Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:3823

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_2609u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: HAP II, beoordeling, politie, GGP.

Eiser heeft betoogd dat hij een hogere beoordeling dient te krijgen op het subonderdeel ‘Integriteit’. De motivering van verweerder voor de beoordeling van dit subonderdeel is ronduit positief en vermeldt geen tekortkomingen. Voorts staaft eiser zijn functioneren op dit punt met de verwijzing naar het overgelegde Korps landelijke politiediensten (KLPD) formulier van 19 juli 2011, waarin zijn toenmalige teamchef eiser op het onderdeel integriteit viermaal de maximale score heeft gegeven. Hiermee heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank een concreet aanknopingspunt naar voren gebracht op grond waarvan betoogd kan worden dat hij op dit subonderdeel hoger had moeten scoren. De stelling van verweerder in het bestreden besluit, inhoudende dat uit de motivering van de beoordeling en het overgelegde KLPD formulier niet blijkt dat het functioneren van eiser op het subonderdeel integriteit boven het normniveau is, acht de rechtbank onvoldoende om de houdbaarheid van de toegekende score te onderbouwen. Deze motivering valt immers gelijk te stellen met een herhaling van de kwalificatie, zonder dat wordt ingegaan op hetgeen eiser in dit kader aanvoert. Daarbij kan niet gesproken worden van functioneren op normniveau, nu eiser viermaal de maximale score (7) heeft behaald. Het betoog van verweerder ter zitting, inhoudende dat het KLPD beoordelingsformulier een beoordeling was in verband met een sollicitatie en dat het zodoende appels met peren vergelijken is, kan evenmin de toegekende score onderbouwen. Immers, het KLPD beoordelingsformulier is opgesteld door de voormalig teamchef van eiser, waarvan mag worden verwacht dat hij goed op de hoogte is van het functioneren van eiser. De toegekende score 3 is naar het oordeel van de rechtbank zodoende onhoudbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13 / 2609

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats] eiser

(gemachtigde: mr. W.J. Dammingh),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Meuser).

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het functioneren van eiser beoordeeld.

Bij besluit van 24 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiser is sinds 2002 werkzaam als allround medewerker basispolitiezorg (BPZ), in de gemeente Kerkrade. Op 1 november 2010 is, als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007, de circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (HAP II) in werking getreden (Stcrt. 2010, nr. 19782). In bijlage 6 van de circulaire HAP II is het loopbaanbeleid van assistent A tot senior binnen de Gebiedsgebonden politie (GGP) opgenomen. Eiser ambieert een functie als senior GGP en heeft daarom in het kader van de inwerkingtreden van HAP II om een beoordeling gevraagd. Eisers functioneren is bij besluit van 17 december 2012 over de periode van 2010 tot oktober 2012 als voldoende beoordeeld. In deze beoordeling scoort eiser op de gegeven competenties als volgt:


1. Beoordeling functievervulling:

- surveillance, toezicht, controle, noodhulp en handhaving: 3
- opsporing: 3

- afhandeling meldingen: 3

- lokaal beleid: 3

- eventuele neventaken: 3

Eindoordeel functievervulling: 3
2. Beoordeling resultaatafspraken:

- samenwerken en integriteit: 4

- het nakomen van specifiek genoemde afspraken: 3

- te verwezenlijken doorlooptijden: 3

- repressieve targets: 3

- kwaliteit en kwantiteit gebruik systemen: 4

- algemeen: 3

Eindoordeel resultaatafspraken: 3

3.

Beoordeling competenties:

- integriteit: 3

- vakmanschap: 3/4

- kwaliteitsgerichtheid: 3

- resultaatgerichtheid: 3

- samenwerken: 3

- klantgerichtheid: 3/4

- communicatieve vaardigheden: 3/4

- moed: 3

Eindoordeel competenties: 3
4. Beoordeling eventuele overige afspraken:
- Zie POP: 3

- Overige afspraken: 3

Oordeel: 3

5.

