Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:3171

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
03-04-2014
Zaaknummer
04/850300-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 197 Sr, ongewenst verklaarde vreemdeling. Toepassing Terugkeerrichtlijn. Gevangenisstraf 2 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 04/850300-12

Datum uitspraak : 1 april 2014

Tegenspraak overeenkomstig artikel 279 Wetboek van Strafvordering

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Raadsvrouw is mr. A.J.D.D. Burhenne, advocaat te Weert.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 18 maart 2014.

De rechtbank heeft op 18 maart 2014 gehoord: de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 6 oktober 2012 in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij niet naar een ander land kon gaan. Er is sprake van overmacht en afwezigheid van alle schuld.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen1

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] relateren op 7 oktober 20122:

Op zaterdag 06 oktober 2012, omstreeks 15.40 uur, waren wij op de Stadsweide 2 te Roermond. De verdachte werd door ons, verbalisanten, aangehouden op grond van de legitimatieplicht, waaraan de verdachte niet kon voldoen. De verdachte had een formulier bij zich, waarop stond dat hij onder andere België en Nederland diende te verlaten voor 08 oktober 2012. Het formulier was uitgereikt door het Koninkrijk van België. In de beurs van de verdachte werd een briefje aangetroffen met daarop de tekst ‘vluchtgegevens’. Op dit briefje stond de naam [verdachte], geboren op [geboortedatum 1]. Ik, [verbalisant 1], heb telefonisch contact opgenomen met de medewerker van de vreemdelingenpolitie. De medewerker heeft binnen de beschikbare systemen gezocht en vond een foto van deze persoon. De foto die mij, [verbalisant 1], werd toegezonden betreft dezelfde persoon, welke even hiervoor door ons, verbalisanten, was aangehouden. Tevens vond de medewerker een beschikking, waarop stond dat de verdachte sinds september 2005 reeds te boek staat als ongewenst vreemdeling.

Een geschrift met het opschrift: “Koninkrijk België; Bevel om het grondgebied te verlaten” houdt onder meer in3:

In uitvoering van de beslissing van de gemachtigde van de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, en voor Maatschappelijke Integratie V. Derue, attaché wordt aan de persoon die verklaart zich [naam 1] te noemen, geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2], en welke verklaart van Algerije nationaliteit te zijn, het bevel gegeven om 08.10.2012 ten laatste het grondgebied van België te verlaten, evenals het grondgebied van Nederland, tenzij hij beschikt over de documenten die vereist zijn om er zich te begeven.

Reden van de beslissing:

De betrokkene is niet in het bezit van een paspoort voorzien van een geldig visum.

De betrokkene heeft zich schuldig gemaakt aan een gewone diefstal.

De beslissing van de Minister voor vreemdelingenzaken en integratie d.d. 22 november 2005 houdt onder meer in4:

Deze beschikking heeft betrekking op ongewenstverklaring ingevolge artikel 67,

eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet van de vreemdeling die

gesteld heeft te zijn: [naam 2], geboren op [geboortedatum 2], van Libanese nationaliteit.

Betrokkene is tevens bekend onder andere persoonsgegevens, te weten:

[verdachte], geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 3] en van Italiaanse nationaliteit.

Betrokkene verblijft niet rechtmatig in Nederland. Hij dient Nederland uit eigen beweging onmiddellijk te verlaten.

Een geschrift met het opschrift “Uitreikingsblad” van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te Zwolle houdt onder meer in5:

Uitreikingsblad, behorende bij de beschikking van 22 november 2005, dossiernummer 0102.02.8003, V-nummer 051.002.3296.

Betreft: [naam 2], geboren op [geboortedatum 2], van gesteld Libanese nationaliteit.

