Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:260

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
AWB-12_1640u
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AWB 12/1640

Beëindiging toelage ’55-jarigen-regeling’. Voorbehoud in verband met vervroegd uittreden bij vervallen FPU-regeling. Uit de berekening die verweerder ter nakoming van het door eiser in 2005 gemaakte voorbehoud heeft laten maken, is gebleken dat voor eiser bij vervroegd uittreden op

1 mei 2014, bij een leeftijd van 63 jaar en 5 maanden, sprake zal zijn van gelijke financiële gevolgen als onder de oude FPU-regeling. Gelet op eisers keuze desondanks door te willen blijven werken tot en met 66 jaar en dus niet, in navolging van de aanvraag en besluitvorming van verweerder, vervroegd te zullen uittreden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder gerechtigd was de uitbetaling van de betreffende toelage, die immers gekoppeld was aan het vervroegd uittreden van eiser, met ingang van 1 januari 2012, stop te zetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 1640

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 januari 2014 in de zaak tussen

[naam eiser], te Valkenburg, eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul, verweerder

(gemachtigde: Ing. R. van der Gaag en mr. M. Bartholomée).

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitbetaling van de periodieken in het kader van de zogenaamde ‘55-jarigen-regeling’ stopgezet.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat de ingangsdatum van de beëindiging van de betaling van de periodieken wordt vastgesteld op 1 januari 2012.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2013.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

2.

Eiser, geboren op [geboortedatum eiser], heeft op [datum aanvraag] een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een toelage als bedoeld in artikel 10 van de Verordening, regelende de bezoldiging van het personeel van de gemeente Valkenburg aan de Geul 1997 (Bezoldigingsverordening 1997).

De mogelijkheid tot het ontvangen van een dergelijke toelage wordt ook wel genoemd de ‘55-jarigen- regeling’. Eiser heeft zich bij de aanvraag bereid verklaard gebruik te zullen maken van de eerstvolgende mogelijkheid tot volledige uittreding in het kader van de regeling inzake Flexibele Pensioen Uittreding (FPU-regeling) met 62 jaar en 3 maanden, onder het voorbehoud dat hij bij het vervallen van deze regeling zal uittreden op het moment, dat de financiële gevolgen voor hem dezelfde zullen zijn, als deze zouden zijn geweest in het kader van de FPU-regeling.

3.

Verweerder heeft aan eiser bij besluit van 28 december 2005 met ingang van

1 december 2005 een vaste toelage op grond van artikel 10 van de Bezoldigingsverordening 1997, ter grootte van twee periodieke verhogingen boven het toenmalige salaris, toegekend. De toelage per 1 december 2005 bedroeg[bedrag toelage] bruto per maand.

4.

Met ingang van 2006 is de FPU-regeling komen te vervallen. Eiser heeft ingetekend op de opvolger van de FPU-regeling, het ABP-keuzepensioen. Eiser heeft op 7 januari 2008 een Levensloopregeling bij Loyalis afgesloten. Op 7 oktober 2008 heeft verweerder de Bezoldigingsregeling 1997 ingetrokken. Op verzoek van verweerder heeft het Pensioenfonds ABP een berekening gemaakt wanneer aan het door eiser in 2005 gemaakte voorbehoud zal worden voldaan. Uit deze berekening volgt dat indien eiser zou uittreden op [mogelijke datum uittreding], met een leeftijd van 63 jaar en 5 maanden, bij maximale toepassing van de hoog-laagconstructie, hij een pensioen zou kunnen ontvangen dat gelijk ligt aan de (toenmalige) bruto FPU-uitkering (inclusief aanvulling gemeente en vergoeding pensioenpremie). Eisers bijbehorende uitkering vanaf 65 jaar gaat in dat geval uit boven de voornoemde “FPU-situatie”.

5.

Eiser heeft verweerder op 13 oktober 2011 medegedeeld voornemens te zijn tot en met 66 jaar in dienst van verweerder te blijven. Bij het primaire besluit van 6 december 2011 heeft verweerder de uitbetaling van de periodieke verhogingen stopgezet. Het door eiser tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door verweerder bij het bestreden besluit van

7 augustus 2012 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat de einddatum van de toelage wordt doorgeschoven naar 1 januari 2012.

6.

Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft daartoe in beroep aangevoerd dat verweerder op de hoogte was van het feit dat de FPU-regeling per

1 januari 2006 zou wijzigen, in die zin dat deze alleen bleef gelden voor werknemers die op dat moment 56 jaar en ouder waren. Eiser beroept zich op dwaling. Eiser heeft mét toestemming van verweerder gebruik gemaakt van de opvolger van de FPU, het ABP-keuzepensioen, in de vorm van een levensloopregeling waaraan eiser vanaf 1 februari 2008 probleemloos deelneemt. Op het eind van elk jaar keert verweerder een bonus uit voor deelname aan deze regeling. Na bijna 4 jaar deelname heeft eiser ineens een mail van verweerder ontvangen waarin hem is medegedeeld dat bij het niet gevolg geven aan de eerdere verklaring tot uitdiensttreding vóór het bereiken van 63 jaar, de ontvangen periodieken terugbetaald dienen te worden. De financiële consequenties van uitdiensttreding zijn voor eiser echter niet meer dezelfde als onder het regime van de FPU. De gevolgen van de met Loyalis afgesloten overeenkomst kunnen volgens eiser onmogelijk teruggedraaid worden. Omdat hij mocht vertrouwen op de mededelingen van de werkgever, is het in strijd met de redelijkheid en de billijkheid om eiser te houden aan de overeenkomst.