Eindconclusie beoordeling: 3


Daarnaast heeft de huidige teamchef van eiser, [naam teamchef], opgemerkt dat eiser een hoofdagent is die voldoende functioneert en die op sommige onderdelen zelfs voldoende tot goed functioneert. Er zit progressie in zijn competenties en als hij dat voort zou blijven zetten is hij mogelijk in de toekomst een geschikte GGP-er. Eiser zal echter eerst voor zichzelf uit moeten maken waar nu precies zijn hart ligt. De teamchef snapt dat eiser graag brigadier wil worden, maar dat zou ook zomaar op een ander onderdeel binnen de organisatie kunnen zijn. Eiser moet duidelijkheid voor zichzelf krijgen. Hij is breed inzetbaar en oriënteert zich ook breed. Daar is niets mis mee, maar senior GGP werk is onderdeel van de BPZ en dat ziet de teamchef eiser op dit moment niet doen.
Tegen deze beoordeling heeft eiser bezwaar gemaakt.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de bovenstaande beoordeling gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder aan eiser in verband met een overschrijding van de beslistermijn een verbeurde dwangsom ter hoogte van € 180,- toegekend.

3.

Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en betoogt – samengevat weergegeven – dat verweerder bij de beoordeling op een aantal subonderdelen ten onrechte niet of niet voldoende rekening heeft gehouden met door eiser concreet geleverde prestaties die tot een positiever oordeel hadden dienen te leiden. Op een aantal onderdelen wijkt de gegeven kwalificatie bovendien in negatieve zin af van de toelichting die daarbij wordt verschaft. Voorts stelt eiser dat de kwalificatie 3/4 niet past bij de gehanteerde beoordelingssystematiek. Deze waardering impliceert dat het functioneren niet op ‘normniveau’ ligt maar daarboven, in welk geval de score 4 had moeten worden toegekend. Ten slotte stelt eiser dat ook de eindconclusie van de score 3 geen recht doet aan de kwalificaties op de subonderdelen. Daarbij kan eiser zich niet vinden in het commentaar van zijn teamchef dat hij mogelijk in de toekomst een geschikte GGP-er is. Dit oordeel lijkt te worden gemotiveerd met de stelling dat hij breed inzetbaar en georiënteerd is. Dit is onbegrijpelijk, nu een brede inzetbaarheid en oriëntatie in het algemeen en ook in het kader van HAP II als positief wordt beoordeeld.

4.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (Raad) is de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. In gevallen van negatieve oordelen geldt als uitgangspunt dat het op de weg van het betrokken bestuursorgaan ligt in rechte genoegzaam aan te tonen dat die waardering niet op onvoldoende gronden berust. Bij deze beoordeling is niet beslissend of elk feit dat ter adstructie van een waardering boven elke twijfel verheven is en is zelfs niet van doorslaggevend belang of bepaalde feiten onjuist blijken te zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Het gaat erom of in het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de gegeven waardering de even bedoelde toetsing kunnen doorstaan. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Raad van 5 november 1998 (ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7954).

6.

Indien een ambtenaar positieve scores betwist omdat hij meent dat de score (nog) hoger moet zijn, dan ligt het op zijn weg om de handvatten aan te reiken die moeten leiden tot die hogere scores. Dat wil echter niet zeggen dat het bevoegd gezag niets hoeft te doen in een dergelijke procedure. Het bevoegd gezag moet de houdbaarheid van de voldoende scores kunnen onderbouwen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Raad van 23 juli 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4373).

7.

De rechtbank overweegt allereerst dat het ter zitting door eiser gevoerde betoog, inhoudende dat het feit dat het functioneren van eiser op diverse competenties is beoordeeld door drie afzonderlijke teamchefs in strijd is het Reglement Boordeling (Reglement), geen doel treft. Uit de eerste pagina van het formulier beoordelingsgesprek blijkt immers dat de voormalige teamchefs van eiser, [naam voormalig teamchef 2] en H. [naam voormalig teamchef], zijn geraadpleegd als informanten, hetgeen niet in strijd is met het Reglement. Daarnaast ziet de rechtbank hierin geen aanleiding voor het oordeel dat de beoordelaar zich hierdoor geen zelfstandig oordeel heeft kunnen vormen over het functioneren van eiser of dat eiser in zijn belangen is geschaad.

8.