Deze beschikking is op 30 november 2005 door P. Heijmans te Tilburg in persoon uitgereikt, waarbij de strekking van het besluit met de hulp van een tolk in een voor betrokkene begrijpelijke taal is meegedeeld en de voorgeschreven folder is uitgereikt.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte onderdaan is van een derde land in de zin van artikel 3, eerste lid, van Richtlijn 2008/115/EG (hierna: de Terugkeerrichtlijn), nu hij niet onder de in dat artikel genoemde uitzonderingen kan worden gebracht. Verder staat vast dat verdachte illegaal in Nederland verbleef op het moment dat hij werd aangehouden.

Gelet op de definitie van terugkeerbesluit in artikel 3, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn heeft de ongewenstverklaring te gelden als een terugkeerbesluit in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Nu uit de beschikking tot ongewenstverklaring blijkt dat aan verdachte geen vrijwillig vertrek is toegekend – ingevolge de beschikking dient hij Nederland onmiddellijk te verlaten – heeft de ongewenstverklaring ook te gelden als een inreisverbod in de zin van artikel 3, zesde lid van de Terugkeerrichtlijn.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige zaak de Terugkeerrichtlijn van toepassing is.

Nederland heeft de Terugkeerrichtlijn geïmplementeerd met de Wet van 15 december 2011 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en het Besluit van 22 december 2011, houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000. Genoemde Wet en Besluit zijn op 31 december 2011 in werking getreden.

Verdachte is ongewenst verklaard omdat hij onder meer veroordeeld is tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk. Nadien, op 31 december 2011, is artikel 6.5a van het Vreemdelingenbesluit 2000 in werking getreden. Volgens dit artikel, waarin het inreisverbod als nieuw rechtsfenomeen is geïntroduceerd, meer in het bijzonder lid 3, bedraagt de duur van het inreisverbod in dat geval ten hoogste

vijf jaren. Nu het besluit tot ongewenstverklaring daaromtrent niets zegt zal de rechtbank de termijn van vijf jaren als uitgangspunt nemen. Blijkens artikel 66a, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en het arrest van de Hoge Raad van 21 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3930, moet de duur van het inreisverbod worden berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

De ongewenstverklaring, gedateerd 22 november 2005, is op 30 november 2005 aan verdachte uitgereikt. Uit de inhoud van het dossier kan de rechtbank niet afleiden wanneer verdachte Nederland (voor het eerst) heeft verlaten. Wel blijkt uit het dossier dat verdachte op 7 augustus 2012 naar België is verwijderd. Niet is gesteld of gebleken dat verdachte daarvóór Nederland heeft verlaten. Het moet er dan ook voor gehouden worden dat verdachte vóór 7 augustus 2012 Nederland niet heeft verlaten en dat de termijn van vijf jaar eerst op die datum is ingegaan. Het inreisverbod (en daarmee de ongewenstverklaring) was derhalve op 6 oktober 2012 nog van kracht.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 6 oktober 2012 in de gemeente Roermond, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van verdachte

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er sprake is van overmacht.

Verdachte kon nergens naar toe. Verdachte is Palestijn, maar de Palestijnse nationaliteit wordt niet erkend. Verdachte heeft geen documenten en is dan ook veroordeeld tot illegaliteit. Verdachte dient om die reden te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank overweegt als volgt.

Art. 61 Vreemdelingenwet 2000 verplicht de vreemdeling die niet rechtmatig verblijf heeft, Nederland uit eigen beweging te verlaten. Gelet op de parlementaire geschiedenis betekent dit tevens dat de vreemdeling die tot ongewenst vreemdeling is verklaard de rechtsplicht heeft het land te verlaten. Van die verplichting is slechts uitgezonderd:

- de vreemdeling van wie aannemelijk is geworden dat hij buiten zijn schuld niet in het bezit kan komen van reisdocumenten;

- de vreemdeling van wie is gebleken dat hij zich redelijkerwijs bezien voldoende inspanningen heeft getroost om te voldoen aan zijn plicht het land te verlaten, doch daarin - al dan niet met ondersteuning van de Nederlandse overheid - niet is geslaagd. Daarbij dient ook betrokken te worden of van deze inspanningen redelijkerwijs bezien enig resultaat was te verwachten.

