Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:1708

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
09-05-2014
Zaaknummer
C-03-153106 C
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vormen twee overeenkomsten tussen de eigenaar van een schilderij van (mogelijk) Rubens, op grond waarvan de eigenaar financiële steun ontvangt in ruil voor in de overeenkomsten omschreven (eigendoms)rechten op (aandelen in) het schilderij, een geldige titel voor de overgang van (de aandelen in) de eigendom van het schilderij op de financier? Rechtbank oordeelt negatief: geen (geldige) titel, zodat de vraag of levering heeft plaatsgevonden in het midden kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/153106 / HA ZA 10-830

Vonnis van 26 februari 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.J.H.S. Thomassen te Maastricht,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. D.M.H.R. Garé te Maastricht.

Partijen zullen hierna [eiser] en[gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis in het incident en in de hoofdzaak van 29 december 2010,

  • -

    de akte overleggen producties van [eiser],

  • -

    de conclusie van repliek,

  • -

    de akte wijziging eis,

  • -

    de conclusie van dupliek,

  • -

    de akte herstel kennelijke verschrijving van [eiser],

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 mei 2012,

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting comparitie van 24 januari 2013,

  • -

    de akte na comparitie van [eiser],

  • -

    de akte na comparitie van[gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende - tussen partijen vaststaande - feiten.

2.1.

Van [gedaagde] is in 1987 door vererving eigenaar geworden van een schilderij, voorstellende een onbekende man met geplooide kraag, dat wordt toegeschreven aan de schilder [naam] (hierna: het schilderij).

2.2.

Op enig moment vóór januari 2006 is[gedaagde] de feitelijke macht over het schilderij kwijtgeraakt. Het schilderij is in de Verenigde Staten van Amerika in beslag genomen door het F.B.I. Nadien is het schilderij overgedragen aan de Belgische staat.

2.3.

In het strafproces tegen de onder meer van oplichting van[gedaagde] verdachte C. de M. heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België) op 20 december 2001 bevolen:

‘de teruggave van het schilderij dat wordt toegeschreven aan [naam], voorstellende “onbekende man met geplooide kraag” en dat in beslag werd genomen aan de burgerlijke partij [zijnde[gedaagde], toevoeging rechtbank] met dien verstande dat tevoren aan de voormalige bezitter - de heer UNVERDORBEN - gedurende een maand de mogelijkheid dient te worden geboden zijn rechten voor de burgerlijke rechter te laten gelden.’

2.4.

Het Hof van Beroep te Antwerpen (België) heeft vervolgens bij arrest van 25 september 2002 bevolen:

‘de teruggave van het inbeslaggenomen schilderij dat wordt toegeschreven aan [naam], voorstellende “onbekende man met geplooide kraag’ aan de rechtmatige eigenaar;’

2.5.

Aan het bevel van het Hof tot teruggave van het schilderij is aanvankelijk geen gevolg gegeven; het schilderij is in de feitelijke macht van de Belgische staat gebleven.

2.6.

Op 21 januari 2002 is de heer Unverdorben voor de Rechtbank in eerste aanleg te Tongeren (België) een procedure gestart tegen (onder meer)[gedaagde], om te laten vaststellen wie de rechtmatige eigenaar is van het schilderij. Op 22 mei 2007 heeft de rechtbank beslist dat[gedaagde] de rechtmatige eigenaar is van het schilderij. Op

10 november 2008 is het oordeel van de Rechtbank te Tongeren in hoger beroep bevestigd.[gedaagde]

2.7.

[gedaagde] heeft op 29 oktober 2004 een overeenkomst van geldlening gesloten met een aantal personen (hierna: [naam] c.s.) die, in ruil voor bepaalde rechten op en in verband met het schilderij, uitkeringen in geld hebben toegezegd aan[gedaagde]. De overeenkomst heeft, voor zover relevant, de volgende inhoud:

‘1. De heer[gedaagde] draagt bij deze dertig/éénhonderdste aandeel in de eigendom van het schilderij over aan de ondergetekenden sub 5 tot en met 9; aan hen komt dit aandeel gemeenschappelijk toe, en wel aan ieder van de ondergetekenden sub 2, 3, 4 (in privé), 5, 6 en 7 voor één/zevende aandeel en aan de ondergetekenden sub 8 en 9 gemeenschappelijk – ieder van beiden voor de onverdeelde helft – eveneens één/zevende aandeel.

Voor zover de onderhavige akte de eigendomsoverdracht niet bewerkstelligt, verleent de heer[gedaagde] bij deze onherroepelijk en onvoorwaardelijk volmacht aan de schuldeiser – zo tezamen als ieder van hen afzonderlijk – tot het verrichten van alle feitelijke handelingen en alle rechtshandelingen teneinde de levering en overdracht te bewerkstelligen.

2. Indien en zodra het schilderij door de Belgische staat wordt vrijgegeven, zal het schilderij worden verpand aan de schuldeiser en in het bezit van de schuldeiser worden gesteld. De heer[gedaagde] verleent bij deze onherroepelijk en onvoorwaardelijk volmacht aan de schuldeiser – zo tezamen als ieder van hen afzonderlijk – tot het verrichten van alle feitelijke handelingen en alle rechtshandelingen teneinde de verpanding (met bezitsverschaffing) te bewerkstelligen.

De schuldenaar verschaft bij deze, voor zover dit thans naar Nederlands recht mogelijk is, bezitloos pandrecht (stil pandrecht) van het schilderij aan de schuldeiser. Voor zover de onderhavige akte de bezitloze verpanding niet bewerkstelligt, verleent de heer[gedaagde] bij deze onherroepelijk en onvoorwaardelijk volmacht aan de schuldeiser – zo tezamen als ieder van hen afzonderlijk – tot het verrichten van alle feitelijke handelingen en alle rechtshandelingen teneinde de bezitloze verpanding te bewerkstelligen.’

