Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:3176

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
03-04-2014
Zaaknummer
03/702035-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek “Jaguar II”: Veroordelingen wegens het meermalen overtreden van de Opiumwet, (onder andere) in het kader van deelname aan een criminele organisatie, die zich bezighield met de exploitatie van een wiettaxi. Ook zijn er veroordelingen wegens witwassen en wapenbezit. De leider van de criminele organisatie werd tevens veroordeeld voor het samen met anderen buiten Nederland brengen van amfetamine.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/702035-11

Datum uitspraak : 1 april 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. Th. Boumans, advocaat te Heerlen.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18, 19, 20, 23 en 27 september 2013 en 18 maart 2014. De rechtbank heeft gehoord de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: al dan niet samen met een ander of anderen meermalen opzettelijk hennep en/of hasjiesj heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt dan wel vervoerd, dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad;

Feit 2: al dan niet samen met een ander of anderen een bedrag van € 4.065,- heeft witgewassen;

Feit 4: een elektrisch stroomstootwapen voorhanden heeft gehad.

De dagvaarding is ten aanzien van feit 3, te weten het (gewoonte)witwassen, reeds ter terechtzitting van 18 september 2013 nietig verklaard.

3. De beoordeling van het bewijs1

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte, bij gebrek aan bewijs, dient te worden vrijgesproken van feit 1. De feiten 2 en 4 kunnen bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat het aangetroffen geld afkomstig was van drugshandel dan wel van zwartwerken. Verdachte heeft het geld verhuld door geld op zijn bankrekening te storten en vervolgens contant op te nemen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte, bij gebrek aan bewijs, vrij te spreken van de feiten 1 en 2. Ten aanzien van feit 2 heeft hij aanvullend aangevoerd dat verdachte een verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geld. Niet kan worden vastgesteld dat het geld afkomstig is van enig misdrijf.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Evenals de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank feit 1 niet bewezen. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat verdachte betrokken was bij het telen van of de handel in softdrugs. Evenmin blijkt dat verdachte softdrugs aanwezig heeft gehad.

Ten aanzien van feit 2

Op 13 oktober 2011 werd de woning van verdachte aan de [adres 14] te Landgraaf doorzocht.2 In een kast en een computerkast in de woonkamer en in de slaapkamer werd een bedrag van in totaal € 4.065,- aangetroffen3 en in beslag genomen.4

Aan de hand van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat in de woning van verdachte een aanzienlijk bedrag aan contant geld werd aangetroffen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een deel van het aangetroffen geld heeft verdiend met zwartwerken. Het andere deel van het geld was volgens verdachte afkomstig van een uitkering van de verzekering naar aanleiding van schade aan zijn motor. Dit geld werd overgemaakt op zijn bankrekening en dat heeft hij vervolgens contant opgenomen.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte over de herkomst van het geld niet geloofwaardig. Zij overweegt daartoe als volgt.

Uit de rekeningafschriften van de bankrekening met nummer [rekeningnummer], ten name van verdachte en zijn echtgenote, blijkt dat het verzekeringsgeld ad € 2.729,16 op 19 april 2011 op voornoemde rekening werd gestort. Verder blijkt dat op deze rekening contante kasstortingen werden gedaan, te weten op 14 december 2010 een bedrag van € 1.500,-, op 29 december 2010 € 210,-, op 22 februari 2011 € 429,30, op 3 maart 2011 € 83,50, op 14 maart 2011 € 1.100,-, op 18 augustus 2011 € 2.000,- en op 8 september 2011 € 300,-.

Ook blijkt uit de rekeningafschriften dat er geld van de rekening werd opgenomen en wel op 17 december 2010 een bedrag van € 1.000,-, op 20 december 2010 € 600,-, op 16 maart 2011 € 1.000,-, op 19 augustus 2011 € 1.000,- en op 22 augustus 2011 een bedrag van

€ 500,-.5 Dat is in totaal € 4.100,-, ongeveer het bij verdachte aangetroffen bedrag.

De rechtbank stelt vast dat van de bankrekening van verdachte en zijn echtgenote, na de storting van het verzekeringsgeld op 19 april 2011, pas op 19 augustus 2011 voor het eerst weer contant geld werd opgenomen. De rechtbank acht niet aannemelijk dat verdachte na deze lange periode opeens het geld opneemt van de verzekeringsuitkering. De geldopname op 19 augustus 2011 volgt overigens vlak na een kasstorting op 18 augustus 2011, hetgeen een vast patroon lijkt te zijn. Uit de bankafschriften blijkt namelijk dat veelal korte tijd na een contante geldstorting, contant geld van de bankrekening wordt opgenomen. Dit patroon is opmerkelijk. Verdachte werd door de politie bevraagd over de storting van € 2.000,- op 18 augustus 2011. Hij heeft toen verklaard dat hij dit bedrag geleend heeft van een vriend, omdat hij in het rood stond. De rechtbank acht dit niet aannemelijk, nu verdachte in de dagen direct volgend op die storting (op 19 en 22 augustus 2011) in totaal weer € 1.500,- opneemt. Verdachte heeft dan ook geen plausibele en verifieerbare verklaring gegeven voor het patroon van contante stortingen en contante opnamen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de gelden geen legale herkomst hebben. Anders is voornoemd patroon immers niet te begrijpen.

