Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:3236

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
04-04-2014
Zaaknummer
04/850025-12 en 03/700171-11 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 197 Wetboek van Strafrecht. Ongewenst vreemdeling. Terugkeerrichtlijn. Ontslag van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 04/850025-12

03/700171-11 (tul)

Datum uitspraak : 2 april 2014

Verstek

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 19 maart 2014.

De rechtbank heeft op 19 maart 2014 gehoord: de officier van justitie.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 20 januari 2012 te Maasbracht, gemeente Maasgouw, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. Verdachte is aangetroffen in Nederland terwijl hij naar eigen zeggen wist dat hij ongewenst was verklaard. Verdachte heeft de Turkse nationaliteit en is aan te merken als derdelander. De terugkeerrichtlijn is derhalve van toepassing.

Blijkens het aanvullend proces-verbaal van DT&V van 25 oktober 2013, heeft de Nederlandse overheid voorafgaand aan de onderhavige strafbare gedraging de uitzetprocedure volledige doorlopen. Verdachte verbleef in Nederland zonder dringende noodzaak.

De ongewenstverklaring is gebaseerd op verdachtes veroordeling uit 1995. Nu verdachte een ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt, is de maximale termijn van vijf jaar niet aan de orde. Gelet op het vorenstaande kan verdachte voor het onderhavige feit worden veroordeeld en kan hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging (gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden) wordt toegewezen.

4.2

Het oordeel van de rechtbank

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen1

Gelet op:

- De verklaring van verdachte dat hij wist dat hij ongewenst vreemdeling is in Nederland2;

- Het proces-verbaal relaas betreffende het aantreffen van verdachte op Nederlands grondgebied3;

- De beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) d.d. 4 oktober 2000 inhoudende de beslissing tot ongewenstverklaring van verdachte4;

- Een geschrift met het opschrift “Voorblad, behorende bij de beschikking van 4 oktober 2000” van de IND, door verdachte ondertekend op 6 november 20005,

acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit

heeft begaan.

Overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft de Turkse nationaliteit. Hij is bij beschikking van de IND van 4 oktober 2000 ex artikel 21 van de Vreemdelingenwet ongewenst verklaard, aangezien hij een gevaar vormde voor de openbare orde en openbare rust6. Deze beschikking is hem in persoon uitgereikt op 6 november 2000.

Verdachte is op 20 januari 2012 aangetroffen op Nederlands grondgebied. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij weet dat hij ongewenst vreemdeling is.

Vast staat dat verdachte onderdaan is van een derde land, immers blijkens zijn ID-staat d.d. 13 februari 2014 heeft hij de Turkse nationaliteit. Uit deze ID-staat blijkt tevens dat verdachte sinds 21 januari 2012 staat ingeschreven in België en dat hij in het bezit is van een Belgische verblijfstitel. Ook in het proces-verbaal d.d. 10 december 2012 (ter terechtzitting van 11 december 2012 overgelegd door de officier van justitie) staat vermeld dat verdachte een Belgische verblijfstitel heeft.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, onverlet deze Belgische verblijfstitel, dient te worden aangemerkt als een derdelander nu niet is komen vast te staan dat hij een gemeenschapsonderdaan is in de zin van artikel 1 onder e van de Vreemdelingenwet 2000.

Bovendien ontleent hij geen verblijfsrecht aan Besluit 1/80 van de Associatieraad EG/Turkije. De Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008, bekend als de Terugkeerrichtlijn, is derhalve op verdachte van toepassing.

De rechtbank is van oordeel dat de beschikking tot ongewenstverklaring heeft te gelden als een terugkeerbesluit dat tevens een inreisverbod behelst als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder 4e respectievelijk 6e van de Terugkeerrichtlijn.

Volgens artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn bedraagt de duur van een inreisverbod in principe niet meer dan vijf jaar. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Blijkens artikel 66a, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en het arrest van de Hoge Raad van 21 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3930, moet de duur van het inreisverbod worden berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

Nu verdachte blijkens het proces-verbaal d.d. 23 januari 20127 reeds op 13 januari 2010 over een Belgisch verblijfsdocument beschikte, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte na zijn ongewenstverklaring Nederland heeft verlaten, temeer daar hij stelt in het proces-verbaal van inverzekeringstelling d.d. 20 januari 20128 dat hij een vaste verblijfplaats heeft en vast werk heeft als heftruckchauffeur in loondienst in België.