2.8.

[eiser] en[gedaagde] hebben op 24 januari 2006 een overeenkomst gesloten, inhoudende (voor zover relevant en in de door [eiser] in het geding gebrachte Nederlandse vertaling) als volgt:

‘PREMISSE

De heer [gedaagde] heeft aan de heer [eiser] verzocht om financiële hulp om te voorzien in zijn levensbehoeften en/of financieel te participeren in de verkoop van schilderijen; de heer [eiser] stemt voor zover hij daartoe in staat is in met dit verzoek, op voorwaarde dat hij de hierna vermelde waarborgen krijgt.

Artikel 1:

De heer [eiser] zal zijn best doen opdat de heer[gedaagde] kan voorzien in zijn levensbehoeften, met name wat zijn vrouw en kinderen betreft en er wordt een maandelijks voorschot voorzien van ten minste 4.000 Euro tot het moment dat de financiële situatie van de heer[gedaagde] het toelaat om niet meer om dergelijke hulp te vragen (…)

Artikel 2:

De heer [gedaagde] stemt ermee in om vanaf heden aan de heer [eiser] 50% van de rest van zijn werkelijke eigendom te cederen, vastgesteld na aftrek van al zijn schulden en twee andere bestaande cessies van de navolgende rechten:

a ) De eigendom van een schilderij van [naam], geschilderd tussen 1600 en 1609, met als titel “Onbekende man met een geplooide kraag”;

b ) Schadevergoedingen voortvloeiend uit een verzoek tegen de Belgische staat of iedere andere persoon wegens disfunctioneren, traagheid, gerechtelijke beslissing die de teruggave van het schilderij belemmerd heeft.’

2.9.

[eiser] en[gedaagde] hebben op 28 augustus 2007 opnieuw een overeenkomst gesloten, inhoudende (voor zover relevant en in de door [eiser] in het geding gebrachte Nederlandse vertaling) als volgt:

Artikel 1

Deze overeenkomst is een aanvulling op en wijziging van de overeenkomst van 24 januari 2006.

Artikel 2

Zolang de financiële situatie van[gedaagde] ondersteuning nodig heeft, levert de heer [eiser] een bijdrage met een financiële steun van een maandelijks bedrag van ten minste EUR 5.000 en ten hoogste EUR 6.000. Deze bijdrage zal tweeënhalf jaar na de vrijgave van het schilderij ophouden, dat wil zeggen in de staat van bezit van het schilderij.

Artikel 3

Vanaf heden cedeert[gedaagde] aan de heer [eiser] 100% van de eigendom van het schilderij van [naam], inclusief de schulden en verplichtingen die verband houden met de eigendom zoals aangegeven in bijlage A.

Artikel 4

Wat de schadevergoeding betreft, wenst[gedaagde] als resultaat ten minste EUR 4.000.000 netto te ontvangen, vrij van elke verplichting en fiscale lasten.

Elk resultaat dat hoger is dan EUR 4.000.000 gaat voor 50% naar[gedaagde] en voor 50% naar de heer [eiser].

Artikel 5

In het geval artikel 4 niet uitvoerbaar is, verplicht de heer [eiser] zich om eraan mee te werken zodat de levensbehoeften van[gedaagde] en vooral van mevrouw[gedaagde] beschermd zijn.

Artikel 6

In geval van overlijden van[gedaagde] blijft deze overeenkomst gelden ten gunste van mevrouw[gedaagde].

Artikel 7

In geval van overlijden van de heer [eiser] dienen zijn erfgenamen zich aan de regels van deze overeenkomst te houden of het schilderij aan[gedaagde] terug te geven na ontvangst van de betaling van de schuld.

Artikel 8

Tot aan 31 juli 2007 heeft[gedaagde] van de heer [eiser] een lening ontvangen van

EUR 89.975 (…).

Artikel 9

Deze overeenkomst is gebaseerd op het morele recht, hetgeen inhoudt dat een verrijking van de ene partij ten koste van een verarming van de andere partij niet het doel is van deze overeenkomst.’

2.10.

Op 26 februari 2006 heeft [naam] c.s. onder de Belgische staat bewarend civiel beslag gelegd op het schilderij. Dit beslag is na drie jaar vervallen. In april 2010 is het schilderij door de Belgische staat afgegeven aan[gedaagde]. Dit is geschied tegen betaling van de kosten van de bewaring (het vereiste bedrag is door een aan [eiser] gelieerde rechtspersoon betaald). In november 2010 heeft[gedaagde] de feitelijke macht over het schilderij overgedragen aan [naam] c.s.

2.11.

[eiser] heeft in de onderhavige procedure een provisionele eis ingesteld, luidend - voor zover nog van belang - als volgt:

‘1. aan [eiser] mede te delen waar en bij wie het olieverfschilderij-– op eikenhouten paneel, circa 54 cm x 44,5 cm, geschilderd in de periode circa 1609-1610 dat wordt aangeduid als “Portret van een Edelman met Plooikraag” of “Portret van een Edelman” en dat wordt toegeschreven aan de Belgische schilder [naam] (hierna: het schilderij) - zich bevindt, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag zolang[gedaagde] hieraan niet voldoet, een en ander met een maximum van

€ 3.000.000,00;

2. tot afgifte van het schilderij aan de Stichting Provinciaal Museum Limburg (het Bonnefanten Museum) gevestigd te (6221 KX) Maastricht aan de Avenue Céramique 250, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag zolang[gedaagde] hieraan niet voldoet, één en ander met een maximum van € 3.000.000,00;’.

