Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:3197

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
03-04-2014
Zaaknummer
03/703232-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek “Jaguar II”: Veroordelingen wegens het meermalen overtreden van de Opiumwet, (onder andere) in het kader van deelname aan een criminele organisatie, die zich bezighield met de exploitatie van een wiettaxi. Ook zijn er veroordelingen wegens witwassen en wapenbezit. De leider van de criminele organisatie werd tevens veroordeeld voor het samen met anderen buiten Nederland brengen van amfetamine.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/703232-11

Datum uitspraak : 1 april 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. W.R. Smeets, advocaat te Maastricht.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18, 19, 20, 23 en 27 september 2013 en 18 maart 2014. De rechtbank heeft gehoord de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2 De tenlastelegging

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: al dan niet samen met een ander of anderen meermalen opzettelijk harddrugs buiten Nederland heeft gebracht;

Feit 2: al dan niet samen met een ander of anderen meermalen opzettelijk harddrugs heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt dan wel vervoerd, dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad;

Feit 3: al dan niet samen met een ander of anderen voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet heeft gepleegd;

Feit 4: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van de Opiumwet.

Gezien de inhoud van de verschillende zaaksdossiers, die deel uitmaken van het proces-verbaal met proces-verbaalnummer 2011118898 d.d. 27 februari 2012, waaruit blijkt dat de tenlastegelegde deelname aan de criminele organisatie ziet op een criminele organisatie in de zin van de Opiumwet, moet het ontbreken van de vermelding “zijnde MDA en/of MDMA en/of N-ethyl-MDA (=MDEA) en/of amfetamine (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I” na de zinsnede “MDA en/of MDMA en/of N-ethyl-MDA (=MDEA) en/of amfetamine” in de tenlastelegging onder 4 als een kennelijke verschrijving worden beschouwd.

De rechtbank overweegt daarbij dat het blijkens het verhandelde ter terechtzitting ook voor verdachte duidelijk was dat het bij deze middelen ging om middelen in de zin van de bij de Opiumwet horende lijst I. De verdachte wordt dan ook door deze verbetering niet in zijn verdediging geschaad.

3. De beoordeling van het bewijs1

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 niet bewezen kan worden verklaard en heeft vrijspraak gevorderd ten aanzien van dit feit. Hij heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de feiten 2, 3 en 4 bewezen kunnen worden verklaard en wel met behulp van schakelbewijs. Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie nog aangevoerd dat verdachte voorbereidingshandelingen heeft gepleegd door methanol in te kopen. Hij heeft de methanol ook vervoerd.

Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte tot een criminele organisatie behoorde samen met [medeverdachte 15] en anderen, onder wie [medeverdachte 10], [medeverdachte 11] en [medeverdachte 12]. Zij hielden zich bezig met harddrugs.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte integraal vrij te spreken. Ten aanzien van feit 1 heeft hij aangevoerd dat er geen enkel bewijs is dat wijst in de richting van verdachte.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsman aangevoerd dat er geen bewijs is dat verdachte in de tenlastegelegde periode betrokken is geweest bij voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet dan wel bij de productie van harddrugs. De raadsman heeft de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 10] betwist.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie. Er is geen sprake van schakelbewijs.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

Onder de feiten 1 en 2 is de uitvoer en productie van harddrugs ten laste gelegd. In dit verband is door [medeverdachte 10] een belastende verklaring jegens verdachte afgelegd. Zo heeft hij onder meer verklaard dat verdachte samenwerkte met medeverdachte [medeverdachte 15] en dat zij zich bezighielden met de productie van MDMA. In juli/augustus 2008 produceerde [medeverdachte 10] amfetamine in Roermond. Dit deed hij in opdracht van (onder andere) verdachte. De daarvoor benodigde BMK kreeg [medeverdachte 10] van verdachte. Ook heeft [medeverdachte 10] verklaard dat hij door hem geproduceerde amfetamineolie naar verdachte heeft gebracht.

De rechtbank stelt vast dat de belastende verklaring van [medeverdachte 10] niet wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel als het gaat om de uitvoer en productie van harddrugs. Alleen de verklaring van [medeverdachte 10] is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 te komen. Verdachte zal dan ook, bij gebrek aan bewijs, worden vrijgesproken van deze feiten.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4

Onder feit 3 is het plegen van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet ten laste gelegd. Meer in het bijzonder wordt verdachte verweten dat hij hoeveelheden BMK en methanol voorhanden heeft gehad om daarmee amfetamine te produceren. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Vanuit België werd - door middel van een rechtshulpverzoek - informatie verkregen dat verdachte in België grote hoeveelheden methanol had gekocht.

