Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:3842

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
AWB-12_1689u
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoldoende beoordeling van ambtenaar. Beoordeling ambtenaar heeft niet plaatsgevonden volgens beleid gemeente. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door aan de ambtenaar de eindbeoordeling voldoende/goed toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 12/1689

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te[woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. C.A.M. Lemeer-Smeets),

en

het college van burgemeester en wethouders van de [gemeente], verweerder

(gemachtigde: mr. A. de Visser).

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de vaststelling van de beoordeling van eiseres over 2011 bekendgemaakt aan eiseres.

Bij besluit van 11 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [naam].

Overwegingen

1.

Vanaf 1 januari 2012 is eiseres in dienst van de [gemeente] als medewerkster front office burgerzaken. Haar arbeidsduur bedraagt 24 uur per week.

2.

Bij brief van 2 december 2011 heeft de gemeentesecretaris aan eiseres laten weten dat aan haar direct leidinggevende opdracht is gegeven een dienstrooster in te voeren. Eiseres was het niet eens met het concept-rooster, zoals dat – na een traject van enkele maanden – is opgesteld. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 14 maart 2012 ongegrond is verklaard. Vervolgens heeft eiseres beroep ingesteld. Het beroep is bij uitspraak van 19 september 2012 ongegrond verklaard door de rechtbank Roermond (AWB 12/553).

3.

De beoordeling van eiseres over 2011 is vastgesteld op 26 maart 2012. Het niveau van kennis en ervaring is als “goed” beoordeeld, ten aanzien van de prestatie afspraken scoort eiseres eveneens “goed”, enkel ten aanzien van de akten burgerlijke stand is zij “voldoende-goed” beoordeeld. De competentie integriteit is “goed” beoordeeld, de competentie dienstbaarheid “inhoudelijk: goed, in team: onvoldoende”, resultaatgerichtheid “goed”, competentie zelfsturing “goed”, creativiteit scoort “goed”, de competentie aanpassingsvermogen is als “onvoldoende” beoordeeld. De algemene beoordeling is “onvoldoende”.

Over de competentie dienstverlenend is de volgende toelichting opgenomen:

“[voornaam] is klantgericht en zoekt naar de beste oplossing voor de klant. Ze staat klanten op een nette, vriendelijke manier te woord.

Dienstverlenend betekent echter ook dat je je flexibel opstelt en samen met je collega’s verantwoordelijkheid neemt voor een voldoende bezetting, zodat de klant niet lang hoeft te wachten. Dit zie ik onvoldoende bij [voornaam], gezien haar houding rondom het aangepaste rooster. Hier hebben we het ook uitgebreid over gehad in het functioneringsgesprek.”

Over de competentie aanpassingsvermogen is de volgende toelichting opgenomen:

“[voornaam] heeft zich zeer star opgesteld bij het komen tot het aangepaste rooster. Ze redeneerde hierbij niet vanuit het team of het gezamenlijk belang, maar vanuit haarzelf en haar wensen en mogelijkheden. Je zult hier samen met een team uit moeten komen. Ze legt de verantwoordelijkheid daarvoor buiten zichzelf neer. Dit zorgt voor een bepaalde negativiteit, die ook overslaat op de collega’s.”

De algemene beoordeling onvoldoende is op de volgende wijze toegelicht:

“In de hele beoordeling komt duidelijk terug dat er een onderscheid is tussen het inhoudelijke functioneren van [voornaam] aan de balie; dat gaat goed. Op houding en gedrag en de opstelling van [voornaam] in het team zijn er wat aandachtspunten en scoort ze onvoldoende. Deze tweedeling maakt het voor mij als teammanager erg moeilijk om tot een algemeen eindoordeel te komen.

Het traject rondom het rooster heeft veel tijd en (negatieve) energie gekost, en heeft veel consequenties (gehad) voor de rest van het team. De houding van [voornaam] is hierin totaal niet constructief geweest, en voor mij zeer teleurstellend. In een team van 8, waarmee je samen de bezetting moet regelen, is het nodig dat alle teamleden zich flexibel opstellen en hierin hun eigen verantwoordelijkheid nemen. We hebben hier meerdere malen over gesproken, in het functioneringsgesprek en ook in de gesprekken met [H.] (de gemeentesecretaris, KJ), dit heeft echter niet geleid tot een verandering in houding bij [voornaam].

Om deze redenen heb ik de score van [voornaam] op dat aspect van houding en gedrag en opstelling in het team zwaarder laten wegen dan het inhoudelijk functioneren, en komt de algemene beoordeling uit op een onvoldoende.

