Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:3927

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-04-2014
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
03/661079-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Er is sprake van roekeloosheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/661079-13

Datum uitspraak : 28 april 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Raadsman is mr. R.W.H. Krijnen, advocaat te Heerlen.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 april 2014, waarbij werd gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte door zijn schuld op de autosnelweg een ongeval heeft veroorzaakt door plotseling te remmen, waarbij meerdere personen (zwaar) letsel hebben opgelopen , dan wel dat verdachte door aldus te handelen gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3. De beoordeling van het bewijs1

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is van roekeloosheid. De verklaring van verdachte over het hoe en waarom van het remmen is niet geloofwaardig, aangezien deze verklaring niet overeenkomt met de bevindingen uit het proces-verbaal verkeersongevallenanalyse en de verklaringen van getuigen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte geschrokken is van een blikje dat tegen zijn auto werd gegooid en daardoor op de rem heeft getrapt. Die verklaring sluit aan op de verklaring van de twee andere inzittenden van de auto. Zij zijn allen direct ter plaatste gehoord, zodat er geen tijd was de verklaringen op elkaar af te stemmen. Deze lezing staat volgens de raadsman haaks op de lezing van de andere getuigen zodat niet kan worden vastgesteld wat er precies is gebeurd, laat staan dat de mate van verwijtbaarheid bij verdachte kan worden vastgesteld.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

In de nacht van 30 april 2012 heeft er een verkeersongeval plaatsgevonden op de autosnelweg A2, gelegen buiten de bebouwde kom van Ittervoort. De A2 heeft zijn verloop van Amsterdam naar Maastricht. Ter plaatse geldt een maximale snelheid van 120 kilometer per uur.

Bij het ongeval waren drie personenauto’s betrokken, te weten een grijze Toyota Aygo, een zwarte Toyota Starlet en een rode Nissan Micra. De Toyota Aygo en de Toyota Starlet stonden, achter elkaar, stil op de autosnelweg. De achteropkomende Nissan Micra is vervolgens tegen de stilstaande auto’s gereden.2

In de Toyota Aygo zaten verdachte, als bestuurder, en de passagiers [getuige 1] en [getuige 2].3 In de Toyota Starlet zaten [slachtoffer 1], als bestuurster, en de passagiers [slachtoffer 2], [getuige 3] en [getuige 4]. In de Nissan Micra zaten [getuige 5], als bestuurster, en de passagiers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4].4

Letsel

Enkele inzittenden van de bij het verkeersongeval betrokken auto’s, hebben als gevolg van het ongeval letsel opgelopen. Zo had [slachtoffer 3] haar linker onderarm en ribben gebroken.5 Op 8 januari 2013 bleek zij nog steeds last te hebben van dit letsel. De metalen pinnen in haar elleboog en linkerarm moesten nog verwijderd worden. Het ellebooggewricht was geheel verbrijzeld. De linkerarm zal nooit meer geheel genezen.6

Ook [slachtoffer 4] liep als gevolg van het ongeval gebroken ribben op.7 Hij lag 8 dagen in het ziekenhuis.8

[slachtoffer 2] had een gebroken nekwervel.9 Als gevolg van het opgelopen letsel heeft hij tot medio december 2012 thuis gezeten en niet kunnen werken. De komende drie tot vier jaar mag hij geen zwaar fysiek werk doen.10

[slachtoffer 1] had naar aanleiding van het ongeval last van haar knieën, waardoor zij niet langer dan een uur kon staan en haar werkzaamheden in de horeca niet meer kon verrichten. Na het ongeval werd ze drie maanden behandeld door een fysiotherapeut.11

De rechtbank stelt vast dat voornoemde personen letsel hebben opgelopen bij het verkeersongeval op 30 april 2012. Gelet op de ernst van het letsel en de duur van het genezingsproces, stelt de rechtbank vast dat het letsel van [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel. [slachtoffer 1] heeft lichamelijk letsel opgelopen, waardoor tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Toedracht verkeersongeval

Over de toedracht van het verkeersongeval overweegt de rechtbank als volgt.

Verklaringen

Verdachte heeft verklaard dat hij op 30 april 2012 ’s avonds als bestuurder van de Toyota Aygo reed over de A2 richting Maastricht.12 Ter zitting heeft verdachte verklaard dat het op dat moment erg donker was. Er was geen straatverlichting.13

Over wat er vervolgens gebeurd is, lopen de lezingen uiteen.