Getuige [getuige] was ten tijde van het ten laste gelegde werkzaam als magazijnbediende bij het constructiebedrijf [naam bedrijf] te Plombières. Hij heeft ten overstaan van de Belgische politie op 13 april 2010 verklaard dat een klant, rijdende in een witte Opel Combo met kenteken [kenteken 4], chemische producten kocht bij [naam bedrijf]. Het ging voornamelijk om methanol. Deze persoon was de beste klant als het ging om de verkoop van methanol. Hij kocht gedurende tenminste twee jaren gemiddeld een keer per maand bij [naam bedrijf]. Zo kocht hij op 25 en 26 januari 2010 een hoeveelheid methanol. In oktober 2009 kocht hij een vat van 200 liter. De volgende dag bracht hij het lege vat terug en kocht hij nogmaals 200 liter, die werd geleverd in 40 bidons van 5 liter.2 Aan [getuige] werd een foto van verdachte getoond. [getuige] herkende verdachte als de door hem beschreven klant.3

De Opel Combo met kenteken [kenteken 4] stond van 22 januari 2009 tot en met 6 april 2010 op naam van verdachte.4

[medeverdachte 10] heeft verklaard dat verdachte erg nauw samenwerkte met [medeverdachte 15]. Beiden waren intensief betrokken bij de productie van synthetische drugs. Verdachte financierde de aankopen.5 [medeverdachte 10] heeft in opdracht van [medeverdachte 15] en verdachte amfetamineolie geproduceerd.6 Hij deed dit samen met [medeverdachte 13].7 Dit deed hij (onder andere) in een hal in Roermond in juli en augustus 2008.8 De hal was ter beschikking gesteld door ene [betrokkene 2], die een zonnestudio in Roermond exploiteerde.9 Samen met [medeverdachte 13] heeft [medeverdachte 10] in Roermond zo’n 350 liter amfetamineolie geproduceerd.10 [medeverdachte 10] heeft zowel de zonnestudio van [betrokkene 2], gelegen aan de [adres 2] te Roermond, alsmede de productielocatie in Roermond aangewezen aan de politie. De productielocatie bevond zich in een hal gelegen aan de [adres 3] te Roermond.11

Nadat [medeverdachte 13] en [medeverdachte 10] klaar waren met de productie in Roermond hebben zij de hal ontruimd. De gereedschappen en materialen hebben zij in twee aanhangwagens vervoerd naar een terrein, dat volgens [medeverdachte 10] lag in of in de buurt van Kerkrade. De kleinste aanhangwagen (ongeveer 2 x 1,2 x 2 m (lxbxh) was volgens hem grijs van kleur, geheel van metaal en had een grote deur. In deze aanhangwagen hadden zij een grote stalen ketel, slangen, pompen en vaten opgeslagen.12 Op 7 februari 2012 is [medeverdachte 13] door de politie aangehouden. Op diezelfde dag vond ook een doorzoeking plaats in het pand [adres 4] te Landgraaf. Dit pand bevindt zich op een locatie, die volgens de politie voldoet aan de beschrijving die [medeverdachte 10] heeft gegeven van de plek waar [medeverdachte 13] en hij de twee aanhangwagens met gereedschappen en materialen naar toe hebben gebracht.13 In het pand werd door de politie een zilverkleurige aanhangwagen (afmetingen 2,25 x 1,50 x 1,40 m (lxbxh) met gesloten kap, metalen opbouw en twee afsluitbare achterdeuren aangetroffen en in beslag genomen. In deze aanhangwagen werden voorwerpen aangetroffen die volgens de politie te relateren zijn aan de productie van synthetische drugs, zoals een groot model vacuümpomp, ventilatormotoren, speciekuip, RVS-trechter, glaswerk en een RVS kook-, destillatie- en druk-/reactieketel. In de ketel bevond zich een restant bruine olieachtige vloeistof. Het is volgens de politie zeer waarschijnlijk dat deze goederen eerder gebruikt zijn bij de illegale vervaardiging van amfetamine. De ketel kan gelet op de constructie en de verder aangetroffen goederen, zoals de RVS destillatie-opzet, de RVS koeler, de schakelkast met roermotor ook worden gebruikt als drukreactievat voor de vervaardiging van onder meer MDMA.14

De voor de productie van amfetamineolie in Roermond benodigde BMK, een hoeveelheid van 200 liter, werd volgens [medeverdachte 10] geleverd door [medeverdachte 15] en verdachte. Zij waren ook de afnemers van de geproduceerde amfetamineolie.15 In een later verhoor verklaart [medeverdachte 10] dat de grondstoffen die zij in Roermond nodig hadden deels door hem zelf werden bezorgd en deels door [medeverdachte 15]. Verdachte zorgde voor de BMK. De in Roermond geproduceerde 350 liter amfetamineolie werden naar verdachte gebracht, naar een bijgebouw van zijn toenmalige woonadres.16