Ik wil de punten waar [voornaam] nu onvoldoende op scoort, dan ook terugzien in het IWP 2012, en ik wil daar verbetering in zien komend jaar.”

4.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze beoordeling. Zij heeft kanttekeningen geplaatst bij de beoordeling en aangegeven wanneer zij extra heeft gewerkt in 2011. Eiseres betoogt dat zij zich wel degelijk flexibel heeft opgesteld richting de rest van het team door suggesties te doen, zodat zij haar “omadag” op vrijdag kan behouden.

5.

Met eiseres hebben eerder, namelijk op 29 december 2010 en op 4 juli 2011, functioneringsgesprekken plaatsgevonden. In het verslag van het functioneringsgesprek van 29 december 2010 is opgenomen dat eiseres flexibiliteit vertoont en voor collega’s invalt als dit nodig is. Verder staat in het verslag vermeld dat eiseres soms doorslaat in het negatief blijven hangen in dingen. De beoordeling tijdens de beoordelingsperiode is voldoende. Er is een individueel werkplan (IW) opgesteld voor 2011. Er zijn geen ontwikkelpunten benoemd die samenhangen met de competenties die over de periode 2011 als onvoldoende zijn beoordeeld. Uit het verslag van het functioneringsgesprek van 4 juli 2011 volgt dat haar leidinggevende van eiseres verwacht: een positieve houding en instemming als er straks een nieuw basisrooster ligt en flexibiliteit bij veranderingen en noodzakelijke inzet aan de balie, ook met een nieuw basisrooster. Onder het kopje “houding en gedrag” is niets opgenomen over flexibiliteit en over aanpassingsvermogen in het team. Over dienstverlenend is enkel opgemerkt dat eiseres klantgericht is. Er is een IW 2012 vastgesteld. Daarin is per competentie aangegeven op welk niveau eiseres functioneert, waarbij tevens een toelichting is gegeven.

6.

De commissie bezwaarschriften (de commissie) heeft verweerder geadviseerd het bezwaar deels ongegrond en deels gegrond te verklaren. Volgens de commissie zijn de bezwaren tegen de onvoldoende beoordeling voor de competenties dienstverlenend en aanpassingsvermogen in het team ongegrond. Uit het verslag van het functioneringsgesprek 2011 blijkt duidelijk dat de teammanager de houding en het gedrag van eiseres wil sturen in een door de organisatie gewenste richting. Volgens de commissie is het besluit echter niet houdbaar, omdat verweerder niet heeft gehandeld conform de beleidsnotitie “het beoordelingsgesprek”. Als bepaalde prestaties zwaarder zullen worden gewogen, dan dient dit in het IW of het functioneringsgesprek te zijn besproken met de werknemer. De commissie heeft geconstateerd dat het IW geheel niets vermeldt op dit punt. In het functioneringsgesprek is weliswaar vermeld dat op een aantal punten verbetering wordt verwacht, maar is niet expliciet opgenomen dat deze competenties in het eindoordeel zwaarder zullen wegen dan andere competenties.

7.

Verweerder heeft in het bestreden besluit met betrekking tot de beoordeling van de competenties dienstverlenend en aanpassingsvermogen in het team verwezen naar het advies van de commissie. In het bestreden besluit is afgeweken van het advies van de commissie over het eindoordeel. Daartoe heeft verweerder het volgende standpunt ingenomen. Bij het vaststellen van het eindoordeel worden de verschillende beoordelingscriteria ten opzichte van elkaar gewogen en wordt op basis daarvan gemotiveerd een eindoordeel gevormd. Uit de beschikbare stukken is verweerder gebleken dat de teammanager het eindoordeel op deugdelijke wijze heeft gemotiveerd. Bij het eindoordeel heeft deze uitdrukkelijk aange-geven waarom zij bepaalde onderdelen in de beoordeling zwaarder heeft laten wegen dan andere, waarbij zij heeft teruggegrepen naar gevoerde functioneringsgesprekken. In deze gesprekken is een aantal verbeterpunten geformuleerd en het moet voor alle partijen duidelijk zijn geweest dat bij het eindoordeel van het functioneren deze punten uitdrukkelijk worden betrokken en een grote waarde hebben voor het eindoordeel. Er is geen sprake van een situatie waarbij eiseres geen kennis heeft kunnen dragen van de voor haar geldende verbeterpunten en van het gegeven dat deze uitdrukkelijk en dus zwaar zullen worden gewogen bij het eindoordeel over haar functioneren.

