Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:3829

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-04-2014
Datum publicatie
16-05-2014
Zaaknummer
2879867 AZ VERZ 14-67
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Non-actiefstelling en ontbinding arbeidsovereenkomst.

Incident tijdens redactievergadering plaatselijke omroep waarin werknemer negatieve hoofdrol speelt. Kantonrechter ziet geen reële mogelijkheden tot terugkeer werknemer gelet op gedrag werknemer die zijn hand heeft “overspeeld” en blijk heeft gegeven van onvoldoende inzicht in zijn eigen positie en in de verhoudingen binnen de organisatie van werkgever.

Geen dringende ontbindingsreden, wel voldoende gewichtige redenen voor verandering in de omstandigheden die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen.

Vergoeding € 4.500,-- bruto, nu ook werkgever enige blaam treft omdat eerder ingegrepen had kunnen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0454
AR 2014/321

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht / Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 2879867 AZ VERZ 14-67

Beschikking van 10 april 2014

op een verzoek van

Stichting Kabelomroep Zuid-Limburg, Lokale Omroep Maastricht

gevestigd te Maastricht

verzoekende partij

gemachtigde: mr. A. Kara te Maastricht, advocaat te Maastricht

tegen

[verweerder]

wonend te [woonplaats], aan de [adres]

verwerende partij

gemachtigde: mr. N.P.J. Frijns, advocaat te Maastricht

Partijen zullen hierna LOM respectievelijk [verweerder] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Partijen hebben respectievelijk een (tussentijds gewijzigd) verzoekschrift met twaalf bijlagen en een verweerschrift met één (omvangrijke) bijlage ingediend.

1.2.

Het verzoek van LOM is mondeling behandeld ter zitting van de kantonrechter op 3 april 2014, gelijktijdig met een in reactie op het beëindigingsvoornemen van LOM door [verweerder] aanhangig gemaakt kort geding in een poging tot sauvering van diens rechten uit de arbeidsovereenkomst. LOM is ter zitting verschenen bij gemachtigde, vergezeld door de heren [naam 1] en [naam 2], respectievelijk voorzitter van het bestuur van LOM en directeur/hoofdredacteur, alsmede twee andere bestuursleden als informant. [verweerder] is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn voornoemde gemachtigde. De gemachtigde van LOM heeft het standpunt van zijn cliënte toegelicht aan de hand van een pleitnotitie en de gemachtigde van [verweerder] heeft het standpunt van zijn cliënt toegelicht aan de hand van een pleitnota.

1.3.

Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden. Aan het einde van de mondelinge behandeling is uitspraak in deze zaak en tevens in het kort geding (2880873 CV EXPL 14-3121) bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

[verweerder], geboren op [geboortedatum], is sinds 1 juni 2007 krachtens arbeidsovereenkomst bij LOM in dienst, aanvankelijk voor bepaalde tijd en in de functie van commercieel medewerker en vanaf 1 juni 2009 voor onbepaalde duur en in de functie van bureauredacteur/verslaggever. Het laatstverdiende loon bedraagt € 2.076,00 bruto per maand, exclusief 8 % vakantiebijslag.

2.2.

