Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:3693

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-04-2014
Datum publicatie
01-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_2634u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is met eiseres van oordeel dat eiseres met de overgelegde verklaringen van de ambassade voldoende heeft aangetoond dat ten tijde van de beslissing op bezwaar sprake was van bewijsnood. Hierbij acht de rechtbank van doorslaggevend belang dat uit de verklaringen van de ambassade blijkt dat voor het verkrijgen van zowel een paspoort als voor het verkrijgen van een geboorteakte een identiteitsdocument of een document waaruit blijkt dat eiseres een Syrische staatsburger is dient te worden overgelegd. Eiseres beschikt niet over een dergelijk document en gelet op de huidige situatie in Syrië, kan eiseres ook niet in Syrië aan een dergelijk document komen. De stelling van verweerder dat eiseres opnieuw de Syrische ambassade kan verzoeken tot afgifte van een paspoort volgt de rechtbank niet, nu niet aannemelijk is dat dit tot een ander resultaat zal leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13 / 2634

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te[woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. A.J.P. Lemmen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.R.M. de Kock).

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om naturalisatie van eiseres afgewezen.

Bij besluit van 25 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2014.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiseres heeft op 2 juli 2012 het hiervoor genoemde verzoek om naturalisatie ingediend. Het verzoek van eiseres is door verweerder bij het primaire besluit afgewezen omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor naturalisatie. Eiseres heeft geen gelegaliseerde geboorteakte en geldig buitenlands reisdocument (paspoort) overgelegd. Bovendien heeft eiseres onvoldoende aangetoond dat zij in een situatie van bewijsnood verkeert.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Voor zover eiseres heeft betoogd dat er nooit twijfel is geweest omtrent haar nationaliteit, heeft verweerder overwogen dat hij de bevoegdheid heeft om bewijs te verlangen ter onderbouwing van de nationaliteit en identiteit. Voorts is verweerder van mening dat eiseres niet heeft aangetoond dat het voor haar onmogelijk is om in het bezit te worden gesteld van documenten. Evenmin kan tot de conclusie worden gekomen dat eiseres uitputtende pogingen heeft ondernomen om in het bezit te worden gesteld van documenten. Gelet hierop heeft eiseres onvoldoende aangetoond dat zij in een situatie van bewijsnood verkeert. Eiseres heeft niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 7 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).

3.

Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij van eiseres een paspoort en geboorteakte verlangt. Voorts heeft verweerder ten onrechte niet aangenomen dat eiseres zich in een situatie van bewijsnood bevindt. De Tweede Kamer heeft hierover vragen gesteld en eiseres loopt een verhoogd risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) indien zij terugkeert naar Syrië. Zij behoort immers tot de groep van 181 Syriërs die in het verleden zijn gepresenteerd aan de Syrische ambassade. Eiseres is van mening dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat in het individuele geval van eiseres geen sprake is van bewijsnood. De algemene situatie in Syrië leidt tot de aanname dat bij verzoekers uit Syrië sprake is van bewijsnood. Bovendien is de algemene veiligheidssituatie in Syrië zodanig slecht te noemen dat niet van haar kan worden verlangd dat zij terugkeert naar Syrië om de vereiste documenten te verkrijgen. Eiseres heeft vele stukken overgelegd waaruit blijkt welke inspanningen zij heeft verricht om alsnog aan de gevraagde documenten te komen. Dit heeft ten onrechte niet tot een andere beoordeling bij verweerder geleid. Voorts heeft verweerder ten onrechte geen waarde gehecht aan de verklaring van de Ambassade van de Arabische Republiek te Brussel van 10 april 2013 en van de advocaat Shahda. Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom verweerder de stelling van eiseres niet volgt dat het gemeentehuis in Aleppo is vernietigd.

4.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat verweerder heeft besloten om van verzoekers die in Syrië geboren zijn, tijdelijk niet meer om overlegging van een geboorteakte te vragen. De regeling geldt van 1 april 2014 tot 1 april 2015, de regeling geldt alleen voor geboorteaktes en niet voor paspoorten en de regeling geldt ook voor verzoeken waarop nog niet onherroepelijk is beslist. De regeling is gebaseerd op het ambtsbericht van 11 december 2013. Gelet op deze omstandigheden geldt dit besluit ook voor het onderhavige geval. Verweerder blijft zich op het standpunt stellen dat eiseres ten onrechte geen paspoort heeft overgelegd en niet heeft aangetoond dat zij zich in een situatie van bewijsnood bevindt. In de visie van verweerder kan eiseres de Syrische ambassade verzoeken om afgifte van een geldig nationaal paspoort.

5.

De rechtbank overweegt als volgt.

6.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de RWN wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 van de RWN kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regels worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

7.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (Besluit), voor zover thans van belang, verstrekt de verzoeker bij de indiening van een naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, gegevens met betrekking tot geslachtsnaam en voornaam of voornamen, onderscheidenlijk naam of namen; geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland; nationaliteit of nationaliteiten.

Ingevolge artikel 31, vijfde lid, van het Besluit, voor zover thans van belang, kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

8.

Volgens paragraaf 3.5.1. van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (Handleiding) dient de verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument over te leggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit niet alleen in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand. Indien de verzoek niet in het bezit is van een geldig buitenlands paspoort en staatloos is, mag hij een vreemdelingenpaspoort overleggen.

In paragraaf 3.5.2 van de Handleiding is verder vermeld dat van de voorwaarden van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) is vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) over te leggen. Vijstelling van deze voorwaarde is alleen mogelijk indien de verzoeker volgens de onderstaande regels in bewijs nood is.

De verzoeker die zich erop beroept dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) toont dat op volgende wijze aan. De verzoeker legt een schriftelijke verklaring over van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de verzoeker niet in het bezit wordt gesteld van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort). Indien de verzoeker voornoemde verklaring niet over kan leggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort). Deze bewijsstukken worden in het naturalisatiedossier gevoegd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst beslist vervolgens of voldoende is aangetoond dat de verzoeker niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van het gevraagde document. De bewijsstukken mogen bij de indiening van het verzoek om naturalisatie niet ouder zijn dan zes maanden.

In paragraaf 3.5.6 van de Handleiding is voorts vermeld met betrekking tot het overleggen van uit het buitenland afkomstige gelegaliseerde documenten dat bewijsnood zich met name zal voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.

In de ter zake gevormde jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1101) is het hiervoor weergegeven beleid niet kennelijk onredelijk geacht.

9.

Voor zover eiseres betoogt dat verweerder nader had dienen te motiveren waarom eiseres haar identiteit en nationaliteit dient te staven met documenten, overweegt de rechtbank als volgt. De Afdeling heeft in vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:319) overwogen dat de verlening van het Nederlanderschap, gelet op de daaraan verbonden gevolgen, een zaak van groot gewicht is en verweerder is dan ook bevoegd om te eisen dat de desbetreffende verzoeker op de in de Handleiding neergelegde wijze zijn identiteit en nationaliteit aantoont. Gelet op deze jurisprudentie dient verweerder niet nader te motiveren waarom eiseres haar identiteit en nationaliteit met documenten dient te staven. Het betoog van eiseres slaagt niet.

10.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres bij haar verzoek om naturalisatie geen gelegaliseerde geboorteakte en geldig buitenlands reisdocument heeft overgelegd. Ook is niet in geschil de vraag of eiseres met betrekking tot een geboorteakte zich in een positie van bewijsnood bevindt. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of eiseres op grond van bewijsnood dient te worden vrijgesteld van de voorwaarde van het overleggen van een paspoort. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

11.

Als bijlagen bij de brief van 16 mei 2012 van de gemachtigde van eiseres aan de IND is onder meer correspondentie met de Syrische ambassade in Brussel gevoegd. Uit deze correspondentie blijkt dat eiseres voor de verkrijging van een Syrisch paspoort een identiteitskaart dient over te leggen, dan wel een ander document waaruit blijk dat zij de Syrische nationaliteit heeft. Dit blijkt eveneens uit de als bijlage 3 bij voornoemde brief afgegeven verklaring van de Syrische ambassade te Brussel. Voorts blijkt uit de verklaring van de Syrische ambassade te Brussel van 10 april 2013, die als bijlage 7 bij de bezwaargronden van 16 april 2013 is gevoegd, dat voor de verkrijging van een officieel geboortebewijs een identiteitsdocument dient te worden afgegeven. Gelet op deze documenten en de verschillende bezoeken van eiseres aan de Syrische ambassade te Brussel stelt eiseres zich op het standpunt dat zij op grond van bewijsnood vrijgesteld dient te worden van het overleggen van een geboorteakte en een paspoort. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat eiseres hiermee voldoende heeft aangetoond dat ten tijde van de beslissing op bezwaar sprake was van bewijsnood. Hierbij acht de rechtbank van doorslaggevend belang dat uit de verklaringen van de ambassade blijkt dat voor het verkrijgen van zowel een paspoort als voor het verkrijgen van een geboorteakte een identiteitsdocument of een document waaruit blijkt dat eiseres een Syrische staatsburger is dient te worden overgelegd. Eiseres beschikt niet over een dergelijk document en gelet op de huidige situatie in Syrië, kan eiseres ook niet in Syrië aan een dergelijk document komen. De stelling van verweerder dat eiseres opnieuw de Syrische ambassade kan verzoeken tot afgifte van een paspoort volgt de rechtbank niet, nu niet aannemelijk is dat dit, gelet op het voorgaande, tot een ander resultaat zal leiden. Dit leidt tot het oordeel dat het beroep van eiseres gegrond is.

12.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de aard van het onderhavige geval zich hiertegen verzet. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

13.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

14.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,-, te betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.P. Letschert, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.M.E. Schulmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

18 april 2014.

w.g. F. Schulmer,

griffier

w.g. A.W.P. Letschert,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 18 april 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.