Bij de beoordeling of voormelde uitzonderingssituatie zich voordoet, dienen naar het oordeel van de rechtbank onder meer de volgende aspecten te worden betrokken:

a. Het enkele feit dat het de Nederlandse overheid niet gelukt is de verdachte uit te zetten, maakt op zichzelf nog niet dat voormelde uitzonderingsituatie aanwezig moet worden geacht. Het is immers de verdachte zelf die primair de rechtsplicht tot vertrek uit Nederland heeft. In dit licht kan worden verlangd dat de verdachte al hetgeen in zijn macht ligt verricht, zoals het inroepen van de hulp van familie en/of de International Organisation for Migration (verder: IOM) om uit eigen beweging uit te reizen.

b. De verdachte zal niet alleen dienen te stellen maar waar dit redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd ook zoveel mogelijk feitelijk en met bewijsstukken dienen te onderbouwen dat hij getracht heeft een einde aan zijn strafbare verblijf te maken door alle medewerking te verlenen aan de Nederlandse autoriteiten, de autoriteiten van het land van herkomst en eventuele andere autoriteiten om hem de benodigde documenten te verschaffen, alsook dat hij ook zelf niet bij voorbaat inadequaat te achten pogingen tot vertrek heeft ondernomen.

c. De primaire verantwoordelijkheid voor verkrijging van in- en uitreisdocumenten, dan wel voor bewijsstukken inzake zijn identiteit, geboorteplaats- en land, en nationaliteit ligt bij de verdachte. In dat kader wordt - zoals hierboven overwogen - van de verdachte onder meer verwacht dat hij alle wegen bewandelt, inclusief het inschakelen van de IOM en/of familie in het herkomstland en/of het Rode Kruis, om dergelijke documenten te verkrijgen. De verdachte zal dergelijke pogingen ook zoveel mogelijk dienen te documenteren. Het voorgaande geldt te meer, indien er gerede twijfel kan bestaan omtrent zijn identiteit en nationaliteit.

d. Van de verdachte kan de volledige medewerking aan presentaties bij ambassades, taaltesten, gegevensverstrekking en dergelijke worden verlangd.

e. Niet vereist is dat de verdachte min of meer langdurig in een ander land kan verblijven, of dat hij naar zijn eigen land kan terugkeren. Voldoende is dat niet onaannemelijk is, dat hij tot enig land (legale) toegang zal kunnen krijgen ongeacht de duur daarvan.

Bij de beoordeling of zich voormelde uitzonderingssituatie voordoet zal tevens dienen te worden betrokken of, en zo ja in hoeverre, zich in het strafdossier informatie van de zijde van de Nederlandse overheid of anderszins bevindt, dan wel uit het onderzoek ter terechtzitting informatie naar voren is gekomen omtrent de inspanningen van de verdachte om Nederland te verlaten en/of omtrent de opstelling van de autoriteiten van het land waarvan de verdachte stelt de nationaliteit te hebben (of waaruit hij zegt afkomstig te zijn) bij de facilitering van het vertrek van de verdachte, zowel in het individuele geval, als meer in algemene zin.

Op grond van hetgeen hierna onder 7.3 wordt overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte niet alles in het werk heeft gesteld wat redelijkerwijs van hem gevergd kon worden om te voldoen aan zijn verplichting uit eigen beweging Nederland te verlaten. Voorts is gelet op het daar overwogene evenmin aannemelijk geworden dat hij buiten zijn schuld geen reisdocumenten heeft kunnen verkrijgen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

7 De oplegging van straf en/of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, mede gelet op het lange tijdsverloop.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte op 7 augustus 2012 naar België is vertrokken. Hij heeft ervoor gekozen terug te komen omdat hij in België ook een aanzegging om te vertrekken had gekregen. Als hij in België zou blijven zou hij daar hetzelfde probleem hebben gehad. Verdachte kon nergens naar toe en dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het niet meer opportuun is om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen, nu verdachte niet meer in Nederland verblijft.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op het El Didri-arrest en het Achughbabian-arrest van het Hof van Justitie van de EU kan de Terugkeerrichtlijn onder omstandigheden in de weg staan aan de oplegging van gevangenisstraf. In dat geval zijn de bepalingen van de Terugkeerrichtlijn voor verdachte gunstiger dan de toepasselijke bepalingen van nationaal recht. De rechtbank is van oordeel dat aan de bepalingen van de Terugkeerrichtlijn dient te worden getoetst.