[verweerder] is op 14 februari 2014 door het bestuur van LOM op non-actief gesteld in verband met de gebeurtenissen tijdens een redactievergadering op 11 februari 2014 en in afwachting van het resultaat van een door het bestuur (via een commissie uit zijn midden) in te stellen onderzoek naar de werkelijke aard en inhoud van houding en gedrag/uitlatingen van [verweerder] ter gelegenheid van bedoelde vergadering. In het belang van het onderzoek werd [verweerder] door het bestuur verboden ‘gedurende de non actief stelling contacten te onderhouden met uw collega’s en het kantoorpand te betreden’. Ook is hij in de brief waarmee bestuursvoorzitter [naam 1] hem op 14 februari 2014 een en ander bevestigde, uitdrukkelijk gewezen op de in het arbeidscontract neergelegde verplichting tot geheimhouding. [verweerder] heeft zich overigens direct na die mededeling en in strijd met het verbod naar de redactieruimte en onder zijn collega’s begeven alvorens het pand te verlaten. [verweerder] zelf is door de onderzoekscommissie gehoord op 20 februari 2014, de datum waarop het onderzoek in de oorspronkelijke planning al afgerond diende te zijn. Hij heeft bij die gelegenheid zijn van dezelfde datum voorziene en aan alle bestuursleden gerichte schriftelijke ‘zienswijze’ aan de commissie overgelegd en voorgedragen. Na de (mede door de carnavalsperiode) vertraagde afronding van het onderzoek is [verweerder] - onder mededeling van het resultaat daarvan - op vrijdag 7 maart 2014 door het bestuur voor de keuze gesteld mee te werken aan een vaststellingsovereenkomst waarmee de bestaande arbeidsovereenkomst in goed overleg beëindigd zou worden dan wel - onder handhaving van de non-activiteit - een ontbindingsprocedure af te wachten. In het laatste geval zou hij zijn eventuele verweer tegen een door LOM in te dienen ontbindingsverzoek aan de kantonrechter voor kunnen leggen. [verweerder] is tot 11 maart 2014 tijd voor beraad gegund. De daaropvolgende dag, zaterdag 8 maart 2014, verscheen onder de kop “Crisissfeer bij RTV Maastricht” een artikel in het regionale dagblad “De Limburger”, waarin over ‘ontslag’ van [verweerder] gesproken wordt, de ‘aanleiding’ daarvoor gezocht wordt in een conflict tussen [verweerder] en zijn hoofdredacteur [naam 2] ‘even voor carnaval’ en niet nader genoemde derden (‘anonieme medewerkers’) verklaren ‘helemaal klaar met [naam 2]’ te zijn.

Het integrale onderzoeksrapport is ter bescherming van de gegarandeerde anonimiteit van de gehoorde personen (personeelsleden van LOM, althans deelnemers aan de redactievergadering van 11 februari 2014) niet naar buiten gebracht, ook niet in deze procedure. Wel heeft LOM een op 26 februari 2014 gedateerd stuk ingebracht (bijlage 8 bij verzoekschrift) dat de ‘bevindingen en conclusies’ bevat van de commissie, bestaande uit de bestuursleden [naam 3] en [naam 4]. [verweerder] ontving dat stuk nog niet op 7 maart 2014, maar is toen geconfronteerd met de strekking van een en ander als onderbouwing van het besluit van het bestuur om op beëindiging van de arbeidsrelatie aan te sturen. Door middel van een aan bestuursvoorzitter [naam 1] gerichte vier pagina’s beslaande brief van 11 maart 2014 heeft mr. Frijns als de inmiddels door [verweerder] ingeschakelde gemachtigde het beëindigingsvoorstel ‘resoluut’ afgewezen, aangedrongen op inschakeling van een ‘erkent’ mediator (dit laatste voorzien van een sommatie op een termijn van twee dagen) en aangekondigd dat bij ‘onverhoopte’ afwijzing van het ‘aanbod’ rechtsmaatregelen getroffen zouden worden tegen ‘de thans nog steeds voortdurende schorsing’. Mr. Frijns verwees voor de impact van de non-activiteit van zijn cliënt ‘wellicht ten overvloede’ naar het feit dat die ‘reeds in een artikel in de Limburger is belicht’. Omdat ‘in dit schrijven meerdere rechtsgevolgen worden aangekondigd en uw Stichting aansprakelijk wordt gehouden voor alle schade welke cliënt heeft geleden en nog zal leiden’(sic), zo besluit mr. Frijns de bewuste brief, is deze rechtstreeks aan het bestuur gezonden en is verder een afschrift gestuurd aan mr. Kara als advocaat van de Stichting.

Weliswaar heeft LOM op 21 maart 2014 de arbeidsovereenkomst met [verweerder] onverwijld opgezegd wegens schending van de geheimhoudingsverplichting door het benaderen van ex-LOM-werknemer [naam 5], maar LOM heeft ter zitting dit ‘ontslag op staande voet’ ingetrokken en het oorspronkelijke verzoek tot voorwaardelijke ontbinding gewijzigd in een verzoek tot onvoorwaardelijke ontbinding. [verweerder] stelt daartegenover dat voor de periode tussen 21 maart 2014 en 3 april 2014 het oorspronkelijke ontslagbesluit zijn impact gehad heeft en dus wel degelijk door de kantonrechter in de te nemen beslissing meegewogen moet worden voor wat betreft het (tijdelijke) effect op de positie van de werknemer.

3 Het geschil

3.1.

