Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:11052

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
05-01-2015
Zaaknummer
C-03-198976 - KG ZA 14-658
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming van een in gebruik genomen stuk gemeentegrond.

Bruikleenovereenkomst, gebruikersovereenkomst, huurovereenkomst, opeisen eigendom, ontruiming, weghalen van schutting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/198976 / KG ZA 14-658

Vonnis in kort geding van 18 december 2014

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE WEERT,

zetelend te Weert,

eiseres,

advocaat mr. P.J.W.M. Theunissen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

advocaat mr. G.G.J. Geerlings.

Partijen zullen hierna de gemeente Weert en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de brief van 10 december 2014 met producties 1 tot en met 4 van [gedaagde]

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] huurt van woningcorporatie Wonen Limburg een woonwagenstandplaats aan de [adres gedaagde] te [woonplaats gedaagde]. Naar aanleiding van diverse incidenten die zich begin 2013 hebben voorgedaan zijn partijen, alsmede de overige vijf bewoners van woonwagenlocatie [woonwagenlocatie] (hierna [woonwagenlocatie]), in overleg getreden. Dit overleg heeft geresulteerd in een aantal afspraken over een aantal fysieke maatregelen op of rondom [woonwagenlocatie]. De afspraken zijn schriftelijk vastgelegd en door de gemeente Weert enerzijds en de zes bewoners (waaronder [gedaagde]) ondertekend op 16 april 2013. In deze overeenkomst is onder meer de volgende, voor deze zaak, relevante afspraak neergelegd:

“(…)

4. Het verwijderen van de huidige zijmuren waardoor er een strook tot aan de openbare weg ontstaat die bedoeld is voor algemeen gebruik van de bewoners, dit echter op voorwaarde dat op deze strook geen bebouwing en geen opslag van goederen plaatsvindt en dat hier geen voertuigen worden geparkeerd.

5. (…)”

2.2.

Op 31 januari 2014 zijn tussen voornoemde zes bewoners en de stichting Wonen Limburg nadere afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in een overeenkomst die op
31 januari 2014 is getekend. De relevante bepaling in deze overeenkomst luidt als volgt:

“Artikel 3

  • -

    De extra gemeentegrond op de kopse kanten van de locatie, die door de verplaatsing van de muur beschikbaar komt, kan door de desbetreffende huurders die wonen in de buitenste woningen, in bruikleen worden genomen. De extra aanplant en het verplaatsen van de huidige aanplant komen voor rekening van de huurder en de bijbehorende werkzaamheden zullen ook door de huurders zelf uitgevoerd worden. Alvorens de planten worden verzet zal de gemeente de erfgrens uitzetten. De achterzijde van de (volwassen) haag mag de erfgrens niet overschrijden. Daarom moeten de planten ca 30 cm uit de erfgrens worden gepoot. Deze grond wordt meegenomen in de te sluiten gebruiksovereenkomst voor de zijpercelen.

  • -

    (…)”

2.3.

Bij brief van 19 mei 2014 heeft de gemeente Weert aan [gedaagde] een gebruiksovereenkomst/huurovereenkomst aangeboden voor in totaal 138 m2 en een huurprijs van € 35,00 per jaar. In de aanbiedingsbrief en de overeenkomst is aan [gedaagde] medegedeeld dat er geen opstallen van welke aard dan ook op de gemeentegrond mogen worden geplaatst. [gedaagde] heeft aanvankelijk niet op deze brief gereageerd en heeft de gebruiksovereenkomst/huurovereenkomst nooit ondertekend retour gezonden.

2.4.

In september 2014 heeft [gedaagde] op de gemeentegrond, gelegen aan de zijkant van zijn standplaats, zonder toestemming van de gemeente Weert een houten schutting geplaatst.

2.5.