De door verweerder opgeworpen hoog-laag constructie waarbij het pensioen in de periode tussen 63 jaar en 65 jaar hoog is, maar vanaf 65 jaar blijvend lager dan het regulier zou zijn geweest bij uit dienst treden op 65-jarige leeftijd is voor eiser ongunstiger, hij betaalt dan immers zijn eigen prepensioen. Toen de FPU nog bestond, zou het prepensioen voor eiser zijn betaald. De hoog-laag constructie is financieel negatief en dit wordt ook bevestigd in de adviesnota van 6 december 2011. De einddatum van de FPU-regeling is niet definitief. Wijziging door contractanten is mogelijk en ligt gezien de politieke werkelijkheid en het versneld verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd voor de hand. Eiser wijst erop dat de omzetting van de FPU naar de levensloopregeling door verweerder is geaccepteerd en de periodieken reeds zijn toegekend. De verslaglegging van de hoorzitting ten behoeve van het ingediende bezwaar is op vele punten onjuist en onvolledig. Door medische en psychische klachten, alsmede het overlijden van eisers vader in 2005 is eiser niet altijd even alert geweest met betrekking tot de ontwikkelingen rondom de pensioenregelingen. Eiser heeft momenteel 28 pensioenjaren opgebouwd.

7.

Bij de beoordeling van het beroep is artikel 10, eerste lid, van de Bezoldigingsverordening 1997 van toepassing waarin is bepaald dat aan de ambtenaar die de leeftijd van 55 jaar bereikt een toelage wordt toegekend van twee periodieke verhogingen boven het voor hem geldende salaris per maand. Op grond van het tweede lid van dit artikel komt in aanmerking voor de toelage bedoeld in het eerste lid de ambtenaar die schriftelijk verklaart dat hij van de eerstvolgende mogelijkheid gebruik maakt van volledige uittreding in het kader van de FPU-regeling.

8.

Het standpunt van eiser dat hij gedwaald zou hebben over het vervallen van de betreffende FPU-regeling acht de rechtbank, gezien het door eiser, zelf jurist zijnde, gemaakte voorbehoud daaromtrent, niet aannemelijk. Dat eiser mogelijk door persoonlijke omstandigheden niet in staat is geweest de ontwikkelingen op het gebied van de pensioenen te volgen blijft, gezien de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), voor eigen risico en leidt niet tot een ander oordeel.

9.

Het feit dat eiser na het vervallen van genoemde FPU-regeling heeft besloten deel te nemen aan de opvolger, het ABP Keuzepensioen, en verweerder ook toen nog de onder de vervallen regeling toegekende toelage is blijven uitbetalen, maakt dit niet anders. Verweerder heeft daarmee enkel uitvoering gegeven aan het besluit van 28 december 2005 (uitbetaling periodieken tot aan afgesproken datum van vervroegde uittreding). Daarbij overweegt de rechtbank dat het ABP Keuzepensioen een levensloopregeling betreft die naar aard en strekking niet te vergelijken valt met de vervallen regeling en ook niet voorziet in de mogelijkheid een soortgelijke toelage zoals hier in geding toe te kennen. Het door eiser (onder de vervallen regeling) gemaakte voorbehoud is, in tegenstelling tot hetgeen eiser daaromtrent stelt, dan ook niet meer van toepassing onder de nieuwe regeling. Van een vernietigbare overeenkomst, zoals door eiser wordt gesteld, is dan ook geen sprake.

10.

De rechtbank stelt verder vast dat verweerder, ter nakoming van het door eiser in 2005 gemaakte voorbehoud, door ABP een berekening heeft laten maken, waaruit valt af te leiden dat voor eiser bij vervroegd uittreden op [mogelijke datum uittreding], bij een leeftijd van 63 jaar en 5 maanden, sprake zal zijn van gelijke financiële gevolgen als onder de oude FPU-regeling.

De rechtbank ziet in hetgeen eiser daaromtrent heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding aan te nemen dat deze berekening onjuist dan wel onvolledig zou zijn. Gelet op eisers keuze desondanks door te willen blijven werken tot en met 66 jaar en dus niet, in navolging van de aanvraag en besluitvorming van verweerder, vervroegd te zullen uittreden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder gerechtigd was de uitbetaling van de betreffende toelage, die immers gekoppeld was aan het vervroegd uittreden van eiser, met ingang van 1 januari 2012 stop te zetten.

11.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Teeuwissen (voorzitter), en mr. P.J.M. Bruijnzeels en mr. E.V.L. Heuts, leden, in aanwezigheid van mr. I.M.T. Wijnands, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2014.

w.g. mr. I.M.T. Wijnands,

griffier

w.g. mr. M.A. Teeuwissen

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 16 januari 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.