Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:3195

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
03-04-2014
Zaaknummer
03/703540-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek “Jaguar II”: Veroordelingen wegens het meermalen overtreden van de Opiumwet, (onder andere) in het kader van deelname aan een criminele organisatie, die zich bezighield met de exploitatie van een wiettaxi. Ook zijn er veroordelingen wegens witwassen en wapenbezit. De leider van de criminele organisatie werd tevens veroordeeld voor het samen met anderen buiten Nederland brengen van amfetamine.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/703540-11

Datum uitspraak : 1 april 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. Th. Boumans, advocaat te Heerlen.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18, 19, 20, 23 en 27 september 2013 en 18 maart 2014. De rechtbank heeft gehoord de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: al dan niet samen met een ander of anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, meermalen opzettelijk hennep en/of hasjiesj heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt dan wel vervoerd, dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad;

Feit 2: al dan niet samen met een ander of anderen opzettelijk hennep en hennepplanten aanwezig heeft gehad;

Feit 3: al dan niet samen met een ander of anderen opzettelijk hennepplanten aanwezig heeft gehad;

Feit 5: al dan niet samen met een ander of anderen een bedrag van € 23.000,- heeft witgewassen;

Feit 6: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van de Opiumwet.

De dagvaarding is ten aanzien van feit 4, te weten het (gewoonte)witwassen, reeds ter terechtzitting van 18 september 2013 nietig verklaard.

Gezien de inhoud van het zaaksdossier 9, deel uitmakende van het proces-verbaal, met proces-verbaalnummer 2011118898 d.d. 27 februari 2012, waaruit blijkt dat de tenlastegelegde deelname aan de criminele organisatie ziet op een criminele organisatie in de zin van de Opiumwet, moet het ontbreken van de vermelding “van de Opiumwet” na de zinsnede “welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid” in de tenlastelegging onder 6 als een kennelijke verschrijving worden beschouwd. De rechtbank overweegt daarbij dat het blijkens het verhandelde ter terechtzitting ook voor verdachte duidelijk was dat hem met betrekking tot die deelname werd verweten dat dit een deelname betrof aan een zodanige organisatie in de zin van de Opiumwet. De verdachte wordt dan ook door deze verbetering niet in zijn verdediging geschaad.

3. De beoordeling van het bewijs1

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 6. Hij heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 2, 3 en 5 primair bewezen kunnen worden verklaard. Ten aanzien van feit 1 heeft hij aangevoerd dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 4] hennep heeft geteeld. Er was geen sprake van de teelt van hennep in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De opbrengst van de teelt werd op 13 oktober 2011 aangetroffen. Feit 2 kan daarom ook bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie aangesloten bij de telefoongesprekken die verdachte heeft gevoerd met betrekking tot het adres [adres 15] te Landgraaf.

Bij feit 5 primair heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het verhullen en verbergen van geld. Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 4] hebben geen verklaring gegeven over de herkomst van dat geld.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de feiten 3, 5 en 6. Ten aanzien van feit 3 heeft hij aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte betrokken was bij de hennepplantage in het pand aan de [adres 15] te Landgraaf.

Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het aangetroffen geld afkomstig is uit enig misdrijf noch dat verdachte van een dergelijke herkomst op de hoogte was.

Ook het bewijs ten aanzien van feit 6 ontbreekt, aldus de raadsman. Niet kan worden vastgesteld dat verdachtes opzet was gericht op het plegen van de tenlastegelegde misdrijven. Er zijn geen belastende verklaringen jegens verdachte afgelegd in het kader van de exploitatie van de wiettaxi.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de feiten 1 en 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de feiten 1 en 6

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gesteld dat feit 1 betrekking heeft op het samen met anderen telen van hennep. De opbrengst van deze hennepteelt werd op 13 oktober 2011 aangetroffen (ten laste gelegd onder feit 2). De rechtbank is echter van oordeel dat de tenlastelegging onder feit 1, gelet op het daarin opgenomen zinsdeel "(telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf" en gelet op het dossier waarvan de zaak tegen verdachte deel uitmaakt, in het licht van feit 6 moet worden gezien. Feit 6 heeft betrekking op het meermalen overtreden van de Opiumwet in het kader van een criminele organisatie die zich bezighield met de exploitatie van een wiettaxi. Feit 1 ziet dan op de verdenking van het telen van hennep ten behoeve van de wiettaxi.

