Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:3237

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
04-04-2014
Zaaknummer
04/860453-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 197 Wetboek van Strafrecht. Ongewenst vreemdeling. Terugkeerrichtlijn. Ontslag van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 04/860453-12

Datum uitspraak : 2 april 2014

Tegenspraak overeenkomstig artikel 279 Wetboek van Strafvordering

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

Raadsvrouw is mr. K.E.J. Dohmen, advocaat te Venlo.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 19 maart 2014.

De rechtbank heeft op 19 maart 2014 gehoord: de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 02 september 2012 in de gemeente Venlo, in elk geval in

Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000,

in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard. Op 2 september 2012 is verdachte aangetroffen in Nederland terwijl hij ongewenst was verklaard. De beschikking tot ongewenstverklaring is hem in persoon uitgereikt. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat hij niet in Nederland mocht verblijven. Later heeft hij verklaard dat hem is medegedeeld dat hij drie dagen in Nederland mocht blijven. Het is onduidelijk waarom hij dat dacht. Verdachte is afkomstig uit de Sovjetunie en is aan te merken als derdelander. De terugkeerrichtlijn is derhalve van toepassing.

Blijkens het aanvullend proces-verbaal d.d. 5 november 2013 heeft de Nederlandse overheid tot twee keer toe (in 2005 en 2011) de uitzetprocedure volledig doorlopen. Verdachte verbleef in Nederland zonder dringende noodzaak. De dubieuze omstandigheden waaronder hij is aangetroffen duiden op een langer verblijf in Nederland.

De ongewenstverklaring is gebaseerd op verdachtes veroordeling uit 2005. Nu verdachte een ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt, is de maximale termijn van vijf jaar niet aan de orde. Gelet op het vorenstaande kan verdachte voor het onderhavige feit worden veroordeeld en kan hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.

De officier van justitie acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de orde, mede gelet op de documentatie van verdachte. Echter nu ter terechtzitting d.d. 12 september 2012 reeds een strafeis is geformuleerd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaren, ziet de officier van justitie zich op basis van het vertrouwensbeginsel aan die eis gehouden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring.

Zij heeft aangevoerd dat verdachte een derdelander is en dat de Terugkeerrichtlijn van toepassing is. Verdachte is in 2005 uit Nederland gezet. Vervolgens is tot 2010 niet gebleken dat hij naar Nederland is teruggekeerd. Nu sinds de ongewenstverklaring inmiddels meer dan vijf jaren waren verstreken, is de raadsvrouw van mening dat de materiële wederrechtelijkheid van het feit is komen te vervallen. Op 2 september 2012 kwam verdachte dus wellicht in strijd met de ongewenstverklaring terug naar Nederland, maar de geldigheid van die ongewenstverklaring was inmiddels vervallen. Verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsvrouw heeft in dit verband verwezen naar het arrest Filev en Osmani.

Verdachte is in 2011 veroordeeld en heeft vervolgens op 18 oktober 2012 Nederland weer verlaten. Er bestaan nog vele vragen ten aanzien van de Terugkeerrichtlijn en de toepassing daarvan. Naar de mening van de raadsvrouw staat de executie van een gevangenisstraf op gespannen voet met de plicht van verdachte tot terugkeer naar zijn land van herkomst.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat indien verdachte desondanks tot een straf wordt veroordeeld, zij zich kan vinden in de eis van de officier van justitie.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen1

De verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en de [verbalisant 4] relateren op 3 september 2012 dat zij [verdachte] op 2 september 2012 op het adres Straelseweg 35A te Venlo hebben aangetroffen. Bij bevraging van de identiteitsdocumenten bleek dat [verdachte] in Nederland gesignaleerd stond als ‘groot’ ongewenst vreemdeling.2

Een beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) d.d. 12 mei 2005 houdt onder meer in:

“Kenmerk IND: 0504.29.0190. V-Nummer: 270.606.5313.

Deze beschikking heeft betrekking op ongewenstverklaring ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet van de vreemdeling die is genaamd:

[verdachte], geboren op [geboortedatum], Oekraïense nationaliteit.

Blijkens informatie van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch is betrokkene bij uitspraak van de meervoudige strafkamer te ’s-Hertogenbosch van 15 maart 2005, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden wegens overtreding van artikel 3 aanhef en onder B van de Opiumwet in verband met artikel 47 lid 1 aanhef en onder sub 1 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie en artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet hierop wordt aangenomen dat betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde, terwijl betrokkene geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet.

Hiermee is er aanleiding om betrokkene ongewenst vreemdeling te verklaren.

Er bestaat geen aanleiding om de ongewenstverklaring achterwege te laten. Daarom wordt betrokkene ongewenst verklaard.

Ongewenstverklaring conform artikel 67 van de Vreemdelingenwet heeft onder meer het rechtsgevolg dat (verder) verblijf van betrokkene strafbaar is op grond van artikel 197 Wetboek van Strafrecht indien hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat hij ongewenst vreemdeling is verklaard.”

Een geschrift met het opschrift “Uitreikingsblad, behorende bij de beschikking van 12 mei 2005” van de IND, 3 houdt onder meer in:

“Dossiernummer: 0504.29.0190. V-Nummer: 270.606.5313

Betreft: [verdachte], geboren op [geboortedatum], Oekraïense nationaliteit.

Deze beschikking is op 25 april 2005 door M.A.P.A. Weijtmans in persoon uitgereikt, waarbij de strekking van het besluit in een voor betrokkene begrijpelijke taal is medegedeeld en de voorgeschreven folder is verstrekt.”

