Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:3148

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_1911u
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Op 1 december 2011 is X in het familiegraf begraven. Voor het begraven alsmede voor het verlenen van een uitsluitend huurrecht voor een periode van twintig jaar is een legesaanslag opgelegd. Van deze aanslag houdt enkel het deel dat ziet op de verlening van het huurrecht partijen verdeeld. Eiser is van mening dat, nu sprake is van een geldend grafrecht en niet is gebleken dat na de aankoop hiervan een aanvullend vorderingsrecht in het leven is geroepen, verweerder niet bevoegd is een (aanvullende) legesaanslag voor het huurrecht op te leggen. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat in 1936 op het betreffende graf een eeuwigdurend uitsluitend grafrecht is gevestigd en dit grafrecht in 1972 is overgenomen naar de nieuwe begraafplaats. Dat daarbij de duur van het grafrecht is beperkt tot 100 jaar, is, nu die termijn nog niet is geëindigd, voor de onderhavige zaak niet relevant. Partijen houdt verdeeld de inhoud van het in 1936 gevestigde uitsluitende grafrecht. Hoewel de betreffende grafakte of overeenkomst uit 1936 niet is overgelegd, acht de rechtbank door eiser voldoende aannemelijk gemaakt dat deze akte of overeenkomst uit 1936 verweerder niet de mogelijkheid biedt om bij het begraven van overledenen in het betreffende graf (aanvullend) grafrechten te heffen. De rechtbank verwijst hiertoe naar de door eiser overgelegde stukken die zien op de overname van het grafrecht naar de nieuwe gemeentelijke begraafplaats. In deze uit 1989 daterende stukken van de Afdeling Burgerzaken van de gemeente worden de consequenties van het vaststellen van de eeuwigdurende termijn op 100 jaar besproken. Geconcludeerd wordt dat het hanteren van een termijn van 100 jaar grafrechten voor de gemeente een derving van inkomsten van circa fl. 20.000,= betekent. Met andere woorden, het is voor de gemeente over een periode van 50 extra jaren niet mogelijk grafrechten over het betreffende graf te heffen. Dat destijds niet is overeengekomen dat aanvullend grafrechten mogen worden geheven bij een volgende bijzetting, wordt bevestigd doordat in het betreffende familiegraf na 1936 nog drie familieleden zijn begraven zonder dat is gebleken dat aanvullend grafrechten zijn geheven. De van toepassing zijnde verordening lijkbezorgingsrechten 2011 biedt daarnaast geen grondslag voor het ten aanzien van een (familie)graf, waar al een “eeuwigdurend” uitsluitend grafrecht op is gevestigd en waarin al meer dan de thans toegestane twee personen zijn begraven, aanvullend heffen van grafrechten. Gelet op vorenstaande overwegingen is het beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1775
V-N Vandaag 2014/1536
Belastingblad 2014/383

Uitspraak

RECHTBANK limburg

zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13 / 1911

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2014 in de zaak tussen

[eiser] eiser

(gemachtigde: [naam gemachtigde]),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Venray, verweerder

(gemachtigde: mr. A.A.C. Bruijns).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser op 10 februari 2012 een aanslag grafrechten ten bedrage van in totaal € 1.320,60 opgelegd (het primaire besluit). Deze aanslag bestaat uit € 346,20 voor het begraven van [naam overledene 1]en € 974,40 voor het verlenen van een uitsluitend huurrecht op het op de algemene begraafplaats Boschhuizen gelegen graf [grafplaats] voor een periode van twintig jaar: van 7 december 2011 tot 7 december 2031.

Eiser heeft tegen het primaire besluit, voor zover die ziet op het verlenen van het huurrecht, bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij besluit van 21 mei 2013 (het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2014. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

In 1936 is door de grootouders van eiser een door het kerkbestuur uitgegeven eeuwigdurend grafrecht gekocht op de begraafplaats St. Petrus’ Banden te Venray. In het betreffende graf zijn achtereenvolgens begraven [naam overledene 2](1936), [naam overledene 3] (1959) en [naam overledene 4](1972). In 1972 zijn de graven van de begraafplaats St. Petrus’ Banden overgebracht naar de algemene begraafplaats Boschhuizen. Het graf van eisers familie is geplaatst in [grafplaats]. Bij brief van 4 oktober 1989 heeft de Deken bevestigd dat de grafrechten worden overgenomen op de nieuwe begraafplaats. De duur van het grafrecht is, zoals volgt uit een brief van de gemeente Venray van 6 november 1990 en een nota van de afdeling Burgerzaken van de gemeente van 12 september 1989, gesteld op honderd jaar en eindigt derhalve in 2036. In 1996 is vervolgens nog [naam overledene 5] in het graf begraven. Voor het huurrecht zijn in 1996 geen leges geheven.