Zo heeft verdachte verklaard dat hij op de linker rijbaan reed toen hij voor zich een zwarte auto zag rijden. Deze auto reed zo’n 100 kilometer per uur. Verdachte wilde de auto passeren. De auto ging echter niet naar de rechterrijstrook. Verdachte seinde hierop met groot licht. Aangezien de auto nog steeds niet aan de kant ging, haalde verdachte de auto via de rechterrijstrook in. Tijdens het voorbijrijden gooide de bijrijder van de Toyota Starlet een blikje tegen de auto van verdachte. Door de schrik drukte verdachte op de rem. Hij remde af tot 20 à 30 kilometer per uur, om vervolgens met zijn voertuig geheel tot stilstand te komen.

Deze verklaring van verdachte wordt bevestigd door de medepassagiers van verdachte, te weten [getuige 1] en [getuige 2].

Verdachte heeft ten overstaan van de politie nog verklaard dat de zwarte auto, voordat hij zijn auto tot stilstand bracht, achter hem reed en dat de zwarte auto tegen de achterkant van zijn auto is gereden. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij pas uit de auto is gestapt nadat de Nissan Micra ook bij het verkeersongeval betrokken is geraakt.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij op de rechterrijstrook reed, toen er achter haar een grijze auto reed. De auto seinde met zijn lichten en reed dicht op haar bumper (bumperkleven). Uiteindelijk haalde de auto haar in. Bij het passeren, stak [slachtoffer 1] haar middelvinger op. Toen de grijze auto voor haar reed, remde deze ineens af. [slachtoffer 1] kon haar voertuig nog net op tijd tot stilstand brengen, zodat zij de grijze auto niet raakte. Beide auto’s stonden stil op de rechterrijstrook. De inzittenden van de grijze auto stapten uit en renden naar de auto van [slachtoffer 1]. Zij sloegen op de ramen. Vervolgens vond er een botsing plaats met een auto, die hen van achteren genaderd was.14 Deze verklaring wordt bevestigd door de medepassagiers van [slachtoffer 1], te weten [slachtoffer 2], [getuige 4] en [getuige 3].15

[getuige 5] heeft verklaard dat zij op 30 april 2012 op de A2 reed, toen zij een aantal rode lichten voor haar op de rechterrijstrook zag. Terwijl zij daar naar toe reed, zag zij dat er voertuigen stilstonden. Zij remde hard en stuurde naar de linkerrijstrook. Daar is zij uiteindelijk met de rechterzijde van de auto tegen de vangrail gereden.16

De zus van [getuige 5], genaamd [slachtoffer 3], zat op de bijrijdersstoel. Zij zag een donkerkleurige auto stilstaan op de rechterrijstrook. Ook zag zij een groep jongeren in de berm staan. Haar zus stuurde naar links, langs de donkerkleurige auto. [slachtoffer 3] voelde desondanks een klap. De auto draaide daarna rond en kwam tot stilstand.17

Op grond van deze verklaringen kan naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval als vaststaand worden vastgesteld dat de Toyota Aygo en de Toyota Starlet op enig moment stil stonden op de rechterrijstrook van de autosnelweg en dat de van achter genaderde Nissan Micra vervolgens tegen één dan wel beide auto’s is gereden.

Over de reden van het stilstaan op de autosnelweg en de wijze waarop het verkeersongeval zich vervolgens heeft voltrokken zijn echter uiteenlopende verklaringen afgelegd. Zo verklaren de inzittenden van de Toyota Aygo dat er vanuit de Toyota Starlet een blikje tegen hun auto werd gegooid. Vervolgens zou verdachte uit een schrikreactie zijn auto tot stilstand hebben gebracht waarna ook de Starlet op de Aygo is gebotst.

Volgens de inzittenden van de Toyota Starlet heeft [slachtoffer 1] haar middelvinger opgestoken naar de inzittenden van de Toyota Aygo en heeft de bestuurder van de Toyota Aygo, zo begrijpt de rechtbank, hen vervolgens door hard te remmen tot stoppen gedwongen, waarna zij uitstapten en ‘verhaal kwamen halen’ bij de inzittenden van de Toyota Starlet. In deze lezing van het gebeurde is de Starlet niet op de Aygo gebotst, maar is alleen een derde auto tegen de stilstaande auto(‘s) gebotst.

De vraag is nu welk verhaal het juiste is. Om die vraag te kunnen beantwoorden heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het sporenonderzoek van de afdeling Verkeersongevallenanalyse, nu dat van alle stukken in het dossier het meest objectieve verslag is van hetgeen zich die avond op de A2 heeft afgespeeld .

