Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:11499

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
14-04-2015
Zaaknummer
C/03/176759 / FA RK 12-1398
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling tussen grootouders en kleinkinderen omdat gebleken is dat zij een band met elkaar hebben en contact met elkaar als positief ervaren. Ouders willen niet meewerken aan omgang; kinderen verblijven in pleeggezin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 2 december 2014

C/03/176759 / FA RK 12-1398Zaaknummer: C/03/176759 / FA RK 12-1398

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[grootouder],

en

[grootouder],

verzoekers, verder te noemen: de grootouders,

beiden wonende te [woonplaats], [gemeente],

advocaat mr. I.F.H. Nelissen, kantoorhoudende te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul,

In deze procedure gelden als belanghebbenden:

[moeder],

wederpartij, verder te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. P.M.F.M. Maas, kantoorhoudende te Maastricht;

[vader],

verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats], [gemeente];

[pleegouder]

en

[pleegouder],

verder te noemen: de pleegouders,

beiden wonende te [woonplaats];

de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

verder te noemen: de stichting,

gevestigd te Roermond.

Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook een door deze rechtbank gegeven en op

25 februari 2014 uitgesproken beschikking.

1 Het verdere verloop van de procedure

De behandeling is voortgezet ter zitting van 29 oktober 2014.

De pleegouders en de vader, daartoe opgeroepen volgens de wettelijke voorschriften, zijn niet ter zitting verschenen.

2 De verdere beoordeling

De stichting heeft ter zitting verklaard dat door de stichting geen stukken zijn aangeleverd omdat de stichting met een enorm dilemma kampt. In mei 2014 heeft de stichting een gesprek gevoerd met de grootouders. Daarin is onder meer besproken over wat belangrijk voor de kinderen is, over het komende contactmoment tussen de grootouders en de kinderen en hoe dat vorm gegeven kan worden en wat de wensen van de grootouders zijn. Het contact tussen de grootouders en de kinderen is een heel leuk moment geweest waar zowel de grootouders als de kinderen met veel plezier op terugkijken. Wat als een donderslag bij heldere hemel is gekomen is de mededeling van de vader dat hij het hele traject niet meer aan kan en daarom ervoor kiest geen contact meer te willen hebben met de kinderen. Dat heeft bij de kinderen gezorgd voor een enorme terugslag en stilstand in hun ontwikkeling. Er is weer sprake van automutilatie. Het is erg dat deze kinderen moeten dealen met problemen die op volwassenniveau spelen. De stichting heeft gesprekken gevoerd met de ouders en de pleegouders. De moeder staat niet open voor een gesprek met de grootouders waardoor niet gewerkt kan worden aan een herstelcontact met de familie. Er moet nu gezocht worden naar een modus zodat de kinderen weer rust kunnen ervaren.

De Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland, locatie Maastricht, verder te noemen: de raad, heeft ter zitting verwezen naar het eerder gegeven advies in zijn rapportage van november 2013. Daarin is aangegeven dat het probleem voor de kinderen kan worden opgelost als de ouders en de grootouders meewerken aan een professioneel begeleid traject. Dat lukt echter niet omdat beide ouders weigeren hierin te investeren.

De onrust en de gedragsverandering van de kinderen heeft te maken met het afhaken van de vader, die zich heeft teruggetrokken uit het leven van de kinderen. Volgens de raad kan voor de vader alles een reden zijn om zich terug te trekken.

De onrust kan niet toegeschreven worden aan de grootouders. Het contact tussen de grootouders en de kinderen is immers positief verlopen. Hieraan had een vervolg gegeven dienen te worden. Door de veranderde omstandigheden opteert de raad thans om contacten tussen grootouders en kleinkinderen een keer per drie tot vier maanden te laten plaatsvinden. Deze contacten dienen goed voorbereid en geëvalueerd te worden. Indien blijkt dat deze contacten ernstig nadeel voor de kinderen opleveren, dient een rustpauze ingelast te worden.

De advocaat van de grootouders heeft ter zitting verklaard dat het kwalijk te noemen is dat de stichting wederom geen stukken heeft overgelegd. Er heeft, voor het contact tussen de grootouders en de kinderen, een gesprek met de stichting plaatsgevonden. De inhoud van het gesprek zag niet op een contactherstel terwijl dat wel de opzet was. De grootouders willen grootouders zijn van de kinderen. Ook de kinderen willen contact met de grootouders. De advocaat verwijst in dit verband naar artikel 8 van het Verdrag van de Rechten van de Mens en artikel 16 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind.

Er zijn na het contact in juli 2014 geen gesprekken meer gevoerd en er is niet ingezet op proefcontacten. De grootouders hebben een keer per twee weken een kort telefonisch contact met de kinderen. Van de kinderen - en niet van de stichting - hebben zij te horen gekregen dat er geen contact meer is met de vader. De moeder wil niets meer met de grootouders van doen hebben. De stichting zou hierin moeten bemiddelen, maar er is niets gedaan. De grootouders zijn blij met welk contact dan ook.

De grootvader heeft ter zitting nog aangevuld dat de stichting zich op het standpunt heeft gesteld dat uitvoering is gegeven aan de beschikking waarin enkel is gesproken over een contactmoment met de verjaardag. Voor de grootouders staat het belang van de kinderen voorop.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting verklaard dat informatie van de zijde van de stichting ontbreekt. Het is bijzonder kwalijk en schadelijk voor de kinderen dat de vader zich teruggetrokken heeft. De kinderen hebben hiervoor begeleiding nodig. Het is belangrijk dat pas op de plaats gemaakt wordt, gezien de terugval bij de kinderen. Een uitbreiding van de contacten met de grootouders zal eerder in hun nadeel werken. De moeder heeft ter zitting aangevuld dat zij de kinderen een keer per vier weken een weekend bij zich heeft. De moeder wil op geen enkele wijze meewerken aan een gesprek met de grootouders. Zij spelen geen rol meer in haar leven.

De vader heeft geen verweer gevoerd.

De rechtbank verwijst naar hetgeen in voormelde beschikking is overwogen en beslist.

Helaas is gebleken dat het niet goed gaat met de kinderen. De achteruitgang van de kinderen heeft kennelijk met de houding van de vader te maken en niet rechtstreeks met het contact tussen de grootouders en de kinderen. Dat de ouders niet willen praten met de grootouders is de keuze van de ouders en kan de grootouders niet worden verweten.

Gebleken is dat de grootouders en de kinderen een band met elkaar hebben en dat zij de contacten met elkaar als positief ervaren. De rechtbank acht het daarom, mede gelet op het advies van de raad ter zitting, in het belang van de kinderen dat zij op regelmatige basis omgang met hun grootouders hebben.

Nu het de stichting niet lukt om een rol te spelen in het contactherstel tussen ouders en grootouders, nu de moeder weigert met de grootouders in gesprek te gaan en nu de vader kennelijk helemaal afhaakt, is niet te verwachten dat in onderling overleg een omgangsregeling tot stand komt. Daarom zal de rechtbank een omgangsregeling vaststellen. Nu de ouders kennelijk niet willen meewerken aan deze omgang en nu de kinderen in het pleeggezin verblijven, is het aan de stichting om de kinderen voor te bereiden en, zo nodig, te begeleiden.

3 De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de grootouders één keer per drie maanden gedurende minstens een halve dag contact kunnen hebben met [minderjarige] en [minderjarige] op een door de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te Roermond, nader te bepalen dag en tijdstip, waarbij het eerste contact zal plaatsvinden in ieder geval vóór 15 januari 2015;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van E.H.C.M. Franssen-Peeters, griffier op

2 december 2014.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.