De rechtbank overweegt voorts dat de beoordeling in het kader van het onderdeel ‘Functievervulling’ de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De omstandigheid dat er bij de toelichting van deze beoordeling geen tekortkomingen zijn genoteerd, maakt niet dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust of dat het functioneren van eiser enkel op een 4 gewaardeerd zou kunnen worden. De stelling van eiser dat verweerder niet bij de beoordeling heeft betrokken dat hij meerdere praktijkvoorbeelden heeft benoemd, waaronder zijn ‘wijkwerkzaamheden’, op grond waarvan zijn functioneren als een 4 gewaardeerd zou moeten worden, volgt de rechtbank niet. Immers, in de beoordeling wordt op meerdere plekken aandacht besteed aan het feit dat eiser momenteel als ‘buddy wijkagent’ fungeert. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser, ingevolge artikel 2 van het Reglement, wordt beoordeeld op basis van de wijze waarop hij zijn taken in het kader van zijn functie als medewerker BPZ heeft vervuld. Enige werkzaamheden die buiten de in het kader van zijn functie opgedragen taken vallen, spelen in beginsel niet mee voor de beoordeling, doch kunnen wel worden meegewogen in de potentieelbeoordeling. Eiser heeft niet met concrete voorbeelden aannemelijk gemaakt dat hij meer doet dan van hem verwacht wordt en dat dit functioneren van een dergelijk niveau is dat hij daarom de beoordeling 4 dient te krijgen. Verweerder motiveert de gegeven beoordeling – samengevat weergegeven – als volgt. Eiser is in staat om alle voorkomende werkzaamheden in het kader van surveillance, toezicht, controle, noodhulp en handhaving te verrichten. Hij bezit hiervoor voldoende vaardigheden en kennis. Voor wat betreft de velden surveillance, controle en noodhulp verricht hij de werkzaamheden voldoende. Ook de opsporingsonderzoeken worden voldoende afgewerkt en de bijdrage die eiser aan het opsporingsproces levert zoals aangiftes, aanhoudingsprocessen-verbaal en buurtonderzoeken zijn eveneens voldoende. Eiser is voorts voldoende in staat zelfstandig meldingen af te handelen, zowel op duo als solo patrouille. Ten slotte is het lokale beleid bij eiser bekend. Indien hij een afwijkende mening heeft, tracht hij toch het beleid te volgen. Indien er repressief optreden verwacht wordt levert dit wel eens een knelpunt op. Met deze uitleg heeft verweerder de houdbaarheid van de score 3 naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en kan deze niet onhoudbaar worden geacht. Zodoende ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eiser als eindscore voor het onderdeel functievervulling een 4 zou moeten krijgen.

9.

Ten aanzien van het subonderdeel ‘Te verwezenlijken doorlooptijden’ is de rechtbank eveneens van oordeel dat verweerder in redelijkheid het functioneren van eiser als een 3 heeft kunnen kwalificeren. Eiser heeft, gelet op de onder overweging 5 en 6 genoemde jurisprudentie, geen concrete handvatten aangereikt op grond waarvan tot een hogere score geconcludeerd dient te worden. Het feit dat bij sommige subonderdelen, waaronder het subonderdeel ‘te verwezenlijken doorlooptijden’, in de toelichtingen het woord ‘goed’ of andere positieve kwalificaties worden gebezigd en dat er geen expliciete aandachtspunten worden vermeld, brengt niet reeds met zich dat vaststaat dat eiser functioneert boven het niveau dat wordt aangeduid met de score 3. Daarbij valt uit de toelichting bij het subonderdeel ‘Te verwezenlijken doorlooptijden’ op te maken dat de doorlooptijden ‘slechts voldoende’ door eiser in acht worden genomen en behaald. De rechtbank acht met deze toelichting de toegekende score voldoende onderbouwd en niet onhoudbaar.

10.

Ten aanzien van het subonderdeel ‘Repressieve targets’ betoogt eiser dat hij hiervoor, net als voor het subonderdeel ‘Kwaliteit en kwantiteit gebruik systemen’ een 4 zou moeten scoren, nu als motivering voor de beoordeling dezelfde uitleg gegeven wordt. De rechtbank kan eiser hier niet in volgen. Allereerst merkt de rechtbank op dat eiser ook in dit kader geen concrete handvatten heeft aangereikt waaruit blijkt dat hij beter functioneert dan in de beoordeling wordt beschreven. Daarnaast wordt blijkens de toelichting bij het subonderdeel ‘Repressieve targets’ in dit kader van belang geacht dat eiser IGP slechts matig heeft gevuld, terwijl dit kennelijk minder een rol speelt bij de beoordeling in het kader van het subonderdeel ‘Kwaliteit en kwantiteit gebruik systemen’. Dit is niet bevreemdend, nu het subonderdeel ‘Kwaliteit en kwantiteit gebruik systemen’ niet ziet op het behalen van de repressieve targets op zich, maar op de wijze waarop van de systemen gebruik wordt gemaakt. De rechtbank acht de toegekende score voor het subonderdeel ‘Repressieve targets’, gelet op de daarbij gegeven toelichting, niet onhoudbaar.

