het café tegenover zijn woning aan de [adres 1] te Brunssum. Op enig moment zag

[getuige 1] vanuit zijn woning dat er een rode Opel Corsa over de [adres 1] reed en in botsing kwam met drie paaltjes die op de stoep stonden. Vervolgens zag [getuige 1] dat er

twee zwarte personen naar de Opel Corsa liepen. Een van deze twee personen opende

het bestuurdersportier van de Opel en trok de bestuurder naar buiten. Vervolgens werd

de bestuurder van de Opel door de twee zwarte mannen vreselijk in elkaar geslagen. De bestuurder van de Opel lag bloedend op de grond en bewoog niet meer. De twee zwarte mannen zijn vervolgens in een witte auto gestapt en weggereden.6

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 10 november 2013 zijn verjaardag vierde

in een café, gelegen aan de [adres 1] te Brunssum. Omstreeks 02.30 uur was het

feest afgelopen. Op een gegeven moment ontstond er een ruzie voor het café. [getuige 2]

zag vervolgens dat [slachtoffer 3] (aangever) langs reed in een auto en dat een andere jongen,

een negroïde man van Antilliaanse afkomst, achter deze auto aan rende. Toen [slachtoffer 3] vervolgens stopte, trok de Antilliaanse jongen hem uit de auto en begon hij [slachtoffer 3] te

slaan. [getuige 2] rende naar de vechtpartij toe om deze te stoppen en zag vervolgens dat

nog een andere Antilliaanse jongen op [slachtoffer 3] af liep en hem eveneens begon te slaan. [getuige 2] sprong bovenop [slachtoffer 3] om hem te beschermen. De twee Antilliaanse mannen stapten vervolgens in een witte auto en reden weg.7

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 10 november 2013 aanwezig is geweest

bij de vechtpartij tussen medeverdachte [medeverdachte] en de bestuurder van de Opel Corsa. Nadat het gevecht was geëindigd, waren hij en [medeverdachte] in verdachtes auto gestapt en weggereden.8 Ter zitting op 15 april 2014 heeft hij verklaard dat hij tijdens de vechtpartij medeverdachte [medeverdachte], die op de grond onder aangever terecht was gekomen, onder de aangever heeft uitgetrokken en daarna de medeverdachte boven op aangever heeft geplaatst.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt op grond van de verklaringen van [slachtoffer 3], [getuige 1] en [getuige 2] vast

dat aangever [slachtoffer 3] op 10 november 2013 door twee personen is mishandeld voor het café aan de [adres 1] te Brunssum. Hierbij is aangever meermalen met gebalde vuisten en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen zijn gezicht en op zijn hoofd geslagen. Op grond van de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] staat vast dat [medeverdachte] een van deze twee mannen is geweest en dat de verdachte er in ieder geval bij aanwezig was. Over de rol van verdachte lopen de verklaringen uiteen. Volgens [medeverdachte] zou verdachte alleen aangever van [medeverdachte] af hebben getrokken op het moment dat die boven op hem lag. De verdachte zelf gaat een stapje verder, hetgeen blijkt uit zijn eigen verklaring, inhoudende dat hij [medeverdachte] niet alleen onder aangever uit heeft gehaald, maar [medeverdachte] vervolgens ook weer boven op aangever heeft geplaatst. Door dit te doen heeft hij geen einde aan de vechtpartij gemaakt, maar heeft hij [medeverdachte] juist in de gelegenheid gesteld hiermee verder te gaan. Uit de verklaringen van aangever en de getuigen [getuige 1]

en [getuige 2] blijkt bovendien dat verdachte nog een stuk verder is gegaan nu deze alle drie verklaren dat “beide donkere mannen” het slachtoffer hebben geslagen.

Genoemde getuigen verklaren ook dat de twee daders van de geweldpleging, nadat de ruzie was beëindigd, samen in een witte auto zijn gestapt en zijn weggereden. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij de persoon was die na de ruzie met [medeverdachte] in de witte auto is gestapt.

De rechtbank komt, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, tot de conclusie dat genoegzaam vast staat dat de verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan het gevecht en dat hij ook zelf geweldshandelingen heeft verricht naar de aangever toe. Hiermee heeft de verdachte zich (mede)schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Het onder 2 primair ten laste gelegde feit kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen.

