Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:4046

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
01-05-2014
Zaaknummer
C/04/124698 / FA RK 13-1112
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De moeder verzoekt om vervangende toestemming voor de door haar voorgenomen verhuizing van Noord-Limburg naar Zuid-Limburg, alsmede voor de inschrijving van de minderjarige bij een onderwijsinstelling in Zuid-Limburg. Ondanks dat de raad in afwijzende zin adviseert, wijst de rechtbank de verzoeken toch toe. Volgens de rechtbank is het hoofdzakelijk van belang dat partijen hun onderlinge communicatie verbeteren. Het slagen daarvan is niet woonplaatsafhankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Familie en jeugd

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: C/04/124698 / FA RK 13-1112

Beschikking van 16 april 2014 betreffende ouderlijke verantwoordelijkheden

in de zaak van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats moeder], [adres moeder],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.M.H. Lenaers,

tegen:

[de vader],

wonende te [woonplaats vader], [adres vader],

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.H.M. van Hout,

betreffende de minderjarige:

[de minderjarige], geboren te [geboorteplaats minderjarige] op [geboortedatum minderjarige] 2003, hierna te noemen: de minderjarige.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

- de tussen partijen gegeven beschikking d.d. [datum]30 oktober 2013, waarbij de raad voor de kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) is verzocht een rapport en advies uit te brengen met betrekking tot het hoofdverblijf van de minderjarige;

- het op 28 januari 2014 ingekomen rapport en advies van de raad; [beschrijving nader ingekomen stukken]

- de nadere mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 21 maart 2014 en waarbij zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. M.M.H. Lenaers;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. C.H.M. van Hout;

- mw. [X], vertegenwoordigster van de raad voor de kinderbescherming (hierna te noemen: de raad).

2 Het standpunt van de raad

2.1.

De raad adviseert geen toestemming te verlenen voor de door de moeder voorgestane verhuizing naar Banholt en de inschrijving van de minderjarige bij het Instituut voor Orthopedagogisch Onderwijs te Maastricht. Daartoe stelt de raad dat zij zich niet aan de indruk kan onttrekken, dat de moeder de vader bewust niet heeft geïnformeerd over haar voorgenomen verhuizing naar Banholt. De moeder had de verhuizing op alle andere gebieden namelijk wel reeds tot in detail voorbereid. Door de handelswijze van de moeder is het conflict tussen de ouders opnieuw opgelaaid. De minderjarige is gediagnosticeerd met een autismestoornis en het P5-syndroom. Zij heeft daarom dringend behoefte aan duidelijkheid en structuur. De moeder had klaarblijkelijk geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de vader niet zou instemmen met de voorgestane verhuizing naar Banholt. Hierdoor is voor de minderjarige een onzekere en tevens onrustige situatie ontstaan, hetgeen uiteraard niet in haar belang is te achten. De raad vreest dat de verstoorde communicatie tussen de ouders, door de verhuizing nog meer zal verslechteren. Daar komt bij dat de minderjarige sterke loyaliteitsgevoelens heeft ten opzichte van de vader. Wanneer de moeder naar Banholt verhuist, zal het contact met de vader worden beperkt, zowel in duur als frequentie. Dit acht de raad, gelet op de belangen van de minderjarige, niet wenselijk.

3 Het standpunt van de moeder

3.1.

De moeder verzet zich tegen het advies van de raad. In de visie van de moeder is het rapport van de raad een product van een onzorgvuldig en onvolledig onderzoek. Zo heeft de raadsonderzoeker geen informatie opgevraagd bij de door de moeder opgegeven instanties en heeft de raadsonderzoeker slechts kort met de minderjarige gesproken. De woning in Banholt is nimmer bezocht. De moeder ontkent dat zij de vader buiten spel heeft willen zetten, door hem niet tijdig te informeren over de door haar voorgestane verhuizing. De moeder wil graag samen met de minderjarige een nieuw gezinsverband vormen met haar huidige partner, die reeds in Banholt woont en waarmee zij een serieuze relatie heeft. Daaraan dient een zwaar belang te worden gehecht. Uiteraard dient in het leven van de minderjarige eveneens ruimte te bestaan voor de vader en volgens de moeder zal die ruimte er ook zijn als zij naar Banholt verhuist. De verhuizing naar Banholt hoeft volgens de moeder zeker niet te betekenen dat het contact tussen de vader en de minderjarige zal verminderen. De moeder is tevens bereid om in financiële zin bij te dragen aan het in stand houden van de contactregeling tussen de vader en de minderjarige. De moeder verwacht dat de minderjarige goed zal gedijen in Banholt, temeer nu de minderjarige de weekenden in Banholt als prettig ervaart.