11.

Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op de subonderdelen van het onderdeel ‘Beoordeling resultaatafspraken’ hoger had moeten scoren, kan eiser evenmin worden gevolgd in zijn stelling dat hij een hogere eindbeoordeling voor dit onderdeel had moeten krijgen.

12.

Voorts heeft eiser betoogd dat hij een hogere beoordeling dient te krijgen op het subonderdeel ‘Integriteit’. De motivering van verweerder voor de beoordeling van dit subonderdeel is ronduit positief en vermeldt geen tekortkomingen. Voorts staaft eiser zijn functioneren op dit punt met de verwijzing naar het overgelegde Korps landelijke politiediensten (KLPD) formulier van 19 juli 2011, waarin teamchef H. [naam voormalig teamchef] eiser op het onderdeel integriteit viermaal de maximale score heeft gegeven. Hiermee heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank een concreet aanknopingspunt naar voren gebracht op grond waarvan betoogd kan worden dat hij op dit subonderdeel hoger had moeten scoren. De stelling van verweerder in het bestreden besluit, inhoudende dat uit de motivering van de beoordeling en het overgelegde KLPD formulier niet blijkt dat het functioneren van eiser op het subonderdeel integriteit boven het normniveau is, acht de rechtbank onvoldoende om de houdbaarheid van de toegekende score te onderbouwen. Deze motivering valt immers gelijk te stellen met een herhaling van de kwalificatie, zonder dat wordt ingegaan op hetgeen eiser in dit kader aanvoert. Daarbij kan niet gesproken worden van functioneren op normniveau, nu eiser viermaal de maximale score (7) heeft behaald. Het betoog van verweerder ter zitting, inhoudende dat het KLPD beoordelingsformulier een beoordeling was in verband met een sollicitatie en dat het zodoende appels met peren vergelijken is, kan evenmin de toegekende score onderbouwen. Immers, het KLPD beoordelingsformulier is opgesteld door H. [naam voormalig teamchef], de voormalig teamchef van eiser, waarvan mag worden verwacht dat hij goed op de hoogte is van het functioneren van eiser. Dit geldt temeer nu de huidige teamchef van eiser de heer [naam voormalig teamchef] als informant voor de beoordeling heeft geraadpleegd. Uit de toelichting van de heer [naam voormalig teamchef] bij het subonderdeel ‘Integriteit’ blijkt bovendien ook dat eiser integriteit hoog in het vaandel heeft staan. Gelet op hetgeen blijkt uit het door eiser overgelegde KLPD beoordelingsformulier en het feit dat de toelichting bij het subonderdeel ‘Integriteit’ louter positief is en geen tekortkomingen vermeldt, is de toegekende score 3 naar het oordeel van de rechtbank onhoudbaar. Het bestreden besluit komt op dit onderdeel zodoende voor vernietiging in aanmerking. In het kader van de finale geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding de overige door eiser aangevoerde gronden te beoordelen.

13.

De rechtbank is van oordeel dat het betoog van eiser dat de score 3/4 niet in de beoordelingssystematiek past, dat hieruit een functioneren boven de norm blijkt en dat daarom een score 4 had moeten worden toegekend, niet kan slagen. De rechtbank overweegt hiertoe dat in de toepasselijke regelgeving niet is neergelegd op welke wijze verweerder het functioneren moet beoordelen en scoren. Nu er thans voor de verschillende regiokorpsen uiteenlopende beoordelingssystemen en –normen gelden en niet op voorhand vaststaat dat het hanteren van de tussenscore ‘3/4’ onredelijk is, heeft verweerder bij het beoordelen van deze manier van scoren gebruik kunnen maken.

14.