De Terugkeerrichtlijn staat niet in de weg aan het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op grond van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht aan een tot ongewenst vreemdeling verklaarde onderdaan van een derde land in de zin van artikel 3, eerste lid, van de richtlijn op wie de bij die richtlijn voorziene terugkeerprocedure is toegepast en die, zonder geldige reden om niet terug te keren, illegaal in Nederland verblijft. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan een dergelijke onderdaan van een derde land is wel strijdig met de richtlijn indien de stappen van de in de richtlijn vastgelegde terugkeerprocedure nog niet zijn doorlopen, omdat met een dergelijke straf een spoedige terugkeer wordt gefrustreerd.

Op grond van de volgende feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat in casu aan deze voorwaarden zoals door het Hof van Justitie van de EU uiteengezet, is voldaan.

Het sfeerproces-verbaal d.d. 25 februari 2014 houdt het volgende in.

Verdachte blijkt gebruik te hebben gemaakt van een groot aantal namen, geboortedata en nationaliteiten. Zijn identiteit en nationaliteit is niet vastgesteld. Zonder een op zijn naam gesteld reisdocument kan de verdachte niet naar het land van herkomst worden verwijderd. Het land van herkomst van verdachte is niet bekend. Verdachte weigert antwoord te geven op vragen over zijn verblijfplaats. Hij maakte gebruik van 17 aliassen en heeft geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande. Hij weigert alle medewerking en weigert een verklaring af te leggen. Hij heeft meerdere malen in vreemdelingenbewaring gezeten, zonder het gewenste resultaat. Pas na het aantreffen van papieren uit België in de fouillering werd succesvol een claim opgestart om verdachte naar België te verwijderen. Op 7 augustus 2012 is hij naar België verwijderd. Verdachte is echter weer teruggekeerd naar Nederland en vervolgens op 25 oktober 2012 weer naar België verwijderd.

Ondernomen acties vreemdelingenpolitie en ketenpartners: Verdachte is in de loop der jaren door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) dan wel de Vreemdelingenpolitie, bij de volgende ambassades/consulaten gepresenteerd of voorgedragen ter verkrijging van een reisdocument:

-op 8 november 2005 bij de diplomatieke vertegenwoordiging van Algerije. Hij weigerde bij de presentatie Arabisch te spreken. Derhalve werd het verzoek voor een laissez passer niet in behandeling genomen;

-op 8 oktober 2012 heeft verdachte telefonisch contact gehad met de viceconsul van het Italiaanse Consulaat te Amsterdam. Aldaar heeft hij zijn persoonsgegevens doorgegeven die later door de politie zijn aangeleverd. Ook dit heeft niet geresulteerd in een identiteitsvaststelling dan wel afgifte van een reisdocument.

Taalanalyse: Met een taalanalyse kan een indicatie worden verkregen uit welk land of gebied iemand mogelijk afkomstig is. Verdachte weigert Arabisch te spreken waardoor er geen analyse kan plaatsvinden. Hij weigert alle medewerking aan een taalanalyse.

-Dactyloscopisch onderzoek: Dactyloscopisch onderzoek ter vaststelling van de identiteit en nationaliteit heeft geen resultaat opgeleverd. Bij de door de Vreemdelingenpolitie en de DT&V afgenomen gehoren weigert verdachte verklaringen af te leggen of verklaart hij niets ter zake dienende.