2.12.

De rechtbank heeft deze vordering bij tussenvonnis van 29 december 2010 afgewezen, overwegend - voor zover van belang - als volgt:

‘3.4. Artikel 3:84 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vereist voor overdracht van een goed een levering krachtens geldige titel, verricht door iemand die bevoegd is over het goed te beschikken.

Dezelfde vereisten gelden voor een rechtsgeldige eigendomsoverdracht van een aandeel in een goed, zoals de overdracht van een aandeel in een schilderij.

3.5.

De titel van de eigendomsoverdracht wordt in casu gevonden in de overeenkomsten van 24 januari 2004 en 28 augustus 2007, waarbij[gedaagde] zich verplicht heeft een aandeel van 50% in het schilderij, respectievelijk 100%, over te dragen aan [eiser] onder de verplichting dat [eiser][gedaagde] geld zou lenen en een auto ter beschikking zou stellen.

3.6.

[eiser] en[gedaagde] hebben bij het sluiten van deze overeenkomsten het uitgangspunt gehanteerd dat[gedaagde] de eigenaar van het schilderij was en dat[gedaagde] volledig bevoegd was over het schilderij te beschikken. Het schilderij bevond zich op het moment van het sluiten van de overeenkomsten onder de Belgische staat.

3.7.

[eiser] stelt dat hij bij de eerste overeenkomst “50% eigendom van het schilderij ontving” en dat[gedaagde] bij de tweede overeenkomst er voor heeft gekozen “100% eigendom van het schilderij over te dragen” aan [eiser] (punten 7 en 9 van de dagvaarding). [eiser] stelt voorts dat[gedaagde] op grond van de overeenkomsten het schilderij dient over te dragen (punten 12 en 14 van de dagvaarding), nu hij het schilderij heeft ontvangen van de Belgische staat.

In deze stellingname zou besloten kunnen liggen dat [eiser] zich op het standpunt stelt dat de levering van het schilderij bij akte, overeenkomstig artikel 3:95 BW, zou hebben plaatsgevonden. [eiser] stelt evenwel dat de Belgische staat de bewaarnemer van het schilderij was (punt 4 en 12 van de dagvaarding) en dus houder voor[gedaagde] was. Hieruit dient de gevolgtrekking te worden gemaakt dat eigendomsoverdracht bij akte, als bedoeld in artikel 3:95 BW, niet aan de orde kan zijn geweest. Immers de artikelen 3:95 en 96 BW bepalen dat slechts buiten de in de artikelen 3:89 - 3:94 BW geregelde gevallen de levering van een (aandeel in een) goed plaatsvindt door een daartoe bestemde akte. In casu zou uitgaande van de stelling van [eiser] een levering door middel van bezitsverschaffing (longa manu) mogelijk zijn geweest.

3.8.

In de stellingnames van [eiser] en[gedaagde] lijkt dan ook besloten te liggen dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 3:115 aanhef en sub c BW. Gesteld noch gebleken is echter dat de overdracht van het schilderij aan de Belgische staat is medegedeeld dan wel dat deze de overdracht heeft erkend, zodat van rechtsgeldige eigendomsoverdracht, als bedoeld in artikel 3:84 BW, geen sprake kan zijn.

3.9.

De rechtbank is op grond van bovenstaande overwegingen en gelet op de stand van het geding, van oordeel dat voorshands niet aannemelijk dat in de hoofdzaak vast zal komen te staan dat de eigendom van het schilderij aan [eiser] is overgedragen. De rechtbank zal de provisionele vorderingen (…) afwijzen.’

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert in de hoofdzaak, na vermindering, wijziging en vermeerdering van eis, dat de rechtbank, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. a. verklaart voor recht dat [eiser] volledig eigenaar is van het olieverfschilderij op eikenhouten paneel, circa 54 cm x 44,5 cm, geschilderd in de periode circa 1609-1610, dat wordt aangeduid als ‘Portret van een Edelman’ en dat wordt toegeschreven aan de Belgische schilder [naam], althans

b. verklaart voor recht dat [eiser] voor 70% mede-eigenaar is van het genoemde schilderij, althans

c. verklaart voor recht dat [eiser] recht heeft op levering van het genoemde schilderij, althans op levering van het aandeel in het schilderij;

2. primair[gedaagde] gebiedt om binnen 10 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis:

a. het genoemde schilderij aan [eiser] af te geven, althans

b. een verklaring af te geven van de houder/bewaarder van het schilderij - onder vermelding van de exacte naam, adres en woonplaats van deze houder/bewaarder en onder vermelding van de locatie waar het schilderij door de houder wordt bewaard - dat deze houder/bewaarder het schilderij (althans het aandeel in het schilderij) thans houdt voor [eiser] en niet voor[gedaagde],

één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag zolang[gedaagde] hieraan niet voldoet, één en ander met een maximum van € 3.000.000,-;

subsidiair, in geval de rechtbank onvoldoende grond aanwezig acht voor toewijzing van de vordering onder 2. primair of in geval van blijvende onmogelijkheid om te voldoen aan de veroordeling onder 2. primair nakoming in de weg zou staan,[gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.000.000,- aan schadevergoeding;

3.[gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiser] stelt hiertoe - samengevat en voor zover van belang - als volgt.

3.2.1.

Van [gedaagde] was in 2005 en vlak daarna eigenaar van het schilderij. Het schilderij bevond zich op dat moment in België, in de feitelijke macht van de Belgische staat.[gedaagde] beschikte niet over de middelen om de noodzakelijke procedures te voeren tegen de Belgische staat en tegen andere partijen die meenden rechthebbenden te zijn op het schilderij.