Ten aanzien van de toelichting bij het subonderdeel ‘Resultaatgerichtheid’ en het eindoordeel voor het onderdeel ‘Resultaatafspraken’ heeft eiser aangevoerd dat de hierin genoemde aandachtspunten onvoldoende geconcretiseerd worden door verweerder. Verweerder stelt dat eiser meer aandacht mag hebben als het gaat om het leveren van een persoonlijke bijdrage aan de relevante resultaten binnen de politie, dat hij proactief zou mogen zijn en dat er momenten genoeg zijn dat projectmatig iets gedaan kan worden zonder dat dit gepland of gevraagd wordt. Eiser meent dat onduidelijk is wat de resultaatafspraken zijn en op welke wijze is bepaald dat eiser daarin geen behoorlijke arbeidsprestatie heeft geleverd en dat hij proactiever zou moeten zijn. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. Een deel van de door verweerder geleverde kritiek is juist dat van eiser mag worden verwacht dat hij resultaatgericht werkt en dat hij een behoorlijke arbeidsprestatie levert, zonder dat op voorhand de bijdrage wordt vastgesteld en dat kwantitatieve waardes aan het resultaatgericht werken worden verbonden. Daarbij blijkt uit de toelichting dat dit aandachtspunt al meerdere keren onderwerp van gesprek is geweest tussen eiser en de leiding. Zodoende mag ervan worden uitgegaan dat eiser op de hoogte is van wat van hem verwacht wordt. De toegekende scores van 3 acht de rechtbank gelet op de gegeven toelichting niet onhoudbaar.

15.

Vervolgens is de rechtbank van oordeel dat, ondanks het feit dat de toegekende score voor het subonderdeel ‘Integriteit’ onhoudbaar is gebleken, dit niet op voorhand met zich brengt dat eiser als totaalscore voor het onderdeel “Competenties’ een 4 had moeten krijgen. Immers, eiser heeft niet voor de helft (of meer dan de helft) van de relevante subonderdelen een 4 gescoord.

16.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat, nu verweerder op geen van de totaalscores van de verscheidene onderdelen ten onrechte tot zijn beoordeling is gekomen, eveneens niet kan worden gesteld dat verweerder niet als eindoordeel het functioneren van eiser als een 3 kon waarderen. Mede gelet op dit eindoordeel acht de rechtbank het standpunt van verweerder dat eiser mogelijk in de toekomst een geschikte GGP-er is, niet onhoudbaar. Uit de motivering van verweerder dat eiser breed inzetbaar is en zich breed oriënteert, begrijpt de rechtbank dat verweerder van oordeel is dat eiser zich momenteel zowel qua werkzaamheden als ambitie nog te weinig gespecialiseerd heeft om in aanmerking te komen voor een functie als senior GGP. Ook dit oordeel acht de rechtbank gelet op de gegeven motivering en hetgeen uit het dossier blijkt niet onhoudbaar.

17.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat het betoog van eiser dat zijn beoordeling voldoet aan het in bijlage 6 van de HAP II genoemde criterium van een beoordeling ‘boven de norm’ en dat zijn beoordeling ten onrechte ontoereikend is geacht voor doorstroming naar de functie van senior GGP, buiten het bereik van de beoordeling van de onderhavige zaak valt. Dit geldt eveneens voor het betoog van eiser ter zitting, inhoudende dat er reeds sprake is van een beoordeling ‘boven de norm’ in bovenbedoelde zin indien van de eerste drie onderdelen minimaal twee subonderdelen als een 4 zijn gewaardeerd. Deze kwestie is pas in geschil indien de bevordering van eiser tot senior GGP in het kader van HAP II wordt afgewezen wegens het ontbreken van een beoordeling boven de norm en eiser hiertegen beroep zou instellen.

18.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 11 is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien.

19.

Aangezien de rechtbank de voor het subonderdeel ‘Integriteit’ toegekende score van 3 een onhoudbare en te lage score acht, en de enige mogelijke hogere score, de waardering 4 is, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het functioneren van eiser op dit subonderdeel met een 4 wordt gewaardeerd. Omdat de andere beroepsgronden van eiser geen doel treffen wordt de beoordeling van de overige (sub)onderdelen en de potentieelbeoordeling in stand gelaten.

20.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

21.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 487,- en een wegingsfactor 1). Nu aan eiser geen toevoeging is verleend, dienen deze kosten aan eiser zelf te worden betaald.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen de in het primaire besluit vervatte waardering van het functioneren van eiser voor het subonderdeel ‘Integriteit’ ongegrond is verklaard;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover daarin het functioneren van eiser voor het subonderdeel ‘Integriteit’ als een 3 is gewaardeerd;

  • -

    bepaalt dat het functioneren van eiser voor het subonderdeel ‘Integriteit’ als een 4 wordt gewaardeerd;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.V.L. Heuts, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Diem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2014.

w.g. A.J.M. van Diem,

griffier

w.g. Heuts,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 23 april 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.