LOM verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen LOM en [verweerder] met directe ingang, althans tegen een nabijgelegen in goede justitie vast te stellen tijdstip, te ontbinden wegens gewichtige redenen die primair bestaan in omstandigheden die als een dringende reden in de zin van art. 7:677 lid 1 BW te kwalificeren zijn (en deswege een onverwijlde opzegging hadden kunnen rechtvaardigen) subsidiair in een verandering in de omstandigheden van voldoende gewicht om de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd te doen eindigen. Bij de subsidiair aangevoerde verandering gaat het volgens LOM om een door toedoen van [verweerder] bewerkstelligde vertrouwensbreuk, bij de primaire dringende reden om de gedragingen van [verweerder] tijdens de vergadering van 11 februari 2014 waar deze in het bijzijn van collega’s ‘schreeuwend’ of in felle bewoordingen het vertrouwen in zijn leidinggevenden opzegde en zich ook overigens misdroeg.

3.2.

LOM heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat een voortzetting van deze arbeidsrelatie niet meer mogelijk is in het licht van de gebeurtenissen tijdens de bewuste redactievergadering en gelet op de verdere houding en opstelling van [verweerder], die telkens weer het functioneren van de hoofdredacteur en zelfs van het bestuur aan de orde stelt en geen oog heeft voor zijn eigen functioneren. Voor mediation is het te laat en zeker in de vorm en omvang die [verweerder] voor ogen had, getuige zijn nimmer teruggenomen ‘zienswijze’ van 20 februari 2014. Er is volgens LOM "geen weg terug meer". LOM is van oordeel dat er ook geen grond is om aan [verweerder] een vergoeding toe te kennen, nu die de volle verantwoordelijkheid draagt voor de verstoring van de arbeidsrelatie (terwijl bij toewijzing van het verzoek op de primaire grond zelfs de wettelijke ruimte ontbreekt).

3.3.

[verweerder] voert verweer. Hij verzet zich tegen de verzochte ontbinding en stelt dat de arbeidsrelatie tussen partijen niet dusdanig is verstoord, dat een verdere samenwerking niet langer tot de mogelijkheden behoort. Voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, vraagt hij subsidiair om een ontbindingsvergoeding van € 25.000,00 (op basis van de kantonrechtersformule met factor C om en nabij 2,8).

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het onderhavige verzoek geen verband houdt met het bestaan van enig bijzonder opzegverbod (buiten art. 6 BBA).

4.2.

De ontbindingsprocedure op de voet van art. 7:685 BW is een procedure waarin de kantonrechter betrekkelijk snel en op basis van het door partijen verschafte feitenmateriaal dient te beoordelen of er gewichtige redenen zijn om de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer op korte termijn te ontbinden. Het is daarbij niet gebruikelijk dat getuigen worden gehoord of dat anderszins nader feitenonderzoek plaatsvindt. De kantonrechter moet het in een zaak als deze doen met hetgeen partijen voorafgaand aan de zitting en tijdens de zitting hebben aangevoerd en baseert daarop de aannemelijkheid van stellingen en de gerechtvaardigdheid van daaraan te verbinden conclusies en oordelen.

4.3.

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de kantonrechter gebleken dat de feitelijke situatie van dien aard is, dat er geen reële mogelijkheden meer zijn voor terugkeer van [verweerder] bij LOM. Hoewel partijen van mening verschillen over de exacte wijze waarop [verweerder] zich op 11 februari 2014 heeft geuit (LOM stelt dat [verweerder] geschreeuwd heeft en in felle bewoordingen zijn vertrouwen in zijn leidinggevenden heeft opgezegd in een vergadering waarvan de sfeer door LOM wordt omschreven als "hard", "vol in de adrenaline", "bang", "geschrokken" en "verslagen"; [verweerder] erkent dat de vergadering "een zekere emotionele lading" had en dat er "met stemverheffing" werd gesproken, maar stelt dat hij zich ‘slechts’ hardop de vraag heeft gesteld ‘of hij nog wel voldoende vertrouwen kon hebben in directeur [naam 2]’), is de onontkoombare conclusie dat zich ter gelegenheid van de betreffende redactievergadering (in elk geval) een ernstig incident heeft voorgedaan waarin [verweerder] een hoofdrol vervulde en dat de gemoederen danig verstoord heeft.