Volgens de thans geldende bepaling in artikel 6.5a van het Vreemdelingenbesluit 2000 bedraagt het inreisverbod ten hoogste twee jaren.

Afwijking van de hoofdregel:

- ten hoogste drie jaren voor een vreemdeling die is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van minder dan zes maanden;

- ten hoogste vijf jaren voor een vreemdeling die:

a. is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van zes maanden of langer;

b. gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel opzettelijk reis- of identiteitspapieren heeft overgelegd die niet op hem betrekking hebben;

c. reeds het onderwerp is geweest van meer dan één terugkeerbesluit, of

d. zich op het grondgebied van Nederland heeft begeven terwijl een inreisverbod van kracht was.
- ten hoogste tien jaren indien de vreemdeling een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan blijken uit onder meer:

a. een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of opiumdelict;

b. een veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd;

c. de omstandigheid dat hem artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, of

d. de oplegging van een TBS-maatregel.

- ten hoogste twintig jaren indien de vreemdeling een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid of indien zwaarwegende belangen nopen tot een duur van meer dan tien jaren.

Gelet op de beschikking van de IND tot ongewenstverklaring (alsmede het uittreksel uit de Justitiële Documentatie over verdachte d.d. 12 maart 2014) is verdachte op 12 april 1995 door de meervoudige strafkamer te Maastricht veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, wegens overtreding van artikel 282a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

In de beschikking staat niet vermeld dat verdachte een ernstig gevaar voor de openbare orde vormde. Zonder toelichting, die niet is gegeven, is uit de aard van het delict en de daarvoor opgelegde straf niet af te leiden dat hij desondanks een ernstig gevaar voor de openbare orde vormt. Hoewel op de strafbare feiten waarvoor [verdachte] is veroordeeld, een hogere straf dan zes jaar is gesteld, kan daaruit niet zonder meer worden afgeleid dat de tien jaars termijn van toepassing is. Nu uit de hoogte van de straf is af te leiden dat slechts sprake is van een strafbaar handelen van beperktere strekking, ziet de rechtbank geen grondslag om de in de richtlijn gegeven uitgangstermijn van vijf jaar te verlengen. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 maart 2014 heeft verdachte zich na de ongewenstverklaring niet schuldig gemaakt aan andere strafbare feiten dan aan overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (in 2006 en 2011). De rechtbank is van oordeel dat door deze veroordelingen voor artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht de termijn van het inreisverbod niet opnieuw is aangevangen.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde feit weliswaar wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, maar dat het feit niet strafbaar is.

4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 20 januari 2012 te Maasbracht als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

5.1

De strafbaarheid

Nu de rechtbank van oordeel is dat het bewezenverklaarde feit niet strafbaar is, wordt verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.

6 De beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging

Nu verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, wijst de rechtbank de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Limburg te Roermond tot tenuitvoerlegging van de aan de veroordeelde bij vonnis van de politierechter te Maastricht te d.d. 9 juni 2011 in de zaak met parketnummer 03/700171-11 opgelegde straf af, ten aanzien waarvan toen was bepaald dat deze voorwaardelijk niet tenuitvoergelegd zou worden.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.3 is omschreven;

Strafbaarheid

  • -

    bepaalt dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert;

  • -

    ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

  • -

    wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 03/700171-11).

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wöretshofer, voorzitter, mr. H.H. Dethmers en

mr. N.H.W. Montulet-van der Meer, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. I.E.A. van Eijk-Bronkhorst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

2 april 2014.

mr. N.H.W. Montulet-van der Meer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, zijn gevoegd bij het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee, District Zuid, opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL27YN/12-000455 d.d. 23 januari 2012 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal verhoor verdachte, d.d. 20 januari 2012 (pag. 30)

3 Proces-verbaal relaas, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], d.d. 21 januari 2012 (pag. 14-15)

4 Beschikking van de IND d.d. 4 oktober 2000

5 Geschrift met het opschrift “Voorblad, behorende bij de beschikking van 4 oktober 2000” van de IND

6 Beschikking van de IND d.d. 4 oktober 2000

7 Proces-verbaal d.d. 23 januari 2012 (pag. 7)

8 Proces-verbaal van inverzekeringstelling d.d. 20 januari 2012 (pag. 19-20)