Sporenbeeld

Door de politie van de afdeling Verkeersongevallenanalyse werd een onderzoek ingesteld. Op grond van technisch onderzoek, de aangetroffen sporen op het wegdek en de eindpositie van de betrokken voertuigen, kwam de politie tot de volgende conclusie.

De Nissan Micra is met de rechtervoorzijde tegen de linkerachterzijde van de Toyota Starlet gebotst. Door deze botsing schoot de Toyota Starlet voorwaarts naar rechts en kwam op de vluchtstrook tot stilstand.

De Nissan Micra kreeg door de botsing met de Toyota Starlet een impuls naar links en liep hierdoor in zijn voorwaartse snelheid naar links uit. Bij deze uitloop botste de Nissan Micra met de rechtervoorzijde tegen de rechterachterzijde van de stilstaande Toyota Aygo. Beide auto’s haken in elkaar, waardoor de Nissan Micra om zijn middelpunt draaide en achterstevoren met zijn rechterachterzijde tegen de midden vangrail tot stilstand kwam. De Toyota Aygo werd weggedrukt en kwam op de rechts gelegen vluchtstrook tot stilstand.18

De bij het ongeval betrokken auto’s werden nader onderzocht op schade. De Toyota Aygo had schade aan de rechterachterzijde en aan de achterruit. Van de Toyota Starlet was de gehele linker achterzijde beschadigd. De Nissan Micra had een beschadigde rechtervoorzijde en rechterachterzijde.19

De rechtbank stelt aan de hand van het voorgaande vast dat er op twee momenten botsingen hebben plaatsgevonden. Allereerst kwam de Nissan Micra in botsing met de Toyota Starlet en vervolgens kwam de Nissan Micra in botsing met de Toyota Aygo.

Conclusie over de toedracht van het ongeval

Verdachte heeft verklaard dat de Toyota Starlet van achteren tegen zijn auto is aangereden. Deze verklaring is, gelet op het ontbreken van schade aan de voorzijde van de Toyota Starlet, niet aannemelijk. Bovendien was in dat geval te verwachten dat op de plaats van het ongeval glasscherven van de Aygo en Starlet bij elkaar zouden zijn aangetroffen. Daarvan is geen sprake.

De verklaring van verdachte dat hij, nadat er een blikje tegen zijn auto werd gegooid, uit een schrikreactie heeft geremd, past evenmin in het sporenbeeld.

Ook op andere gronden acht de rechtbank de verklaring van verdachte, dat sprake is geweest van een schrikreactie, ongeloofwaardig. Uitgaande van de eigen verklaring van verdachte moet er namelijk behoorlijk wat tijd zijn verstreken tussen het gooien van het blikje en het remmen, nu verdachte op het moment dat het blikje werd gegooid rechts naast de Toyota Starlet reed. Om vervolgens vóór de Toyota Starlet te kunnen komen, heeft verdachte dus eerst nog gas moeten geven, is de Toyota Starlet daarna achter verdachte gaan rijden en vervolgens moet hij nog hebben geremd. Gelet op de tijd die uitgaande van de verklaring van verdachte, moet hebben gezeten tussen het blikje dat gegooid werd en het remmen, is het niet aannemelijk dat het remmen in een schrikreactie is gebeurd.

Daarbij komt dat de verklaring van verdachte, dat hij pas nadat de Nissan Micra was gebotst, is uitgestapt, niet strookt met de verklaringen van de inzittenden van de Toyota Starlet noch met de verklaring van [slachtoffer 3], die nog vóórdat de Nissan Micra botste jongeren in de berm zag staan.

De rechtbank acht de lezing zoals die volgt uit de verklaring van verdachte en zijn medepassagiers om de hiervoor genoemde redenen dan ook niet aannemelijk. De verklaringen van de inzittenden van de Toyota Starlet worden daarentegen wel ondersteund door het sporenonderzoek en door de verklaringen van de inzittenden van de Nissan Micra. De rechtbank zal deze verklaringen dan ook als uitgangspunt nemen. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte naar aanleiding van een verkeersruzie zijn auto tot stilstand heeft gebracht, waarna de achter hem rijdende auto eveneens tot stoppen werd gedwongen. Verdachte is uit zijn uitgestapt om verhaal te halen bij de auto die achter hem reed en kort daarna is een derde auto op de beide stilstaande auto’s gebotst.