4.4.

Uit de overgelegde stukken is de kantonrechter bovendien gebleken dat [verweerder] volstrekt onvoldoende inzicht heeft in zijn eigen positie en de verhoudingen binnen de organisatie, en zijn hand ver heeft overspeeld. Om te beginnen door in een redactievergadering die was belegd met het doel van een voortgangsgesprek over bewaking van de collectieve en individuele kwaliteit in relatie tot het vastgestelde programmaformat - op zijn minst - hardop de vraag te stellen of hij nog wel vertrouwen kon hebben in zijn directeur en diens functioneren in boude termen ter discussie te stellen. Het vervolg was dat [verweerder] in de gesprekken die daarna hebben plaatsgevonden met het bestuur van LOM (en die betrekking hadden op zijn gedragingen in de vergadering van 11 februari 2014), het functioneren van directeur [naam 2] aan de orde is blijven stellen en aan is blijven dringen op mediation ‘in het belang van TV Maastricht (LOM, ktr.)’ naast de door hem gewenste aanstelling van een externe coach die ‘ons gaat helpen de huidige cultuur om te buigen naar een plezierige en veilige productieve werkomgeving’. De deelcitaten zijn ontleend aan de ‘zienswijze’ zoals [verweerder] die op 20 februari 2014 op papier gezet heeft en die onderwerp was van het gesprek dat hij met de commissie van twee bestuursleden op die dag in het kader van hun onderzoek had. In dat gesprek, maar ook al eerder (zie de brief die mr. Frijns namens hem aan het bestuur stuurde op 11 maart 2014), heeft [verweerder] de kritiek op hoofdredacteur [naam 2] verbreed naar het bestuur en zelfs het bestuur van de Stichting in de door hem bepleite mediation willen betrekken. Hoe [verweerder] zichzelf in dit verband zag en ziet, kan afgeleid worden uit het meermaals in de stukken van zichzelf geschetste beeld: ‘het gezicht (boegbeeld) van TV Maastricht’, al met al niet vrij van enige pretentie. Zijn voorstel aan het bestuur richtte zich uitdrukkelijk niet slechts op mediation in de persoonlijke controverse tussen hem en hoofdredacteur [naam 2] (en eventueel de informele leidinggevende [naam 6] die het laatste jaar als extern mediadeskundige de redactie begeleidde), maar op de voltallige organisatie, al het personeel en - als gezegd - met inbegrip van het bestuur. Daarmee de indruk wekkend dat alleen [verweerder] als redder van de omroep scherp zag waar en hoe ingegrepen diende te worden. Juister en passender ware geweest als [verweerder] vanuit een houding van bescheidenheid zijn spijt zou hebben betuigd over het gebeurde van 11 februari 2014, althans zijn rol daarin, en zich voorlopig beperkt had tot een vredesoproep jegens zijn hoofdredacteur. In plaats daarvan bleef hij deze ook na 11 februari 2014 de oorlog verklaren, terwijl hij kon zien dat [naam 2] vooralsnog de steun van het bestuur had en hield.

4.5.

Gelet op dit alles is voldoende aannemelijk geworden dat er aan de zijde van LOM gewichtige redenen zijn van voldoende ernst en gelegen in veranderingen in de omstandigheden, die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] rechtvaardigen. Anders dan LOM primair bepleit, vermag de kantonrechter de insubordinatie waarvan het gedrag van [verweerder] getuigt, niet als een dringende ontbindingsreden te kwalificeren. Weliswaar gaf [verweerder] er in de aanloop naar het ontbindingsverzoek onvoldoende blijk van het gezag van bestuur en hoofdredacteur te respecteren en slaagde hij er laatstelijk niet of onvoldoende in zijn kritiek op de gang van zaken in een passend (opbouwend in plaats van afbrekend) kader te zetten, ging hij hier en daar zelfs over de schreef, maar dat rechtvaardigt nog niet de conclusie dat hij LOM daarmee een dringende reden tot ontbinding verschafte. Desondanks is de vertrouwensbreuk waarop [verweerder] (mede) aangestuurd heeft, een feit en kan van LOM in redelijkheid niet gevergd worden de arbeidsrelatie met [verweerder] voort te zetten. De kantonrechter is dan ook voornemens de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juni 2014 te ontbinden. De beperkte uitloop wordt [verweerder] gegund om zich nog enigszins op de gewijzigde situatie in te stellen.