Bij separaat vonnis in de strafzaken tegen medeverdachten is vastgesteld dat er een organisatie omtrent een wiettaxi bestond. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat verdachte op enige wijze bij die organisatie betrokken was, ook niet voor zover het de hennepteelt betreft. Verdachte zal dan ook - bij gebrek aan bewijs - worden vrijgesproken van de feiten 1 en 6.

Ten aanzien van feit 2

Op 13 oktober 2011 vond een doorzoeking plaats in de woning aan de [adres 16] te Heerlen, zijnde de woning van verdachte.2 In de woning werd een growbox aangetroffen met daarin 20 hennepplanten.3 De planten werden in beslag genomen.4 Onderzoek wees uit dat de uit de planten genomen monsters positief reageerden op de aanwezigheid van hennep.5

Op 13 oktober 2011 vond ook een doorzoeking plaats in de woning aan de [adres 17] te Heerlen, zijnde de woning van medeverdachte [medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] en haar partner, zijnde verdachte, waren ten tijde van de doorzoeking in de woning aanwezig.6 In de kelder werden 751 hennepstekken in een in werking zijnde kweekkast aangetroffen. In de keuken stond een doos met daarin 20 hennepstekjes. In de tuin stonden 5 grote hennepplanten en in het tuinhuis werden 14 hennepstekken aangetroffen. Daarnaast werd in een auto, VW Passat, een kartonnen doos met daarin 3 kilogram gedroogde hennep aangetroffen.7 De planten en de gedroogde hennep werden in beslag genomen.8 Onderzoek met een

MMC-kleurreactietest wees uit dat de gedroogde hennep positief reageerde op de aanwezigheid van THC.9

Verdachte heeft verklaard dat de hennepplantages in de woning aan de [adres 16] en de [adres 17] van hem waren. Van de hennepplanten van de [adres 16] knipte hij stekjes, die hij vervolgens in de kelder van de woning aan de [adres 17] zette. De aangetroffen hennepstekjes in het tuinhuisje, de 5 grote hennepplanten en de gedroogde hennep in de Volkswagen Passat behoorden ook aan verdachte toe.10 Onderzoek aan uit de planten genomen monsters uit het pand aan de [adres 16] te Heerlen, waarvan de planten in en om de woning aan de [adres 17] afkomstig waren, wees uit dat de uit de planten genomen monsters positief reageerden op de aanwezigheid van hennep.11

Gelet op de bevindingen bij de doorzoekingen en de verklaring van verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte in zijn woning 20 hennepplanten en in zijn auto 3.000 gram gedroogde hennep aanwezig heeft gehad. Niet is gebleken dat verdachte deze drugs samen met een ander aanwezig heeft gehad.

Ook stelt de rechtbank vast dat verdachte in de woning van [medeverdachte 4] in totaal 790 hennepplanten aanwezig heeft gehad. Verdachte heeft verklaard dat deze aan hem toebehoorden. [medeverdachte 4] heeft geen verklaring afgelegd over de hennepplanten. Nu de hennepplanten zich verspreid in en om de woning van [medeverdachte 4] bevonden én ook voor [medeverdachte 4] zichtbaar waren, is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 4] op de hoogte was van de aanwezigheid van die planten. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 4] in totaal 790 hennepplanten aanwezig heeft gehad.

Gelet op het voorgaande kan feit 2 wettig en overtuigend bewezen worden geacht.

Ten aanzien van feit 3

Op 13 oktober 2011 vond een doorzoeking plaats in de woning aan de [adres 15] te Landgraaf,12 zijnde de woning van [medeverdachte 17] en [medeverdachte 18].13 In de woning, op de zolderverdieping, werden 748 hennepplanten aangetroffen en inbeslaggenomen.14 Onderzoek door middel van een MMC-kleurreactietest wees uit dat de uit de planten genomen monsters positief reageerden op de aanwezigheid van hennep.15

De rechtbank stelt aan de hand van het voorgaande vast dat in de woning aan de [adres 15] te Landgraaf 748 hennepplanten aanwezig waren. Met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte hierbij overweegt de rechtbank als volgt.

