Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:3282

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
08-04-2014
Zaaknummer
03/700620-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 Wvw; roekeloos rijgedrag; gevangenisstraf 6 maanden en rijontzegging 3 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/700620-13

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 april 2014

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 maart 2014, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [naam slachtoffer 1] (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen, dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, in die zin dat verdachte roekeloos heeft gereden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij de verklaring van verdachte, dat zij door een hoestbui “even weg is geweest” en daardoor op de andere weghelft is beland, ongeloofwaardig acht. Hij wijst op de getuigenverklaringen en de verklaring van het slachtoffer, waaruit naar voren komt dat verdachte zonder enige hapering over de middenberm reed, naar rechts stuurde toen zij op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer was terechtgekomen, haar weg wederom zonder enige hapering vervolgde en daarbij gewoon voor zich uit keek en beide handen aan het stuur had. Dat duidt op volledige controle over de auto en dat strookt niet met rijden tijdens een hoestbui en “even weg zijn”. De officier van justitie is van mening dat verdachte welbewust op de verkeerde weghelft op het slachtoffer is ingereden, zonder uit te wijken of af te remmen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank1

Op 4 oktober 2013 heeft er een aanrijding plaatsgevonden op de Kerkradersteenweg te Kerkrade tussen een Opel Corsa met kenteken [kenteken], bestuurd door [naam slachtoffer 1], en een Toyota Starlet met kenteken [kenteken], bestuurd door verdachte.2 Uit onderzoek is het volgende naar voren gekomen.

De bestuurster van de Toyota reed over de Kerkradersteenweg, komende uit de richting van de Wijngracht en rijdende in de richting van de Kaalheidersteenweg. Op een gegeven moment is zij over de verhoogde middenberm naar de linker rijstrook van de Kerkradersteenweg gereden (die bestemd is voor tegemoetkomend verkeer) en heeft zij daar haar weg vervolgd in de richting van de Kaalheidersteenweg.

De bestuurder van de Opel reed over de Kerkradersteenweg, komende uit de richting van de Kaalheidersteenweg en was rijdende in de richting van de Wijngracht. Hij reedt dus op de rijstrook waarover verdachte hem tegemoet reed.

Beide betrokken voertuigen zijn op deze rijstrook van de Kerkradersteenweg met elkaar in botsing gekomen. Er kan met zekerheid gesteld worden dat de Toyota op het moment van de botsing een hogere snelheid had dan de betrokken Opel.

Op grond van het sporenbeeld kan gesteld worden dat de bestuurster van de Toyota geleidelijk de verhoogde middenberm is opgereden en niet abrupt naar links heeft gestuurd. Gemeten aan het verloop van de verhoogde middenberm bevond de plaats van eerste aftekening van rijsporen op de rechter betonnen sluitband van de middenberm zich op een afstand van ongeveer 61,5 meter voor de plaats waar beide voertuigen met elkaar in botsing zijn gekomen. De laatste plaats waar rijsporen aan de middenberm waarneembaar waren bevond zich op ongeveer 42 meter voor de botsplaats.

Uit de getuigenverklaringen blijkt dat de bestuurster van de Toyota bestuurdershandelingen heeft verricht. Na het verlaten van de middenberm heeft zij over een afstand van ongeveer 40 meter over de linker rijstrook gereden voordat zij in botsing kwam met de Opel.3

Uitgaande van een snelheid van 40 à 50 km/u zal de bestuurster van de Toyota vanaf het oprijden van de middenberm respectievelijk 5,53 seconden of 4,43 seconden nodig hebben gehad om de botsplaats te bereiken. Gezien het wegverloop heeft de bestuurster na het afrijden van de middenberm een stuurbeweging naar rechts moeten maken om het wegverloop van de linker rijstrook te kunnen volgen. Vervolgens heeft zij nog over een afstand van 42 meter het wegverloop van de linker rijstrook gevolgd om de botsplaats te bereiken.4