Mate van schuld

De rechtbank acht verdachte op grond van het vorenstaande schuldig aan het veroorzaken van het verkeersongeval en dient vervolgens de vraag te beantwoorden in welke mate hij schuld heeft gehad. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van "roekeloosheid".

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

Van “roekeloosheid” is slechts in uitzonderlijke gevallen sprake. "Roekeloosheid" in de zin van de wet heeft een specifieke betekenis die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" - in de betekenis van "onberaden" - wordt verstaan.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van “roekeloosheid” moet sprake zijn van een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen. De verdachte moet zich daarvan ook bewust zijn geweest (zie Hoge Raad 18 februari 2014, ECLI HR:2014:351).

Verdachte heeft zijn auto doelbewust tot stilstand gebracht op de autosnelweg, om verhaal te halen naar aanleiding van een verkeersruzie. Doordat verdachte abrupt remde, was de bestuurster van de achterop komende auto genoodzaakt haar auto eveneens tot stilstand te brengen. Op die manier heeft zij kunnen voorkomen dat zij achterop de auto van verdachte is gebotst. Verdachte is vervolgens uit zijn auto gestapt om verhaal te halen bij de auto achter hem en heeft zijn auto onbemand achtergelaten.

Door het handelen van verdachte stonden twee auto’s stil op de rechterrijstrook. Bij nacht, zonder noodzaak, stilstaan op de rijbaan van een onverlichte autosnelweg, merkt de rechtbank aan als buitengewoon onvoorzichtig gedrag waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven wordt geroepen, doordat het achteropkomende verkeer volstrekt niet bedacht is op een dergelijke situatie op die plaats op de weg. Daar komt nog bij dat op de autosnelweg met hoge snelheden, zo’n 120 kilometer per uur, wordt gereden. Die snelheden zullen ’s avonds, wanneer het relatief rustig op de weg is, wellicht nog hoger liggen. In ieder geval maken deze snelheden het voor andere verkeersdeelnemers lastiger adequaat te reageren en verhogen deze de risico’s. Dat verdachte zich bewust was van de gevaren van zijn handelen, blijkt uit zijn verklaring ter terechtzitting. Hij verklaarde namelijk dat hij niet zomaar langzaam gaat rijden op de autosnelweg. “Dat doet geen normaal mens.”20 Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte zich degelijk bewust was van de gevaren van zijn handelen. Dit heeft verdachte er echter niet van weerhouden om toch midden op de autosnelweg zijn auto tot stilstand te brengen, een andere auto daarmee te dwingen te stoppen en vervolgens zijn eigen auto onbemand achter te laten.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is van roekeloosheid in de zin van de wet.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 30 april 2012 te Ittervoort, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Toyota Aygo), daarmede rijdende over de autosnelweg, A2, komend uit de richting Amsterdam en gaande in de richting Maastricht zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos,

- bij nacht - zijn, verdachtes, personenauto - zonder noodzaak - op de rijbaan van de A2, zijnde een autosnelweg, alwaar een maximumsnelheid van 120 km/u geldt, abrupt tot stilstand te brengen, ten gevolge waarvan genoemd voertuig op die rijbaan stil stond, waardoor een, achter hem, verdachte, rijdende bestuurster van een personenauto (Toyota Starlet) het door haar bestuurde voertuig eveneens abrupt tot stilstand moest brengen, terwijl op dat moment een bestuurster van een personenauto (Nissan Micra), rijdende op dezelfde weg (de auto van) hem, verdachte en de bestuurster van die Toyota Starlet aan de achterzijde aan het naderen was en de snelheid van het door haar, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en niet voldoende kon verminderen en niet behoorlijk uit kon wijken om een aanrijding en/of botsing met die zich vóór haar bevindende auto’s te voorkomen, waardoor de bestuurster van laatstgenoemd voertuig (Nissan Micra), met haar voertuig in botsing of aanrijding is gekomen met de Toyota Starlet en de Toyota Aygo, waardoor anderen, te weten:

- [slachtoffer 3] (inzittende Nissan Micra), zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken onderarm (links) en gebroken ribben werd toegebracht,

- [slachtoffer 4] (inzittende Nissan Micra), zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken ribben werd toegebracht,

- [slachtoffer 2] (inzittende Toyota Starlet), zwaar lichamelijk letsel, te weten een nekfractuur werd toegebracht,

en

- [slachtoffer 1] (inzittende Toyota Starlet) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

4.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

4.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat

5 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

6 De oplegging van straffen

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd dat verdachtes rijbewijs al werd ingevorderd. In de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn. Dit is volgens de officier van justitie reden om een ‘korting’ van 25 % toe te passen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht in de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte zal vrijwel zeker zijn baan verliezen wanneer hem een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegd zal worden opgelegd.

