Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:11119

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-12-2014
Datum publicatie
22-12-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 363 t-m 383 _ 1355 t-m 1368 _ 1968 t-m 1981u
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1065, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De op het terrein van Edelchemie Panheel B.V. aanwezige (gevaarlijke) (afval)stoffen die zijn blijven liggen na de sluiting van de inrichting in 2005, zijn geïnventariseerd. Het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw hebben samen opgetreden en een last onder bestuursdwang opgelegd tot het verwijderen van alle binnen de inrichting aanwezige bovengrondse (gevaarlijke) (afval)stoffen, alsmede aanwezige chemicaliën en gevaarlijk afvalwater en slibben (in bassins) binnen een begunstigingstermijn van 22 weken. De rechtbank is van oordeel dat de bevoegdheidsgrondslagen voor het handhavend optreden in orde zijn, maar is het niet op alle punten eens met het aanmerken van wie als overtreder van de onderscheiden regelgeving kan worden gezien. De rechtbank onderschrijft de opgelegde last en de daarvoor gegeven begunstigingstermijn, alsmede de weigering die termijn te verlengen.

De brieven omtrent toepassing van de artikelen 5:29 en 5:30 van de Awb zijn niet gericht op rechtsgevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 14/363, 14/356, 14/369, 14/372, 14/379, 14/377, 14/383, 14/362, 14/364, 14/368, 14/371, 14/378, 14/381, 14/374

AWB/ROE 14/1355, 14/1356, 14/1357, 14/1358, 14/1359, 14/1360, 14/1361, 14/1362, 14/1363, 14/1364, 14/365, 14/1366, 14/1367, 14/1368,

AWB/ROE 14/1975, 14/1976, 14/1977, 14/1978, 14/1979, 14/1980, 14/1981, 14/1968, 14/1969, 14/1979, 14/1971, 14/1972, 14/1973, 14/1974.

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2014 in de zaken tussen

Edelchemie Panheel B.V. 14/363, 14/1362 en 14/1968

[eiser1] 14/365, 14/1365 en 14/1969

Phoenica B.V. 14/369, 14/1363 en 14/1970

[eiser2] 14/372, 14/1367 en 14/1971

[eiser3] 14/379, 14/1368 en 14/1973

Edelchemie Benelux B.V.B.A. 14/377, 14/1364 en 14/1972

[eiser4] 14/383, 14/1366 en 14/1974

eisers

(gemachtigde: mr. Th.J.H.M. Linssen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw, verweerder 1

(gemachtigde: mr. E.T. Sillevis Smitt)

en tussen

Edelchemie Panheel B.V. 14/362, 14/1355 en 14/1975

[eiser1] 14/364, 14/1357 en 14/1976

Phoenica B.V. 14/368, 14/1356 en 14/1977

[eiser2] 14/371, 14/1358 en 14/1978

[eiser3] 14/378, 14/1360 en 14/1980

Edelchemie Benelux B.V.B.A. 14/374, 14/1361 en 14/1979

[eiser4] 14/381, 14/1359 en 14/1981

eisers

(gemachtigde: mr. Th.J.H.M. Linssen),

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg, verweerder 2, (gemachtigde: mr. E.T. Sillevis Smitt),

gezamenlijk verweerders.

Procesverloop

Bij besluiten van 16 april 2013 (de primaire besluiten A) hebben verweerders de last onder bestuursdwang met aanzegging kostenverhaal opgelegd, en bekend gemaakt aan eisers, tot het verwijderen van alle binnen de inrichting aan de [adres] te [plaats] aanwezige bovengrondse (gevaarlijke) (afval)stoffen, alsmede aanwezige chemicaliën en gevaarlijk afvalwater en slibben (in bassins) binnen een begunstigingstermijn van 22 weken.

Bij besluiten van 24 september 2013 (de primaire besluiten B) hebben verweerders geweigerd de begunstigingstermijn te verlengen.

Op 18 november 2013 hebben verweerders eisers meegedeeld niet akkoord te gaan met een aanvullend voorstel voor afvoer van gips en slib en eisers een allerlaatste gelegenheid van twee weken geboden om resterende (afval)stoffen af te halen waarna definitief tot afvoer zal worden overgegaan ter uitvoering van de (resterende) last door verweerders.

Bij besluiten van 17 december 2013 (de bestreden besluiten A) hebben verweerders de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten A ongegrond verklaard.

Op 23 december 2013 heeft verweerder 1 (verder: B&W) eisers meegedeeld dat de door verweerder 2 opgelegde last voor overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e sub 1 en sub 3 van de Wet algemene bepalingen (Wabo) ingaande 1 januari 2014 door verweerder 1 is opgelegd en dat de uitvoering van die last, voor zover de geconstateerde overtreding tijdens de begunstigingstermijn niet ongedaan is gemaakt, ingaande 1 januari 2014 onverminderd zal worden voortgezet.

Bij besluiten van 18 maart 2014 (de bestreden besluiten B) hebben verweerders de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten B ongegrond verklaard.

Op 26 maart 2014 heeft verweerder 2 (verder: GS) eisers nader bericht dat de opgelegde last voor overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e sub 1 en sub 3 van de Wabo wordt gehandhaafd tot 1 januari 2014 en na 1 januari 2014 wordt gehandhaafd voor overtreding van artikel 13 (juncto artikel 6, tweede lid, sub a, b en c, en artikel 8, tweede lid, onder d) van de Wet bodembescherming (Wbb).

Bij besluiten van 13 en 19 mei 2014 (de bestreden besluiten C) hebben verweerders de bezwaren van eisers tegen de brieven van 18 november 2013 niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten A, B en C beroepen ingesteld.

Verweerders hebben verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de gevoegd behandelde zaken heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2014 waar eisers, in persoon dan wel vertegenwoordigd door hun respectieve bestuurders, zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Namens B&W zijn ook mr. L. Smeets-Sanders, E. Hennekens en I. Linssen verschenen. Namens GS zijn verder mr. M.P.T. Rongen, ing. T.N. Flapper en ing. A.J.F. van de Poel verschenen.

Naar aanleiding van de indiening op 3 oktober 2014 door verweerders van stukken uit de strafdossiers van eisers is het onderzoek in de zaken aangehouden ten einde eisers nog aanvullend de gelegenheid te geven op die stukken inhoudelijk te reageren. Eisers hebben een schriftelijke reactie ingediend, verweerders hebben daarop gereageerd en ter nadere zitting op 30 oktober 2014 zijn de zaken verder behandeld. Eisers zijn wederom verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Namens GS zijn verschenen de heren Rongen, Flapper en Van de Poel voornoemd en mr. J.J.A.G. Werkhoven. Het onderzoek in de zaken is gesloten en de rechtbank doet daarin heden uitspraak.

Overwegingen

1. Op 8 augustus 2012 is door, door GS aangewezen, toezichthouders en medewerkers van Van Gansewinkel B.V. een grootscheepse controle uitgevoerd naar de staat van het terrein en de daarop aanwezige afvalstoffen van de inrichting aan de [adres] te [plaats], voor welke inrichting sinds 2004 geen geldende (omgevings)vergunning meer in werking is. Naar aanleiding van die controle is de inrichting aan de [adres] te [plaats] afgesloten met een hekwerk en ten aanzien van die inrichting is een noodbevel en een noodverordening afgekondigd. Met toepassing van spoedeisende bestuursdwang zijn door verweerders een aantal conserverende maatregelen getroffen, bedoeld als beheersing van acute bedreiging van mens en milieu. In het kader van het opstellen van een plan van aanpak om tot afvoer van alle aanwezige afvalstoffen te komen, is Dusseldorp Inzameling en Recycling B.V. (Dusseldorp) ingeschakeld om in kaart te brengen wat er aan (gevaarlijke) (afval)stoffen ligt en verwijderd moet worden. Het eindrapport van Dusseldorp van 20 december 2012 (“Actualisatie van de afvalinventarisatie op de locatie Edelchemie B.V. en Phoenica B.V. te Panheel”), waarin de afvalinventarisatie van Van Gansewinkel uit 2008 en uit augustus 2012 is geactualiseerd, hebben verweerders ten grondslag gelegd aan de thans aan de orde zijnde last onder bestuursdwang. Die inventarisatie door Dusseldorp geeft aan waar welke en hoeveel (gevaarlijke) (afval)stoffen liggen die opgeruimd moeten worden, volgens verweerders.