Op 11 september 2011 werd verdachte gebeld door [medeverdachte 4]. Verdachte gaf in dat gesprek aan dat hij bij de woning van [medeverdachte 17] stond, maar dat niemand thuis was. [medeverdachte 4] zei dat ze net gebeld had met “haar”, die dacht dat [medeverdachte 17] thuis zou zijn. [medeverdachte 17] had de sleutel. “Zij” moest zelf door het raam naar binnen gaan om binnen te komen. Er was geen andere mogelijkheid. Verdachte zei uiteindelijk dat hij naar binnen ging en via het raam naar binnen moest.16

Tijdens een observatie op 4 oktober 2011 werd waargenomen dat verdachte om 13.56 uur het pand aan de [adres 15] te Landgraaf binnenging. Voordat hij naar binnen ging, nam hij de post aan van een passerende postbode. Verdachte verliet omstreeks 14.38 uur de woning.17

Op 10 oktober 2011 vond er telefonisch contact plaats tussen [medeverdachte 17] en verdachte. Het gesprek luidde als volgt:

Verdachte: Ja, hey luister ik red dat niet voor 4 uur. Dat had ik gister moeten weten. Ik heb ingepland de hele morgen dus.

[medeverdachte 17]: Ja, ja wij kwamen, althans wij kwamen ook effe ergens achter dat uhh!, gisteren effe niet wisten. Maar je hebt toch gewoon de sleutel.

Verdachte: Uh! Ja dat klopt ja.

[medeverdachte 17]: Nou kunne we even…dan laat ik even dat licht in het huis aan.

(..)

[medeverdachte 17]: ooh ja, ooh ja ben ik vergeten te zeggen, was een megaknal gisteren om 12 uur

Verdachte: Wattuh!

[medeverdachte 17]: Ja, echt een knal uhh! Vanuit boven zeg maar uh!

(..)

[medeverdachte 17]: Een beetje, een beetje apart, we hebben alles nagekeken maar uh! We konden het nergens uh! uithalen zeg maar

Verdachte: Ok nee is goed dan.

[medeverdachte 17]: We houden ut effe in de gaten.18

[medeverdachte 18] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat de hennepplanten al in de woning stonden op het moment dat zij daar ging wonen. De planten werden door een onbekende persoon verzorgd. Die persoon kwam binnen met een sleutel. Tijdens het verhoor op 26 oktober 2011 woonden [medeverdachte 18] en [medeverdachte 17] zo’n drie weken in de woning. De weken ervoor verhuisden zij reeds spullen naar de woning.19

Verdachte heeft niet willen verklaren over zijn aanwezigheid in het pand aan de [adres 15] te Landgraaf. Ook over de hennepplantage in voornoemd pand heeft hij niets willen verklaren. De plantage was in ieder geval niet van hem.20

De rechtbank stelt vast dat verdachte in het pand aan de [adres 15] te Landgraaf aanwezig is geweest. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken leidt de rechtbank af dat verdachte contacten onderhield over de wijze van binnentreden in het pand. Hij had daarover onder andere contact met [medeverdachte 17], zijnde één van de bewoners van de woning. Kennelijk was verdachte ook in het bezit van een sleutel van de woning. [medeverdachte 18] heeft verklaard dat degene die de planten verzorgde in het bezit was van een sleutel. Uit een telefoongesprek tussen verdachte en [medeverdachte 17] blijkt dat verdachte op de hoogte werd gebracht van een voorval waarbij een knal werd gehoord “vanuit boven”, hetgeen op de zolderverdieping betrekking zou kunnen hebben waar de hennepplanten stonden.