8.

Eiseres heeft zich in beroep achter de overwegingen van de commissie geschaard. Volgens eiseres heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het advies van de commissie niet is gevolgd. Daarnaast is eiseres het niet eens met de conclusie van vereerder dat de onvoldoendes voor de competenties dienstverlenend en aanpassingsvermogen blijven staan. Eiseres is wel degelijk een zeer collegiale en flexibele collega. In het functionerings-gesprek van 2011 heeft de leidinggevende aangegeven dat eiseres wél flexibel is. De veranderde mening is puur en alleen gebaseerd op het bezwaar dat eiseres heeft ingediend over de nieuwe roostervaststelling. Flexibiliteit mag van twee kanten verwacht worden en de werkgever stelt zich aangaande de roosterproblematiek geheel niet flexibel op. Een algemene onvoldoende beoordeling is überhaupt niet rechtvaardig en getuigt niet van een zorgvuldige belangenafweging. Ook al zou de onvoldoende beoordeling voor de competenties aanpassings- en dienstverlenend vermogen gerechtvaardigd zijn, dan kan dat gezien de vele andere punten waarop eiseres met “goed” is beoordeeld, niet leiden tot een algemene beoordeling “onvoldoende”.

9.

Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende bepalingen van belang.

10.

Ingevolge artikel 15:1:15, eerste lid, van de CAR/UWO kan het college bepalen dat, met inachtneming van door het college te stellen regelen, over de ambtenaar periodiek een beoordeling wordt uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn betrekking vervult en omtrent zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die betrekking.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt, onverminderd het bepaalde in het eerste lid, met de ambtenaar zijn gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn betrekking of de wijze waarop hij zijn betrekking vervult, voor zover deze aanleiding geven tot aanmerkingen, waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan de wijze waarop het gedrag of de wijze waarop hij zijn betrekking vervult, naar het oordeel van het college verbeterd kan worden.

11.

Op 3 december 2010 is door verweerder de beleidsnotitie “het beoordelingsgesprek” vastgesteld. Hierin zijn de beoordelingscriteria vastgelegd aan de hand waarvan een beoordeling over het functioneren van de medewerker zal worden opgesteld. De basis voor de beoordeling zijn de functie- en competentieprofielen en meer specifiek de in het IW vastgelegde afspraken en eventueel tussentijdse bijstellingen daarvan. Een van de uitgangs-punten van de beoordelingssystematiek is dat deze de gewenste ontwikkeling van de organisatie en de medewerkers moet ondersteunen, waarin het sturen op prestaties, ook waar het gaat om de houding en gedrag (competenties), centraal staat. Ook moet de ontwikkeling van de professionaliteit en zelfsturing van de medewerkers ondersteund worden. Het functioneren van de medewerker wordt beoordeeld aan de hand van het niveau van kennis en ervaring, de geleverde prestaties en de feitelijk waargenomen vaardigheden, houding en gedrag (competenties).

Over het vaststellen van het eindoordeel over het functioneren van een medewerker is het volgende opgenomen:

“Bij het vaststellen van het eindoordeel over het functioneren van een medewerker worden de verschillende beoordelingscriteria ten opzichte van elkaar gewogen en wordt op basis daarvan gemotiveerd een eindoordeel gevormd. Het is hierbij niet een kwestie van optellen en aftrekken. De eindbeoordeling hoeft niet het gemiddelde te zijn van de waardering op de verschillende onderdelen. Bepaalde prestatie-afspraken of gevraagde vaardigheden, houding en gedragingen kunnen door de teammanager zwaarder worden meegewogen in het eindoordeel dan andere.

Essentieel daarbij is, dat duidelijk door de teammanager tijdens het individueel Werkplan gesprek en in het functioneringsgesprek is aangegeven dat bepaalde prestaties of competenties zwaarder zullen worden gewogen dan andere. Eisen en dus ook relatieve verschillen in de zwaarte van verschillende prestaties of competenties, waarvan de medewerker buiten zijn schuld om geen kennis van draagt kunnen niet worden meegenomen in de beoordeling.

Het eindoordeel dient deugdelijk gemotiveerd te worden op basis van de waardering van het niveau van kennis en ervaring, de geleverde prestaties en de feitelijk waargenomen vaardigheden, houding en gedrag van de medewerker gedurende de beoordelingsperiode.”

12.

De rechtbank oordeelt als volgt.