Op 21 februari 2013 hebben verweerders voornemens uitgebracht van een last onder bestuursdwang aan alle eisers behalve aan Edelchemie Benelux B.V.B.A. (verder: Benelux) en haar bestuurder [eiser4]. Eisers, behalve Benelux en [eiser4], hebben zienswijzen ingediend. Bij de primaire besluiten, ook gericht aan Benelux en aan [eiser4], is de last opgelegd om binnen de begunstigingstermijn van 22 weken na de datum van de primaire besluiten alle binnen de inrichting aan de [adres] te [plaats] aanwezige bovengrondse (gevaarlijke) (afval)stoffen, alsmede aanwezige chemicaliën (in de laboratoria) en gevaarlijk afvalwater en slibben (in bassins) te verwijderen. Bij de bestreden besluiten A zijn de bezwaren ongegrond verklaard. De beroepen zijn gericht tegen de bestreden besluiten A waarbij de opgelegde last onder bestuursdwang is gehandhaafd, (B) tegen de handhaving van de weigeringen de begunstigingstermijn van 22 weken te verlengen en (C) tegen de niet-ontvankelijkverklaringen van de bezwaren tegen de brieven van 18 november 2013.

A Last onder bestuursdwang

2. Verweerders stellen zich op het standpunt dat er sprake is van overtreding van:

  1. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 1 en sub 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo);

  2. Artikel 13 juncto artikel 6, tweede lid, onder a, b en c alsmede artikel 8, tweede lid, sub d van de Wet bodembescherming (Wbb);

  3. Artikel 1.1a en artikel 10.1 van de Wet milieubeheer (Wm);

  4. Artikel 1a en 1b, tweede en derde lid, van de Woningwet juncto artikel 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit.

GS stelt zich op het standpunt dat Edelchemie Panheel B.V. (hierna: Edelchemie), en haar bestuurder [eiser1], Phoenica B.V. en haar bestuurder [eiser2], en [eiser3] de overtreders zijn van (1) en dat alle eisers overtreders zijn van (2), ten aanzien van welke overtredingen ten tijde van de primaire besluiten en de besluiten op bezwaar, GS bevoegd is handhavend op te treden. Ingaande 1 januari 2014 heeft B&W zich bevoegd geacht verder uitvoering aan de opgelegde last voor overtreding (1) te geven.

B&W stelt zich op het standpunt dat Edelchemie B.V. en haar bestuurder [eiser1], Phoenica B.V. en haar bestuurder [eiser2], [eiser3], Benelux en haar bestuurder [eiser4] overtreders zijn van (3) en dat Edelchemie B.V. en haar bestuurder [eiser1], Phoenica B.V. en haar bestuurder [eiser2], [eiser3] en [eiser4] overtreders zijn van (4), ten aanzien van welke overtredingen B&W bevoegd is handhavend op te treden.

De rechtbank oordeelt als volgt.

3. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat sprake is van ongeoorloofde cumulatie van herstelsancties nu verweerders -ieder voor zich- overtredingen van verschillende wettelijke voorschriften, als hiervoor weergegeven, aan de opgelegde last onder bestuursdwang ten grondslag hebben gelegd. Bovendien bepaalt artikel 5:8 van de Awb dat indien twee of meer voorschriften zijn overtreden, voor de overtreding van elk afzonderlijk voorschrift een bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd. Verder is de besluitvorming ook niet in strijd met het bepaalde in artikel 5:6 van de Awb. Ingevolge dat artikel legt het bestuursorgaan geen herstelsanctie op zolang een andere wegens dezelfde overtreding opgelegde herstelsanctie van kracht is. In het onderhavige geval is geen sprake van meerdere herstelsancties die tegelijk van kracht zijn wegens dezelfde overtreding.

In de aanvullende gronden van beroep hebben eisers betoogd dat de nuancering in de bestreden besluiten, inhoudende dat voor het voldoen aan de opgelegde last per eiser louter de geconstateerde overtreding ongedaan moet worden gemaakt voor zover betrokkene door verweerders als overtreder is aangemerkt, juist betekent dat er sprake is van ongeoorloofde cumulatie van herstelsancties. Daarmee is echter evenmin sprake van meerdere sancties voor één en dezelfde overtreding. Deze gronden slagen niet.

4. De besluitvorming is gebaseerd op het rapport van Dusseldorp van 20 december 2012 en tegen dat rapport en de totstandkoming ervan hebben eisers ook gronden naar voren gebracht die er -kort samengevat- op neer komen dat de aangetroffen stoffen minder gevaarlijk zijn, en minder gevaarlijk zijn gebleken, dan in het rapport is vermeld en deels zijn voorzien van een onjuiste (Eural)codering, hetgeen met een deskundig tegenrapport van [organisatie] is onderbouwd.

Dusseldorp heeft de op het gehele terrein aanwezige stoffen geïnventariseerd en aangegeven dat er 12.498,414 ton aan (gevaarlijke) (afval)stoffen op het buitenterrein, inclusief afvalwater en slibben in de bassins, alsmede 538 kg en 188,6 kg laboratorium chemicaliën en 105 ton rest(afval)stoffen aanwezig zijn. De genoemde gewichten in het rapport zijn indicatief bepaald, waarbij een inschatting is gemaakt van soortelijke gewichten op basis van beschikbare documentatie en weging. Het volume van aanwezige bassins is bepaald op basis van beschikbare documentatie en ingeschatte vullingsgraad en van het los gestorte materiaal is een inschatting gemaakt op basis van afmetingen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerders in de bestreden besluiten, als toegelicht in de verweerschriften en ter zitting, goed en volledig hebben toegelicht dat het rapport van Dusseldorp, met inachtneming van het ongedateerde addendum, op goede gronden als basis voor de besluitvorming is gehanteerd. Ook als er discussie mogelijk is over de precieze aanduiding van de codering van de aangetroffen stoffen en de mate waarin die stoffen het milieu belasten en de kwalificatie van de stoffen als gevaarlijk of niet, heeft de uitkomst relevantie voor de wijze van afvoer van de aangetroffen (gevaarlijk) (afval)stoffen. Dat leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat het rapport een onvoldoende inventarisatie zou zijn geweest om de opslag/aanwezigheid van (gevaarlijke) (afval)stoffen in kaart te brengen en die inventarisatie aan de opgelegde last tot verwijdering van alle (gevaarlijke) (afval)stoffen op het terrein van de inrichting ten grondslag te leggen. Dat Dusseldorp een onjuiste beschrijving heeft gegeven van de hoeveelheden, soorten en locaties van alle aangetroffen stoffen, is niet voldoende gesteld en is niet aannemelijk gemaakt. Van de zijde van eisers is, naast de discussie over de voor afvoer relevante codering van enkele stoffen, enkel de bemerking gemaakt dat een “IBC gaswasvloeistof” hooguit 1 ton regenwater kon bevatten en geen 4,5 ton. Die gronden slagen dan ook niet.

Overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 1 en sub 3 van de Wabo

5. De vraag of GS zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij bevoegd was bestuursdwang toe te passen wegens overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 1° en 3°, van de Wabo, beantwoordt de rechtbank bevestigend. Ter motivering hiervan wordt verwezen naar rechtsoverwegingen 16 en 17 van de uitspraak van heden onder nummer: ECLI:NL:RBLIM:2014:10865, welke motivering hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

Met de als wijzigingsbesluiten aangeduide brieven van 23 december 2013 zijn geen nieuwe besluiten genomen, is er geen gewijzigde grondslag aan het handhavend optreden tegen overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 1° en 3°, van de Wabo ten grondslag gelegd. In die brieven is naar aanleiding van het vervallen per 1 januari 2014 van artikel 6.7 van het Bor, waardoor de verplichting van een verklaring van geen bedenkingen voor het milieudeel van de omgevingsvergunning is vervallen, slechts meegedeeld dat ingaande 1 januari 2014 niet meer GS maar opvolgend B&W is aangewezen als bevoegd gezag voor handhaving.

6. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat er geen sprake is van overtreding van de vergunningplicht op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo omdat verweerders hebben geweten van de ontstane situatie na expiratie van de eerdere milieuvergunning en stilleggen van de eerdere vergunde inrichting in 2005, stelt de rechtbank vast dat vergunningplicht van rechtswege ontstaat, en dat de houding en opstelling van ter zake bevoegde bestuursorganen, wat daar ook van zij, aan het ontstaan van vergunningplicht niet in de weg staat. Voor zover van de zijde van eisers is aangevoerd dat sinds de stillegging van de afvalovens in 2005 enkel beheer is gevoerd van de aanwezige (afval)stoffen op het terrein, in welk kader er –al dan niet na bewerking- stoffen zijn afgevoerd, volgens eisers ook met instemming van de bevoegde bestuursorganen, is de rechtbank van oordeel dat, wat er van die voorgeschiedenis en de opstelling van partijen ook zij, ook dit niet in de weg staat aan het ontstaan van vergunningplicht op grond van de Wabo en zoals gemotiveerd in de uitspraak van heden waarnaar reeds verwezen, voor een inrichting voor nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen als bedoeld in onderdeel 28.10 in combinatie met categorie 28.1, onder a, onder 2° en 4°, en onder c en d, van de bijlage I bij het Bor. Tot slot staan de afsluiting van het terrein ingaande 17 augustus 2012 en de door verweerders getroffen conserverende maatregelen om acute bedreiging van mens en milieu te voorkomen, niet in de weg aan het vaststellen van vergunningplicht op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo per datum van de primaire besluiten. Dat er in de ogen van eisers geen sprake (meer) is van een direct gevaar zettende situatie leidt, wat daarvan ook zij, niet tot de conclusie dat er geen vergunningplicht (meer) zou gelden.