De bestuurder van de Opel, [naam slachtoffer 1], heeft verklaard dat hij een kleine rode auto op zich af zag komen. In de auto zag hij een vrouw en hij zag dat ze geen aanstalten maakte om te stoppen. De vrouw zat recht achter het stuur met haar blik naar voren op de weg gericht en met beide handen aan het stuur. Ondanks zijn ontwijkende manoeuvre stuurde zij gewoon rechtdoor en raakte zijn voertuig. Omtrent zijn letsel heeft hij verklaard dat hij een gebroken borstbeen heeft, waaraan hij geopereerd is. Hij ondervindt hier nog erg veel pijn van.5 Uit medische informatie komt naar voren dat bij [naam slachtoffer 1] een sternumfractuur is geconstateerd.6

Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat zij met een snelheid van circa 40 à 50 km/u reed, net als haar voorganger. Plotseling zag zij deze auto zonder af te remmen links de groenvoorziening van de verhoogde middengeleider oprijden en op de rijstrook voor het tegemoetkomend verkeer terechtkomen. Vervolgens zag zij dat de bestuurder de auto “gewoon” weer kon corrigeren en zonder af te remmen en met onverminderde vaart de weg vervolgde, in de richting van een naderende rode auto.7

De getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat twee auto’s voor haar een rode Toyota Starlet reed. De snelheid waarmee gereden werd schat zij ongeveer 30 tot 40 km/u. De bestuurder van de Toyota stuurde plotseling naar links en reed over de middenberm. De auto kwam terecht op de rijbaan voor het tegemoetkomend verkeer, corrigeerde naar rechts en reed verder omhoog tegen de richting in waar tegemoetkomend verkeer duidelijk zichtbaar was.8

Verdachte heeft verklaard dat zij door een hoestbui een black-out heeft gehad. Zij kan zich de botsing dan ook niet herinneren.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot navolgende overwegingen.

Of er sprake is van schuld zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Van schuld is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Bij het vaststellen van onvoorzichtigheid gaat het om de vraag of de verdachte objectief gezien een ernstige fout heeft gemaakt dan wel zijn/haar rijgedrag (aanmerkelijk) onder de maat is gebleven van wat van een automobilist wordt geëist.

De vraag die de rechtbank in dit kader moet beantwoorden is of het ongeval is veroorzaakt door roekeloos, dan wel zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam verkeersgedrag van verdachte.

In het onderhavige geval volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte met een snelheid van 40 tot 50 km/h, van het ene op het andere moment, zonder af te remmen en zonder enige hapering van het voertuig vanuit haar eigen rechterrijbaan de links van haar gelegen groenvoorziening van de verhoogde middenberm is opgereden. Deze is zij (wederom) zonder waarneembare hapering of ingrijpen harerzijds overgestoken. Aangekomen bij de weghelft voor tegemoetkomend verkeer heeft zij een stuurbeweging naar rechts gemaakt om de auto evenwijdig op deze weghelft te brengen en het wegverloop te kunnen vervolgen. Verdachte is die linkerrijstrook vervolgens over een afstand van 42 meter gevolgd en is toen met de Opel van [naam slachtoffer 1], die duidelijk zichtbaar vanuit tegenovergestelde richting kwam aangereden, in botsing gekomen. Afhankelijk van de gereden snelheid heeft een en ander vanaf het oprijden van de middenberm tot aan het botsen tegen de Opel zich afgespeeld over een afstand van ongeveer 61,5 meter en gedurende 5,53 dan wel 4,43 seconden.

Uit de verklaringen van [naam getuige 1] en [naam slachtoffer 1], alsmede uit de Verkeersongevalsanalyse (VOA), volgt dat verdachte niet heeft afgeremd/haar snelheid niet heeft verminderd en recht achter het stuur zat toen ze op [naam slachtoffer 1] afreed met haar blik naar voren op de weg gericht en met haar handen op het stuur.

Gelet op het feit dat verdachte bij het afrijden van de verhoogde middenberm een stuurcorrectie heeft gemaakt om het wegverloop van de linkerrijstrook te volgen, het feit dat verdachte niet heeft geremd noch haar snelheid heeft verminderd en de wijze waarop zij volgens [naam slachtoffer 1] achter het stuur zat, acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat zij een dermate ernstige hoestaanval heeft gehad dat ze “even weg” is geraakt, en dat zij daardoor op de linkerbaan terecht is gekomen en in botsing met [naam slachtoffer 1] is gekomen, niet aannemelijk. Uit de getuigenverklaringen volgt naar het oordeel van de rechtbank immers dat verdachte de auto daadwerkelijk bestuurde. Ogenschijnlijk had zij deze zelfs volledig onder controle.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat er sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet. De volgende vraag is welke mate van schuld het betreft.