4.6.

Na het uitspreken van dit voornemen ligt de vraag voor of aan [verweerder] ten laste van LOM een vergoeding als bedoeld in art. 7:685 lid 8 BW toegekend dient te worden.

4.7.

In weerwil van de belangrijke invloed die [verweerder] ten negatieve op de ontstane vertrouwensbreuk uitgeoefend heeft en het gebrek aan effectieve inzet zijnerzijds tot de-escalatie, kan ook LOM de handen niet geheel in onschuld wassen. Het is immers de vraag of op het incident van 11 februari 2014, hoe ernstig ook voor de verhoudingen binnen de redactie in verband met de opgeworpen vertrouwenskwestie, wel met gedwongen non-activiteit van [verweerder] en een extra onrust veroorzakend (onnodig lang durend en niet volstrekt neutraal) onderzoek van twee leden van het bestuur gereageerd had moeten worden. Als de hoofdredacteur - eventueel bijgestaan door de voorzitter van het bestuur - direct na 11 februari 2014 [verweerder] ter verantwoording geroepen had voor diens als poging tot usurpatie of insubordinatie ervaren handelwijze, was sneller en waarschijnlijk beter op tafel gekomen welke beweegredenen en verdere bedoelingen [verweerder] had en of en hoe hij zich naar het gezag van hoofredacteur en bestuur wenste te voegen. Ook van de kant van LOM had dan eventueel het middel van (beperkte) mediation ingezet kunnen worden om plooien in de persoonlijke verhoudingen glad te strijken, als althans in het gesprek de conclusie getrokken zou zijn dat men nog met [verweerder] verder wilde. Onderzoek naar details van het gebeurde had dan een aanvullende functie kunnen vervullen. Voor het achterwege laten van deze voor de hand liggende directe confrontatie is vanuit het oogpunt van goed personeelsbeleid weinig begrip op te brengen en in ieder geval is daarmee een kans tot snelle normalisering verspeeld. Daarvoor draagt LOM verantwoordelijkheid en deze weegt op tegen het verwijt dat [verweerder] voor zijn eigen negatieve gedrag en het nalaten van een passende spijtbetuiging te maken valt. Al met al resulteert dit - mede gelet op de leeftijd van [verweerder], de duur van het dienstverband en de kansen van [verweerder] op de arbeidsmarkt (bij de regionale omroepen in de regio, maar gelet op uitlatingen ter zitting over een voorlichtingsfunctie mogelijk veel breder en buiten het huidige beroep) - in een in het vooruitzicht te stellen vergoeding van € 4.500,00 bruto.

4.8.

De omstandigheden geven aanleiding de proceskosten op zodanige wijze te compenseren, dat iedere partij haar eigen kosten draagt, behalve in het geval LOM zou beslissen haar verzoek alsnog in te trekken binnen de daarvoor te stellen termijn. Bij intrekking zal LOM aan [verweerder] een bedrag van € 500,00 aan salaris gemachtigde moeten vergoeden.

4.10.

Partijen worden in kennis gesteld van het voornemen van de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2014 te ontbinden onder toekenning van voormelde vergoeding. Op de voet van het bepaalde in art. 7:685 lid 9 BW zal LOM in de gelegenheid worden gesteld haar verzoek in te trekken voor het hierna te melden tijdstip door middel van schriftelijke mededeling hiervan aan de griffier.

5 De beslissing

voor het geval LOM haar verzoek niet uiterlijk op 18 april 2014 om 17:00 uur heeft ingetrokken

5.1.

De arbeidsovereenkomst tussen LOM en [verweerder] wordt met ingang van

1 juni 2014 ontbonden.

5.2.

Aan [verweerder] wordt ten laste van LOM een vergoeding toegekend ten bedrage van € 4.500,00 bruto.

5.3.

LOM wordt - voor zover nodig - veroordeeld dit bedrag binnen veertien dagen na 1 juni 2014 aan [verweerder] te betalen.

5.4.

Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

5.5.

De proceskosten worden in die zin gecompenseerd, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

voor het geval LOM haar verzoek uiterlijk op 18 april 2014 om 17:00 uur heeft ingetrokken

5.6.

LOM wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] bepaald op een bedrag van € 500,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.1

1 type: PZ