Eisers betogen dat niet alle stoffen (zo) gevaarlijk zijn, dat het allemaal ernstiger is afgeschilderd, dat de door Dusseldorp beschreven stoffen niet allemaal onder de vergunningplicht vallen. De vergunningplicht ziet echter op de inrichting als geheel en op de activiteiten van die inrichting, niet op de ene (gevaarlijke) (afval)stof wel en op de andere niet; ook niet op de mate van gevaar (of de afwezigheid), of de hoeveelheid van de aangetroffen (gevaarlijke) (afval)stoffen.

7. Op grond van het vorenstaande is voor GS de bevoegdheid ontstaan handhavend op te treden op grond van overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Van concreet zicht op legalisatie van de activiteiten van de inrichting zoals door Dusseldorp in het rapport van 20 december 2012 in aanmerking genomen situatie is geen sprake, ook niet door de aanvraag om omgevingsvergunning van 11 december 2012. Die aanvraag ziet op een inrichting van beperktere omvang en is bovendien bij besluit van 24 december 2013 is afgewezen. Het bezwaar tegen dat besluit is ongegrond verklaard en bij uitspraak van heden is het beroep tegen dat besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Van bijzondere omstandigheden die nopen tot het afzien van handhavend optreden tegen overtreding van de vergunningplicht op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo is voorts evenmin sprake. Daarvoor is in de voorgeschiedenis en de opstelling van partijen naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding gelegen. Voor zover eisers als overtreders zijn te beschouwen moeten zij geacht worden zich steeds voldoende te hebben gerealiseerd dat de inrichting zonder de benodigde milieuvergunning niet in werking heeft mogen zijn en dat de aanwezige afvalstoffen op het terrein voortvarender dan het geval is geweest opgeruimd hadden moeten worden. Voor het zuiveren van aanwezig afval is mitsdien ook geen geldige vergunning aanwezig geweest. Van de zijde van verweerders is niet gebleken van het opwekken van gerechtvaardigd vertrouwen op het afzien van handhavend optreden. De tussentijdse controles, waarbij de toestand van het terrein van de inrichting en de effecten ervan op de omgeving zijn gemonitord, bevestigen naar het oordeel van de rechtbank juist dat de mogelijkheid van handhavend optreden steeds is afgewogen tegen de op dat moment aangetroffen situatie. Nu de voortdurende controles uitdrukking geven aan de intentie om te gaan optreden als de situatie verergert, kan niet worden volgehouden dat handhavend optreden onvoorzien en onverwacht kwam.

Voor zover de betrokken eisers betogen dat met de spoedeisende bestuursdwang op verschillende locaties de situatie milieuhygiënisch voldoende beheerst is en daarmee had kunnen worden volstaan, zodat er geen grondslag meer resteert voor verdergaande bestuursdwang, volgt de rechtbank eisers niet. Met het beheersen van de acute situaties als onderwerp van spoedeisende bestuursdwang is immers geen einde gekomen aan de overtreding van de vergunningplicht op grond van de Wabo.

8. Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of terecht Edelchemie B.V., en haar bestuurder [eiser1], Phoenica B.V. en haar bestuurder [eiser2], en [eiser3] als overtreders van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo zijn aangemerkt. Voor zover het Edelchemie B.V., en haar bestuurder [eiser1], en Phoenica B.V. en haar bestuurder [eiser2] betreft beantwoordt de rechtbank die vraag bevestigend. Ter motivering hiervan wordt verwezen naar rechtsoverweging 20 van de uitspraak van heden onder nummer: ECLI:NL:RBLIM:2014:10865, met betrekking tot het zijn van één inrichting, welke motivering hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

In het kader van onderhavige zaken is naar aanleiding van de stukken uit de strafdossiers discussie gevoerd over de vraag of Phoenica wel of niet verf heeft geproduceerd. Voor de beantwoording van de vraag of Phoenica als (mede)drijver van de inrichting voor nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen als bedoeld in onderdeel 28.10 van bijlage I van het Bor, en mitsdien als zodanig als overtreder van artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wabo dient te worden aangemerkt, is niet relevant of voor Phoenica daarnaast wel of niet een zelfstandige vergunningplicht geldt voor de productie van verf. Deze discussie leidt dan ook niet tot een andere beantwoording van de vraag naar het overtrederschap als in de uitspraak waarnaar is verwezen.

Vervolgens dient de rechtbank nog de vraag te beantwoorden of terecht [eiser3] als overtreder van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo is aangemerkt. Daaraan is ten grondslag gelegd het feit dat [eiser3] in dienst is bij Phoenica, als technisch directeur, dat (ook) hij het beheer heeft uitgevoerd over de bassins, en dat hij de jaarstukken 2011 en 2012 mede heeft ondertekend. Verweerders zijn van mening dat betrokkenheid van [eiser3] bij de inrichting die de vergunningplicht heeft overtreden, voorts blijkt uit het (gedeelde) recht van opstal van de twee gebouwen op het terrein van de inrichting waarin de laboratoria zijn gevestigd.

De rechtbank is van oordeel dat het werknemerschap niet maakt dat betrokkene een gedraging van de werkgever, in dit geval de overtreding van de vergunningplicht, kan worden toegerekend. [eiser3] kan als werknemer niet een zodanige zeggenschap over of invloed op Phoenica, laat staan op Edelchemie, worden toegerekend dat hij op die grond zou kunnen worden aangemerkt als (mede)drijver van de inrichting. Ook het (beweerdelijk tijdelijke en incidentele) beheer van de bassins en het gedeelde recht van opstal, is onvoldoende om [eiser3] het drijven van de inrichting voor de nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen toe te rekenen, of om voldoende verwevenheid of verbondenheid met het drijven van die inrichting aan te nemen. Derhalve is [eiser3] ten onrechte aangemerkt als overtreder van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. De hierop gerichte gronden slagen dan ook.

Overtreding van artikel 13 juncto artikel 6, tweede lid, onder a, b en c alsmede artikel 8, tweede lid, sub d van de Wbb

9. Overtreding van artikel 13 juncto artikel 6, tweede lid, onder a, b en c alsmede artikel 8, tweede lid, sub d van de Wbb is door GS ten grondslag gelegd aan handhavend optreden met een last onder bestuursdwang ten aanzien van alle eisers. Nu uit het voorgaande reeds voortvloeit dat GS ten aanzien van Edelchemie B.V., en haar bestuurder [eiser1], Phoenica B.V. en haar bestuurder [eiser2], al bevoegd is (geweest) handhavend op te treden (en er geen sprake is van meerdere of andere lasten dan in rubriek 1 beschreven), resteert in zoverre de vraag of GS terecht [eiser3], en Benelux en [eiser4] als bestuurder van die rechtspersoon, heeft aangemerkt als overtreders van artikel 13 juncto 6, tweede lid, onder a, b, en c alsmede artikel 8, tweede lid, sub d van de Wbb.

Ingevolge artikel 13 van de Wbb is een ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.

Blijkens de tekst van artikel 13 van de Wet bodembescherming, is de daarin vervatte zorgplicht gericht tot degene die in of op de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast. Om iemand te kunnen aanmerken als overtreder van artikel 13 is daarom vereist dat diegene handelingen als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 heeft verricht. Dit geldt evenzo indien diegene niet zelf de bedoelde handelingen heeft verricht, maar die wel aan hem kunnen worden toegerekend omdat deze bijvoorbeeld voor hem, ten behoeve van hem of onder zijn verantwoordelijkheid zijn verricht.

10. GS heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangetroffen staat van de (gevaarlijke) (afval)stoffen op het buitenterrein en het afvalwater in de bassins zodanig is dat de voor deze overtreding aangeschrevenen wisten, althans in ieder geval redelijkerwijs hadden kunnen vermoeden dat door een dergelijke staat van de inrichting de bodem kan worden verontreinigd of kan worden aangetast en zij ten onrechte niet de maatregelen hebben getroffen om die verontreinigingen of aantasting te voorkomen.