13.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) is de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat die beoordeling op onvoldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het betrokken bestuursorgaan met concrete feiten onderbouwen dat dit oordeel niet op onvoldoende gronden berust (zie onder meer de uitspraak van 27 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009: BJ7050). Niet doorslaggevend is dan of ieder feit juist is vastgesteld of geduid. Het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat. De Raad betrekt in haar oordeel of de ambtenaar een tijdige verbeterkans is geboden ruim voor het einde van de beoordelingsperiode. Van belang is dus of de wijze van functioneren eerder aan de orde is gesteld, waarbij – bij betwisting – schriftelijke verslaglegging is vereist.

14.

De rechtbank oordeelt dat niet gezegd kan worden dat de onvoldoende score bij de competentie “aanpassingsvermogen” op onvoldoende gronden berust. Tijdens het functioneringsgesprek van 4 juli 2011 is de opstelling van eiseres inzake de roosterpro-blematiek uitdrukkelijk onderwerp van gesprek geweest. Het had eiseres duidelijk moeten zijn dat van haar een andere houding werd verwacht. Gelet op de aanwezige gedingstukken oordeelt de rechtbank dat verweerder heeft kunnen oordelen dat eiseres die gewenste houding in de beoordelingsperiode onvoldoende heeft laten zien. De onvoldoende score op het onderdeel “dienstverlenend binnen het team” komt echter voor nuancering in aanmerking. Blijkens de toelichting in het beoordelingsbesluit komt verweerder ook bij dit onderdeel tot een onvoldoende gelet op de houding van eiseres bij de totstandkoming van het rooster. Weliswaar kunnen bepaalde gedragingen van belang zijn bij de beoordeling van meerdere competenties, maar in het primaire besluit komt onvoldoende tot uitdrukking dat de houding van eiseres óók een onvoldoende score op het onderdeel dienstverlenend rechtvaardigt.

15.

De rechtbank constateert dat eiseres slechts op twee onderdelen een onvoldoende scoort en op de overige onderdelen – op één uitzondering na – steeds goed. Daarbij komt dat, zoals hiervoor overwogen, de onvoldoende score op het onderdeel “dienstverlenend binnen het team” voor nuancering in aanmerking komt. Verweerder heeft onmiskenbaar doorslag-gevend belang toegekend aan de twee onvoldoende scores, hetgeen ook niet in geschil is tussen partijen. Verweerder heeft echter een beleidsregel opgesteld over de wijze waarop het functioneren van de medewerkers wordt beoordeeld, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 11 weergegeven. Verweerder dient dan ook conform het eigen beleid te handelen. Verweerder heeft weliswaar gesteld dat het voor alle partijen duidelijk had kunnen zijn dat bepaalde competenties zwaarder zouden wegen bij de beoordeling, maar het volgt niet uit eerdere beoordelingsgesprekken of het IW dat dit kenbaar was gemaakt aan eiseres. In de beleidsnotitie is zelfs aangegeven dat het essentieel is dat over relatieve verschillen in de zwaarte van verschillende prestaties of competenties is gesproken om het kader van een IW of functioneringsgesprek. Tussen partijen is niet in geschil dat de weging van de functieonderdelen nimmer onderwerp van gesprek is geweest met eiseres. Aldus, zo kan worden geconcludeerd, heeft verweerder niet conform de eigen beleidsnotitie gehandeld.

16.

Gelet op vorenstaande overwegingen houdt het bestreden besluit geen stand in rechte. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Mede gelet op hetgeen is besproken ter zitting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en de beoordeling van eiseres vaststellen. Ingevolge de beleidsnotitie zijn drie eindoordelen mogelijk: zeer goed, voldoende/goed en onvoldoende. Voor het eindoordeel “zeer goed” bestaat geen feitelijke grondslag, omdat de maximale score die eiseres heeft behaald op de deelonderdelen “goed” is en zij deze scores niet heeft betwist. Dit betekent dat de rechtbank, zelf in de zaak voorziend, het primaire besluit zal herroepen, aan eiseres het eindoordeel “voldoende/goed” zal toekennen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

17.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

18.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.948,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit, kent aan eiseres de eindbeoordeling voldoende/goed toe en bepaalt dat deze uitspraak in plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.948,-;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs (voorzitter), en mr. A.W.P. Letschert en mr. P.J.M. Bruijnzeels, leden, in aanwezigheid van mr. I.M.T. Wijnands, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2014.

w.g. I.M.T. Wijnands,

griffier

w.g. K.M.P. Jacobs,

rechter/voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 24 april 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.