Met betrekking tot de criminele herkomst van het geld overweegt de rechtbank als volgt.

Naar aanleiding van een afgeluisterd telefoongesprek tussen verdachte en [medeverdachte 5] waarin verdachte aan [medeverdachte 5] vraagt de BMW weg te zetten, heeft verdachte ten overstaan van de politie verklaard dat de BMW verplaatst moest worden omdat deze voor een paar zakken kokosgrond stond. Verdachte reed wel eens vaker met zakken grond voor [medeverdachte 5].6

Van kokosgrond is bekend dat deze wordt gebruikt bij de teelt van hennepplanten. Gelet hierop en gelet op de verdachte geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geld van misdrijf afkomstig is. Door het geld eerst op zijn bankrekening te storten en vervolgens weer van die rekening op te nemen, heeft verdachte de werkelijke aard en herkomst van het geld verhuld. De rechtbank acht feit 2 primair dan ook bewezen. Niet is gebleken dat verdachte dit feit samen met een ander of anderen heeft gepleegd. Zij zal hem daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Ten aanzien van feit 4

Op 13 oktober 2011 werd de woning van verdachte aan de [adres 14] te Landgraaf doorzocht. In de slaapkamer werd een paralyser, merk Great Power, aangetroffen7 en in beslag genomen.8 Onderzoek wees uit dat het voorwerp een stroomstootwapen betrof, waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht. Het betreft een wapen in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie II onder 5 van de Wet wapens en munitie.9 Verdachte heeft verklaard dat het stroomstootwapen aan hem toebehoorde.10

De rechtbank stelt aan de hand van het voorgaande vast dat verdachte een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad. Voor zover de verdediging heeft verklaard dat het stroomstootwapen niet werkte en daardoor geen bewezenverklaring van feit 4 kan volgen, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad (vergelijk HR 5 januari 2010, NJ 2010, 47) blijkt dat een defect op zich er niet aan in de weg staat dat het voorwerp kan worden aangemerkt als een handwapen waarmee personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht. Het verweer van de verdediging wordt om die reden verworpen. Feit 4 kan dan ook bewezen worden verklaard.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 2 primair

op 13 oktober 2011 in de gemeente Landgraaf van een voorwerp, te weten geld ten bedrage van 4.065,- Euro, de werkelijke aard en de herkomst heeft verhuld, terwijl hij, verdachte, wist dat voornoemd geld ten bedrage van 4.065,- Euro - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Feit 4

op 13 oktober 2011 in de gemeente Landgraaf een wapen van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp (opschrift "Great Power"), waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

4.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

4.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de volgende strafbare misdrijven:

Ten aanzien van feit 2 primair

witwassen

Ten aanzien van feit 4

handelen in strijd met een in artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie gegeven verbod

5 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die zijn strafbaarheid opheft.

6 De oplegging van straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft hij een geldboete van € 5.000,- gevorderd, met aftrek van de duur van het voorarrest voor het witwasfeit. Ten aanzien van de maatstaf voor aftrek heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht geen geldboete, maar een taakstraf op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen, waarmee hij de opbrengsten van zijn criminele activiteiten in het gewone betalingsverkeer heeft gebracht. De vermenging van crimineel geld met legaal geld ontwricht het economisch evenwicht in de samenleving.

Verdachte heeft bovendien een stroomstootwapen voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit hiervan dient, gelet op het gevaarzettende karakter, te worden bestreden.

De door de officier van justitie gevorderde straf acht de rechtbank niet passend. Het opleggen van een geldboete is niet wenselijk gelet op de financiële situatie van verdachte. Gelet op de te nemen beslissing ten aanzien van het inbeslaggenomen geld heeft een geldboete ook geen meerwaarde. Oplegging van een voorwaardelijke straf acht de rechtbank niet noodzakelijk.

Aangezien verdachte niet eerder wegens soortgelijke feiten is veroordeeld, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een taakstraf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten.