De rechtbank is van oordeel dat GS met het controlerapport Wet Bodembescherming van 1 april 2013, waarbij over de staat van het buitenterrein inclusief bassins is gerapporteerd, gelezen in samenhang met het rapport van 14 november 2012 over de staat van aanwezig afval op het buitenterrein, en het rapport van Intertek van 30 augustus 2012 over de samenstelling van het aanwezige afvalwater, aannemelijk heeft gemaakt dat op het perceel van de inrichting met bodemvreemde stoffen handelingen als bedoeld in de artikelen 6, tweede lid, onder a, b en c, en 8, tweede lid, onder d, van de Wbb, zijn verricht waardoor, bij gebreke aan adequate bodembeschermende voorzieningen, de bodem kon worden verontreinigd. Aanvullend heeft GS het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 14 juni 2013, afkomstig uit de strafzaken tegen eisers, in het geding gebracht. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat de wijze van opslag van synthetisch obsidiaan zoals aangetroffen een activiteit is die de bodem kan bedreigen of de bodem heeft verontreinigd. Van de kant van eisers is stellig ontkend dat obsidiaan uitloogt, waarvoor is verwezen naar de beoordeling van die stof door de Belgische autoriteiten. Daarmee is echter naar het oordeel van de rechtbank op onvoldoende geobjectiveerde en overtuigende wijze de kracht uit de conclusies in het rapport van het NFI gehaald.

De door GS tegengeworpen overtreding van de zorgplicht op grond van de Wbb beperkt zich tot het buitenterrein, inclusief de bassins en exclusief de laboratoria. De conserverende maatregelen die zijn getroffen met spoedeisende bestuursdwang, hebben niet tot gevolg dat daardoor een einde is gekomen aan het door de Wbb beschermde risico op bodemverontreiniging. De getroffen maatregelen hebben immers slechts tot effect gehad dat de acute dreiging van bodemverontreiniging is weggenomen, maar daarmee is niet elk risico op verdere bodemverontreiniging zoals bedoeld in de Wbb beëindigd.

Voor zover eisers betogen dat de thans in geding zijnde staat van het perceel van de inrichting eerst sedert augustus 2012 onder beheer van verweerders is ontstaan, volgt de rechtbank hen daarin, gelet op de inhoud van het rapport van Dusseldorp, niet. Voor het vaststellen van schending van de zorgplicht op grond van de Wbb door de opslag van bodemvreemde stoffen op het buitenterrein en in de bassins, is de al dan niet reeds bestaande bodemverontreiniging uit andere oorzaken, en het vaststellen van de oorzaak daarvan, niet relevant. Het voorgaande betekent dat de zorgplicht van artikel 13 van de Wbb is overtreden. De overtreding bestaat uit het niet nemen van maatregelen om de bodemverontreiniging door bodemvreemde stoffen te voorkomen en zoveel mogelijk ongedaan te maken. GS is derhalve bevoegd ter zake handhavend op te treden.

11. GS heeft (ook) [eiser3] voor deze overtreding aangeschreven op grond van het feit dat hij het beheer voerde over de bassins op het buitenterrein en als contactpersoon optrad voor Phoenica, waarvoor hij ook de jaarrekeningen 2011 en 2012 mede ondertekend heeft.

Voor zover [eiser3] als werknemer van Phoenica en in die hoedanigheid (tegen betaling door Edelchemie aan Phoenica) ook taken voor Edelchemie heeft verricht, kan hem naar het oordeel van de rechtbank niet de schending van de zorgplicht van artikel 13 van de Wbb worden tegengeworpen. In de hoedanigheid van werknemer kan hem niet het verrichten van handelingen die strijdig zijn met de artikelen 6, tweede lid, onder a, b en c, en 8, tweede lid, onder d, van de Wbb worden aangerekend. [eiser3] heeft niet de opdracht tot die handelingen gegeven en evenmin feitelijk leiding gegeven bij de uitvoering, dan wel op enige wijze de verantwoordelijkheid voor die handelingen voor eigen rekening en risico gedragen of genomen. GS heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat [eiser3] artikel 13 van de Wbb heeft overtreden, ook niet als medepleger in de zin van artikel 5:1, derde lid, van de Awb. Deze beroepsgronden slagen eveneens.

GS heeft voorts Benelux en [eiser4] als bestuurder van die rechtspersoon, aangemerkt als overtreders van de zorgplicht op grond van artikel 13 van de Wbb, voor zover het betreft het in strijd met artikel 13 juncto artikel 6, tweede lid, onder a, b en c, van de Wbb op het buitenterrein opgeslagen synthetisch obsidiaan. Daartoe heeft GS zich op het standpunt gesteld dat het obsidiaan (in 2008) is verkocht aan twee bedrijven, waaronder één in België en dat die bedrijven de opslagfaciliteiten op het terrein van Edelchemie/Phoenica voor de opslag van het obsidiaan gebruikten. Volgens GS zijn Benelux, en [eiser4] als bestuurder van die rechtspersoon, aan te merken als overtreders van de zorgplicht op grond van de Wbb omdat zij ten onrechte van de opslaglocatie aan de [adres] te [plaats] gebruik hebben gemaakt ten behoeve van de opslag van synthetisch obsidiaan, terwijl zij bekend waren met de situatie ter plaatse, althans in ieder geval daarmee bekend hadden kunnen zijn, en uit het controlerapport van 1 april 2013 blijkt dat zeker niet kan worden uitgesloten dat het synthetisch obsidiaan uitloogt.

De rechtbank stelt vast dat GS niet heeft vastgesteld of en in welke hoeveelheid de op het terrein van de inrichting te [plaats] aanwezige synthetisch obsidiaan ten tijde van het primaire besluit eigendom was van Benelux, zodat reeds op die grond niet is vast te stellen of Benelux en diens bestuurder de handelingen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder a, b en c, van de Wbb met betrekking tot opgeslagen synthetisch obsidiaan kunnen worden toegerekend en mitsdien het niet naleven van de zorgplicht van artikel 13 van de Wbb kan worden aangerekend. Dat Edelchemie in het verleden obsidiaan heeft verkocht (ook aan Benelux) brengt nog niet zonder meer mee dat het (ook) die verkochte partij obsidiaan is geweest die op het terrein van Edelchemie is blijven liggen, laat staan dat daarvan de eigendom is overgegaan, en ten aanzien waarvan Benelux alsdan geacht zou moeten worden handelingen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder a, b en c, van de Wbb te hebben verricht en mitsdien kan worden aangeschreven als overtreder van de zorgplicht op grond van de Wbb. Met het feit dat het aanwezige obsidiaan tijdens de begunstigingstermijn feitelijk is afgevoerd naar Benelux, is voorts ook niet aannemelijk gemaakt dat deze rechtspersoon reeds eigenaar was en uit dien hoofde verantwoordelijk dient te worden gehouden voor het risico van uitlogen van het obsidiaan op het terrein van Edelchemie/Phoenica gedurende de tijd dat die partij obsidiaan daar heeft gelegen, althans ten tijde van de primaire besluiten (A).

De rechtbank is dan ook van oordeel dat Benelux en [eiser4] als bestuurder van die rechtspersoon ten onrechte als overtreders van de zorgplicht op grond van de Wbb zijn aangemerkt. De hierop gerichte beroepsgronden slagen dan ook.

Overtreding van artikel 1.1a en artikel 10.1 van de Wm

12. In artikel 1.1a, eerste en tweede, van de Wm is het volgende bepaald:

1. Een ieder neemt voldoende zorg voor het milieu in acht.

2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Ingevolge artikel 10.1, eerste lid, van de Wm is een ieder die handelingen met betrekking tot afvalstoffen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Ingevolge artikel 18.1b van de Wm heeft het in artikel 5.2, eerste lid, van de Wabo bedoelde bestuursorgaan tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de op grond van het bepaalde bij of krachtens deze wet voor degene die het project, bedoeld in dat lid, uitvoert, geldende voorschriften.

Ingevolge artikel 5.2, eerste lid, onder a, van de Wabo heeft het bevoegd gezag tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de op grond van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten voor degene die het betrokken project uitvoert, geldende voorschriften.

13. B&W heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangetroffen staat van de (gevaarlijke) (afval)stoffen op het buitenterrein, het afvalwater aldaar in de bassins, alsmede in de twee gebouwen (bekend met hun perceelnummers 2379 en 2381) waarin de laboratoria zijn gevestigd, zodanig is dat de aangeschrevenen wisten, althans redelijkerwijs hadden kunnen vermoeden dat door een dergelijke staat van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, terwijl er ten onrechte geen maatregelen zijn getroffen die redelijkerwijs van de overtreders konden worden gevergd teneinde dergelijke nadelige gevolgen te voorkomen. B&W heeft zich op bevoegd geacht op grond van overtreding van de zorgplichten van artikel 1.1a en artikel 10.1 van de Wm met bestuursdwang op te treden.

De staat waarin de (gevaarlijke) (afval)stoffen binnen de inrichting zijn aangetroffen blijkt uit het Inspectierapport aangaande de laboratoria, rapportnummer 121101_257_AH1, het Inspectierapport actualisatie afvalinventarisatie, rapportnummer 121114_257_PM9 dd 14 december 2012, het controlerapport van 1 april 2013 en het rapport aangaande de analyse van water- en slibmonsters (van Intertek dd 30 augustus 2012).