3.2.2.

Van [gedaagde] is daarop een alliantie aangegaan met een negental financiers, [naam] c.s. Zij hebben[gedaagde] financieel ondersteund, in ruil voor een aandeel groot 30% in de eigendom van het schilderij.

3.2.3.

[eiser], die niet op de hoogte was van de afspraken tussen[gedaagde] en [naam] c.s., heeft op 24 januari 2006 een overeenkomst gesloten met[gedaagde]. In deze overeenkomst heeft [eiser] zich verplicht om te voorzien in het levensonderhoud van[gedaagde] en zijn gezin door het verstrekken van een maandelijkse toelage en een auto. In ruil daarvoor heeft [eiser] van[gedaagde] 50% van de eigendom van het schilderij ontvangen.

3.2.4.

Op 28 augustus 2007 hebben [eiser] en[gedaagde] opnieuw een overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst heeft [eiser] zich verplicht tot de betaling aan[gedaagde] van een hogere maandelijkse toelage. Daarnaast heeft [eiser] de verplichting op zich genomen om de aan het schilderij verbonden schulden voor zijn rekening te nemen. In ruil daarvoor heeft[gedaagde] zich (onder meer) verplicht om 100% van de eigendom van het schilderij over te dragen aan [eiser].

3.2.5.

[eiser] is zijn verplichtingen op grond van de beide overeenkomsten nagekomen. Meer in het bijzonder heeft hij in totaal € 281.015,75 betaald aan[gedaagde], € 65.268,95 betaald aan derden en € 526.188,- aan schulden van[gedaagde] overgenomen.[gedaagde]

3.2.6.

[gedaagde] heeft op enig moment de beschikking gekregen over het schilderij, maar weigert vervolgens zijn verplichtingen op grond van de met [eiser] gesloten overeenkomsten na te komen.[gedaagde] heeft jegens [eiser] gesteld dat hij de overeenkomsten als ongeldig beschouwt en dat hij van plan is om het schilderij aan een derde te verkopen. [eiser] heeft hierop de betaling van de maandelijke toelagen opgeschort en heeft de ter beschikking gestelde auto teruggevorderd.

3.2.7.

[eiser] wil primair dat[gedaagde] het schilderij aan hem, [eiser], overdraagt.[gedaagde] heeft immers de eigendom van het schilderij reeds aan [eiser] overgedragen. De levering heeft plaatsgevonden op de wijze als in artikel 3:95 BW bepaald, dat wil zeggen: door middel van de akte van 28 augustus 2007. Levering langs deze weg was mogelijk, omdat[gedaagde] zowel het bezit van als de feitelijke macht over het schilderij kwijt was en de Belgische staat het schilderij niet voor[gedaagde] hield. Een levering longa manu, zoals geregeld in artikel 3:115, aanhef en sub c BW, was op dat moment niet mogelijk.

3.2.8.

[eiser] is bekend dat [naam] c.s. aanspraak maken op 30% van de eigendom van het schilderij. Zou dit recht onherroepelijk komen vast staan, dan maakt [eiser] subsidiair aanspraak op 70% van de eigendom van het schilderij. Voor dat deel houden[gedaagde] dan wel [naam] c.s. op dit moment voor [eiser], zijnde de eigenaar van het aandeel van 70% in de eigendom van het schilderij.

3.2.9.

Rekening houdend met de overwegingen van de rechtbank in het tussenvonnis van 29 december 2010 heeft [eiser] inmiddels [de stelling is opgenomen in de conclusie van repliek van 30 maart 2011, toevoeging rechtbank] mededeling gedaan van de levering in de zin artikel 3:115, aanhef en sub c BW aan [naam] c.s., zodat de levering inmiddels hoe dan ook is voltooid.

3.2.10.

Voor het geval zou blijken dat hij geen aanspraak kan maken op het schilderij, vordert [eiser], na wijziging van eis en (meer) subsidiair, een schadevergoeding groot

€ 3.000.000,-.[gedaagde] heeft in de incidentele antwoordconclusie gesteld dat, zodra het schilderij in het buitenland zal zijn verkocht, hij zijn verplichtingen uit de overeenkomsten met [eiser] zal nakomen. Hieruit volgt dat[gedaagde] erkent dat [eiser] een persoonlijk recht op levering van het schilderij c.q. op de waarde van het schilderij toekomt. Artikel 9 van de overeenkomst van 28 augustus 2007 verzet zich hier niet tegen. Persoonlijke aanspraken jegens[gedaagde] maakt [eiser] echter uitsluitend (meer) subsidiair geldend. Primair stelt [eiser] zich op het standpunt dat hij op dit moment eigenaar is van 100% (althans 70%) van het schilderij.

3.3.

Van [gedaagde] voert verweer, stellende - samengevat en voor zover van belang - als volgt.

3.3.1.

Tussen het sluiten van de eerste en de tweede overeenkomst met [eiser] was[gedaagde] bij vonnis van de Rechtbank in eerste aanleg te Tongeren (België) aangewezen als de rechtmatige eigenaar van het schilderij. Het wachten was op het hoger beroep, dat een bij voorbaat gewonnen zaak was voor[gedaagde]. Op 10 november 2008 is dit ook gebleken. Op 28 augustus 2007 had[gedaagde] - afgezien van rente - een schuld groot € 89.975,- aan [eiser].[gedaagde] was op dat moment in gesprek met andere financiers, die hem wilden ondersteunen tot en met de vrijgave van het schilderij door de Belgische justitie. De betekenis van de op 28 augustus 2008 met [eiser] gesloten overeenkomst was geen andere dan dat[gedaagde] aan [eiser] zekerheid wenste te verschaffen dat hij zijn financiële inbreng niet zou kwijtraken als[gedaagde] voortijdig zou overlijden. Als[gedaagde] het schilderij aan [eiser] had willen verkopen, dan had hij wezenlijk meer gevraagd dan een maandelijkse ‘lijfrente’ van € 5.000,- tot € 6.000,-, in tijd begrensd tot tweeënhalf jaar na de vrijgave van het schilderij door de Belgische justitie.