Verdachte is in de loop der jaren herhaalde keren voor langere of korte periode in vreemdelingenbewaring gesteld, teneinde hem ter uitzetting omtrent zijn identiteit/nationaliteit te kunnen horen of om hem te presenteren ter verkrijging van een reisdocument. Laatstelijk vond dit plaats op 9 oktober 2012 waarna deze vrijheidsbenemende maatregel weer vanwege uitzetting naar België op 25 oktober 2012 werd opgeheven.

Verdachte is gevraagd welke acties hij zelf ondernomen heeft om aan een identificerend document te komen. Tevens is hem gevraagd welke pogingen hij heeft ondernomen om uit Nederland te vertrekken. Hij verklaarde niets ter zake dienende.

Verdachte heeft niet meegewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en/of nationaliteit. Ook heeft hij geen activiteiten ondernomen om zijn vertrek uit Nederland mogelijk te maken terwijl hij wist dat hij ongewenst vreemdeling in Nederland was.

De rechtbank is niet gebleken dat de verdachte door tussenkomst van de Internationale Organisatie voor Migratie of anderszins pogingen heeft gedaan om Nederland te verlaten.

De rechtbank gaat er op grond hiervan vanuit dat verdachte de terugkeerprocedure volledig heeft doorlopen en dat de Nederlandse staat alles heeft gedaan om verdachte te verwijderen.

De verdachte heeft, gelet op het vorenoverwogene, alle door de staat geëntameerde in de Terugkeerrichtlijn genoemde maatregelen ten spijt, illegaal op het grondgebied van Nederland verbleven, terwijl niet is gebleken of aannemelijk geworden dat de verdachte een geldige reden had om niet terug te keren.

Derhalve staat de Terugkeerrichtlijn er niet aan in de weg dat aan de verdachte ter zake van de bewezen verklaarde overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht een gevangenisstraf van na te noemen duur wordt opgelegd.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft als vreemdeling in Nederland verbleven, terwijl hij wist dat hij tot ongewenste vreemdeling was verklaard, zoals in bewezenverklaring nader omschreven.

Aldus heeft de verdachte het vreemdelingenbeleid van de Nederlandse overheid doorkruist.

De rechtbank heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op uittreksels Justitiële Documentatie op naam van verdachte en zijn aliassen d.d. 8 en 9 oktober 2012, waaruit blijkt dat de verdachte reeds meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor misdrijven, waaronder op 18 mei 2005 door de politierechter te Alkmaar voor vermogensdelicten en overtreding van de Opiumwet tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Gelet op de ernst van het feit, het risico op herhaling en de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie kan naar het oordeel van de rechtbank de raadsvrouw niet worden gevolgd in haar pleidooi om geen gevangenisstraf op te leggen. Dat verdachte naar België is vertrokken doet daaraan niet af, te meer daar verdachte eerder naar België vertrok en desondanks is teruggekeerd.

De rechtbank is - alles overwegende - van oordeel dat uit een oogpunt van generale en speciale preventie een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27 en 197 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Vonnis gewezen door mrs. E.H.M. Druijf, J.H. Klifman en P.M.S. Dijks, rechters, van wie mr. J.H. Klifman voorzitter, in tegenwoordigheid van P.J.T. Frijns als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 1 april 2014.

Mr. J.H. Klifman is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 04/850300-12

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 1 april 2014 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1],

wonende te *** Postcode_woonplaats ***, *** Adres_huisnr. ***,

thans gedetineerd in de / het *** Detentieinstantie *** te

*** Vest.plaats detentieinstantie ***.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig. Ter terechtzitting van 18 maart 2014 heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

(tolk: bouwsteen 503)

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman/vrouwe mr. A.J.D.D. Burhenne, advocaat te Weert.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Noord opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL233E 2012097269 d.d. 7 oktober 2012 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal nr. PL233E 2012097269-5 d.d. 7 oktober 2012.

3 Geschrift, bijlage I bij proces-verbaal nr. PL233E 2012097269-5 d.d. 7 oktober 2012.

4 Beschikking van het Ministerie van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) d.d. 22 november 2005.

5 Geschrift met het opschrift “Uitreikingsblad” van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).