Bij zijn verhoor door de politie herkent [medeverdachte 10] [medeverdachte 15] en verdachte op hem door de politie getoonde foto’s. [medeverdachte 15] en verdachte zijn volgens hem gelijkgerechtigde zakenpartners, die al erg lang samenwerken. Beiden hebben MDMA geproduceerd en kunnen MDMA produceren.17

De rechtbank stelt vast dat in België (meermalen) grote hoeveelheden methanol zijn

gekocht. Gelet op de verklaring van [getuige], de resultaten van de fotoconfrontatie, in samenhang met de auto die op naam van verdachte stond, stelt de rechtbank vast dat verdachte de methanol heeft gekocht. Gelet op de verklaring van [getuige] gebeurde dit vanaf 2008.

Methanol is een grondstof voor de productie van amfetamine. [medeverdachte 10] heeft ook verklaard dat verdachte en [medeverdachte 15] zich bezighielden met de productie van synthetische drugs. Er was sprake van een samenwerkingsverband tussen verdachte en [medeverdachte 15] bij de productie van synthetische drugs.

Verdachte heeft geen verklaring gegeven waartoe hij de methanol gebruikte, maar heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen. Onder deze omstandigheden had echter van verdachte mogen worden verwacht dat hij uitleg zou geven over de door hem aangeschafte methanol. Door dit niet te doen, moet het ervoor worden gehouden dat verdachte de methanol voor de productie van amfetamine gebruikte. Te meer nu de methanol in zulke grote hoeveelheden werd aangeschaft. Uit de verklaring van [medeverdachte 10] blijkt dat [medeverdachte 15] en verdachte tevens de grondstof BMK hebben geleverd voor de productie van amfetamineolie door [medeverdachte 10] in Roermond.

Uit het voorgaande blijkt dan ook dat verdachte zich samen met [medeverdachte 15] heeft beziggehouden met het treffen van voorbereidingen gericht op de productie van synthetische drugs. Feit 3 kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.

Op grond van hetgeen is vastgesteld onder feit 3, acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deel uitmaakte van een criminele organisatie die zich bezighield met voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet, alsmede met de productie van amfetamine. Binnen deze organisatie hield verdachte zich bezig met de aanschaf van methanol en de levering van BMK voor de productie van amfetamine. In dit verband werkte verdachte samen met [medeverdachte 15]. Ook [medeverdachte 10] en [medeverdachte 13] waren hierbij betrokken. Feit 4 kan dan ook bewezen worden verklaard.

Gelet op het feit dat volgens [medeverdachte 10] de productie van amfetamineolie voor het laatst plaatsvond in de maanden juli en augustus 2010 zal de rechtbank de tenlastegelegde periode in de feiten 3 en 4 beperken van 1 januari 2008 tot en met 31 augustus 2010.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 3

in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 augustus 2010, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen, telkens om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden, telkens hoeveelheden BMK en methanol voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit;

Feit 4

in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 augustus 2010, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen, van welke organisatie onder meer deel uitmaakten [medeverdachte 15] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 vierde lid en artikel 10a lid 1 van de Opiumwet, namelijk het meermalen telkens opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of het opzettelijk voorbereiden van voornoemde feiten.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

4.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

4.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de volgende strafbare misdrijven:

Ten aanzien van feit 3

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 4

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet

5 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die zijn strafbaarheid opheft.

6 De oplegging van straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden met aftrek van het voorarrest. Hij heeft daarnaast de gevangenneming van verdachte bij einduitspraak gevorderd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt over de strafoplegging. Wel heeft hij verzocht de vordering tot gevangenneming bij einduitspraak af te wijzen, nu er geen reden is voor toepassing van voorlopige hechtenis.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op het volgende.

Verdachte maakte deel uit van een criminele organisatie, die zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet. Hij heeft grote hoeveelheden methanol ingekocht in België en BMK geleverd voor de productie van amfetamine in Nederland. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van overlast en criminaliteit. Daarnaast worden vaak aanzienlijke criminele winsten met de handel in harddrugs behaald. Dit alles werkt ontwrichtend op de maatschappij en daardoor wordt schade berokkend aan de samenleving in Nederland. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag. Dat wordt verdachte dan ook door de rechtbank aangerekend.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder wegens soortgelijke feiten is veroordeeld.