De rechtbank stelt voorop dat voor het bewijs van schuld in de zwaarste zin - roekeloosheid, zoals bedoeld in art. 6 WVW - uit de bewijsmiddelen dient te volgen dat door een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, waarvan verdachte zich bewust was, althans had moeten zijn. Dit wordt wel verduidelijkt door te stellen dat de mogelijke risico’s voor andere weggebruikers de verdachte onverschillig moeten laten. Het roekeloze moet niet zozeer gezocht worden in het weggedrag zelf maar in de attitude van de verdachte.

De rechtbank kan op grond van het rijgedrag van verdachte – zoals dat blijkt uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen – niet anders dan constateren dat verdachte gecontroleerd de middenberm is overgestoken en vervolgens gecontroleerd haar weg heeft vervolgd over de weghelft voor tegemoetkomend verkeer, terwijl er op dat moment – ook voor haar duidelijk zichtbaar – een tegenligger aankwam. Hierdoor heeft verdachte ernstig gevaar voor die tegenligger in het leven geroepen en verdachte moet zich hiervan bewust zijn geweest. Dat risico heeft haar echter onverschillig gelaten want zij heeft niets ondernomen om een botsing te voorkomen.

Zo beschouwt komt de rechtbank tot de conclusie dat sprake is van schuld in de zwaarste vorm, namelijk roekeloosheid. De rechtbank acht het primair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair

op 04 oktober 2013, in de gemeente Kerkrade, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Kerkradersteenweg, komende uit de richting van de Wijngracht en gaande in de richting van de Kaalheidersteenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, rijdende op de Kerkradersteenweg, over de (verhoogde) middenberm te rijden en vervolgens op de rijbaan bestemd voor het voor haar tegemoetkomende verkeer te rijden en aldus tegen de rijrichting in te rijden (zogenaamde spookrijden) op het moment dat een op die rijbaan rijdende en haar tegemoetkomende personenauto haar dicht was genaderd, waardoor, zij, verdachte, met het door haar bestuurde motorrijtuig in aanrijding is gekomen met die personenauto, waardoor een ander, te weten [naam slachtoffer 1] (bestuurder van de tegemoetkomende auto) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken borstbeen, werd toegebracht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1

De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

4.2

De strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de verdachte is door [naam gz psycholoog], gz-psycholoog onderzoek naar de geestesvermogens van verdachte ingesteld. Van dit onderzoek heeft genoemde psycholoog een rapport opgemaakt, gedateerd 1 februari 2014. Dit rapport vermeldt als conclusie dat onderzochte ten tijde van het plegen van de haar ten laste gelegde feiten lijdende was aan een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling in die zin dat er sprake is van een alcoholafhankelijkheid, een persoonlijkheidsstoornis Nao met borderline- en antisociale trekken en een cognitief functioneren op zwakbegaafd niveau. Vanwege de ontkenning van onderzochte is het niet mogelijk een conclusie te adviseren aangaande de toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in de rapporten gegeven conclusies en maakt deze mitsdien tot de hare.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht en een rijontzegging voor de duur van drie jaren.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de zwakbegaafdheid van verdachte en met het feit dat zij meermalen om hulp heeft gevraagd. De raadsman vindt het van groot belang dat verdachte behandeld wordt voor haar problemen. Als verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf krijgt zal het helemaal mis met haar gaan. Het is beter haar een grote stok achter de deur te geven omdat behandeling noodzakelijk is.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Blijkens de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting (LOVS) dient bij de bepaling van de straf in zaken als de onderhavige in beginsel te worden uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en 2 jaren ontzegging van de rijbevoegdheid. De rechtbank stelt voorop dat genoemde oriëntatiepunten zijn opgesteld ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging bij vaak voorkomende delicten. In beginsel is het mogelijk om aan de verdachte in plaats van een gevangenisstraf een werkstraf op te leggen, maar de rechtbank ziet daarvoor geen reden. Zij overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft roekeloos rijgedrag vertoond. Door het laakbare rijgedrag van verdachte heeft er een zeer ernstig ongeluk plaatsgevonden waardoor de bestuurder van de andere personenauto, te weten [naam slachtoffer 1], zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring komt naar voren dat hij tot op de dag van vandaag veel last heeft van zowel de lichamelijke als psychische gevolgen van het ongeluk. De rechtbank rekent de verdachte dit ernstig aan.

Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest voor overtreding van de Wegenverkeerswet.

Op grond van genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet in aanmerking komt voor een werkstraf. De rechtbank acht dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden passend en geboden. Als stok achter de deur zal de rechtbank een deel van deze straf, groot drie maanden, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht.

Voorts zal de rechtbank een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van drie jaren. Met deze ontzegging wordt beoogd te voorkomen dat verdachte zich opnieuw op deze wijze in het verkeer zal begeven.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4.1 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van drie jaar de algemene voorwaarden of de bijzondere voorwaarde heeft overtreden;

  • -

    stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte

  • -

    zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering, ook als dat inhoudt dat verdachte zich moet houden aan een meldplicht en een ambulante behandeling moet ondergaan bij (forensische) verslavingszorg;

  • -

    draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Rijontzegging

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van drie jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.V. Pelsser, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en

mr. J.M.E. Kessels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 april 2014.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 04 oktober 2013, in de gemeente Kerkrade, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Kerkradersteenweg, komende uit de richting van de Wijngracht en gaande in de richting van de Kaalheidersteenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, althans door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, rijdende op de Kerkradersteenweg, over de (verhoogde) middenberm te rijden en/of (vervolgens) op de rijbaan bestemd voor het voor haar tegemoetkomende verkeer te rijden en aldus tegen de rijrichting in te rijden (zogenaamde spookrijden) op het moment dat een op die rijbaan rijdende en haar tegemoetkomende personenauto haar dicht was genaderd, waardoor, althans mede waardoor, zij, verdachte, met het door haar bestuurde motorrijtuig in botsing of aanrijding is gekomen met die personenauto, waardoor een ander, te weten [naam slachtoffer 1] (bestuurder van de tegemoetkomende auto) zwaar lichamelijk letsel, te weten: een gebroken borstbeen of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 04 oktober 2013, in de gemeente Kerkrade, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Kerkradersteenweg, komende uit de richting van de Wijngracht en gaande in de richting van de Kaalheidersteenweg,

rijdende op de Kerkradersteenweg, over de (verhoogde) middenberm is gereden en/of (vervolgens) op de rijbaan bestemd voor het voor haar tegemoetkomende verkeer is gereden en aldus tegen de rijrichting in heeft gereden (zogenaamde spookrijden) op het moment dat een op die rijbaan rijdende en haar tegemoetkomende personenauto haar dicht was genaderd, waardoor, althans mede waardoor, zij, verdachte, met het door haar bestuurde motorrijtuig in botsing of aanrijding is gekomen met die personenauto, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/700620-13

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 8 april 2014 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat zij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten.

1 Voor zover de in het vonnis vermelde feiten en omstandigheden door de rechtbank redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde, wordt hierna in de voetnoten verwezen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de rechtbank deze feiten en omstandigheden ontleent. Tenzij anders aangegeven, maken deze bewijsmiddelen deel uit van het eindproces-verbaal van de politie Limburg, district Parkstad, districtsrecherche, dat is doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 161 en in de wettelijke vorm is opgemaakt.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 8-10.

3 Het proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse nummer 2013108468-3, pagina 134, 140-142.

4 Het proces-verbaal (aanvullend) d.d. 10-12-’13, dat geen deel uitmaakt van de doornummering.

5 Het proces-verbaal verhoor getuige [naam slachtoffer 1], pagina 107-108.

6 Het geschrift, inhoudende medische informatie over [naam slachtoffer 1], pagina 127.

7 Het proces-verbaal verhoor getuige [naam getuige 1], pagina 95.

8 Het proces-verbaal verhoor getuige [naam getuige 2], pagina 97.