14. De in artikel 1.1a van de Wm vervatte zorgplicht is in beginsel slechts geldig in gevallen waarin ernstige nadelige gevolgen voor het milieu optreden of acuut dreigen op te treden, terwijl de Wm er niet op andere wijze in voorziet om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken (ECLI:NL:RVS:2014:1568). Anders dan eisers stellen is, nu in de inrichting aan de [adres] te [plaats] niet vergunde activiteiten worden verricht en er derhalve geen mogelijkheden zijn om de milieugevolgen van die activiteiten langs die weg te reguleren, de zorgplicht van artikel 1.1a van de Wm geldig voor zover het gaat om het op milieuhygiënisch onverantwoorde wijze opslaan van bodemvreemde stoffen, niet zijnde afvalstoffen op het buitenterrein en in de laboratoria en het nalaten maatregelen te treffen om de gevolgen van die opslag te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Voor zover het gaat om de opslag van (gevaarlijke) afvalstoffen op het buitenterrein en in de laboratoria en het nalaten maatregelen te treffen om de gevolgen daarvan te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, geldt de zorgplicht van artikel 10.1 van de Wm.

De rechtbank onderschrijft de door B&W gestelde overtreding van de zorgplichten Wm zoals die zijn neergelegd in de artikelen 1.1a en 10.1 van de Wm. Op grond van de hiervoor genoemde rapporten van onderzoek is aannemelijk gemaakt dat er op het terrein en in de laboratoria sprake is van milieuhygiënisch onverantwoord opgeslagen bodemvreemde stoffen, niet zijnde (gevaarlijke) afvalstoffen, alsmede van milieuhygiënisch onverantwoord opgeslagen (gevaarlijke) afvalstoffen op het terrein en in de laboratoria, die er al geruime tijd liggen zonder dat er adequate beschermende maatregelen zijn getroffen die de nadelige gevolgen van die opslag voorkomen, beperken of ongedaan maken. De getroffen beheersmaatregelen hebben geen einde gemaakt aan de vastgestelde overtreding van de zorgplichten op grond van de Wm, nu daarmee slechts beperkt acute dreiging van een beperkt deel van de belaste situatie onder controle is gebracht. Voor zover eisers betogen dat niet alle stoffen (zo) gevaarlijk zijn en dat het allemaal ernstiger is afgeschilderd dan feitelijk het geval is (geweest), leidt dit de rechtbank niet tot de conclusie dat er geen sprake is van schending van de zorgplichten op grond van de Wm.

15. Op grond van het vorenstaande is voor B&W de bevoegdheid ontstaan handhavend op te treden op grond van overtreding van de artikelen 1.1a en 10.1 van de Wm. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Van concreet zicht op legalisatie is geen sprake en van bijzondere omstandigheden die nopen tot afzien van handhavend optreden evenmin.

Voor zover eisers betogen dat met de spoedeisende bestuursdwang op verschillende locaties de situatie voldoende beheerst is en daarmee had kunnen worden volstaan, zodat op die grond kan worden afgezien van verdergaande bestuursdwang, volgt de rechtbank eisers niet. Dat als gevolg van spoedeisende bestuursdwang de acute situaties onder controle zijn, betekent niet dat de overige (gevaarlijke) (afval)stoffen geen bedreiging meer vormen of zullen vormen. Daarin is dan ook geen reden gelegen om geen gebruik te maken van de bevoegdheid handhavend op te treden.

Eisers betogen dat sinds 2005 beheer is gevoerd dat nooit tot calamiteiten heeft geleid, dat de situatie op het terrein van de inrichting volledig onder controle is en dat verweerders de dreiging van de milieubelasting van de aanwezige stoffen schromelijk overdrijven. De door verweerders overgelegde rapporten getuigen echter van het tegendeel, althans ten tijde van de primaire besluiten, en maken voor de rechtbank aannemelijk dat de staat waarin de (gevaarlijke) (afval)stoffen binnen de inrichting zijn aangetroffen zodanig is dat B&W daarin geen aanleiding hebben hoeven vinden om van handhavend optreden af te zien.

16. Met betrekking tot de vraag wie van eisers als overtreder van de zorgplichten op grond van de Wm dient te worden aangemerkt, overweegt de rechtbank als volgt.

Die overtreding kan op de eerste plaats aan Edelchemie als eigenaar van het terrein en verantwoordelijke voor de opslag na expiratie van de milieuvergunning voor de afvalverwerking te worden toegerekend. [eiser1] is als alleen/zelfstandig bevoegd directeur van Edelchemie verder eveneens overtreder nu hij maatregelen om de overtreding te voorkomen of te beëindigen achterwege heeft gelaten. Phoenica heeft een dermate nauwe verwevenheid met Edelchemie en een zodanige betrokkenheid bij de activiteiten van Edelchemie dat de overtreding ook aan Phoenica en afgeleid daarvan aan haar bestuurder, [eiser2], kan worden toegerekend. Phoenica en [eiser2] hebben (eveneens) nagelaten te voorkomen dat de uit milieu-hygiënisch oogpunt ongewenste situatie op het buitenterrein is ontstaan en hebben ook nagelaten te bewerkstelligen dat deze situatie ongedaan werd gemaakt. Naast de verwevenheid tussen beide rechtspersonen is in dit verband van belang dat Phoenica in opdracht van Edelchemie feitelijk belast was met beheerswerkzaamheden op het buitenterrein, waaruit volgt dat de bestuurder van Phoenica op de hoogte kon, althans behoorde te zijn, van de deplorabele toestand van de onderhavige opslag.

Verweerders hebben in de onderhavige zaken daartoe nog verwezen naar de stukken uit de strafdossiers, waarmee de nauwe verwevenheid tussen Edelchemie en Phoenica, de betrokkenheid van Phoenica bij de activiteiten van Edelchemie, het (mede)plegerschap en de formele beschikkingsmacht bij Phoenica nader is onderbouwd. Uit die stukken komt naar voren dat er tot de sluiting van de inrichting op 17 augustus 2012 een inrichting actief was waarin afvalstoffen werden verwerkt in een reinigingsproces, waarbij zowel Edelchemie als Phoenica (en hun bestuurders) betrokken en actief waren.

De vraag of [eiser3] op grond van zijn activiteiten ten aanzien van het buitenterrein, en met name de bassins, kan worden aangemerkt als overtreder van de zorgplichten op grond van de Wm, beantwoordt de rechtbank ontkennend. Voor zover [eiser3] als werknemer van Phoenica en in die hoedanigheid (tegen betaling door Edelchemie aan Phoenica) ook taken voor Edelchemie heeft verricht, kan hem naar het oordeel van de rechtbank niet de schending van de zorgplichten op grond van de Wm worden tegengeworpen. [eiser3] heeft niet de opdracht tot het milieuhygiënisch onverantwoord opslaan van (gevaarlijke) (afval)stoffen op het buitenterrein van de inrichting gegeven en evenmin feitelijk leiding gegeven bij beheer of uitvoering, dan wel op enige wijze de verantwoordelijkheid voor die handelingen voor eigen rekening en risico gedragen of genomen. Het achterwege laten van maatregelen die de milieubelastende gevolgen van de opslag hadden kunnen voorkomen of zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken, kan [eiser3] evenmin worden aangerekend. B&W heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat [eiser3] ten aanzien van het buitenterrein en de bassins de zorgplichten op grond van de Wm heeft geschonden, ook niet als medepleger in de zin van artikel 5:1, derde lid, van de Awb. Deze beroepsgronden slagen eveneens.

De vraag of [eiser3] en [eiser4] als beperkt zakelijk gerechtigden op de laboratoria ook en in zoverre als overtreders kunnen worden aangemerkt voor overtreding van de zorgplicht op grond van de Wm beantwoordt de rechtbank bevestigend. De laboratoria waren in gebruik bij en voor Edelchemie en Phoenica en, mede in acht genomen de stukken uit de strafdossiers, kan worden gezegd dat [eiser3] en [eiser4] kennis hebben gehad, dan wel geacht moeten worden op de hoogte te zijn geweest, van het milieuhygiënisch ongewenst gebruik van de laboratoria, waarmee van de zorgplicht op grond van de Wm is geschonden. Vervolgens dient hen als beperkt zakelijk gerechtigden ook te worden aangerekend dat zij geen maatregelen hebben genomen of geïnitieerd die de nadelige gevolgen van de opslag van chemische stoffen in de laboratoria konden voorkomen of beperken. De hierop gerichte gronden slagen dan ook niet.

