Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:10794

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-12-2014
Datum publicatie
12-12-2014
Zaaknummer
03/659101-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging tot moord, vrijspraken van poging tot zware mishandeling en van wapenbezit. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 8 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/659101-14

Datum uitspraak : 12 december 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adresgegevens verdachte],

gedetineerd in de P.I. Limburg Zuid - De Geerhorst, Op de Geer 1 te Sittard.

Raadsman is mr. W.J.J. Lunsingh Tonckens, advocaat te Maastricht.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 28 november 2014. De rechtbank heeft op die datum de officier van justitie en de verdachte gehoord, bijgestaan door zijn raadsman.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat -kort samengevat- terecht ter zake van een poging tot moord, dan wel poging tot doodslag, een poging tot zware mishandeling en het bezit van een vuurwapen en munitie, beide van categorie III. De volledige tenlastelegging luidt dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 15 maart 2014 in de gemeente Weert ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een revolver, in elk geval een vuurwapen, een kogel in het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten en/of een kogel in het hoofd van die [slachtoffer] heeft willen schieten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 15 maart 2014 in de gemeente Weert ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een revolver, in elk geval een vuurwapen, een kogel in het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten en/of een kogel in het hoofd van die [slachtoffer] heeft willen schieten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2

hij op of omstreeks 15 maart 2014 in de gemeente Weert ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan[slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] een kopstoot heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 3

hij op of omstreeks 15 maart 2014 in de gemeente Weert voorhanden heeft gehad (een) vuurwapen(s) van de categorie III onder 1, te weten een pistool en/of een revolver en/of munitie van categorie III, te weten een hoeveelheid patronen.

3 De voorvragen

De rechtbank is bij de beraadslaging gebleken dat feit 1 op de dagvaarding een tegenstrijdigheid bevat. Onder feit 1 (primair en subsidiair) is namelijk als uitvoeringshandeling opgenomen dat de verdachte een kogel in het hoofd van [slachtoffer] heeft willen schieten. Willen betekent in het normale taalgebruik iets anders dan handelen. Louter willen is niet strafbaar.

Bij de beoordeling van een poging tot een misdrijf, waarin de uitvoeringshandelingen per definitie zonder het door verdachte gewilde eindresultaat blijven, kan de wil van een verdachte een belangrijke rol spelen, maar deze moet dan wel blijken uit bepaalde handelingen of omstandigheden. Daarbij valt in de onderhavige zaak te denken aan handelingen als het richten van een wapen op het hoofd van het slachtoffer, waarvan in enkele verklaringen in het dossier melding wordt gemaakt.

De officier van justitie heeft het woord willen in de tenlastelegging echter niet op die manier nader omschreven. De rechtbank kan dat niet alsnog doen. Een dergelijke invulling van de tenlastelegging valt immers niet onder de noemer kennelijke misslag. Het zou een grondslagverlating opleveren. Dat maakt dat de rechtbank de tenlastelegging op dit punt onvoldoende specifiek en tegenstrijdig vindt. De rechtbank zal de dagvaarding daarom voor dat deel nietig verklaren.

De dagvaarding voldoet voor het overige aan alle wettelijke eisen en er zijn geen omstandigheden die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Verder is de rechtbank bevoegd en zijn er geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

4. De beoordeling van het bewijs1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte geprobeerd heeft het slachtoffer [slachtoffer] te vermoorden. Verdachte heeft gericht met een vuurwapen geschoten op [slachtoffer] en hem in de schouder geraakt. Verdachte heeft niet in een plotselinge gemoedsopwelling geschoten op [slachtoffer], maar heeft gehandeld met voorbedachte raad.

Volgens de officier van justitie blijkt de voorbedachte raad uit wat er aan het schieten vooraf is gegaan. De officier van justitie baseert zijn standpunt op diverse verklaringen uit het dossier, uitlatingen van verdachte tegen verbalisanten en telefoongegevens.