Bij brief van 16 oktober 2014 heeft de gemeente Weert [gedaagde] daarvoor aangeschreven. De gemeente Weert heeft [gedaagde] onder meer gesommeerd om binnen
14 dagen de schutting af te breken en om de gebruiksovereenkomst binnen die termijn ondertekend retour te zenden, bij gebreke waarvan [gedaagde] het gebruik van het perceel diende te beëindigen.

2.6.

Op voornoemde brief heeft [gedaagde] bij brief van 28 oktober 2014 gereageerd. [gedaagde] heeft de schutting niet verwijderd en heeft ook geen gebruiksovereenkomst ondertekend retour gezonden.

3 Het geschil

3.1.

De gemeente Weert vordert samengevat - ontruiming binnen 14 dagen van het stuk gemeentegrond van ongeveer 138m2, zoals aangegeven op de als productie 3 bij dagvaarding overgelegde kaart een en ander op straffe van een dwangsom, vermeerderd met de proceskosten inclusief de nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter overweegt dat eigendom het meest omvattende recht is dat iemand op een zaak kan hebben. De eigenaar van een stuk grond is bevoegd het van een ieder die het zonder recht houdt, op te eisen. Gelet op deze aard van de vordering (de gemeente Weert wil een einde maken op een vermeende inbreuk op haar eigendomsrecht) is het spoedeisend belang naar het oordeel van de voorzieningenrechter een gegeven.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de grond die [gedaagde] in gebruik heeft genomen in eigendom toebehoort aan de gemeente Weert. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat de gemeente Weert voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [gedaagde] de strook grond zonder recht of titel in gebruik heeft. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4.3.

[gedaagde] heeft zijn handtekening geplaatst onder de overeenkomsten van 16 april 2013 en 31 januari 2014, waaruit in beginsel volgt dat hij akkoord gaat met hetgeen in die stukken staat. Indien en voor zover [gedaagde] moeite had met lezen en schrijven had het op zijn weg gelegen om de stukken eventueel te laten voorlezen door een derde. In ieder geval is niet gesteld of gebleken dat zijn verklaring niet overeenstemde met zijn wil. Het was [gedaagde] van meet af aan duidelijk dat hij de strook grond weliswaar na verwijdering van de zijmuur mocht gaan gebruiken, maar dat de gemeente Weert daaraan voorwaarden wilde verbinden. In de overeenkomst van 31 januari 2014 is in artikel 3, eerste bullet, duidelijk aangegeven dat er nog een gebruiksovereenkomst gesloten zou moeten worden ten aanzien van de zijpercelen. Ook daarmee is [gedaagde] akkoord gegaan. Nu [gedaagde] de door de gemeente Weert op 19 mei 2014 aan [gedaagde] verstuurde gebruiksovereenkomst nooit heeft ondertekend, is deze overeenkomst nooit tot stand gekomen.

4.4.

[gedaagde] meent desondanks toch een recht of titel te hebben om de strook grond te mogen gebruiken. De voorzieningenrechter begrijpt [gedaagde] aldus dat hij stelt dat sprake is van een bruikleenovereenkomst.

4.5.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij de strook grond om niet (zonder tegenprestatie in geld) zou mogen gaan gebruiken. Zoals overwogen staat in de overeenkomst van 31 januari 2014 duidelijk vermeld dat er nog een aanvullende gebruikersovereenkomst zou moeten worden gesloten voor de zijpercelen. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat [gedaagde] jegens Stichting Wonen Limburg heeft ingestemd met een huurverhoging van
€ 13,50 per maand vanwege de geriefverbetering als gevolg van het verplaatsen van de muur naar achteren. Niet valt in te zien dat [gedaagde] er dan vanuit mocht gaan dat hij voor het stuk grond aan de zijkant dat aan de gemeente Weert toebehoort niets hoefde te betalen. Het enkele feit dat [gedaagde] met de buurtbewoners na het verwijderen van de zijmuren alvast gebruik zijn gaan maken van de strook grond maakt het voorgaande niet anders. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bruikleenovereenkomst.

4.6.