3.3.2.

Dat partijen in 2006 en 2007 geen wilsovereenstemming hebben bereikt over de eigendomsoverdracht van het schilderij aan [eiser] blijkt uit de tekst van de overeenkomsten. In de overeenkomst van 2006 (opgesteld door [eiser]) is sprake van de financiële ondersteuning van[gedaagde] op voorwaarde van ‘waarborgen’. Verderop in de overeenkomst is sprake van sprake van ‘cessie’, wat kan duiden op de bedoeling om de vordering van[gedaagde] op de Belgische staat over te dragen aan [eiser]. Uit artikel 7 in de overeenkomst van 2007 (opgesteld door[gedaagde], op basis van de inhoud van de overeenkomst uit 2006) blijkt dat de erven van [eiser] het schilderij aan[gedaagde] dienen terug te geven als zij de verplichting tot het betalen van maandelijkse bijdragen aan[gedaagde] niet willen nakomen en als[gedaagde] de schuld aan (de erven van) [eiser] afbetaalt. In artikel 8 is sprake van een lening en wordt ook het tot dan toe geleende bedrag genoemd. Gelet op de omvang van de schuld aan [eiser] (met rente ruim € 125.000,-) en op de geschatte waarde van het schilderij (minimaal € 3.000.000,-) bevat artikel 9 vervolgens de definitieve bevestiging dat een eigendomsoverdracht van het schilderij door[gedaagde] aan [eiser] niet wordt beoogd.

3.3.3.

Gelet op het voorgaande kunnen de overeenkomsten uit 2006 en 2007 niet dienen als een geldige titel voor de overgang van de eigendom van het schilderij van[gedaagde] naar [eiser]. Zou een eigendomsoverdracht tot zekerheid zijn beoogd, dan is deze ongeldig, gelet op het bepaalde in artikel 3:84 lid 3 BW.

3.3.4.

Daarnaast heeft geen geldige levering plaatsgevonden.[gedaagde] sluit zich op dit punt aan bij het voorlopig oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis van 29 december 2010: de Belgische staat was in 2006 en 2007 houder van het schilderij, niet voor zichzelf, maar voor eigenaar[gedaagde]; daarvan uitgaande was een levering bij akte (artikel 3:95 BW) niet mogelijk; de in 2006 en 2007 met [eiser] gesloten overeenkomsten zijn dan ook geen zuivere akten van eigendomsoverdracht; levering had kunnen plaatsvinden door bezitsverschaffing longa manu (artikel 3:115 aanhef en sub c BW); een levering longa manu is in 2006/2007 echter niet geschied, omdat niet de vereiste mededeling is gedaan aan de Belgische staat als houder en de Belgische staat de levering evenmin heeft erkend.

3.3.5.

Bij vonnis van 27 oktober 2010 van de rechtbank Maastricht is[gedaagde] bevolen om mee te werken aan de afgifte van het schilderij aan [naam] c.s. Deze veroordeling is gebaseerd op het (aan artikel 3 in de overeenkomst tussen[gedaagde] en [naam] ontleende) pandrecht op het schilderij van [naam] c.s.[gedaagde] heeft aan de veroordeling tot afgifte van het schilderij aan [naam] c.s. voldaan. Op 28 maart 2011 heeft [eiser] vervolgens getracht om de levering longa manu alsnog te voltooien, door de bezitsoverdracht mede te delen aan [naam] c.s. [eiser] is blijkbaar van mening dat [naam] c.s. het schilderij houdt voor[gedaagde]. De mededeling van de bezitsoverdracht heeft niet het beoogde doel gehad, omdat zij pas is geschied nadat de rechtbank Maastricht in het vonnis van 29 december 2010 op de provisionele vorderingen van [eiser] had beslist en omdat[gedaagde] de eigendomsoverdracht van het schilderij aan [eiser] op basis van de overeenkomsten van 2006 en 2007 daarvóór al uitdrukkelijk heeft betwist, namelijk vanwege het ontbreken van een geldige titel.

3.3.6.

Na het sluiten van de twee overeenkomsten met[gedaagde] heeft [eiser] zich, onder meer in het kader van de betaling van de bewaarkosten aan de Belgische staat, extern gepresenteerd als de ‘financier’ van[gedaagde] en benoemt hij[gedaagde] als de ‘rechtmatige eigenaar’ van het schilderij. Op 18 januari 2010 heeft [eiser] vervolgens getracht om de contractuele relatie van partijen alsnog uitdrukkelijk het karakter van een koopovereenkomst te geven. [eiser] heeft[gedaagde] toen het concept van een ‘Contract de réitération de vente’ (een ‘herhaald koopconctract’) gestuurd, waarin [eiser] wordt aangeduid als koper en[gedaagde] als verkoper en waarin sprake is van een koopprijs. Hieruit blijkt dat [eiser] weet dat de overeenkomsten uit 2006 en 2007 geen eigendomsoverdracht bewerkstelligen.[gedaagde] heeft geweigerd om deze nieuwe overeenkomst, die qua inhoud en strekking duidelijk afwijkt van de eerder gesloten overeenkomsten, te ondertekenen. [eiser] heeft daarop de betaling van de maandelijkse bijdragen aan[gedaagde] gestaakt.