Verder acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aan [slachtoffer] een kopstoot heeft gegeven die van dien aard was dat gesproken kan worden van een poging tot zware mishandeling (feit 2). Ook kan bewezen worden dat verdachte een vuurwapen en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad (feit 3).

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle feiten.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman betoogd dat veel verklaringen in het dossier onbetrouwbaar zijn. Verdachte, die goede reden had bang te zijn voor [slachtoffer], heeft niet gehandeld met voorbedachte raad, maar in een plotselinge gemoedsopwelling. Bovendien was geen sprake van opzet op het doden van [slachtoffer].

Mocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komen van feit 1, dan moet verdachte worden ontslagen van rechtsvervolging omdat sprake was van een noodweersituatie. Verdachte moest zich verdedigen tegen [slachtoffer]. Mogelijk is verdachte daarbij te ver gegaan en komt hem een beroep toe op noodweerexces. Als de rechtbank ook dat niet aannemelijk acht, moet verdachte worden ontslagen van rechtsvervolging op grond van zogenaamd putatief noodweer.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het geven van een kopstoot door verdachte aan [slachtoffer] niet zonder meer de aanmerkelijke kans meebrengt dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Daarmee ontbreekt het opzet bij verdachte op het toebrengen van dat type letsel. Verdachte moet om die reden van dit feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman zich gedeeltelijk gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Niet bewezen kan worden dat verdachte een pistool voorhanden heeft gehad. Wél is er voldoende bewijs dat verdachte een revolver en twee kogels van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Aan de orde is een schietincident in Weert in de nacht van 14 op 15 maart 2014. Daarbij is [slachtoffer] in de schouder geraakt door een kogel. In het ziekenhuis is de kogel operatief verwijderd uit het lichaam van [slachtoffer], in beslag genomen en vervolgens onderzocht door het NFI.2 Kort samengevat luidt de conclusie van het NFI dat de kogel afgevuurd kan zijn door een revolver van het merk Nagant.3 [slachtoffer] heeft aangifte gedaan tegen verdachte en verklaard dat verdachte gericht op hem heeft geschoten en hem in de schouder heeft geraakt.4

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij met een revolver op het bovenlichaam van [slachtoffer] heeft geschoten. Daarmee is er dus genoeg wettig bewijs om vast te stellen dat verdachte met een vuurwapen op [slachtoffer] heeft geschoten en hem daarbij heeft geraakt.

De vraag die voorligt is echter of verdachte met opzet heeft gehandeld en met voorbedachte raad. Aan het schieten is namelijk het een en ander voorafgegaan, waaruit de officier van justitie afleidt dat verdachte niet vanuit een plotselinge gemoedsopwelling heeft gehandeld, terwijl verdachte juist het tegenovergestelde beweert.

De rechtbank zal hier nader op ingaan en uiteenzetten waarom zij tot een bewezenverklaring komt van een poging tot moord op [slachtoffer]. De rechtbank zal daarna de feiten 2 en 3 bespreken.

Feit 1 Poging moord of poging doodslag?

Om te kunnen beoordelen welk misdrijf het feit oplevert is op de eerste plaats van belang of sprake is geweest van opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op de dood van [slachtoffer]. Opzet is immers een zelfstandig bestanddeel van de delicten moord en doodslag en staat los van het bestanddeel voorbedachte raad.

Verdachte en de raadsman hebben betwist dat verdachte heeft gehandeld met opzet. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij twee keer op [slachtoffer] heeft geschoten, omdat [slachtoffer] op hem af bleef lopen en verdachte bang voor hem was. Een keer schoot verdachte in de lucht en een keer gericht op de schouder om [slachtoffer] uit te schakelen. Daarna is verdachte weggegaan. Verdachte was naar eigen zeggen beslist niet uit op de dood van [slachtoffer].