B&W heeft voorts Benelux, en [eiser4] als bestuurder van die rechtspersoon, aangemerkt als overtreders van de zorgplichten op grond van de Wm voor zover er op het buitenterrein van de inrichting synthetisch obsidiaan, dat was verkocht aan (onder meer) een bedrijf in België, is opgeslagen, op de grond dat op 1 april 2013 is geconstateerd dat op de niet vloeistofdichte betonvloeren ter plaatse van de opslag van dit obsidiaan, een groene aanslag/verkleuring zichtbaar is die wijst op uitloging van stoffen uit het obsidiaan.

De rechtbank stelt vast dat ook met betrekking tot deze overtreding niet is komen vast te staan of en in welke hoeveelheid de op het terrein van de inrichting te [plaats] aanwezige synthetisch obsidiaan ten tijde van het primaire besluit eigendom was van Benelux, zodat reeds op die grond niet is vast te stellen of Benelux en diens bestuurder de schending van de aan de orde zijnde zorgplichten op grond van de Wm kunnen worden aangerekend. Dat Edelchemie in het verleden obsidiaan heeft verkocht (ook aan Benelux) brengt nog niet zonder meer mee dat het (ook) die verkochte partij obsidiaan is geweest die op het terrein van Edelchemie is blijven liggen, laat staan dat daarvan de eigendom is overgegaan, en ten aanzien waarvan Benelux de schending van de zorgplicht dient te worden toegerekend.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat Benelux en [eiser4] als bestuurder van die rechtspersoon ten onrechte als overtreders van de zorgplichten op grond van de Wm zijn aangemerkt. De hierop gerichte beroepsgronden slagen dan ook.

Overtreding van artikel 1a en 1b, tweede en derde lid, van de Woningwet juncto artikel 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit

17. Nu uit het voorgaande voortvloeit dat B&W ten aanzien van alle eisers die zijn aangeschreven voor overtreding van artikel 1a en 1b, tweede en derde lid, van de Woningwet juncto artikel 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit (alle eisers met uitzondering van Benelux), reeds bevoegd is handhavend op te treden (en er geen sprake is van meerdere of andere lasten dan in rubriek 1 beschreven), laat de rechtbank deze overtreding thans buiten bespreking nu dit aan de beoordeling van de handhaving van de last onder bestuursdwang niets toevoegt.

De last

18. In artikel 5:21 van de Awb is bepaald dat onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

  1. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en:

  2. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Ingevolge artikel 5:24, derde lid, voor zover thans van belang, wordt de last onder bestuursdwang bekendgemaakt aan de overtreder.

19. Met de primaire besluiten van 16 april 2013 hebben verweerders de last opgelegd en bekend gemaakt aan eisers, tot het verwijderen van alle binnen de inrichting aan de [adres] te [plaats] aanwezige bovengrondse (gevaarlijke) (afval)stoffen, alsmede aanwezige chemicaliën en gevaarlijk afvalwater en slibben (in bassins), zoals geïnventariseerd in het rapport van Dusseldorp.

Naar het oordeel van de rechtbank is de aard, inhoud en strekking van de last, in aanmerking genomen de inhoud van het rapport Dusseldorp, duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. De aangetroffen (gevaarlijke) (afval)stoffen op het terrein van de inrichting dienen binnen 22 weken afgevoerd te zijn. Het gaat dan om 12.498,414 ton aan (gevaarlijke) (afval)stoffen op het buitenterrein, inclusief afvalwater en slibben in de bassins, alsmede 538 kg en 188,6 kg laboratorium chemicaliën en 105 ton rest(afval)stoffen, waarbij de hoeveelheden indicatief en voldoende onderbouwd zijn vastgesteld. Het rapport beschrijft voorts [plaats] concreet om welke stoffen het gaat en waar ze liggen. Het merendeel van de door Dusseldorp toegekende coderingen heeft stand gehouden. De rechtbank concludeert dat het rapport Dusseldorp voldoende duidelijkheid gaf over de wijze waarop aan de last moest worden voldaan ter voorkoming van het optreden door verweerders zelf.

Eisers betogen dat die last niet ongedeeld aan alle eisers voor het geheel kan worden opgelegd aangezien de overtredingen die eisers zijn aangerekend niet het geheel betreffen.

Het gaat bij bestuursdwang om een bevoegdheid van de overheid om door (zelf) feitelijk optreden de overtreding te beëindigen. De belanghebbenden krijgen daarbij eerst nog de kans dit optreden te voorkomen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2002 (ECLI:NL:RVS:2002:AE2807), wijst de rechtbank er op dat, anders dan bij een dwangsomaanschrijving, er bij een bestuursdwangaanschrijving geen sprake is van een opgelegde verplichting, die men moet kunnen nakomen, maar van een geboden gelegenheid om -ter voorkoming van het optreden van het bestuursorgaan zelf- maatregelen te treffen om de illegale situatie te beëindigen. In de uitspraak van 24 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:489) heeft de Afdeling onder verwijzing naar die uitspraak van 22 mei 2002 overwogen dat, hoewel met de inwerkingtreding van de Vierde tranche van de Awb op 1 juli 2009 de terminologie omtrent bestuursdwang is gewijzigd, dit het voorgaande niet anders maakt, nu de wetgever daarmee geen materiële wijziging van het recht heeft beoogd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29 702, nr. 3, blz. 101). Het voorgaande betekent dat verweerders op goede gronden een ongedeelde last, zijnde de aankondiging van verweerders dat zij zelf zullen gaan optreden, hebben gehandhaafd in de bestreden besluiten A.

De primaire besluiten zijn overeenkomstig artikel 5:24 van de Awb aan de door verweerders als zodanig aangemerkte overtreders bekendgemaakt. In de bestreden besluiten hebben verweerders aangegeven dat per eiser louter de geconstateerde overtreding ongedaan moet worden gemaakt voor zover die eiser door verweerders als overtreder is aangemerkt. In het verweerschrift voor de hoorzitting is voorts aangegeven dat Benelux (en bestuurder [eiser4] in zoverre) alleen wordt aangeschreven voor verwijdering van de synthetische obsidiaan op het terrein van de inrichting. De rechtbank is van oordeel dat in de bestreden besluiten voldoende duidelijk is beschreven hoe aan de opgelegde last kan worden voldaan om bestuursdwang te voorkomen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze bedoeling niet duidelijk is geweest.

Eisers hebben aangevoerd dat de last niet aansluit op de overtreding in die zin dat het voldoen aan de last niet leidt tot het opheffen van de overtredingen. Voor het opleggen van de last voor overtreding van de zorgplicht Wm slaagt die grond reeds niet, nu het voldoen aan de last direct leidt tot het opheffen van de overtreding van die zorgplicht. Voor het overige geldt het volgende. Het opleggen van een last als hier aan de orde strekt ertoe om de rechtmatige toestand te herstellen. De onrechtmatigheid van de toestand waarin het terrein van de inrichting verkeert bestaat uit de aanwezigheid van (gevaarlijke) (afval)stoffen, alsmede aanwezige chemicaliën en gevaarlijk afvalwater en slibben in bassins, en die toestand is ontstaan door de hiervoor gestelde en door de rechtbank onderschreven overtredingen. Aan die onrechtmatigheid komt door het voldoen aan de last een einde. Daarmee is een voldoende en proportionele aansluiting tussen de overtredingen en de opgelegde last aanwezig.

Partijen verschillen van mening over aard en (mate van) gevaar van een aantal van de door Dusseldorp beschreven stoffen en de gevolgen daarvan voor de wijze waarop de betreffende stoffen afgevoerd moeten of kunnen worden. Eisers betogen -kort gezegd- dat verweerders, in navolging van hun adviseurs, de situatie veel ernstiger en bedreigender heeft voorgesteld dan in hun ogen feitelijk het geval is geweest, hetgeen gevolgen heeft voor de wijze van afvoer van (een aantal van de) aangetroffen stoffen. Eisers zijn voorts van mening dat bovendien uit de feitelijke uitvoering van de last door verweerders volgt dat sprake was van minder af te voeren stoffen en van afvoer van minder gevaarlijke stoffen dan aanvankelijk aangenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank toont de omstandigheid dat bij de uitvoering van de last wellicht de milieubelasting van de een of andere stof minder zwaar, dan wel zwaarder, is dan aanvankelijk ingeschat, nog niet aan dat het opleggen van de last in de vorm en omvang zoals geschied onevenredig moet worden geacht. Anders dan eisers betogen is met hun analyse van de informatie van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen naar het oordeel van de rechtbank niet geobjectiveerd aangetoond dat verweerders bij het opleggen van de aard en omvang van de last niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan de inventarisatie door Dusseldorp van op het terrein van de inrichting aanwezige (gevaarlijke) (afval)stoffen en de daaraan gekoppelde wijze van afvoer.