De rechtbank is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden van verdachte mag worden verwacht dat hij enige uitleg verschaft. Nu verdachte dit niet heeft gedaan, kan zijn zwijgen op dit punt tegen hem worden gebruikt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte de hennepplanten samen met een ander dan wel anderen aanwezig heeft gehad. De rechtbank acht feit 3 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 5

Op 13 oktober 2011 vond een doorzoeking plaats in de woning aan de [adres 17] te Heerlen, zijnde de woning van [medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] en verdachte waren ten tijde van de doorzoeking in de woning aanwezig.21 In een keukenkastje werd, op aanwijzen van [medeverdachte 4], in een witte plastic zak een bedrag van in totaal € 23.000,- aangetroffen. Het geldbedrag bestond uit meerdere coupures van € 50,-, € 100,-, € 200,- en € 500,-.22 [medeverdachte 4] verklaarde spontaan tegenover de politie dat het aangetroffen geld van haar vriend [verdachte] was, en dat dit geld bestemd was voor de aankoop van een auto.23

In een tapgesprek (d.d. 23 september 2011) tussen verdachte en [medeverdachte 4] zei verdachte onder andere het volgende: “Ik heb een tas op de trap gezet daar zit veel veel geld in snap je. Ik voel me, beetje rot gevoel.”24

Verdachte heeft verklaard dat de aangetroffen € 23.000,- van hem was. Hij moest dit geld ergens afgeven.25 Ter terechtzitting heeft hij hieraan toegevoegd dat hij dit geld aan iemand anders moest geven.26

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij het geld heeft witgewassen. De rechtbank stelt vast dat verdachte in de woning van [medeverdachte 4], in een keukenkastje in een plastic zak, € 23.000,- aanwezig had. De rechtbank is van oordeel dat het houden van een dergelijk groot geldbedrag in een keukenkastje niet gebruikelijk is.

Verdachte heeft verklaard dat hij het geld voor een ander in bewaring heeft genomen. Uit een afgeluisterd telefoongesprek blijkt dat verdachte niet gelukkig was met de aanwezigheid van veel geld in de woning. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte argwaan had over de herkomst van het geld. Ook het gegeven dat het geldbedrag bestond uit grote coupures had tot argwaan moeten leiden. Het is bovendien niet gebruikelijk een dergelijk groot geldbedrag van een ander in ontvangst te nemen en op diens verzoek te bewaren.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf. Verdachte heeft niet verklaard aan wie het geld toebehoorde. [medeverdachte 4] heeft evenmin een verklaring afgelegd over de herkomst van het geld. Dat zij op de hoogte was van de aanwezigheid van het geld in haar woning, blijkt uit het telefoongesprek tussen verdachte en [medeverdachte 4], uit het door haar aan de politie aanwijzen van het geldbedrag in het keukenkastje en haar mededeling waarvoor dit geld bestemd was. Naar aanleiding van het telefoongesprek is het geldbedrag kennelijk verplaatst van de trap naar de keuken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte, samen met [medeverdachte 4] en/of anderen, geld, te weten € 23.000,-, witgewassen heeft door te verbergen en/of te verhullen wie de rechthebbende op dit geld was, terwijl hij wist dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf. Het tenlastegelegde onder 5 primair kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 2

op 13 oktober 2011 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 790 hennepplanten (in pand [adres 17])

en

op 13 oktober 2011 in de gemeente Heerlen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 20 hennepplanten (in pand [adres 16]) en 3.000 gram hennep (in auto, merk Volkswagen),

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 3

op 13 oktober 2011 in de gemeente Landgraaf, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 748 hennepplanten (in pand [adres 15]), zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 5 primair

op 13 oktober 2011, in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op geld ten bedrage van 23.000,- Euro is, terwijl hij, verdachte, wist dat voornoemd geld ten bedrage van 23.000,- Euro - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

4.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

4.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de volgende strafbare misdrijven:

Ten aanzien van feit 2

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod,

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van feit 5 primair

medeplegen van witwassen

5 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die zijn strafbaarheid opheft.

