Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:11170

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
22-12-2014
Zaaknummer
03/700480-14 en 03/700860-12 (VTVV)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meerdere diefstallen; medeplegen; strafmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummers: 03/700480-14 en 03/700860-12 (VTVV)

Datum uitspraak: 16 december 2014

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 december 2014 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te [adres].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 25 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een tuinhuis, behorende bij een woning, gelegen aan de [adres 2], heeft weggenomen twee fietsen (herenfiets en kinderfiets) en/of een boormachine, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 25 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee fietsen (herenfiets en kinderfiets) en/of een boormachine heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fietsen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij op of omstreeks 26 augustus 2014 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een garage, behorende bij een woning gelegen aan de [adres 3], heeft weggenomen een boodschappentas (inhoudende twee flessen wasmiddel), een sporttas (inhoudende kleding), twee paraplu's en/of een waterpomptang, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 26 augustus 2014 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een boodschappentassen (inhoudende twee flessen wasmiddel) en/of twee paraplu's, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die tassen en/of paraplu's wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3.

hij in of omstreeks de periode van 25 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een garage, behorende bij een woning gelegen aan de [adres 4] heeft weggenomen een fiets, merk Batavus, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 25 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fiets, merk Batavus, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

hij in of omstreeks de periode van 25 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een personenauto, merk Citroën, heeft weggenomen tassen (inhoudende kleding), een koffer (inhoudende kleding), munten, speelgoed en/of servies, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan[benadeelde 4] en/of [benadeelde 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 25 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, tassen (inhoudende kleding), een koffer (inhoudende kleding), munten, speelgoed en/of servies heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die/dat tassen, koffer, munten, speelgoed en/of servies wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

5.

hij in of omstreeks de periode van 25 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee fietsen (merk Giant en merk On the Road), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 25 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fiets (merk On the Road) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

6.

hij op of omstreeks 26 augustus 2014 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een schuur, behorende bij een woning gelegen aan de [adres 5], heeft weggenomen een (lig)fiets (merk Giant), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 26 augustus 2014 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (lig)fiets (merk Giant), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het door een misdrijf verkregen goed betrof.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij in de periode van 25 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een tuinhuis, behorende bij een woning, gelegen aan de [adres 2], heeft weggenomen twee fietsen (herenfiets en kinderfiets) en een boormachine toebehorende aan [benadeelde];

2.

hij op 26 augustus 2014 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een garage, behorende bij een woning gelegen aan de [adres 3], heeft weggenomen een boodschappentas (inhoudende twee flessen wasmiddel), twee paraplu's toebehorende aan [benadeelde 2];

3.

hij in de periode van 25 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een garage, behorende bij een woning gelegen aan de [adres 4] heeft weggenomen een fiets, merk Batavus toebehorende aan [benadeelde 3];

4.

hij in de periode van 25 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto, merk Citroën, heeft weggenomen tassen (inhoudende kleding), een koffer (inhoudende kleding) en munten, speelgoed en/of servies toebehorende aan[benadeelde 4] en/of [benadeelde 5], waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

5.

hij in de periode van 25 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee fietsen (merk Giant en merk On the Road) toebehorende aan [benadeelde 6];

6.

hij op 26 augustus 2014 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een schuur, behorende bij een woning gelegen aan de [adres 5], heeft weggenomen een ligfiets (merk Giant) toebehorende aan [benadeelde 7].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De bewijsoverwegingen

De verdachte heeft bekend de tenlastegelegde feiten te hebben gepleegd, met dien verstande dat hij ontkent de in feit 1 genoemde herenfiets, en de in feit 2 genoemde tas met kleding en de waterpomptang te hebben gestolen. Verdachte heeft niets willen verklaren over een eventuele mededader.

Wat betreft de vraag of er sprake is van een mededader overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het proces-verbaal van bevindingen (pagina 79 van uit dossier) blijkt dat verdachte is aangehouden in een steegje waar diverse van de gestolen goederen zijn aangetroffen. Het betrof hier goederen uit verscheidene woningen. Omdat er ook in de woning van verdachte nog diverse goederen zijn aangetroffen gaat de rechtbank er van uit dat de spullen die in de steeg lagen daar zijn verzameld, in afwachting van “transport” naar de woning van verdachte.

In het proces-verbaal van bevindingen (pagina 81 van het dossier) wordt gerelateerd dat de getuige [getuige] heeft verteld dat hij twee jongemannen de steeg heeft zien inlopen. Dit is voor de rechtbank een aanwijzing dat er naast verdachte tevens nog iemand anders bij het verzamelen van de gestolen spullen betrokken was.

Daarnaast wordt in het proces-verbaal van bevindingen (pagina 97 van het dossier) gerelateerd dat op camerabeelden te zien is dat twee mannen in en uit de steeg lopen, waarbij één van de mannen de gestolen zwarte “oma”fiets (die later tegen de gevel van de woning van de vriendin van verdachte is aangetroffen) en de andere man de gestolen herenfiets (feit 1), met hierop het roze kinderfietsje (feit 1) met zich meevoert. Dit kinderfietsje is in de woning van verdachte aangetroffen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat voldoende vast staat dat verdachte nauw en bewust met een ander heeft samengewerkt, zodat hij de feiten tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd.

Wat betreft de diefstal van de herenfiets, de tas met kleding en de waterpomptang overweegt de rechtbank het volgende.

Op de eerder genoemde camerabeelden is te zien dat de mededader een herenfiets met zich meevoerde die overeenkomt met de fiets zoals die onder 1 primair ten laste is gelegd. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en/of zijn mededader deze fiets hebben gestolen.