Indien en voor zover blijkt dat bij de uitvoering van de last sprake is van een of meerdere stoffen die feitelijk in (enigszins) geringere hoeveelheid en/of geringere mate van gevaar en/of bedreiging van het milieu aanwezig zijn, brengt dit mee dat de uitvoering van de last in beginsel voor eisers, al dan niet via uitvoering door verweerders, minder inspanning en derhalve minder kosten veroorzaakt, zodat de rechtbank tot de conclusie komt dat verweerders deze last in redelijkheid hebben kunnen opleggen op de wijze zoals geschied.

Voor zover is gesteld dat verweerders bij de uitvoering van de last meer en andere werkzaamheden hebben verricht dan opgenomen in de last, en mogelijk de kosten daarvoor bij eisers in rekening zullen brengen, is daaruit niet af te leiden dat de (in dit geding relevante) opgelegde last de rechtmatigheidstoets niet doorstaat.

Deze door eisers aangevoerde gronden slagen niet.

De begunstigingstermijn (A) en de weigering die termijn te verlengen (B)

20. Voor het voldoen aan de last hebben verweerders eisers een begunstigingstermijn gegeven van 22 weken. Die termijn van 22 weken is ook gebaseerd op het rapport van Dusseldorp en op de beantwoording van aanvullende vragen per mail over de tijd die gemoeid zou zijn met het afvoeren van alle door Dusseldorp beschreven (gevaarlijk) (afval)stoffen op het terrein van de inrichting. De termijn voor het afvoeren is bepaald op 16 weken en vastgesteld aan de hand van een verklaring van een deskundige marktpartij over de vraag hoeveel tijd nodig is voor de afvoer van alle (gevaarlijk) (afval)stoffen volgens de daarbij geldende regelgeving, waarbij een marge is opgenomen voor onverwachte omstandigheden, zoals slecht weer. De termijn van 16 weken is vermeerderd met zes weken die benodigd zijn voor het aanvragen en verkrijgen van ontheffing van de door de burgemeester van de gemeente Maasgouw afgekondigde noodverordening op grond waarvan eisers -zonder ontheffing- het terrein niet mogen betreden.

De rechtbank is van oordeel dat verweerders aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van een reële en redelijke termijn om ter voorkoming van bestuursdwang aan de last uitvoering te kunnen geven. Edelchemie heeft binnen de gestelde termijn twee beperkte Plannen van Aanpak ingediend die niet volledig zijn uitgevoerd. Gebleken is dat de burgemeester steeds binnen de verwachte termijn (positief) op de verzoeken om ontheffing heeft beslist, waarbij wordt vastgesteld dat daarbij door het vragen van een second opinion bij Royal Haskoning geen vertraging is opgetreden.

Dat eisers met een andere uitvoering van de last kosten hadden kunnen besparen door te zoeken naar en te werken aan nuttige toepassingen, moge zo zijn, maar dat betekent niet dat verweerders daarvoor de ruimte hadden moeten bieden door een begunstigingstermijn van aanzienlijk meer dan de aan de orde zijnde 22 weken te geven, dan wel om de gegeven begunstigingstermijn te verlengen. Gegeven het feit dat eisers al sinds 2005 geacht moeten worden bezig te zijn met afvoeren en opruimen van de stoffen op het terrein van de gesloten inrichting, met feitelijk gering resultaat, geeft weinig grond voor vertrouwen in het door verweerders nagestreefde resultaat op korte termijn. Daarbij komt gewicht toe aan het feit dat een begunstigingstermijn niet onnodig lang moet zijn.

Voor zover eisers betogen dat niet alle stoffen (zo) gevaarlijk zijn (geweest) als door verweerders aangenomen, leidt dat enerzijds tot de conclusie dat afvoer zeker binnen de gestelde begunstigingstermijn heeft kunnen plaatsvinden nu minder gevaarlijk afval eenvoudiger is af te voeren dan (zeer) gevaarlijk afval. Anderzijds zal bij de feitelijke uitvoering van de last door verweerders eveneens een mindere belasting van de ene of de andere stof aan het licht zijn gekomen, hetgeen zich zal kunnen vertalen in mindere kosten.

De inhoud en strekking van het aangekondigde optreden door verweerders was eenduidig en eisers wisten of hadden moeten weten wat van hen verlangd werd om dat optreden te voorkomen. Door in die situatie te kiezen voor beperkte afvoer van (gevaarlijke) (afval)stoffen hebben zij het risico genomen dat verweerders bij ommekomst van de begunstigingstermijn, en zonder verlenging daarvan, zelf zouden gaan optreden.

Eisers hebben voorts geen overtuigende andere argumenten naar voren gebracht op grond waarvan verweerders hadden moeten besluiten om de begunstigingstermijn te verlengen.

Deze gronden slagen niet.

C De beroepen tegen de brief van 18 november 2013

21. Bij brieven van 18 november 2013 hebben verweerders eisers, onder toepassing van artikel 5:29 en artikel 5:30 van de Awb, nog twee weken de tijd gegeven om nog resterende (afval)stoffen af te voeren, alvorens met de uitvoering van de last door verweerders wordt begonnen. Eisers zijn van mening dat de brief van 18 november 2013 in tweeërlei opzicht op rechtsgevolg is gericht. Eisers lezen die brief als:

  • -

    afwijzing van een verzoek van 13 november 2013 om verlenging van de begunstigingstermijn;

  • -

    het verlenen van een nieuwe, te korte, begunstigingstermijn van twee weken.

Verweerders zijn van mening dat er geen sprake is geweest van een verlengingsverzoek, maar een verzoek om overleg waarvan het onderwerp (extra tijd en gelegenheid om gips en slib af te voeren), al is meegenomen in de besluiten op bezwaar over de begunstigingstermijn (A) en over de weigering die termijn te verlengen (B). Voorts zijn verweerders van mening dat toepassing van de artikelen 5:29 en 5:30, in welk kader eisers nog twee weken de gelegenheid wordt geboden resterende (afval)stoffen te verwijderen, een mededeling aangaande de (verdere) effectuering van de last onder bestuursdwang is en geen appellabel besluit.

22. De rechtbank is van oordeel dat verweerders terecht de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk hebben verklaard.

Met de brief van 13 november 2013, die is ingediend na ommekomst van de begunstigingstermijn en na weigering die termijn te verlengen, is verzocht in overleg te treden over een voorstel van eisers om afvalstoffen af te voeren. De rechtbank stelt vast dat het verzoek om overleg in deze brief geen aanvraag in de zin van de Awb is, zodat het antwoord daarop geen besluit in de zin van de Awb is.

Ingevolge artikel 5:29, eerste lid, van de Awb, kan, voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vergt, het bestuursorgaan zaken meevoeren en opslaan.

Ingevolge het derde lid van dit artikel draagt het bestuursorgaan zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft het deze zaken terug aan de rechthebbende.

Ingevolge artikel 5:30, eerste lid, van de Awb, kan het bestuursorgaan de zaak verkopen, indien een meegevoerde en opgeslagen zaak niet binnen dertien weken nadat zij is meegevoerd, kan worden teruggegeven.

Ingevolge het derde lid van dit artikel vindt verkoop evenwel niet plaats binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift van het proces-verbaal van meevoeren en opslaan, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft.

De rechtbank is van oordeel dat het bieden van een extra gelegenheid gedurende twee weken om na afloop van de begunstigingstermijn resterende afvalstoffen nog af te voeren, niet is aan te merken als het verlenen van een extra begunstigingstermijn. De geboden termijn van twee weken volgt uit overeenkomstige toepassing van artikel 5:30, derde lid, van de Awb. Artikel 5:30 van de Awb maakt het mogelijk de kosten van bestuursdwang te verhalen op de conform artikel 5:29 van de Awb meegevoerde en opgeslagen zaken wanneer deze niet kunnen worden teruggegeven. Het doel van deze vorm van parate executie is kostenbeperking. Dat is ook het effect van het aanbod van verweerders om eisers nog een gelegenheid te bieden (afval)stoffen af te voeren, zodat het rechtsgevolg hiervan eerst reëel wordt bij een kostenverhaalbesluit. De brieven van 18 november 2013 behelzen dan ook slechts mededelingen over de manier waarop door verweerders feitelijk uitvoering wordt gegeven aan de last, en waarmee eisers zeker niet zijn benadeeld. Nu de brieven van 18 november 2013 niet zijn gericht op rechtsgevolg zijn de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard.

23. Het voorgaande leidt tot de volgende conclusies. De beroepen van Edelchemie B.V, van [eiser1], van Phoenica B.V. en van [eiser2] zijn ongegrond.