3.3.7.

[naam] c.s. houdt inmiddels tezamen met[gedaagde] het schilderij, teneinde bij verkoop tot eigendomsoverdracht en/of vergoeding van investeringen te komen. Zodra het schilderij in het buitenland zal zijn verkocht, zal[gedaagde] zijn verplichtingen uit de overeenkomsten met [eiser] nakomen. [eiser] kan geen aanspraak maken op de volledige waarde van het schilderij. Dit volgt uit het bepaalde onder 9. in de overeenkomst van 28 augustus 2007.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Het toepasselijke recht

4.1.

Centraal in deze procedure staan de tussen [eiser] en[gedaagde] op 24 januari 2006 en 28 augustus 2007 gesloten overeenkomsten. [eiser] heeft op basis van deze overeenkomsten financiële middelen verschaft aan[gedaagde], in ruil waarvoor hij - zo stelt [eiser] althans - bepaalde goederenrechtelijke dan wel verbintenissenrechtelijke aanspraken op dan wel in verband met het schilderij heeft gekregen. Deze laatste aanspraken staan in de onderhavige procedure centraal.

4.2.

Toen de overeenkomsten werden gesloten, in 2006 en 2007, woonde[gedaagde] in Nederland en [eiser] in Luxemburg. Dit betekent dat de overeenkomsten beide een internationale dimensie hebben, zodat relevant is de vraag door welk recht de contractuele relatie tussen partijen wordt beheerst. De rechtbank zal bij het beantwoorden van deze vraag de beide overeenkomsten als één geheel beschouwen, nu de overeenkomst uit 2007 duidelijk voortbouwt op de overeenkomst uit 2006 en de stellingen van partijen geen aanleiding geven om te concluderen dat in 2007 duidelijk andere afspraken zijn gemaakt dan in 2006.

4.3.

Nu de overeenkomsten zijn gesloten na 1 april 1991 en vóór 17 december 2009, dient de vraag naar het toepasselijke recht te worden beantwoord op basis van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 19 juni 1980, Trb. 1980, 156 (EVO). Artikel 3 van het EVO stelt de bevoegdheid van partijen om zelf het toepasselijke recht te kiezen voorop. Is geen sprake van een rechtskeuze, dan is (in elk geval in uitgangspunt) artikel 4 EVO van toepassing. Op basis daarvan rijst in eerste instantie de vraag met welk land de overeenkomsten het nauwst verbonden zijn (lid 1), waarbij wordt vermoed dat dit het land is waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten haar gewone verblijf heeft op het moment dat de overeenkomsten worden gesloten (lid 2), tenzij niet kan worden vastgesteld welke de kenmerkende prestatie is en/of blijkt dat de overeenkomsten nauwer zijn verbonden met een ander land, zodat het vermoeden van lid 2 niet geldt (lid 5).

4.4.

[eiser] stelt in zijn akte na comparitie dat de contractuele relatie tussen partijen wordt beheerst door Nederlands recht. Als consequentie van deze opvatting beroept [eiser] zich in deze akte, en ook al in eerdere processtukken, ter onderbouwing van zijn vorderingen uitdrukkelijk op bepalingen in het Nederlandse BW.

4.5.

Van [gedaagde] stelt in zijn conclusie van dupliek dat de overeenkomsten worden beheerst door Luxemburgs recht.[gedaagde] onderbouwt dit standpunt slechts summier en met argumenten (zoals de plaats waar is gecontracteerd en de plaats waar moet worden gepresteerd) die in het kader van de toepassing van artikel 4 EVO niet onmiddellijk relevant zijn.[gedaagde] laat ook na om juridische consequenties te verbinden aan de (gestelde) toepasselijkheid van Luxemburgs recht.

4.6.

In zijn akte na comparitie gaat[gedaagde] (voor het eerst - zijn eerdere conclusies waren steeds uiterst summier) uitgebreid in op de diverse aspecten van de zaak. Waar relevant wordt het betoog steeds uitdrukkelijk onderbouwd met een beroep op de relevante bepalingen in het Nederlandse Burgerlijk Wetboek. De rechtbank leidt hieruit af dat[gedaagde] (om redenen die verder niet zijn toegelicht) zijn standpunt inzake de toepasselijkheid van Luxemburgs recht heeft verlaten en (alsnog) kiest voor de toepasselijkheid van Nederlands recht.

4.7.

Een en ander betekent dat partijen het (uiteindelijk) eens zijn geworden over het recht dat hun contractuele relatie beheerst en dat de basis dient te vormen voor de beoordeling van [eiser]’s vorderingen: het Nederlandse recht. Deze ‘verlate’ rechtskeuze past binnen het kader van artikel 3 EVO en zal hierna door de rechtbank worden gevolgd.

4.8.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ook de toepassing van artikel 4 EVO zou hebben geleid tot het oordeel dat Nederlands recht van toepassing is, omdat de (nader vast te stellen) verplichtingen die de in Nederland woonachtige[gedaagde] op zich neemt in verband met het schilderij de overeenkomsten méér kenmerken dan de financiële verplichtingen die [eiser] in ruil daarvoor op zich neemt.

De vordering

4.9.

De gewijzigde vordering, zoals weergegeven in r.o. 3.1., is grotendeels gebaseerd op de stelling dat [eiser] op dit moment eigenaar is van het schilderij, dan wel een onverdeeld aandeel daarin. Primair stelt [eiser] dat hij volledig eigenaar is van het schilderij. [eiser] houdt de mogelijkheid open dat [naam] c.s. eigenaar is van een aandeel groot 30% in het schilderij. In dat geval stelt[gedaagde] zich, subsidiair, op het standpunt dat hij eigenaar is van de resterende 70%.