Volgens de raadsman is verdachte een geoefend schutter. Verdachte schoot gericht vanuit stilstand en wist hij wat hij deed. De kans dat [slachtoffer] dodelijk gewond zou raken door het schot in de schouder is daarom niet aanmerkelijk te noemen, omdat zich op die plaats in het lichaam geen vitale organen bevinden. Er was dus niet alleen geen sprake van boos opzet, maar ook geen sprake van voorwaardelijk opzet, aldus de raadsman.

De rechtbank volgt deze redenering niet. Zelfs als aangenomen wordt dat verdachte op het moment van schieten stil heeft gestaan – hetgeen uit zijn eigen verklaringen niet naar voren komt – blijft de omstandigheid dat [slachtoffer] juist in beweging was. Verder kan, zoals hierna nog aan de orde komt, niet gezegd worden dat verdachte kalm was en bovendien had hij alcohol gedronken. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij zeker tien glazen bier op had en twee shotjes.5

Het schieten op het bovenlichaam brengt naar het oordeel van de rechtbank hoe dan ook het aanmerkelijke risico mee dat het slachtoffer geraakt wordt in de hals, het hoofd of in de longen. De officier van justitie heeft ook naar voren gebracht dat zich in de schouder slagaderen bevinden. Een betrekkelijk kleine afwijking van een schot op de schouder volstaat om vitale delen in het lichaam te raken, terwijl de kans daarop alleen maar toeneemt als de schutter geëmotioneerd is en alcohol gedronken heeft en het slachtoffer beweegt. Om nog maar te zwijgen van de omstandigheid in de onderhavige zaak dat het donker was toen het incident zich afspeelde en verdachte naar eigen zeggen niet goed zag omdat zijn oog opgezwollen was.6

Derhalve is er gehandeld met opzet op de dood, op zijn minst omdat verdachte door onder genoemde omstandigheden te schieten op het bovenlichaam de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] dodelijk zou worden getroffen. Dat betekent dat in ieder geval een poging tot doodslag bewezen kan worden verklaard.

Maar er is meer. De toedracht van het schietincident is voor de rechtbank zodanig geweest dat van voorbedachte raad gesproken kan worden, dat wil zeggen van een voornemen bij verdachte om op [slachtoffer] te schieten en van een ruime gelegenheid voor verdachte om van dat voornemen af te zien, die hij niet heeft benut.

De toedracht

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat er al vier jaar spanningen tussen hem en [slachtoffer] waren vanwege een hennepplantage die zij samen hadden geëxploiteerd. [slachtoffer] stond erom bekend dat hij wapens had en had een bekende van verdachte eerder ernstig mishandeld. In de nacht van 15 maart 2014 kwamen verdachte en [slachtoffer] elkaar tegen in café [naam café] in Weert en de spanning liep bij verdachte zo hoog op dat hij een kopstoot gaf aan [slachtoffer], waarop [slachtoffer] verdachte heeft geslagen.

Vervolgens verlieten beiden afzonderlijk van elkaar het café en is verdachte naar huis gegaan. Verdachte was boos. [slachtoffer] bleef hem opbellen om hem uit te dagen en te bedreigen.7

Toen verdachte vernam dat [slachtoffer] op weg was naar de wijk [naam wijk] waar verdachte woont, vreesde verdachte voor de veiligheid van zijn vriendin, zijn broer en van hemzelf. Hij heeft een wapen van zolder gepakt, dat vervolgens door zijn broer [broer verdachte] werd afgenomen, waarna verdachte opnieuw naar zolder is gegaan om een ander wapen, een revolver, te pakken. Om te voorkomen dat [slachtoffer] bij zijn huis zou komen, is verdachte naar buiten gegaan en heeft hij om de hoek staan kijken wat er zou gebeuren.

Verdachte en [slachtoffer] zijn op elkaar afgelopen, waarna verdachte twee keer heeft geschoten, waarvan een keer gericht, omdat [slachtoffer] op hem af bleef komen.