Dit geschrift is door verdachte ondertekend.

Verdachte heeft op 3 september 2012 bij de politie als volgt verklaard.4

“V: U bent aangemerkt als ongewenst vreemdeling in Nederland. Begrijpt u dit?

A: Ja, dat begrijp ik.

V: Sinds wanneer bent u in Nederland, Venlo?

A: Sinds afgelopen zaterdag.

V: Waar heeft u uw verblijf gehad nadat u Nederland uitgezet bent in 2005?

A: Ik ben toen naar mijn eigen land terug gegaan.

V: Weet u dat het strafbaar is om onrechtmatig in Nederland te verblijven?

A: Ja, dat weet ik.”

Overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft de Oekraïense nationaliteit. Hij is bij beschikking van de IND van 12 mei 2005 ex artikel 67 van de Vreemdelingenwet ongewenst verklaard, aangezien hij een gevaar vormde voor de openbare orde. Deze beschikking is hem in persoon uitgereikt op 25 april 2005. Desondanks bevond verdachte zich op 2 september 2012 op Nederlands grondgebied.

Vast staat dat verdachte onderdaan is van een derde land en illegaal op het grondgebied van Nederland verbleef. De Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008, bekend als de Terugkeerrichtlijn, is derhalve op verdachte van toepassing.

De rechtbank is van oordeel dat de beschikking tot ongewenstverklaring heeft te gelden als een terugkeerbesluit dat tevens een inreisverbod behelst als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder 4e respectievelijk 6e van de Terugkeerrichtlijn.

Volgens artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn bedraagt de duur van een inreisverbod in principe niet meer dan vijf jaar. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Blijkens artikel 66a, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en het arrest van de Hoge Raad van 21 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3930, moet de duur van het inreisverbod worden berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

Verdachte heeft verklaard dat hij in 2005 is teruggekeerd naar Oekraïne. Dit wordt bevestigd in het proces-verbaal d.d. 5 november 20135, waaruit blijkt dat verdachte op 10 juli 2005, 8 december 2011 en 18 oktober 2012 is uitgezet naar het land van herkomst.

Volgens de thans geldende bepaling in artikel 6.5a van het Vreemdelingenbesluit 2000 bedraagt het inreisverbod ten hoogste twee jaren.

Afwijking van de hoofdregel:

- ten hoogste drie jaren voor een vreemdeling die is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van minder dan zes maanden;

- ten hoogste vijf jaren voor een vreemdeling die:

a. is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van zes maanden of langer;

b. gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel opzettelijk reis- of identiteitspapieren heeft overgelegd die niet op hem betrekking hebben;

c. reeds het onderwerp is geweest van meer dan één terugkeerbesluit, of

d. zich op het grondgebied van Nederland heeft begeven terwijl een inreisverbod van kracht was.
- ten hoogste tien jaren indien de vreemdeling een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan blijken uit onder meer:

a. een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of opiumdelict;

b. een veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd;

c. de omstandigheid dat hem artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, of

d. de oplegging van een TBS-maatregel.

- ten hoogste twintig jaren indien de vreemdeling een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid of indien zwaarwegende belangen nopen tot een duur van meer dan tien jaren.

Gelet op de beschikking van de IND tot ongewenstverklaring is verdachte op 15 maart 2005 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, vanwege overtreding van onder andere artikel 3 ahf/ond B van de Opiumwet.

In de beschikking staat niet vermeld dat verdachte een ernstig gevaar voor de openbare orde vormde. Hoewel verdachte voor onder andere een feit van de Opiumwet is veroordeeld, kan daaruit niet zonder meer worden afgeleid dat de tien jaars termijn van toepassing is. Nu uit de hoogte van de straf is af te leiden dat slechts sprake is van een strafbaar handelen van beperktere strekking en in overeenstemming daarmee de beschikking wel vermeldt dat er sprake is van een ‘ernstig’ gevaar, maar niet van een ‘zeer ernstig’ gevaar, ziet de rechtbank geen grondslag om de in de richtlijn gegeven uitgangstermijn van vijf jaar te verlengen.

Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 maart 2014 heeft verdachte zich na de ongewenstverklaring niet schuldig gemaakt aan andere strafbare feiten dan aan overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (in 2011). De rechtbank is van oordeel dat door deze veroordeling voor artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht de termijn van het inreisverbod niet opnieuw is aangevangen.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde feit weliswaar wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, maar dat het feit niet strafbaar is.

4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 02 september 2012 in de gemeente Venlo, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

5.1

De strafbaarheid

Nu de rechtbank van oordeel is dat het bewezenverklaarde feit niet strafbaar is, wordt verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.

6 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.3 is omschreven;

Strafbaarheid

  • -

    bepaalt dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert;

  • -

    ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wöretshofer, voorzitter, mr. H.H. Dethmers en

mr. N.H.W. Montulet-van der Meer, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. I.E.A. van Eijk-Bronkhorst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

2 april 2014.

mr. N.H.W. Montulet-van der Meer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, zijn gevoegd bij het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Regio Limburg-Noord, District Venlo, opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL2321 2012085859 d.d. 4 september 2012 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4], d.d. 3 september 2012

3 Geschrift met het opschrift “Voorblad, behorende bij de beschikking van 4 oktober 2000” van de IND

4 Proces-verbaal verhoor verdachte, d.d. 3 september 2012

5 Proces-verbaal, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 5], d.d. 5 november 2013