De beroepen van [eiser3] tegen de handhaving van de last onder bestuursdwang zijn gegrond voor zover hij daarbij is aangemerkt als overtreder van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, van artikel 13 van de Wbb, en van de artikelen 1.1a en 10.1 van de Wm voor zover het betreft de overtredingen op het buitenterrein, inclusief de bassins. Het bestreden besluit van 17 december 2013 van GS dient te worden vernietigd en de rechtbank zal het primaire besluit herroepen. Het bestreden besluit van 17 december 2013 van B&W dient te worden vernietigd voor zover eiser is aangemerkt als overtreder van de zorgplichten op grond van de Wm voor zover het betreft de overtredingen op het buitenterrein, inclusief de bassins. In zoverre zal de rechtbank het primaire besluit herroepen en bepalen dat deze uitspraak daarvoor in de plaats komt. Het beroep van [eiser3] tegen de handhaving van de last onder bestuursdwang door B&W is voor het overige ongegrond.

De beroepen van [eiser3] tegen de handhaving van de weigering om de begunstigingstermijn te verlengen en tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren tegen de brief van 18 november 2013, zijn, voor zover die bestreden besluiten (B en C) zijn genomen door B&W, ongegrond. De beroepen van [eiser3] tegen de handhaving van de weigering om de begunstigingstermijn te verlengen en tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren tegen de brief van 18 november 2013, worden, voor zover het betreft de bestreden besluiten (B en C) genomen door GS, niet-ontvankelijk verklaard, omdat het procesbelang daarbij is komen te ontvallen door de gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit A en de herroeping van het primaire besluit A genomen door GS.

De beroepen van [eiser4] tegen de handhaving van de last onder dwangsom zijn gegrond voor zover hij daarbij is aangemerkt als overtreder van artikel 13 van de Wbb en van de artikelen 1.1a en 10.1 van de Wm voor zover het betreft de opslag van synthetisch obsidiaan op het buitenterrein van de inrichting. Het bestreden besluit van 17 december 2013 van GS dient te worden vernietigd en de rechtbank zal het primaire besluit herroepen. Het bestreden besluit van 17 december 2013 van B&W dient te worden vernietigd voor zover eiser is aangemerkt als overtreder van de zorgplichten op grond van de Wm voor zover het betreft de opslag van synthetisch obsidiaan op het buitenterrein. In zoverre zal de rechtbank het primaire besluit herroepen en bepalen dat deze uitspraak daarvoor in de plaats komt. Het beroep van [eiser4] tegen de handhaving van de last onder bestuursdwang door B&W is voor het overige ongegrond.

De beroepen van [eiser4] tegen de handhaving van de weigering om de begunstigingstermijn te verlengen en tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren tegen de brief van 18 november 2013, zijn, voor zover die bestreden besluiten (B en C) zijn genomen door B&W, ongegrond. De beroepen van [eiser4] tegen de handhaving van de weigering om de begunstigingstermijn te verlengen en tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren tegen de brief van 18 november 2013, worden, voor zover het betreft de bestreden besluiten (B en C) genomen door GS, niet-ontvankelijk verklaard, omdat het procesbelang daarbij is komen te ontvallen door de gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit A en de herroeping van het primaire besluit A genomen door GS.

De beroepen van Edelchemie Benelux B.V.B.A. tegen de bestreden besluiten van B&W en van GS waarbij de last onder dwangsom is gehandhaafd, zijn gegrond nu deze rechtspersoon ten onrechte is aangemerkt als overtreder. De bestreden besluiten dienen te worden vernietigd en de rechtbank zal de primaire besluiten herroepen. Aan de beroepen van Benelux tegen de handhaving van de weigering om de begunstigingstermijn te verlengen, is, gegeven de gegrondverklaring van de bestreden besluiten en de intrekking van de primaire besluiten A, het procesbelang komen te ontvallen zodat die beroepen niet-ontvankelijk worden verklaard.

24. Voor zover de beroepen gegrond worden verklaard en griffierecht is betaald, dient verweerders te worden opgedragen het betaalde griffierecht te vergoeden. Voor zover de beroepen van [eiser3], van [eiser4] en van Benelux niet-ontvankelijk worden verklaard, zal verweerders in beginsel eveneens, met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb worden opgedragen het griffierecht te vergoeden. In de in aanmerking komende zaken is echter onder toepassing van artikel 8:41, derde lid, van de Awb geen griffierecht geheven en betaald.

25. Voor zover de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, veroordeelt de rechtbank verweerders in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank in verband met de (geheel of gedeeltelijk) vernietigde bestreden besluiten (A) van 17 december 2013 per verweerder op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht met toepassing van artikel 3 van genoemd Besluit (samenhangende zaken) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op in totaal € 4.109,06 . Dat bedrag is per verweerder als volgt samengesteld. Voor de proceshandelingen: het indienen van de bezwaarschriften, het verschijnen ter hoorzitting en het indienen van de beroepschriften worden 3 punten toegekend met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1,5 in verband met de samenhang en een wegingsfactor 1,5 in verband met de zwaarte van de zaak (subtotaal: € 3.287,25). Voor de behandeling van de beroepen ter zitting wordt per verweerder € 821,81 toegekend (1 punt voor het verschijnen ter zitting op 16 oktober 2014 en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting op 30 oktober 2014; met een waarde van € 487,- per punt en een wegingsfactor 1,5 in verband met de samenhang en een wegingsfactor 1,5 in verband met de zwaarte van de zaken, gedeeld door 2).

De proceskosten in verband met de niet-ontvankelijk verklaarde beroepen van [eiser3], [eiser4] en Benelux tegen de bestreden besluiten B en C stelt de rechtbank per verweerder vast op € 487,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en wegingsfactor 1 in verband met de zwaarte van de zaken).

Verweerders worden ieder voor een bedrag van (€ 4.109,06 + € 487,- ) € 4.596,06 veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

Inzake AWB 14/363, 14/1362, 14/1968, 14/365, 14/ 1365, 14/1969, 14/369, 14/1363, 14/1970, 14/372, 14/1367, 14/1971, 14/362, 14/1355, 14/1975, 14/364, 14/1357, 14/1976,14/368, 14/1356, 14/1977, 14/371, 14/1358 en 14/1978

- verklaart de beroepen van Edelchemie Panheel B.V., [eiser1], Phoenica B.V. en [eiser2] ongegrond;

Inzake AWB 14/1368, 14/1973, 14/1366 en 14/1974

- verklaart de beroepen van [eiser3] en van [eiser4] tegen de bestreden besluiten van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw van 18 maart 2014 (B) en van 19 mei 2014 (C) ongegrond;

Inzake AWB 14/379

- verklaart het beroep van [eiser3] tegen het bestreden besluit van 17 december 2013 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij eiser is aangemerkt als overtreder van de artikelen 1.1a en 10.1 van de Wm voor zover het betreft de overtredingen op het buitenterrein, inclusief de bassins;

- herroept het primaire besluit van 16 april 2013 in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- verklaart het beroep van [eiser3] tegen het besluit van 17 december 2013 voor het overige ongegrond;

Inzake AWB 14/383

  • -

    verklaart het beroep van [eiser4] tegen het bestreden besluit van 17 december 2013 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij eiser is aangemerkt als overtreder van de artikelen 1.1a en 10.1 van de Wm voor zover het betreft de opslag van synthetisch obsidiaan op het buitenterrein van de inrichting;

  • -

    herroept het primaire besluit van 16 april 2013 in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het beroep van [eiser4] tegen het besluit van 17 december 2013 voor het overige ongegrond;

Inzake AWB 14/377

  • -

    verklaart het beroep van Edelchemie Benelux B.V.B.A. tegen het bestreden besluit van 17 december 2013 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 17 december 2013 en herroept het primaire besluit van 16 april 2013;

Inzake AWB 14/1364 en 14/1972

- verklaart de beroepen van Edelchemie Benelux B.V.B.A. tegen de bestreden besluiten van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw van 18 maart 2014 (B) en van 19 mei 2014 (C) niet-ontvankelijk;

- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw met betrekking tot de zaken 14/379, 14/377, 14/1364, 14/1972 en 14/383 in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 4.596,06;

Inzake AWB 14/378, 14/381 en 14/374

  • -

    verklaart de beroepen van [eiser3], van [eiser4] en van Edelchemie Benelux B.V.B.A. tegen de bestreden besluiten van 17 december 2013 van het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten en herroept de primaire besluiten van 16 april 2013;

Inzake AWB 14/1360, 14,1980, 14/1359, 14/1981, 14/1361 en 14/1979

- verklaart de beroepen van [eiser3], van [eiser4] en van Edelchemie Benelux B.V.B.A. tegen de bestreden besluiten van het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg van 18 maart 2014 (B) en van 13 mei 2014 (C) niet-ontvankelijk;

- veroordeelt het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg met betrekking tot de zaken 14/378 , 14/1360, 14/1980, 14/374, 14/1361, 14/1979, 14/381, 14/1359 en 14/1981 in de proceskosten van eisers tot een bedrag van

€ 4.596,06.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers (voorzitter), en mr. T.M. Schelfhout en mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen, leden, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2014.

w.g. J.N. Buddeke, w.g. E.J. Govaers,

griffier voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 22 december 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.