De verklaring van verdachte wordt op onderdelen ondersteund door de verklaring van [broer verdachte]. [broer verdachte] wist van de spanningen tussen verdachte en [slachtoffer] en heeft gezien dat verdachte aan [slachtoffer] een kopstoot gaf en dat [slachtoffer] verdachte sloeg.8 [broer verdachte] heeft ook verklaard dat hij contact met [slachtoffer] had, dat [slachtoffer] bedreigingen uitte en aangaf dat hij de confrontatie zocht met verdachte en dat hij daarvoor naar de wijk [naam wijk] zou komen. [broer verdachte] heeft dit aan verdachte doorgegeven en vervolgens gezien dat [slachtoffer] en verdachte op elkaar afliepen. [broer verdachte] hoorde twee schoten.9

De gemoedstoestand van verdachte kort na het incident in café [naam café] was allerminst kalm. Dat blijkt niet alleen uit zijn eigen verklaring (boosheid en angst), maar ook uit die van [broer verdachte]: “[verdachte] was helemaal opgefokt en boos. We moesten hem echt met vier man vasthouden.”8 [broer verdachte] nam verdachte van het café mee naar de woning in [naam wijk] alwaar verdachte volgens [broer verdachte] paniekerig was. [broer verdachte] nam een wapen van verdachte af “om te voorkomen dat er iets geks gebeurde.”10 [broer verdachte] heeft daarna niet gemerkt dat zijn broer een ander wapen had gepakt.

De door [broer verdachte] beschreven opgefoktheid van verdachte werd ook waargenomen door verbalisanten die hem, kort na het incident in café [naam café], op straat aantroffen. Verdachte zei op agressieve toon: “Er is niets gebeurd, ik los het zelf wel op, er gaat bloed vloeien.”11

Deze uitlatingen en het gedrag van verdachte duiden erop dat hij niet van plan was de zaak te laten rusten, maar dat hij van plan was zijn spanningen met [slachtoffer] met geweld op te lossen. De uitlatingen duiden er verder niet op dat bij verdachte op dat moment angst voor (de dreiging van de kant van) [slachtoffer] de overheersende factor was. Als dat zo zou zijn geweest dan had het voor de hand gelegen dat hij de hulp van de politie zou hebben ingeroepen. Ook de verklaring van [broer verdachte] bij de politie bevat niets over angst van verdachte. [broer verdachte] spreekt wel over paniekerigheid bij verdachte in de woning en dat hij zelf bang was dat het uit de hand zou lopen, maar [broer verdachte] verklaart ook dat hij met de broer van [slachtoffer] ter plaatse heeft besproken “dat [slachtoffer] en [verdachte] het samen maar uit moesten vechten en dat ze elkaar maar de kop in sloegen en daarna een hand zouden geven.”12 Daaruit maakt de rechtbank op dat ook [broer verdachte] het gedrag van zijn broer niet primair inschatte als een door angst gedreven handelen.

De rechtbank concludeert dus dat woede bij verdachte overheerste. Verdachte gaf er, toen hij weer thuis was, geen blijk van dat zijn woede afnam en dat hij de zaak wilde laten de-escaleren, maar juist dat hij de weg van de escalatie koos door met gebruikmaking van een vuurwapen het conflict te willen beslechten. Toen hem het ene wapen werd afgenomen ging hij een ander halen. In combinatie met de opmerking dat er bloed zou gaan vloeien, levert dat op dat verdachte er niet op uit was om fysiek te vechten met [slachtoffer], maar om met een vuurwapen de uitkomst van het treffen zeker in zijn voordeel te beslechten en wel met het risico van overlijden van [slachtoffer]. Dat er een dreiging uitging van [slachtoffer], speelt daarbij wel een rol, maar die dreiging acht de rechtbank niet doorslaggevend.