Feit 3

Op 10 november 2013 deed [slachtoffer 4] aangifte van bedreiging. [slachtoffer 4] verklaarde dat hij die nacht werkzaam was in café “[naam]”. Omstreeks 02.45 uur was het feest afgelopen. Vervolgens was er voor het café een vechtpartij ontstaan tussen Antilliaanse mannen en blanke mannen. Toen het gevecht was beëindigd, waren de twee Antilliaanse mannen in

een auto gestapt en weggereden. Na twee of drie minuten kwamen zij weer terug. [slachtoffer 4]

zag vervolgens dat een van de twee donkere mannen een pistool tegen zijn hoofd hield. Naast [slachtoffer 4] stond diens vriend, genaamd [slachtoffer 5]. Ook hij kreeg het vuurwapen

tegen zijn hoofd gezet. [slachtoffer 4] was vreselijk bang geweest.9

Ook [slachtoffer 5] heeft aangifte gedaan ter zake van bedreiging. [slachtoffer 5] verklaarde

dat hij op 10 november 2013 omstreeks 03.30 uur bij de kroeg “[naam]” stond. Er kwamen twee mannen op hem afgelopen die hem vroegen “of hij een van de jongens had gezien”. [slachtoffer 5] zei dat hij niet wist waar men het over had en de twee mannen liepen vervolgens weg. Even later kwam de man, die hem kort daarvoor had aangesproken, weer terug. Deze man had een zilverkleurig pistool in zijn hand en zette dit pistool tegen het voorhoofd van [slachtoffer 5]. [slachtoffer 5] voelde zich hierdoor bedreigd. [slachtoffer 5] gaf het volgende signalement van de man die hem had bedreigd: licht donkere huidskleur, normaal postuur, kort donker haar en gekleed in donkere kleding.10

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij in de nacht van 10 november 2013 bij het café tegenover zijn woning had gestaan. Hij raakte in gesprek met aangever [slachtoffer 4]. [getuige 1] zag vervolgens dat er twee donkere jongens naar [slachtoffer 4] toeliepen en dat een van deze jongens een vuurwapen tegen het hoofd van [slachtoffer 4] zette.11

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij op 10 november 2013, voor het café aan

de [adres 1], in gevecht is geraakt met de bestuurder van een Opel Corsa. Tijdens dit gevecht heeft hij ook met een imitatievuurwapen geslagen. Nadat dit geweldsincident was beëindigd was [medeverdachte] samen met verdachte naar diens auto gelopen. Zij hadden de auto even verderop geparkeerd en waren vervolgens teruggelopen naar het café. Verdachte, die inmiddels het vuurwapen van [medeverdachte] had overgenomen, had vervolgens op straat diverse mensen met het vuurwapen bedreigd. [medeverdachte] had gezien dat verdachte het vuurwapen ook bij iemand tegen het hoofd had gezet. [medeverdachte] had na dit incident het vuurwapen op zijn beurt weer overgenomen van verdachte. Hij was vervolgens weggelopen en had het vuurwapen even verderop in de struiken gegooid. [medeverdachte] had naar eigen zeggen niemand bedreigd met het vuurwapen.12

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij, nadat de vechtpartij was beëindigd, met medeverdachte [medeverdachte] is teruggelopen naar zijn auto. Zij zijn vervolgens weggereden en hebben de auto verderop geparkeerd. De verdachte had vervolgens het wapen overgenomen van [medeverdachte]. Daarna waren zij samen weer teruggelopen naar het café. Toen zij voor het

café stonden kwam een beveiliger op verdachte af. Verdachte had vervolgens naar eigen zeggen het vuurwapen op de beveiliger gericht en tegen hem gezegd: “back up”.13

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt op grond van de hiervoor weergegeven verklaringen van [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [getuige 1] en medeverdachte [medeverdachte] vast dat [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] door een zwarte/Antilliaanse man zijn bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Uit de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] leidt de rechtbank af dat deze persoon verdachte moet zijn geweest. Hij was immers degene die op het moment van de bedreigingen het (nep)vuurwapen voorhanden had. Daarbij komt dat het signalement van de dader past bij verdachte.