Verder overweegt de voorzieningenrechter dat [gedaagde] erkent dat partijen erover gesproken hebben dat het niet de bedoeling was dat er op de strook grond auto’s, autobanden, schuurtjes en dergelijke gebouwd zouden gaan worden waarmee de buurt zou worden ontsierd. Uit de brief van 19 mei 2014 blijkt dat de gemeente Weert geen enkele opstal, van welke aard dan ook, zal toestaan op de strook grond. In de periode na ontvangst van deze brief tot aan het plaatsen van de schutting heeft [gedaagde] tegen de brief geen enkel bezwaar gemaakt. [gedaagde] heeft toen niet aangegeven dat hij in de gebruiksovereenkomst wat anders staat vermeld dan dat partijen eerder hadden besproken. Het stond [gedaagde] naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet zonder meer vrij om de schutting op de grond van de gemeente Weert te plaatsen. Dat hij dit toch heeft gedaan komt voor eigen rekening en risico. Indien [gedaagde] zich zorgen maakt om de veiligheid van de (buurt)kinderen had het op zijn weg gelegen om in overleg met de gemeente Weert te treden om daarvoor maatregelen te nemen.

4.7.

Nu geen sprake is van een onvoorwaardelijke gebruikers- en/of huurovereenkomst of van een bruikleenovereenkomst en [gedaagde] verder geen andere feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit zou kunnen volgen dat hij een recht of titel heeft om de strook grond te mogen gebruiken liggen de vorderingen van de gemeente Weert met inachtneming van het onderstaande voor toewijzing gereed.

4.8.

Tussen partijen staat als niet weersproken vast dat [gedaagde] samen met de overige bewoners met instemming van de gemeente de beukenhaag heeft verplaatst en grasmatten op de strook grond heeft gelegd. De voorzieningenrechter ziet dan ook niet in waarom ook het gras, zoals door de gemeente Weert tijdens de mondelinge behandeling is aangegeven, zou moeten worden verwijderd. De gevorderde voorziening zal dan ook worden toegewezen, zoals hierna geformuleerd.

4.9.

Ten aanzien van de gevorderde machtiging aan de gemeente Weert om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen overweegt de voorzieningenrechter dat de gemeente Weert geen machtiging van de voorzieningenrechter behoeft om de toe te wijzen veroordeling tot ontruiming zo nodig af te dwingen. De in de wet aan de deurwaarder verleende bevoegdheden tot reële executie (artikelen 555 e.v. Rv in verbinding met artikel 444 Rv) worden toereikend geacht, zodat de gemeente Weert bij een afzonderlijke machtiging geen belang heeft.

4.10.

De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en beperkt als volgt. De voorzieningenrechter acht het redelijk dat de ontruimingstermijn wordt verlengd naar twee maanden.

4.11.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente Weert worden begroot op:

- dagvaarding € 95,77

- griffierecht 608,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.519,77

4.12.

De vordering tot veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. Nu het zogenaamde liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven voorziet in een forfaitair tarief voor die kosten en de rechtbank dat tarief pleegt te volgen, zijn die kosten nu al te begroten. De rechtbank zal de nakosten toewijzen, zoals nader in het dictum wordt bepaald.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis het perceelsgedeelte, kadastraal bekend gemeente Weert, sectie WEE01, W658 gedeeltelijk en W643 gedeeltelijk, groot circa 138 m2, zoals aangegeven op de situatieschets welke is overgelegd als productie 3 bij dagvaarding, te ontruimen en ontruimd te houden met al hetgeen dat en degenen die bij hem behoren en ter vrije beschikking aan de gemeente Weert te stellen, waaronder mede wordt verstaan de verwijdering van de schutting. Daaronder wordt echter niet verstaan het verwijderen van de beukenhaag en de grasmatten,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan de gemeente Weert een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente Weert tot op heden begroot op € 1.519,77,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,00 indien [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan én betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2014.1

1 type: SScoll: