Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:3621

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
01-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_3469u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Subsidiezaak. Conflict over berekening compensatiesom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/3469

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 april 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. C.P. Mesker),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen (L.), verweerder

(gemachtigden: mr. J.W.G. van Megen, [naam] en [naam]).

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidie aan eiseres met ingang van 1 januari 2013 beëindigd.

Bij besluit van 10 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2014.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en voorts door [vertegenwoordigers eiseres]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

Kunstcentrum [naam eiseres], gelegen in het land van Cuijk en de kop van Noord Limburg, verzorgt sinds een aantal jaren activiteiten gericht op het verzorgen van muziekonderwijs en andere kunst- en cultuurgerelateerde activiteiten. Het centrum werd gesubsidieerd door de aldaar liggende gemeenten en is later, per 1 januari 2007, ondergebracht in een stichting. Verweerders gemeente heeft zich vanwege bezuinigingen genoodzaakt gezien om kritischer om te gaan met subsidieverstrekking. Mede om die reden is besloten om met ingang van 1 januari 2013 tot beëindiging van de subsidie aan eiseres over te gaan. Om een redelijke termijn hiervoor in acht te nemen, heeft verweerder op 12 december 2011 aan eiseres een vooraankondiging gedaan van de aanstaande beëindiging van de subsidie.

2.

Tussen partijen is niet in geschil dát de subsidie wordt beëindigd. Als gevolg van het besluit tot beëindiging van de subsidie zijn partijen het er bovendien over eens dat verweerder contractueel gehouden is om een compensatiesom te betalen aan eiseres. Het geschil spitst zich toe op de vraag op welke wijze en op welke grondslag de compensatiesom dient te worden berekend.

3.

Eiseres voert - samengevat - aan dat de zogeheten vuistregelberekening altijd is toegepast bij de berekening van de schadevergoeding. Dit blijkt ook uit de totstandkoming van de Compensatieregeling, met welke regeling verweerders gemeente heeft ingestemd. Bovendien hebben de andere aan de Compensatieregeling deelnemende gemeenten ook de vuistregel toegepast, zodat verweerder eveneens gehouden was deze regel toe te passen.

4.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een aantal van de participerende gemeenten de afgelopen jaren kennelijk uit praktische overwegingen een compensatiesom heeft uitgekeerd die is berekend aan de hand van de vuistregel. Hieruit kan echter geenszins worden afgeleid dat sprake is van een juridisch bindende (mondelinge) overeenkomst tussen eiseres en verweerders gemeente die in de plaats treedt van de schriftelijke Compensatieregeling. Juist deze regeling is tot stand gekomen (na omzetting van de rechtsvorm van [naam eiseres] op 1 januari 2007) om de consequenties van bezuinigingen door de subsidiërende gemeenten te reguleren. Bestuurlijk noch ambtelijk heeft verweerder enige toezegging gedaan waaruit zou volgen dat verweerder gebonden zou zijn aan toepassing van de vuistregel. Ook de gemeenten Cuijk en Mill en Sint Hubert hebben zich inmiddels op het standpunt gesteld dat de formule uit de Compensatieregeling dient te worden toegepast, zodat de stelling van eiseres, dat alle andere deelnemende gemeenten de vuistregel telkenmale hebben toegepast, feitelijk onjuist is.

5.

De rechtbank overweegt als volgt.

6.

Als gezegd worden partijen verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag welke compensatienorm nu van toepassing: de vuistregel of de ABC-formule, die is opgenomen in de Compensatieregeling.

7.

Uit de gedingstukken maakt de rechtbank op dat in 2006 een nota is aangeboden aan de raden van de deelnemende gemeenten met als onderwerp/opschrift Ontvlechting, die betrekking had op de herpositionering en de start van de nieuwe (stichting) [naam eiseres] in 2007. Hiervan maakt een budgetovereenkomst en een Compensatieregeling (Bijlage 2 van het Ontvlechtingsdocument) deel uit.

In artikel 2 van de Compensatieregeling is een schadevergoedingsregeling opgenomen, die verwijst naar de budgetovereenkomst met als doel of verplichting de vergoeding van schade ontstaan door een bezuiniging of overheidsingrijpen. De schadevergoeding wordt berekend door middel van de eerder aangehaalde ABC-formule, waarin onder meer rekening wordt gehouden met frictiekosten/wachtgeldverplichtingen en afkoop van langlopende contracten.

De rechtbank stelt vast dat de deelnemende partijen, waaronder eiseres en verweerders gemeente, de Compensatieregeling hebben ondertekend.

In dit verband is de rechtbank, in lijn met het advies van de bezwaarschriftencommissie, van oordeel dat de Compensatieregeling een bevoegdhedenovereenkomst is nu deze invulling geeft aan de wijze waarop verweerder zal handelen bij (de bevoegdheid tot) beëindiging van de subsidie. Om die reden kan deze regeling in het bestuursrechtelijke kader worden beoordeeld (zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 juni 2008, LJN: BD5373).

Niet is gebleken dat er in de Compensatieregeling bijzondere afspraken over toepassing van de vuistregel zijn gemaakt. Bovendien kan afwijken van de regeling alleen schriftelijk hetgeen niet is gebeurd. Van stilzwijgende instemming of een toezegging (van handelen conform de vuistregel) door verweerder is evenmin gebleken. Daarnaast is verweerder niet gebonden (te achten) aan verwachtingen die zouden zijn gewekt door andere bestuursorganen van de deelnemende gemeenten die eerder wel de vuistregel hebben toegepast. Evenmin kan uit het feit dat die laatste gemeenten onverplicht voor toepassing van de vuistregel hebben gekozen worden afgeleid dat verweerders gemeente om die reden ook gehouden zou zijn om de vuistregel toe te passen.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de gedingstukken geen aanknopingspunten bieden voor de stelling van eiseres dat verweerder gehouden zou zijn om de vuistregel in plaats van de ABC-formule, neergelegd in de door zowel eiseres als verweerders gemeente ondertekende Compensatieregeling, toe te passen.

8.

Vervolgens is de vraag of verweerder, uitgaande van voornoemde Compensatieregeling en de daarin neergelegde ABC-formule, in het bestreden besluit deze formule heeft toegepast.

In het bestreden besluit en ook ter zitting heeft verweerder aangegeven dat het een berekening conform de ABC-formule niet heeft kunnen maken omdat eiseres weigerachtig is geweest om de voor het maken van de berekening vereiste gegevens aan te leveren. Eiseres heeft in dit kader ter zitting aangegeven te hebben willen wachten met het aanleveren van deze gegevens in afwachting van een rechterlijk oordeel over de vraag welke compensatienorm nu van toepassing is, de vuistregel of de ABC-formule.

Nu van de zijde van verweerder is erkend dat het bestreden besluit vanwege het ontbreken van een berekening van de compensatiesom onvolledig is geweest, brengt dit de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit een volledige heroverweging ontbeert en dat aan dit besluit een motiveringsgebrek kleeft. Het bestreden besluit komt wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

9.

Met het oog op herstel van het onder 8. geconstateerde gebrek, is de rechtbank voorts van oordeel dat het allereerst op de weg van eiseres als subsidieontvanger ligt om verweerder ten behoeve van een adequate afronding van het traject tot beëindiging van de subsidierelatie te voorzien van de juiste en volledige gegevens. Met deze van eiseres ontvangen gegevens is het vervolgens aan verweerder om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Nu de uitkomst hiervan, gelet op het ontbreken van de noodzakelijke gegevens op dit moment, nog ongewis is ziet de rechtbank een meer doelmatige wijze om te komen tot finale geschillenbeslechting in dit geval niet binnen haar bereik.

10.

De rechtbank zal het beroep van eiseres dan ook gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

11.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

12.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 318,-- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 974,--

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. E.J. Govaers (voorzitter) en mr. R.M.M. Kleijkers en mr. D.J.E. Aerts, leden, in aanwezigheid van M. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2014.

w.g. M. Bakker,

griffier

w.g. E.J. Govaers,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 16 april 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.