6 De oplegging van straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur 180 dagen, waarvan 137 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest. Hij heeft daarnaast gevorderd aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen. Hij heeft ten slotte oplegging van een geldboete van € 3.000,-, subsidiair 40 dagen, voor feit 5 primair gevorderd. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis kan worden opgeheven.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog is. Hij heeft daartoe aangevoerd dat in de strafeis onvoldoende tot uitdrukking komt dat verdachte geen uitgebreid strafblad heeft. De strafzaak heeft bovendien onevenredig lang stil gelegen. De gevorderde geldboete is volgens de raadsman niet passend, nu verdachte financiële problemen heeft.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtredingen van de Opiumwet. Hij heeft in drie woningen hennepplanten aanwezig gehad, kennelijk bestemd voor de teelt van hennep. Het spreekt voor zich dat het telen van een softdrug als hennep een strafbaar feit is dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Dit is de reden dat de verstrekking van softdrugs aan banden is gelegd. Door de handelwijze van verdachte wordt dit restrictieve beleid doorkruist. Daarenboven worden in de hennepteelt en -handel vaak aanzienlijke criminele winsten behaald. Dergelijke criminele winsten werken ontwrichtend op de maatschappij. Voorts gaat de teelt van hennep vaak gepaard met het op illegale wijze onttrekken van elektriciteit aan het net en het op ondeskundige wijze aanleggen van de elektrische installatie, waardoor (brand)gevaar voor de omgeving kan ontstaan. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag. Dat wordt verdachte dan ook door de rechtbank aangerekend.

Uit de bewezenverklaarde feiten blijkt dat verdachte ook gebruik heeft gemaakt van woningen van anderen, te weten van zijn vriendin en van [medeverdachte 17] en [medeverdachte 18]. Hierdoor heeft hij deze anderen in zijn criminele activiteiten betrokken. De rechtbank ziet verdachte dan ook als initiator van het crimineel handelen.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan witwassen, door te verbergen en/of te verhullen wie de rechtmatige eigenaar van het in de woning van zijn vriendin gevonden, van misdrijf afkomstige, geld is. De vermenging van crimineel geld met legaal geld ontwricht het economisch evenwicht in de samenleving.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf, met uitzondering van de geldboete, in beginsel een passende straf is. Een flinke voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur is noodzakelijk. Dat moet verdachte er in de toekomst van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Ook zal de rechtbank aan verdachte een forse taakstraf opleggen.

Gelet op de financiële situatie van verdachte is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een geldboete niet passend is.

Bij de strafoplegging dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat een grote vertraging in de berechting is ontstaan die niet aan verdachte is te wijten. Deze vertraging heeft ertoe geleid dat sinds het plegen van de feiten een behoorlijke periode is verstreken, waaronder ook een half jaar nadat verdachte het laatste woord al had gekregen. Hierdoor is de redelijke termijn, waarbinnen een strafzaak in eerste aanleg dient te worden afgesloten met een vonnis, overschreden. De rechtbank zal dit in de op te leggen straf verdisconteren.

Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 160 dagen, waarvan 117 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren.

De rechtbank is van oordeel dat het voortduren van de geschorste voorlopige hechtenis thans niet meer passend is. De rechtbank zal daarom het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis per heden opheffen.

7 Het beslag

Onder verdachte zijn goederen in beslag genomen, te weten geld (€ 23.000,-), papier en een gsm.

De officier van justitie heeft gevorderd dat het geld verbeurd moet worden verklaard. Het in beslag genomen papier en de gsm dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over het beslag.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken aan wie de inbeslaggenomen goederen toebehoren. Zij dienen dan ook te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 6 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 160 dagen, waarvan 117 dagen voorwaardelijk;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van twee jaren de algemene voorwaarde heeft overtreden;

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;

  • -

    beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Beslag

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende, van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

nr. 7: Papier, T-mobile contract (goednummer 1989614);

nr. 13: GSM, kleur: wit, Apple Iphone (goednummer 1989438, HB139-3001);

nr. 14: Nederlands geld, € 23.000,- (goednummer 1989462, ibg 13-10-2011);

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F.J. Aalderink, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster en

mr. F.A.G.M. Vluggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 april 2014.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 mei 2011 tot en met 12 oktober 2011 in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Landgraaf, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij, verdachte, op of omstreeks 13 oktober 2011 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 790 hennepplanten (in pand [adres 17]) en/of 20 hennepplanten (in pand [adres 16]) en/of 3.000 gram hennep (in auto, merk Volkswagen), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij, verdachte, op of omstreeks 13 oktober 2011 in de gemeente Landgraaf, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 748 hennepplanten (in pand [adres 15]), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij, verdachte in of omstreeks de periode van 1 mei 2011 tot en met 12 oktober 2011, in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Landgraaf en/of in de gemeente Onderbanken, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s), meermalen toen aldaar (telkens) geld, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans (telkens) van een voorwerp, te

weten geld, gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) wist(en) dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 mei 2011 tot en met 12 oktober 2011, in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Landgraaf en/of in de gemeente Onderbanken, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, meermalen, althans eenmaal (telkens) van een voorwerp, te weten geld, (telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, terwijl hij, verdachte, (telkens) wist dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 mei 2011 tot en met 12 oktober 2011, in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Landgraaf en/of in de gemeente Onderbanken, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, meermalen, althans eenmaal (telkens) een voorwerp, te weten geld, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans (telkens) van geld, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