4.10.

Volgens [eiser] heeft hij de eigendom van het schilderij (of van het aandeel daarin) verkregen van[gedaagde] en wel op grond van de op 24 januari 2006 en de 28 augustus 2007 met laatstgenoemde gesloten overeenkomsten. [eiser] stelt dat hij ten gevolge van de overeenkomst uit 2006 (de positie van [naam] c.s. daargelaten) voor 50% eigenaar is geworden van het schilderij; op grond van de overeenkomst uit 2007 is hij (de positie van [naam] c.s. opnieuw buiten beschouwing latend) volledig eigenaar geworden van het schilderij.

4.11.

[eiser]’s stellingen kunnen de rechtbank niet overtuigen. Vast staat dat[gedaagde] tot in 2006 eigenaar was van het schilderij. [eiser] kan daarna alleen eigenaar zijn geworden als (het aandeel in) het schilderij door[gedaagde] op grond van een geldige titel aan hem is geleverd. Dit is niet het geval. In het incidentele vonnis heeft de rechtbank erop gewezen dat allerminst vaststaat dat in 2006 en 2007 een geldige levering heeft plaatsgevonden (zie r.o. 2.12.) Reagerend op de beslissing in het incident heeft [eiser] alsnog geprobeerd om een levering longa manu tot stand te brengen (zie. r.o. 3.2.9.). Of dit is gelukt kan in het midden blijven, omdat de in 2006 en 2007 gesloten overeenkomsten hoe dan ook geen geldige titel voor de eigendomsoverdracht van het schilderij (of een aandeel daarin) opleveren. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

4.12.

De overeenkomsten uit 2006 en 2007 worden door partijen heel verschillend uitgelegd; de rechtbank heeft de standpunten van partijen weergegeven in de r.o. 3.2.3 e.v. en 3.3.1. e.v. Voor toewijzing van de op het eigendomsrecht van [eiser] gebaseerde vorderingen is essentieel dat komt vast te staan dat de uitleg die [eiser] aan de overeenkomsten geeft de juiste is, in die zin dat ook[gedaagde] deze heeft te aanvaarden. In dit verband is van belang dat [eiser] aanspraak maakt op de volledige en onvoorwaardelijke eigendom van (het aandeel in) het schilderij, daarmee afwijzend de uitleg van[gedaagde], waarin de (eventuele) rechten van [eiser] op het schilderij bedoeld zijn als zekerheid voor de terugbetaling van de verleende financiële steun.

4.13.

Of [eiser]’s uitleg moet worden gevolgd, is afhankelijk van de zin die beide partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen in de beide overeenkomsten mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij van belang is tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en ook welke rechtskennis van hen kan worden verwacht.

4.14.

In verband met dit laatste verdient opmerking dat, naar[gedaagde] onweersproken heeft gesteld, de tekst van de overeenkomst uit 2006 is opgesteld door [eiser] en dat[gedaagde] de tekst van de overeenkomst uit 2007 heeft opgesteld. Partijen hebben - kennelijk - geen jurist betrokken bij het opstellen van de beide overeenkomsten. Dit kan verklaren waarom, zoals al bleek en zoals hierna nog nader zal blijken, de tekst van de overeenkomsten niet eenduidig is en zich leent voor verschillende interpretaties.

4.15.

Aan [eiser] kan worden toegegeven dat beide overeenkomsten bepalingen bevatten waaruit kan blijken dat [eiser], in ruil voor het verstrekken van financiële bijstand aan[gedaagde], zekere (eigendoms)rechten op het schilderij worden toegekend. Dit geldt voor artikel 2 in overeenkomst 2006:

‘De heer [gedaagde] stemt ermee in om vanaf heden aan de heer [eiser] 50% van de rest van zijn werkelijke eigendom te cederen, vastgesteld na aftrek van al zijn schulden en twee andere bestaande cessies van de navolgende rechten:

a ) De eigendom van een schilderij van [naam], geschilderd tussen 1600 en 1609, met als titel “Onbekende man met een geplooide kraag”;

b ) Schadevergoedingen voortvloeiend uit een verzoek tegen de Belgische staat of iedere andere persoon wegens disfunctioneren, traagheid, gerechtelijke beslissing die de teruggave van het schilderij belemmerd heeft.’

Duidelijker nog is artikel 3 in de overeenkomst van 2007:

‘Vanaf heden cedeert[gedaagde] aan de heer [eiser] 100% van de eigendom van het schilderij van [naam], inclusief de schulden en verplichtingen die verband houden met de eigendom zoals aangegeven in bijlage A.’

4.16.

De beide overeenkomsten bevatten echter ook elementen die doen betwijfelen of beide partijen hebben beoogd dat[gedaagde] eerst de helft en vervolgens de volledige eigendom van het schilderij zou overdragen aan [eiser]. Zo wijst[gedaagde] er terecht op dat in de preambule in de overeenkomst van 2006 sprake is van ‘waarborgen’. In het verlengde daarvan treffen de opmerkingen van[gedaagde] inzake de artikelen 7 en 8 in de overeenkomst van 2007 doel. In artikel 7 hebben partijen neergelegd dat, in het geval van [eiser]’s overlijden, zijn erven het schilderij onder omstandigheden aan[gedaagde] dienen terug te geven, op voorwaarde dat laatstgenoemde zijn schulden aan [eiser] aflost. In artikel 8 van de overeenkomst worden deze schulden benoemd als schulden uit geldlening. Volgens[gedaagde] wordt hiermee uitgedrukt dat het steeds de bedoeling is geweest dat hij de financiële steun zou terugbetalen en dat het, in verband daarmee, niet de bedoeling was dat het schilderij blijvend deel zou uitmaken van het vermogen van [eiser].