Verdachte heeft ter zitting ontkend dat hij het wapen tegen het hoofd van de twee aangevers heeft gezet. De rechtbank gaat echter voorbij aan deze ontkennende verklaring, nu zij geen aanleiding ziet om op dit punt te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]. Temeer niet nu deze verklaringen steun vinden in de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] en de getuige [getuige 1].

De rechtbank komt, gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, tot de conclusie dat het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend wordt bewezen, met dien verstande dat verdachte dit feit alleen heeft gepleegd. Uit het dossier blijkt immers niet dat nog iemand anders betrokken was bij de door verdachte gepleegde bedreigingen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 8 november 2013 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met anderen,

a.

met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een beurs en een Sony PSP portable type 3000 en een GSM (merk Samsung, type Galaxy S III mini) en een GSM (merk HTC, type Desire HD), toebehorende aan genoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],

en

b.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben weggenomen een beurs met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen genoemde [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk

om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld en welke bedreiging met geweld heeft bestaan in:

- het tegen deze [slachtoffer 1] zeggen "Give me your money" en

- het richten op, althans tonen aan, genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van een pistool, in elk geval van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en

- het tegen die [slachtoffer 2] zeggen "Geef mij je mobiel nu" en

- het meermalen slaan van voornoemde [slachtoffer 2];

2. ( primair)

op 10 november 2013 in de gemeente Brunssum met een ander, op de openbare weg,

de [adres 1], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3],

welk geweld bestond uit het meermalen slaan van voornoemde [slachtoffer 3], al dan niet gebruikmakend van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp;

3.

op 10 november 2013 in de gemeente Brunssum, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van deze [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] geduwd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

diefstal, voorafgegaan en vergezeld door geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Feit 2 primair:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Feit 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman acht de door de officier van justitie geëiste straf, mede gelet op de door hem bepleite vrijspraak ter zake van de feiten 2 en 3, buitenproportioneel hoog. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de LOVS-oriëntatiepunten en het advies

van de reclassering. De verdachte is bereid om zich aan eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden te houden.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen

is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is

gekomen. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 8 november 2014 samen met twee mededaders schuldig gemaakt

aan een straatroof. Zij hebben de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op de openbare weg, voor de ouderlijke woning van [slachtoffer 2], omsingeld en vervolgens door middel van geweld

en bedreiging met geweld beroofd van diverse waardevolle persoonlijke bezittingen. Met het plegen van dit misdrijf heeft verdachte getoond geen enkel respect te hebben voor andermans eigendom, levenssfeer en lichamelijke integriteit. Het behoeft geen betoog dat de straatroof, waarbij niet alleen (licht) geweld is gebruikt, maar ook met een (imitatie)pistool is gedreigd, voor de slachtoffers een zeer beangstigende en bedreigende ervaring is geweest. De ervaring leert dat een dergelijk misdrijf een zodanige grote impact heeft op slachtoffers dat zij daar nog lange tijd nadelige gevolgen van kunnen ondervinden. Dat hiervan in elk geval bij

het slachtoffer [slachtoffer 2] sprake van is blijkt uit de door hem op schrift gesteld toelichting

op zijn vordering tot schadevergoeding.

Voorts heeft de verdachte zich kort daarna, op 10 november 2014, schuldig gemaakt aan bedreiging van twee personen met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en openlijke geweldpleging. De verdachte heeft samen met zijn mededader het slachtoffer [slachtoffer 3] meermalen geslagen. Het slachtoffer heeft het handelen van verdachte en zijn mededader

als buitengewoon bedreigend ervaren en als gevolg daarvan ook ernstig letsel opgelopen,

te weten een jukbeenbreuk en een oogkasbreuk.

Nadat de vechtpartij was geëindigd heeft de verdachte het nog twee willekeurige personen bedreigd door een (imitatie)vuurwapen tegen hun hoofd te zetten. Voor de slachtoffers is dit zeer beangstigend geweest. Het handelen van verdachte is maatschappelijk gezien volstrekt onaanvaardbaar en brengt bovendien, gelet op de omstandigheid dat de feiten voor een café zijn gepleegd waar zich op dat moment veel uitgaanspubliek bevond, gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij teweeg.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 april 2014, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, alsmede met het over de verdachte uitgebracht reclasseringsrapport d.d. 21 januari 2014, waarin wordt geadviseerd om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht.