Uit de verklaringen in het dossier komt weliswaar naar voren dat [slachtoffer] eveneens opgefokt was en de rechtbank neemt aan dat [slachtoffer] telefonisch bedreigingen richting verdachte heeft geuit, maar dat weerhield verdachte niet. In tegendeel, verdachte sprak met [slachtoffer] af in [naam wijk]. Dat laatste blijkt niet alleen uit de verklaringen van [broer verdachte] en [slachtoffer], maar ook uit de verklaring van verdachte zelf bij de politie. Verdachte heeft immers bij de politie verklaard: “We hadden op een gegeven moment telefonisch contact en ik wilde niet dat [slachtoffer] naar mijn woning zou komen. Ik heb toen voorgesteld dat we elkaar bij het keetje (de rechtbank: i.e. in [naam wijk]) zouden treffen.”13 Verdachte is op deze verklaring teruggekomen, maar de rechtbank heeft geen argumenten aangetroffen waarom de politie uitgerekend deze ene zin ten onrechte uit de mond van verdachte zou hebben opgetekend in het proces-verbaal van verhoor, dat ook door verdachte is ondertekend.

Verdachte heeft dus het conflict met [slachtoffer] bewust opgezocht. Op geen enkel moment heeft verdachte gekozen voor de-escalatie of besloten de hulp van de politie in te roepen, terwijl dat erg voor de hand zou hebben gelegen in het licht van zijn stelling dat er reden was om te vrezen voor zijn eigen veiligheid en die van anderen.

De conclusie luidt dan ook dat verdachte het voornemen had om op [slachtoffer] te schieten en dat verdachte, voorzien van een vuurwapen, [slachtoffer] bewust is gaan opzoeken om vervolgens op diens bovenlichaam een kogel af te vuren. Dat dat gebeurde onder invloed van een gemoedsopwelling is duidelijk, maar dat sluit voorbedachte raad in dit geval niet uit. Deze gemoedsopwelling, waarin de boosheid van verdachte overheerste, kan immers niet plotseling (ogenblikkelijk) genoemd worden: zij ontstond niet pas in [naam wijk], maar al bij de ontmoeting in het café en duurde voort tot het treffen in [naam wijk]. In de tussentijd was er ruim gelegenheid voor verdachte om een andere oplossing te kiezen, maar dat heeft hij niet gedaan. Er is derhalve sprake geweest van voorbedachte raad en van een poging tot moord op [slachtoffer]. De rechtbank zal feit 1 primair bewezen verklaren.

De rechtbank acht dus niet aannemelijk dat sprake is geweest van een plotselinge wijziging in de gemoedstoestand bij verdachte, zodanig dat het voornemen om te schieten pas ontstond en werd uitgevoerd in een “split second”, wat in de weg zou staan aan een bewezenverklaring van voorbedachte raad, zoals de raadsman heeft aangevoerd.

Ook ziet de rechtbank geen andere zogenaamde contra-indicaties ten aanzien van de voorbedachte raad. Zo is de rechtbank er niet van overtuigd dat verdachte eerst een waarschuwingsschot heeft gelost, nu zij gelet op de eerder door haar aangeduide omstandigheden niet gelooft dat verdachte als een trefzeker schutter handelde. De verklaringen van anderen zijn op dit punt niet eenduidig om een waarschuwingsschot als een harde contra-indicatie aan te nemen.

Tot slot is er van de zijde van verdachte aangevoerd dat er een contra-indicatie voor voorbedachte raad is, omdat er een noodweersituatie bestond, waarin voor verdachte de noodzaak ontstond zich te verdedigen tegen een wederrechtelijke aanranding van zijn lichamelijke integriteit door [slachtoffer]. Het enkele gegeven dat [slachtoffer] op verdachte afliep met de intentie het gevecht met verdachte te hervatten, is echter onvoldoende om noodweer aan te nemen, nu verdachte die confrontatie bewust zelf heeft opgezocht en de dreiging van een wederrechtelijke aanval niet uit het niets is ontstaan in de zin dat verdachte deze niet heeft kunnen voorzien. De rechtbank komt hier nog op terug in paragraaf 5.