4.17.

De rechtbank volgt[gedaagde] in dit betoog en constateert dat [eiser] er niet in is geslaagd om de artikelen 7 en 8 een redelijke zin te geven in het kader van zijn uitleg van overeenkomst van 2007.

4.18.

Daarnaast wijst[gedaagde] op de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst van 2007: het schilderij zou naar verwachting binnen afzienbare tijd door de Belgische staat worden afgegeven aan[gedaagde]; de financiële steun door [eiser] zou dan vervolgens al snel een einde kunnen nemen. Hiervan uitgaande zou de definitieve overdracht van het schilderij aan [eiser] neerkomen op een uitruil van prestaties van duidelijk verschillende omvang. Dat partijen deze ongelijkwaardigheid niet hebben gewild, blijkt volgens[gedaagde] uit de tekst van de overeenkomst van 2007, met name uit het bepaalde in artikel 9:

‘Deze overeenkomst is gebaseerd op het morele recht, hetgeen inhoudt dat een verrijking van de ene partij ten koste van een verarming van de andere partij niet het doel is van deze overeenkomst.’

4.19.

De rechtbank volgt[gedaagde] ook op dit punt in zijn betoog en constateert dat [eiser] er niet in is geslaagd om een redelijke zin te geven aan het bepaalde in artikel 9 van de overeenkomst van 2007 in het kader van zijn uitleg van de overeenkomst.

4.20.

Kortom: als het al zo is dat [eiser] in 2006 en 2007 heeft gemeend dat de overeenkomsten hem recht gaven op de helft van respectievelijk de volledige eigendom van het schilderij, dan kon hij er niet op vertrouwen dat[gedaagde] de overeenkomsten in dezelfde zin opvatte en dus, door de ondertekening ervan, met [eiser]’s uitleg instemde. [eiser] heeft zijn stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd. Nadere bewijslevering is daarom niet aan de orde.

4.21.

De rechtbank merkt nog op dat het niet uitgesloten is dat partijen in 2006 en 2007 wel degelijk hebben beoogd om de eigendom van het schilderij over te dragen, maar dan uitsluitend tot zekerheid van de terugbetaling van de door [eiser] aan[gedaagde] geleende gelden. De aanduiding ‘waarborgen’ in de overeenkomst van 2006 en de inhoud van de artikelen 3 en 7 tot en met 9 in de overeenkomst van 2007 vormen aanwijzingen hiervoor. Mocht deze veronderstelling juist zijn, dan verdient opmerking dat overeenkomsten die ten doel hebben om de (gedeeltelijke of volledige) eigendom van een goed over te dragen tot zekerheid naar Nederlands recht, dat hier van toepassing is, sedert 1 januari 1992 ongeldig zijn. Verder verdient dan opmerking dat de figuur van de eigendom tot zekerheid [eiser] niet kan baten, omdat het langs die weg verkregen eigendomsrecht een tijdelijk en doelgebonden karakter heeft, terwijl [eiser] in de onderhavige procedure aanspraak maakt op de blijvende en volledige eigendom van het schilderij.

4.22.

Consequentie van het voorgaande is dat de rechtbank ervan uitgaat dat de overeenkomsten geen (geldige) titel opleveren voor de overdracht de eigendom van het schilderij (dan wel een aandeel daarin) door[gedaagde] aan [eiser]. Daarvan uitgaande is de eigendom van het schilderij in 2006 noch in 2007 noch in 2011 overgaan, zodat alle op het (gepretendeerde) eigendomsrecht van [eiser] gebaseerde onderdelen van de vordering zullen worden afgewezen. Dit lot treft de vorderingen onder 1.a. en 1.b. en de vorderingen onder 2. primair. Nu de overeenkomsten van 2006 en 2007[gedaagde] niet verplichten om (een aandeel in) de eigendom van het schilderij over te dragen, zal ook de vordering onder 1.c.

- begrepen als een vordering tot veroordeling van[gedaagde] om alsnog te leveren - eveneens worden afgewezen.

4.23.

De vordering onder 2. subsidiair begrijpt de rechtbank als een vordering strekkende tot betaling van een vervangende schadevergoeding, voor het geval [eiser] niet de beschikking krijgt over het schilderij. Het bedrag waarop [eiser] aanspraak maakt (te weten:

€ 3.000.000,-) is overeenkomstig de minimale waarde die het schilderij volgens [eiser] heeft. De vordering kan niet worden toegewezen, omdat niet is vast komen te staan dat het de bedoeling van partijen is geweest dat [eiser] volledig en blijvend eigenaar van het schilderij zou worden. Nu dat niet is komen vast te staan, kan [eiser] ook geen aanspraak maken op een schadevergoeding ter hoogte van de volledige (gestelde) waarde van het schilderij.

4.24.

De slotsom is dat de vordering van [eiser] in volle omvang dient te worden afgewezen.

4.25.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van[gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 263,-

- salaris advocaat 10.537,- (2 pt. x tarief € 452,- en 3 pt. x tarief € 3.211,-)

Totaal € 10.800,-

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van[gedaagde] tot op heden begroot op € 10.800,-, waarvan een bedrag van € 197,25 na ontvangst van een daartoe strekkend betalingsverzoek van de griffie moet worden voldaan aan de griffier door overmaking op rekeningnummer NL22 RBOS 0569 9906 45 ten name van MvJ Arr. Limburg locatie Maastricht (542) onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Beurskens, mr. A.J. Henzen en mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2014.1

1 type: WB