4 Het standpunt van de vader

4.1.

De vader onderschrijft het advies van de raad. Het raadsrapport bevat volgens de vader een duidelijke weergave van de visie van de minderjarige. Van een onzorgvuldig of onvolledig onderzoek is dan ook geen sprake. Volgens de vader wil de minderjarige helemaal niet verhuizen. Zij is bang dat zij haar vader dan te zeer moet gaan missen. De vader stelt dat de moeder haar eigen belang boven de belangen van de minderjarige stelt, door zonder voorafgaand overleg met de vader te verhuizen naar Banholt. De vader vreest dat de bestaande zorgregeling regelmatig niet nagekomen kan worden, omdat de vader over onvoldoende financiële middelen beschikt om steeds heen en weer te reizen van Weert naar Banholt. De vader koestert daarnaast de wens om uiteindelijk naar een co-ouderschapsregeling toe te werken, echter dat zal niet langer mogelijk zijn zodra de minderjarige in Banholt woont. Bij de vader leeft de angst dat de moeder hem volledig uit het leven van de minderjarige zal verbannen. Daarom verzoekt de vader de rechtbank de verzoeken van de moeder af te wijzen.

5 Het oordeel van de rechtbank

5.1.

De rechtbank stelt voorop dat geschillen omtrent de uitoefening van het gezamenlijk ouderlijk gezag op verzoek van de ouders, of één van hen, op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

5.2.

Uit de tot het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat de moeder een serieuze relatie heeft opgebouwd met haar huidige partner, die inmiddels reeds in Banholt woont. De moeder koestert de wens om bij haar huidige partner in te trekken, zodat zij samen met de minderjarige en haar huidige partner in gezinsverband kan samenleven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder dan ook een zwaarwegend belang bij de voorgenomen verhuizing naar Banholt.

De rechtbank dient anderzijds ook te onderzoeken of de belangen van de minderjarige zich mogelijk tegen de door de moeder voorgestane verhuizing verzetten. In dat kader overweegt de rechtbank dat de minderjarige een goede band heeft met beide ouders. De minderjarige koestert sterke loyaliteitsgevoelens ten opzichte van de vader en geniet van de contactmomenten die zij met de vader heeft. In tegenstelling tot de raad, is de rechtbank van oordeel dat een verhuizing naar Banholt de band tussen de vader en de minderjarige niet hoeft aan te tasten. De reisafstand tussen Banholt en Weert is immers niet zodanig dat nakoming van de huidige zorgregeling niet langer mogelijk is. Daarnaast heeft de moeder aangeboden om de vader in financiële zin te compenseren voor de reiskosten die hij dient te maken in het kader van die zorgregeling. Wat partijen verdeeld houdt is hoofdzakelijk het resultaat van een sterk verslechterde oudercommunicatie. Op de ouders rust daarom de belangrijke taak om die onderlinge communicatie - in het belang van de minderjarige - te verbeteren. Indien de communicatie tussen de ouders verstoord blijft, bestaat het gevaar dat de minderjarige daardoor in een loyaliteitsconflict terecht komt, dan wel anderszins belemmerd zal worden in haar ontwikkeling. Gelet op de hedendaagse communicatiemiddelen is het bewerkstelligen van een constructieve oudercommunicatie evenwel niet afhankelijk van eenieders woonplaats. Het enkele feit dat de communicatie tussen de ouders thans is verstoord, staat naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aan de toewijzing van de verzoeken van de moeder in de weg.

Vast staat bovendien dat de minderjarige is gediagnosticeerd met een vorm van autisme, alsook met het P5-Syndroom. De minderjarige heeft daarom behoefte aan duidelijkheid, structuur en regelmaat. In de huidige situatie verblijft de minderjarige wisselend bij de moeder, bij de vader en bij de huidige partner van de moeder. Handhaving van de huidige situatie is vanwege de bestaande onrust en onduidelijkheid dan ook niet in het belang van minderjarige. Omdat de belangen van de minderjarige zich naar het oordeel van de rechtbank niet tegen de verhuizing naar Banholt verzetten, zal de rechtbank toestemming verlenen voor de verhuizing naar Banholt, alsmede voor de inschrijving van de minderjarige bij het Instituut voor Orthopedagogisch Onderwijs te Maastricht.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1. [

bepaalt dat]verleent aan de moeder toestemming om met de minderjarige naar Banholt te verhuizen en de minderjarige in te schrijven bij het Instituut voor Orthopedagogisch Onderwijs te Maastricht;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

[wijst af het meer of anders verzochte]

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Oelmeijer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.R.A. Greven, griffier, op 16 april 2014.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.