De rechtbank acht, gelet op de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten,

de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers, een gevangenisstraf de enige passende strafmodaliteit. Bij het bepalen van

de hoogte van de straf heeft de rechtbank gelet op de LOVS-oriëntatiepunten de straffen

die doorgaans in min of meer soortgelijke zaken worden opgelegd.

Alles afwegende vindt de rechtbank het passend en geboden om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht.

6 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 1.721,70 ter zake van feit 1. De vordering bestaat uit € 1.500,00 aan immateriële schade en € 241,70 aan materiële schade (kapotte jas, kapotte bril en gestolen telefoon). Tevens zijn gevorderd de kosten voor rechtsbijstand ten bedrage van € 100,00.

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 2.653,77 ter zake van feit 2. De vordering bestaat uit € 903,77 aan materiële schade (schade aan een overhemd en jas, medische kosten en reiskosten) en € 1.750 aan immateriële schade.

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vorderingen van

beide benadeelde partijen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schadevergoeding ter zake van de gestolen telefoon moet worden afgewezen, nu de gestolen telefoon al aan de benadeelde is teruggegeven. De gevorderde schade ter zake van de kapotte bril is volgens

de raadsman aan de hoge kant. Hij heeft verzocht om dit bedrag te matigen. De raadsman heeft de schade aan de jas niet betwist. Ten slotte heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering voor wat betreft de gevorderde immateriële schade. Hij heeft daartoe, kort gezegd, betoogd dat op grond van artikel 6:106 BW vergoeding van niet fysiek letsel alleen mogelijk is als

er sprake is van dusdanig psychisch letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting

van de persoon. Dat is door de benadeelde partij [slachtoffer 2] echter onvoldoende onderbouwd.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De raadsman heeft de gevorderde schade niet uitdrukkelijk betwist, maar - gelet op de door hem bepleite vrijspraak van de aan de vordering ten grondslag liggende feiten - verzocht om de vordering af te wijzen, dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Uit het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtsreeks materiële en immateriële schade heeft geleden. De rechtbank acht de gevorderde materiële schade ter zake van de kapotte jas en bril voldoende onderbouwd. Zij zal deze schade dan ook volledig toewijzen. De gevorderde schadevergoeding ter zake van de gestolen telefoon zal de rechtbank afwijzen, nu uit de beslagstukken blijkt dat de gestolen telefoon reeds aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] is teruggegeven.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is - anders dan de verdediging - van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] immateriële schade heeft geleden als gevolg van de pijn die door de verdachte teweeg is gebracht. De rechtbank waardeert deze schade, gelet op de vergoedingen die doorgaans in soortgelijke zaken worden toegekend, op € 300,-. Zij zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen.

De rechtbank zal de benadeelde echter niet-ontvankelijk verklaren in de door hem gevorderde immateriële schade voor zover deze vordering is gebaseerd op psychisch letsel. Immateriële schade ter zake van psychisch letsel kan slechts in een beperkt aantal gevallen worden toegekend. Deze gevallen zijn limitatief opgesomd in de wet (artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Uit het voegingsformulier blijkt dat de benadeelde partij behoorlijk is aangeslagen door het bewezen verklaarde handelen van verdachte. De rechtbank begrijpt dat de benadeelde partij deze negatieve gevoelens graag op verdachte wil verhalen. De wet stelt echter strenge eisen aan het verhalen - op daders - van deze negatieve gevoelens. Verhaal is alleen dan mogelijk als sprake is van dusdanig psychisch letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. Hiervan is slechts sprake indien het psychisch letsel een voldoende ernstig karakter heeft. Gevoelens van angst en schrik vallen daar niet onder. Eventuele ernstigere psychische schade die mogelijk wel voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen is op basis van de door de benadeelde partij aangevoerde gegevens onvoldoende onderbouwd.

Resumerend zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] deels toewijzen tot een bedrag van € 513,70 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 november 2013 tot aan de dag van volledige voldoening. De benadeelde partij [slachtoffer 2] zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Nu verdachte het bewezen verklaarde feit tezamen en in vereniging met twee anderen heeft gepleegd zal de rechtbank de vordering hoofdelijk toewijzen.

Om te bevorderen dat de toegekende vordering door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze.