Hij heeft mede om dezelfde reden tevens verzocht verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. In plaats daarvan heeft de raadsman oplegging van een taakstraf, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een (deels) voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid in overweging gegeven.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op het volgende.

Verdachte heeft midden in de nacht na een verkeersruzie zijn auto plotseling tot stilstand gebracht op een onverlichte autosnelweg. Door zijn abrupte wijze van remmen, werd de achter hem rijdende auto, die betrokken was bij de ruzie, eveneens gedwongen te stoppen. Verdachte is vervolgens met zijn medepassagiers verhaal gaan halen bij de inzittenden van die auto. Het gedrag van verdachte heeft ertoe geleid dat er een levensgevaarlijke situatie op de autosnelweg is ontstaan. Een derde, achteropkomende auto kon de stilstaande auto’s niet meer ontwijken en is met beide auto’s in botsing gekomen. Enkele inzittenden hebben als gevolg van het verkeersongeval (zeer) ernstig letsel opgelopen. In meer of mindere mate worden zij, zoals door twee van hen ter zitting naar voren is gebracht, nog steeds met de gevolgen geconfronteerd.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich niet schuldig voelt over hetgeen er is gebeurd. Hij heeft zelfs de stelling betrokken dat het ongeval niet door hem maar door de inzittenden van een van de andere auto’s is veroorzaakt. De rechtbank vindt dit, gelet op de evidente schuld van de kant van verdachte, uiterst zorgwekkend.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het LOVS. Bij een veroordeling wegens artikel 6 WVW 1994, waarbij sprake is van roekeloos rijgedrag en zwaar lichamelijk letsel, wordt doorgaans een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 24 maanden opgelegd.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden. Deze termijn vangt namelijk aan op het moment dat door of vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstige voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. Met ingang van dit tijdstip dient de strafzaak binnen twee jaar in eerste aanleg te worden afgesloten met een vonnis. In het onderhavige geval moet als aanvang van de termijn 30 april 2012 worden aangehouden, nu verdachte op die dag werd aangehouden. De inhoudelijke behandeling vond plaats op 14 april 2014. De rechtbank heeft op 28 april 2014 vonnis gewezen. Hierdoor is de termijn niet overschreden.

Wel is de rechtbank van oordeel dat sinds het plegen van het feit een behoorlijke periode is verstreken. De zaak had veel eerder op zitting kunnen worden aangebracht. Dit dient tot uitdrukking te worden gebracht in de strafmaat. De rechtbank zal daarom de duur van de gevangenisstraf enigszins beperken. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden passend.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het rijgedrag van verdachte, een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op zijn plaats is. Hiermee wordt beoogd om verdachte ervan te doordringen voortaan in het verkeer de vereiste voorzichtigheid en oplettendheid te betrachten. De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen reden om af te wijken van het oriëntatiepunt. Daarvoor is het feit simpelweg te ernstig. De omstandigheid dat verdachte hierdoor mogelijk - de stelling van verdachte is immers op geen enkele wijze onderbouwd - zijn baan zou verliezen, maakt dat voor de rechtbank niet anders.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden;

- bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet voor het tenuitvoerlegging vatbaar worden van deze uitspraak ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van voormelde ontzegging van de rijbevoegdheid geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Robroek, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en mr. J.S. Holthuis, rechters, in tegenwoordigheid van C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 april 2014.

Buiten staat

Mr. R. Robroek en mr. B.G.L. van der Aa zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 30 april 2012, te Ittervoort, in elk geval in de gemeente Leudal,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Toyota Aygo), daarmede rijdende over de (autosnel)weg, A2, komend uit de richting Amsterdam

en gaande in de richting Maastricht zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, althans door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- bij nacht - zijn, verdachtes, personenauto - zonder (verkeers)noodzaak - op de rijbaan van de A2, zijnde een autosnelweg, alwaar een maximumsnelheid van 120 km/u geldt, (abrupt) tot stilstand te brengen, tengevolge waarvan genoemd voertuig dwars die rijbaan stil stond,

waardoor een, achter hem, verdachte, rijdende bestuurster van een personenauto (Toyota Starlet) het door haar bestuurde voertuig eveneens (abrupt) tot stilstand moest brengen,

zulks terwijl op dat moment een bestuurster van een personenauto (Nissan Micra), rijdende op dezelfde weg (de auto van) hem, verdachte en/of de (bestuurster van) die Toyota Starlet aan de achterzijde aan het naderen was en/of de snelheid van het door haar, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en niet voldoende kon verminderen en/of niet behoorlijk uit kon wijken om een aanrijding en/of botsing met die zich vóór haar bevindende auto(s) te

voorkomen, waardoor de bestuurster van laatstgenoemd voertuig (Nissan Micra), met het

door haar voertuig in botsing of aanrijding is gekomen met de Toyota Starlet en/of de Toyota Aygo, waardoor een of meer ander(en), te weten:

- [slachtoffer 3] (inzittende Nissan Micra), zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken onderarm (links) en/of een of meer gebroken rib(ben) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

- [slachtoffer 4] (inzittende Nissan Micra), zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer gebroken rib(ben) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

- [slachtoffer 2] (inzittende Toyota Starlet), zwaar lichamelijk letsel, te weten een nekfractuur of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan

en/of

- [slachtoffer 1] (inzittende Toyota Starlet) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 30 april 2012 te Ittervoort, in elk geval in de gemeente Leudal,

op de (autosnel)weg, A2, komende uit de richting Amsterdam en gaande in de richting Maastricht,

- bij nacht - zijn, verdachtes, personenauto - zonder (verkeers)noodzaak - op de rijbaan van de A2, zijnde een autosnelweg, alwaar een maximumsnelheid van 120 km/u geldt, (abrupt) tot stilstand heeft gebracht, tengevolge waarvan genoemd voertuig dwars die rijbaan stil stond, waardoor een, achter hem, verdachte, rijdende bestuurster van een personenauto (Toyota Starlet) het door haar bestuurde voertuig eveneens (abrupt) tot stilstand heeft moeten brengen, zulks terwijl op dat moment een bestuurster van een peronenauto (Nissan

Micra), rijdende op dezelfde weg (de auto van) hem, verdachte en/of de (bestuurster van) die Toyota Starlet aan de achterzijde was genaderd en/of de snelheid van het door haar, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en niet voldoende heeft kunnen verminderen en/of niet behoorlijk uit heeft kunnen wijken om een aanrijding en/of botsing met die zich vóór haar bevindende auto(s) te voorkomen, waardoor de bestuurster van laatstgenoemd voertuig (Nissan Micra), met het door haar voertuig in botsing of aanrijding is gekomen met de Toyota Starlet en/of de Toyota Aygo, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, met proces-verbaalnummer 2012022945, d.d. 4 maart 2013 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse d.d. 23 november 2012, pagina 18 tot en met 20.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 mei 2012, pagina 75.

4 Proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 13 december 2012, pagina 7 en 8.

5 Het geschrift, te weten de geneeskundige verklaring naar aanleiding van onderzoek op 30 april 2012, pagina 73.

6 Proces-verbaal van aanrijding misdrijf d.d. 13 december 2012, pagina 11.

7 Het geschrift, te weten de geneeskundige verklaring naar aanleiding van onderzoek op 1 mei 2012, pagina 74.

8 Proces-verbaal van aanrijding misdrijf d.d. 13 december 2012, pagina 12.

9 Proces-verbaal van verhoor benadeelde [slachtoffer 2] d.d. 3 mei 2012, pagina 93.

10 Proces-verbaal van aanrijding misdrijf d.d. 13 december 2012, pagina 11 en 12.

11 Proces-verbaal van aanrijding misdrijf d.d. 13 december 2012, pagina 12.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 mei 2012, pagina 75.

13 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 14 april 2014 afgelegd.

14 Proces-verbaal van verhoor benadeelde [slachtoffer 1] d.d. 3 mei 2012, pagina 90.

15 Proces-verbaal van verhoor benadeelde [slachtoffer 2] d.d. 3 mei 2012, pagina 92 en 93, proces-verbaal van verhoor benadeelde [getuige 4] d.d. 3 mei 2012, pagina 97 en 98 en proces-verbaal verhoor benadeelde d.d. 3 mei 2012, pagina 95 en 96.

16 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5] d.d. 1 mei 2012, pagina 83.

17 Proces-verbaal van verhoor benadeelde [slachtoffer 3] d.d. 7 mei 2012, pagina 99.

18 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse d.d. 23 november 2012, pagina 27, 51 en 52.

19 Proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 13 december 2012, pagina 6.

20 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 14 april 2014 afgelegd.