2.

Op 1 december 2011 is [naam overledene 1]in het graf begraven. Voor het begraven alsmede voor het verlenen van een uitsluitend huurrecht voor een periode van twintig jaar is een legesaanslag opgelegd. Van deze aanslag houdt enkel het deel dat ziet op de verlening van het huurrecht partijen verdeeld. Eiser is – kort en zakelijk weergegeven – van mening dat, nu sprake is van een geldend grafrecht en niet is gebleken dat na de aankoop hiervan een aanvullend vorderingsrecht in het leven is geroepen, verweerder niet bevoegd is een (aanvullende) legesaanslag voor het huurrecht op te leggen. Eiser mocht er verder, gezien het uitblijven van een legesaanslag voor de huurrechten in 1996, op vertrouwen dat naar aanleiding van het begraven van [naam overledene 1]geen grafrecht zou worden geheven. Bovendien vindt eiser het te betalen bedrag aan huurrecht dermate hoog dat afbreuk wordt gedaan aan de (ongestoorde) uitoefening van het grafrecht.

3.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat in 1936 op het betreffende graf een eeuwigdurend uitsluitend grafrecht is gevestigd en dit grafrecht in 1972 is overgenomen naar de nieuwe begraafplaats. Dat daarbij de duur van het grafrecht is beperkt tot 100 jaar, is, nu die termijn nog niet is geëindigd, voor de onderhavige zaak niet relevant. Partijen houdt verdeeld de inhoud van het in 1936 gevestigde uitsluitende grafrecht, in die zin dat eiser stelt dat niet is gebleken dat verweerder op grond hiervan een aanvullend vorderingsrecht toekomt, waar verweerder stelt dat niet is gebleken dat hij op grond van dit grafrecht bij het begraven van familieleden in het graf niet aanvullend grafrechten mag heffen. Hoewel de betreffende grafakte of overeenkomst uit 1936 niet is overgelegd, acht de rechtbank door eiser voldoende aannemelijk gemaakt dat deze akte of overeenkomst uit 1936 verweerder niet de mogelijkheid biedt om bij het begraven van overledenen in het betreffende graf (aanvullend) grafrechten te heffen. De rechtbank verwijst hiertoe naar de door eiser overgelegde stukken die zien op de overname van het grafrecht naar de nieuwe gemeentelijke begraafplaats. In deze uit 1989 daterende stukken van de Afdeling Burgerzaken van de gemeente Venray worden de consequenties van het vaststellen van de eeuwigdurende termijn op 100 jaar besproken. Geconcludeerd wordt dat het hanteren van een termijn 100 jaar grafrechten voor de gemeente een derving van inkomsten van circa fl. 20.000,= betekent. Met andere woorden, het is voor de gemeente over een periode van 50 extra jaren niet mogelijk grafrechten over het betreffende graf te heffen. Dat destijds niet is overeengekomen dat aanvullend grafrechten mogen worden geheven bij een volgende bijzetting, wordt bevestigd doordat in het betreffende familiegraf na 1936 nog drie familieleden zijn begraven zonder dat is gebleken dat aanvullend grafrechten zijn geheven. De van toepassing zijnde verordening lijkbezorgingsrechten 2011 biedt daarnaast geen grondslag voor het ten aanzien van een (familie)graf, waar al een “eeuwigdurend” uitsluitend grafrecht op is gevestigd en waarin al meer dan de thans toegestane twee personen zijn begraven, aanvullend heffen van grafrechten.

4.

Gelet op vorenstaande overwegingen is het beroep reeds gegrond en dient het bestreden besluit deels te worden vernietigd. De overige beroepsgronden van eiser kunnen daarom onbesproken blijven.

5.

Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 974,= (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een 1 punt voor het verschijnen op zitting met wegingsfactor 1).

6.

Tot slot zal de rechtbank verweerder veroordelen tot het terugbetalen van het door eiser betaalde griffierecht ad € 44,=.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit voor zover daarbij leges huurrecht zijn geheven;

- bepaalt dat verweerder aan eiser de door hem gemaakte proceskosten vergoedt tot een bedrag van € 974,= (wegens kosten van rechtsbijstand);

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ten bedrage van € 44,= volledig vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. Schutte, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2014.

w.g. D.D.R.H. Lechanteur,

griffier

w.g. A.M. Schutte,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 2 april 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.