Nu uit het dossier blijkt (pagina 18) dat de aangeefster de in de woning van de verdachte aangetroffen waterpomptang niet herkent als de hare en de sporttas met kleding niet bij de verdachte is aangetroffen, zal de rechtbank de verdachte ten aanzien van deze twee bestanddelen wel partieel vrijspreken.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

feit 1 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 2 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 3 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 4 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 5 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 6 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht.

De raadsvrouw heeft voorgesteld aan verdachte een gevangenisstraf van zes maanden op te leggen, met aftrek van het voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft in enkele uren tijd zes diefstallen gepleegd uit garages, een auto en tuinhuisjes. Hij heeft dat samen met een mededader gedaan in het holst van de nacht. Daarmee heeft hij de betreffende slachtoffers aanzienlijke schade berokkent maar ook gevoelens van onveiligheid veroorzaakt. Dat laatste gaat verder dan de rechtstreekse slachtoffers. Het zijn met name dit soort in tijd en plaats gelokaliseerde feiten die bij de andere bewoners in de betreffende wijk voor een aanzienlijke toename van het gevoel van onveiligheid zorgen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving en de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het omtrent de persoon van verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies. Bij de reclassering heeft verdachte geen openheid van zaken gegeven over de feiten. Er loopt al geruime tijd een reclasseringstoezicht dat in een andere strafzaak aan de verdachte is opgelegd. Gelet op het moeizame verloop van dit toezicht (ondanks de actieve houding van de hulpverlening) en het gebrek aan motivatie om aan een klinische behandeling deel te nemen, is de reclassering van mening dat het opleggen van een nieuw reclasseringstoezicht niet zinvol zal zijn.

De verdachte heeft ter terechtzitting echter ook een ander gezicht laten zien. Hij heeft zijn proceshouding gewijzigd, in die zin dat hij alle feiten heeft bekend. Tevens heeft hij het mislukken van recente pogingen tot hulpverlening toegelicht. Hij heeft aangegeven dat hij in het kader van het reclasseringstoezicht in contact is gebracht met meerdere personen van verschillende instanties die hem allemaal “huiswerk” hebben gegeven. Gelet op zijn specifieke problematiek is dat te veel van hem gevraagd met als gevolg dat hij geen enkele afspraak meer nakwam. Nu wil hij graag werk zoeken om een goede dagbesteding te realiseren. Hij zegt daarbij wel hulp van de reclassering te kunnen gebruiken, maar hoopt een en ander zoveel mogelijk bij één persoon te kunnen concentreren.

De verdachte lijkt derhalve een andere wending aan zijn leven te willen geven. De rechtbank wil hem daartoe nog een kans bieden. De rechtbank zal daarom naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter voorkoming van het plegen van nieuwe strafbare feiten en in het kader van het verlenen van hulp aan verdachte, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht.

Alles overwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, een passende straf.

De benadeelde partij

De benadeelde partij[benadeelde 4] vordert een schadevergoeding van € 240,01 ter zake van het onder 4 primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit.

De officier van justitie heeft gevorderd deze vordering geheel toe te wijzen en tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De raadsvrouw heeft de vordering niet betwist.

De rechtbank oordeelt dat, nu de raadsvrouw de vordering niet heeft betwist, de vordering zal worden toegewezen. Om te bevorderen dat het toegekende bedrag door verdachte wordt betaald, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Beslag

Nu de verdachte ter terechtzitting afstand heeft gedaan van alle inbeslaggenomen voorwerpen, zal de rechtbank hieromtrent geen beslissingen nemen.

De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Maastricht d.d. 10 januari 2013 aan verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 60 dagen. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd de gevangenisstraf om te zetten naar een taakstraf.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat verdachte bij vonnis van de politierechter te Maastricht d.d. 10 januari 2013 met parketnummer 03/700860-12 is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 60 dagen met een proeftijd van twee jaren, welke proeftijd op 10 februari 2014 door de politierechter met een jaar is verlengd. Nu verdachte in deze proeftijd wederom strafbare feiten heeft gepleegd, heeft hij zich niet gehouden aan een van de voorwaarden die bij voornoemd vonnis werden bepaald. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van tenuitvoerlegging. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de ten uitvoer te leggen gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf van 120 uren, bij niet verrichten te vervangen door 60 dagen hechtenis.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen strafen maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

De bewezenverklaring

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

De straf

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van drie jaar de algemene voorwaarden of de bijzondere voorwaarde heeft overtreden;

  • -

    stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte

  • -

    zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering;

  • -

    draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

De benadeelde partij

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij[benadeelde 4], [adres 6] (Slovenië) van een bedrag van € 240,01 (tweehonderdveertig euro en een cent);

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [benadeelde 4] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer[benadeelde 4] € 240,01 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 4 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij Maretic vervalt en omgekeerd;

De vordering tot tenuitvoerlegging

  • -

    gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 10 januari 2013 door de politierechter is opgelegd in de zaak onder parketnummer 03/700860-12 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 60 dagen;

  • -

    bepaalt dat deze ten uitvoer te leggen gevangenisstraf wordt vervangen door een taakstraf van 120 uren;

  • -

    beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. S.V. Pelsser, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en mr. J.M.E. Kessels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 16 december 2014.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummers: 03/700480-14 en 03/700860-12 (VTVV)

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 16 december 2014 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te [adres].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsvrouw is mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat te Maastricht.