De rechtbank zal verdachte tevens veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op € 100,-.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De rechtbank is van oordeel dat uit het verhandelde ter terechtzitting voldoende is gebleken dat [slachtoffer 3] als gevolg van het onder feit 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte (en zijn mededader) rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden.

Nu de vordering niet uitdrukkelijk is betwist door of namens de verdachte, zal de rechtbank deze volledig toewijzen, en wel hoofdelijk omdat de verdachte het feit samen met een ander heeft gepleegd. Zij zal daarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7 Het beslag

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen (nep)vuurwapen dient te worden onttrokken aan het verkeer. De overige bij verdachte in beslag genomen goederen dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36b, 36d, 36f, 57, 141, 285, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder

4is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar de algemene voorwaarden of de bijzondere voorwaarden heeft overtreden;

  • -

    stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.” en,

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte

  • -

    zich binnen vijf dagen volgend op het einde van de detentie dient te melden bij Reclassering Nederland op het adres: Heerderweg 25 te Maastricht. Hierna moet verdachte zich blijven melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging

van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te

[adres 2], van een bedrag van € 513,70 te vermeerderen met

de wettelijke rente vanaf 8 november 2013 tot aan de dag van volledige voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door een of meer mededaders is betaald, verdachte

niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen;

  • -

    wijst af de vordering van de benadeelde partij ter zake van de post ‘Telefoon’;

  • -

    verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer,

€ 513,70 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft,

te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 november 2013 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat voor zover voornoemd bedrag door een of meer mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] vervalt en omgekeerd;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten van de benadeelde partij voornoemd in het kader

van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken, tot op heden begroot op € 100,-;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende te [adres 3], van een bedrag van € 2.653,77;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] te betalen;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer,

voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 36 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft,

  • -

    bepaalt dat voor zover voornoemd bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] vervalt en omgekeerd;

Beslag

  • -

    verklaart aan het verkeer onttrokken het onder de verdachte in beslag genomen wapen, zijnde een imitatievuurwapen (goednummer 2269109);

  • -

    beveelt de teruggave aan de verdachte van de bij hem in beslag genomen, maar nog niet teruggeven SIM-kaarten (goednummers 2269206 en 2269207).

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Romme, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 april 2014.

Buiten staat

Mr. S.V. Pelsser is niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 8 november 2013 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

a.

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een beurs en/of een Sony PSP portable type 3000 en/of een GSM (merk Samsung, type Galaxy S III mini) en/of een GSM (merk HTC, type Desire HD), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan genoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

b.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hee/hebben weggenomen een beurs met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte enof zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen genoemde [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld heeft bestaan in:

- het tegen deze [slachtoffer 1] zeggen "Give me your money" en/of

- het richten op, althans tonen aan, genoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van een pistool, in elk geval van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of

- het tegen die [slachtoffer 2] zeggen "Geef mij je mobiel nu" en/of

- het (meermalen) slaan van voornoemde [slachtoffer 2];

2.

hij op of omstreeks 10 november 2013 in de gemeente Brunssum met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [adres 1], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het meermalen slaan van voornoemde [slachtoffer 3], al dan niet gebruikmakend van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 10 november 2013 in gemeente Brunssum tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een oogbreuk en/of een jukbeenbreuk), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal, in het gezicht/tegen het hoofd te slaan, al dan niet gebruikmakend van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp;

3.

hij op of omstreeks 10 november 2013 in de gemeente Brunssum, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen/op het

(voor)hoofd van deze [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] geduwd en/of gehouden.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar de doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit, tenzij anders vermeld, delen van processen-verbaal op ambtsbelofte/ambtseed opgemaakt, als bijlagen opgenomen bij het dossier met proces-verbaalnummer 2013122189, van de regiopolitie Limburg Zuid, gedateerd 7 januari 2013. Het dossier is doorgenummerd van pagina 1 t/m 508.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], pag. 162 t/m 164.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], pag. 154 en 155.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3], pag. 51 en 52.

5 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 437, 438, 440 en 441.

6 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], pag. 106 en 107.

7 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], pag. 114.

8 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 386.

9 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 4], pag. 46 en 47.

10 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5], pag. 48 en 49.

11 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], pag. 106 en 107.

12 Het proces-verbaal van verhoor van (mede)verdachte [medeverdachte], pag. 447.

13 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 386.