In beginsel acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 120 uren op zijn plaats. Bij de strafoplegging dient echter rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat er een grote vertraging in de berechting is ontstaan die niet aan verdachte is te wijten. Deze vertraging heeft ertoe geleid dat sinds het plegen van de feiten een behoorlijke periode is verstreken, waaronder ook een half jaar nadat verdachte het laatste woord al had gekregen. Hierdoor is de redelijke termijn, waarbinnen een strafzaak in eerste aanleg dient te worden afgesloten met een vonnis, overschreden. De rechtbank zal dit in de op te leggen straf verdisconteren.

Alles overwegende acht de rechtbank passend een taakstraf voor de duur van 110 uren.

7 Het beslag

Onder verdachte zijn goederen in beslag genomen, te weten geld en papieren.

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen geld verbeurd dient te worden verklaard. Het in beslag genomen papier kan worden teruggegeven aan verdachte.

De raadsman heeft verzocht de in beslag genomen voorwerpen terug te geven aan verdachte.

Het inbeslaggenomen geld zal verbeurd worden verklaard, nu dit geld afkomstig is van criminele activiteiten. Het inbeslaggenomen papier kan worden teruggegeven aan verdachte, nu dit geen verband houdt met strafbare feiten.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 57 en 420bis van de Wetboek van Strafrecht en de artikel 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 110 uren;

  • -

    beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 55 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf, naar rato van twee uren per dag;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

nr. 1: Nederlands geld (goednummer 1989640, ibg 13-10-11);

nr. 2: Nederlands geld (goednummer 1989642, ibg 13-10-11);

nr. 3: Nederlands geld (goednummer 1989645, ibg 13-10-11);

nr. 4: Nederlands geld (goednummer 1989647, ibg 13-10-11);

- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp:

nr. 5: Papier (goednummer 1989664, PS47-3001),

aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F.J. Aalderink, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster en

mr. F.A.G.M. Vluggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 april 2014.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 12 oktober 2011 in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Landgraaf, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij, verdachte, op of omstreeks 13 oktober 2011, in de gemeente Landgraaf, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van een voorwerp, te weten geld ten bedrage van 4.065,- Euro, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd geld ten bedrage van € 4.065,- is, terwijl hij, verdachte, wist dat voornoemd geld ten bedrage van € 4.065,- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 13 oktober 2011, in de gemeente Landgraaf, althans in Nederland tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een voorwerp, te weten geld ten bedrage van € 4.065,-, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van een voorwerp, te weten geld ten bedrage van € 4.065,-, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

3.

hij, verdachte in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 12 oktober 2011, in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Landgraaf en/of in de gemeente Onderbanken, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s), meermalen toen aldaar (telkens) geld, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans (telkens) van een voorwerp, te

weten geld, gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) wist(en) dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 12 oktober 2011, in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Landgraaf en/of in de gemeente Onderbanken, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, meermalen, althans eenmaal (telkens) van een voorwerp, te weten geld, (telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, terwijl hij (telkens) wist dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte,in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 12 oktober 2011, in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Landgraaf en/of in de gemeente Onderbanken, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, meermalen, althans eenmaal (telkens) een voorwerp, te weten geld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen en/of heeft omgezet, althans (telkens) van geld, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

4.

hij, verdachte, op of omstreeks 13 oktober 2011 in de gemeente Landgraaf, een wapen van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp (opschrift "Great Power"), waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, met proces-verbaalnummer 2011118898, d.d. 27 februari 2012 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal van verslag van binnentreden in woning [adres 14] te Landgraaf d.d. 14 oktober 2011, pagina 5669.

3 Het geschrift, te weten een kavellijst, als bijlage bij het proces-verbaal van verslag van binnentreden in woning [adres 14] te Landgraaf d.d. 14 oktober 2011, pagina 5673.

4 Proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming d.d. 13 oktober 2011, pagina 5674-5676.

5 De geschriften, te weten rekeningafschriften van bankrekening [rekeningnummer], d.d. 12 januari 2011 tot en met 12 oktober 2011, niet doorgenummerd. De rekeningafschriften werden ter terechtzitting d.d. 20 september 2013 door de officier van justitie overgelegd.

6 Proces-verbaal van derde verhoor verdachte [verdachte] d.d. 2 februari 2012, pagina 4063.

7 Proces-verbaal van verslag van binnentreden in woning [adres 14] te Landgraaf d.d. 14 oktober 2011, pagina 5669. Proces-verbaal van doorzoeking woning [adres 14] te Landgraaf d.d. 14 oktober 2011, pagina 5671, 5672. Het geschrift: een kavellijst, als bijlage bij het proces-verbaal van verslag van binnentreden in woning [adres 14] te Landgraaf d.d. 14 oktober 2011, pagina 5673.

8 Proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming d.d. 13 oktober 2011, pagina 5679.

9 Proces-verbaal onderzoek (vuur)wapens en munitie d.d. 12 januari 2012, pagina 5688 en 5689.

10 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 19 september 2013 afgelegd.