5.

hij, verdachte, op of omstreeks 13 oktober 2011, in de gemeente Heerlen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van een voorwerp, te weten geld ten bedrage van 23.000,- Euro, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd geld ten bedrage van 23.000,- Euro is, terwijl hij, verdachte, wist dat voornoemd geld ten bedrage van 23.000,- Euro onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 13 oktober 2011, in de gemeente Heerlen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een voorwerp, te weten geld ten bedrage van 23.000,- Euro, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geld ten bedrage van 23.000,- Euro, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

6.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 mei 2011 tot en met 13 oktober 2011, in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Landgraaf en/of in de gemeente Onderbanken, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen, van welke organisatie onder meer deel uitmaakten [medeverdachte 15] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 16] en/of [medeverdachte 9], welke organisatie tot oogmerk

had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid, namelijk het meermalen, althans eenmaal (telkens) buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het in de uitoefening van een beroep of bedrijf (telkens) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid/hoeveelheden van (telkens) meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj, als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, met proces-verbaalnummer 2011118898, d.d. 27 februari 2012 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal van verslag van binnentreden in woning [adres 16] te Heerlen d.d. 14 oktober 2011, pagina 5415 en 5416.

3 Proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 13 december 2011, pagina 3706.

4 Proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 13 oktober 2011, pagina 3718.

5 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 13 oktober 2011, pagina 3720.

6 Proces-verbaal van verslag van binnentreden in woning [adres 17] te Heerlen d.d. 13 oktober 2011, pagina 5472 en 5473.

7 Het geschrift, te weten een kavellijst, behoren bij het proces-verbaal van doorzoeking [adres 17] te Heerlen d.d. 13 oktober 2011, pagina 5478.

8 Proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 13 oktober 2011, pagina 5479 tot en met 5481.

9 Proces-verbaal met betrekking tot testen onderzoek 2451110007 d.d. 17 oktober 2011, pagina 5493.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 15 oktober 2011, pagina 874 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 15 oktober 2011, pagina 880.

11 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 13 oktober 2011, pagina 3720.

12 Proces-verbaal van verslag van doorzoeking [adres 15] te Landgraaf d.d. 13 oktober 2011, pagina 5452.

13 Proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 21 november 2011, pagina 3769.

14 Proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 14 oktober 2011, pagina 3779.

15 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 31 oktober 2011, pagina 3826.

16 Proces-verbaal zaaksdossier 6 d.d. 24 februari 2012., pagina 3669.

17 Proces-verbaal van observatie [verdachte] d.d. 6 oktober 2011, pagina 3757.

18 Proces-verbaal zaaksdossier 6 d.d. 24 februari 2012, pagina 3671 en 3672.

19 Proces-verbaal eerste verhoor verdachte [medeverdachte 18] d.d. 26 oktober 2011, pagina 3853 en 3858.

20 Proces-verbaal zesde verhoor verdachte [verdachte] d.d. 20 oktober 2011, pagina 897.

21 Proces-verbaal van verslag van binnentreden in woning [adres 17] te Heerlen d.d. 13 oktober 2011, pagina 5472 en 5473.

22 Het geschrift, te weten een kavellijst, behoren bij het proces-verbaal van doorzoeking [adres 17] te Heerlen d.d. 13 oktober 2011, pagina 5478. Proces-verbaal onderzoek beslag d.d. 20 oktober 2011, pagina 3694.

23 Proces-verbaal onderzoek beslag d.d. 20 oktober 2011, pagina 3694.

24 Proces-verbaal zaaksdossier 6 d.d. 24 februari 2012, pagina 3682.

25 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 15 oktober 2011, pagina 880.

26 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 19 september 2013 afgelegd.