De ernst van de feiten rechtvaardigen oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De vordering van de officier van justitie is, zo begrijpt de rechtbank, in grote mate beïnvloed door de onder feit 2 tenlastegelegde en de door hem bewezen geachte productie van synthetische harddrugs. De rechtbank acht feit 2 echter niet bewezen en zal reeds daarom afwijken van de vordering van de officier van justitie.

Gelet op de grote hoeveelheden methanol die verdachte ten behoeve van de productie van synthetische harddrugs heeft ingekocht, alsmede gelet op de levering van een grote hoeveelheid BMK aan de producent van de amfetamineolie, acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend. De rechtbank zal bij de strafoplegging echter rekening houden met de omstandigheid dat er een grote vertraging in de berechting is ontstaan die niet aan verdachte is te wijten. Deze vertraging heeft ertoe geleid dat sinds het plegen van de feiten een behoorlijke periode is verstreken, waaronder ook een half jaar nadat verdachte het laatste woord al had gekregen. Hierdoor is de redelijke termijn, waarbinnen een strafzaak in eerste aanleg dient te worden afgesloten met een vonnis, overschreden. De rechtbank zal dit in de op te leggen straf verdisconteren.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden passend.

De officier van justitie heeft de gevangenneming van verdachte gevorderd. De rechtbank wijst deze vordering af. Zij overweegt daartoe dat er thans geen gronden zijn om verdachte gevangen te nemen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 10, 10a en 11a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F.J. Aalderink, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster en

mr. F.A.G.M. Vluggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 april 2014.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 12 oktober 2011 in de gemeente Roermond en/of in de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Roermond en/of in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of

amfetamine, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, zijnde MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 12 oktober 2011 in de gemeente Roermond en/of in de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Roermond en/of in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een

hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, zijnde MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA)

en/of amfetamine (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 12 oktober 2011, in de gemeente Roermond en/of in de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Roermond en/of in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het

opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, in elk geval van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine, zijnde MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) BMK en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) methanol, voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

4.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 12 oktober 2011, in de gemeente Roermond en/of in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Landgraaf en/of in de gemeente Onderbanken, in elk geval in het arrondissement Roermond en/of in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen, van welke organisatie onder meer deel uitmaakten [medeverdachte 15] en/of

een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet en/of als bedoeld in artikel 10a lid 1 van de Opiumwet, namelijk het meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen, in elk geval het (telkens) opzettelijk bereiden en/of het bewerken en/of het verwerken en/of het verkopen en/of het afleveren en/of het verstrekken en/of het vervoeren van MDA en/of MDMA en/of N-ethyl-MDA (=MDEA) en/of amfetamine, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of het opzettelijk voorbereiden en/of bevorderen van voornoemd(e) feit(en).

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, met proces-verbaalnummer 2011118898, d.d. 27 februari 2012 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], d.d. 13 april 2010, pagina 4191 en 4192.

3 Proces-verbaal 002385/10(fotoconfrontatie) met getuige [getuige], d.d. 13 april 2010, pagina 4190.

4 Proces-verbaal zaaksdossier 8 d.d. 15 november 2011, pagina 4180 en 4181.

5 Proces-verbaal van getuigenverhoor [medeverdachte 10], d.d. 22 maart 2011, pagina 4235.

6 Proces-verbaal van getuigenverhoor [medeverdachte 10], .d.d. 2 maart 2011, pagina 4228.

7 Proces-verbaal van getuigenverhoor [medeverdachte 10], d.d. 11 januari 2012, pagina 2230.

8 Proces-verbaal van getuigenverhoor [medeverdachte 10], d.d. 22 maart 2011, pagina 2060.

9 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 10], d.d. 2 maart 2011, pagina 2058, 2059, 2060.

10 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 10], d.d. 11 januari 2012, pagina 2230-2232.

11 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 10], d.d. 2 maart 2011, pagina 2060. Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 10] en aanwijzen productielocaties, d.d. 17 mei 2011, pagina 2220.

12 Proces-verbaal van verdachte van verdachte [medeverdachte 10], d.d. 11 januari 2012, pagina 2231.

13 Proces-verbaal Zaaksdossier 2 (de productie van synthetische drugs in Puth en andere locaties) Jaguar, d.d. 23 februari 2012, pagina 2024.

14 Proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO, d.d. 10 februari 2012, pagina 2235-2237.

15 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 10], d.d. 2 maart 2011, pagina 2058, 2059, 2060.

16 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 10], d.d. 11 januari 2012, pagina 2230-2232.

17 Proces-verbaal getuigenverhoor [medeverdachte 10], d.d. 30 mei 2011, pagina 1926, 1920, 1921, 1932.