De feiten 2 en 3

Van de feiten 2 en 3 zal de rechtbank verdachte vrijspreken. Bij feit 2 zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het enkel geven van een kopstoot is daarvoor onvoldoende, omdat dat niet evident de aanmerkelijke kans meebrengt dat dit type letsel ontstaat. Een eenvoudige mishandeling zou bewezen kunnen worden, maar die is in deze zaak niet ten laste gelegd.

Ten aanzien van feit 3 overweegt de rechtbank het volgende. De wapens waarvan in de verklaringen sprake is, zijn niet aangetroffen. Er is alleen een kogel in beslag genomen die is onderzocht. De conclusie luidt weliswaar dat de kogel afkomstig kan zijn uit een revolver van het merk Nagant, maar het rapport van het NFI vermeldt niet tot welke categorie (vuur)wapens die revolver behoort en evenmin van welke categorie munitie sprake is. Over het pistool is geen enkele nadere informatie over merk of type beschikbaar.

Gelet op de tekst van de verbodsbepalingen in de Wet wapens en munitie betekent dit dat de rechtbank niet tot een volledige bewezenverklaring van dit feit kan komen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1 primair

op 15 maart 2014 in de gemeente Weert ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een revolver een kogel in het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde, de kwalificatie en de strafbaarheid van verdachte

5.1

De strafbaarheid

De rechtbank heeft bij haar bewijsoverwegingen al kort aangestipt dat zij van oordeel is dat er geen noodweersituatie was. Het enkele gegeven dat verdachte bang was voor [slachtoffer] en dat [slachtoffer] op verdachte afliep, is onvoldoende om aan te nemen dat voor verdachte de noodzaak bestond zich met een vuurwapen te verdedigen tegen een (dreigende) wederrechtelijke aanranding van zijn lichamelijke integriteit of die van anderen door [slachtoffer]. De beschrijving door verdachte van eerder agressief gedrag van [slachtoffer] jegens iemand anders en van diens slechte reputatie acht de rechtbank te vaag en algemeen om als onderbouwing van het verweer te kunnen dienen. Bovendien heeft de officier van justitie meegedeeld dat [slachtoffer] van die beschuldiging is vrijgesproken.

Het enkele gegeven dat [slachtoffer] op verdachte afliep, brengt in deze zaak nog geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding mee die het handelen van verdachte zou rechtvaardigen. Die conclusie wordt voor de rechtbank niet anders als zij rekening houdt met het gegeven dat [slachtoffer] en verdachte eerder die nacht met elkaar in gevecht waren geraakt en dat [slachtoffer] voornemens was het gevecht te hervatten. In beginsel is er dan sprake van een dreigende wederrechtelijke aanranding, maar een beroep daarop komt verdachte niet toe, omdat hij bewust deze verdere confrontatie heeft opgezocht. Voorafgaand was er immers ruim de gelegenheid voor verdachte een alternatief te kiezen en hulp in te schakelen. Verdachte voorzag dat [slachtoffer] met hem wilde vechten en sprak daartoe met hem af bij het keetje in [naam wijk], waar hij naar toe ging met een revolver in zijn zak. De mogelijkheid om een alternatief te kiezen heeft verdachte bewust terzijde geschoven. De rechtbank verwerpt derhalve het beroep op noodweer. Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare misdrijf op:

Feit 1 primair

poging tot moord

5.3

De strafbaarheid van verdachte

Omdat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of verdachte verontschuldigbaar te ver zou zijn gegaan bij een noodzakelijke verdediging (noodweerexces). Ook het beroep op putatief noodweer verwerpt de rechtbank.

Deze strafuitsluitingsgrond zou aan de orde zijn als verdachte zich in de feitelijke situatie zozeer vergist heeft dat hem geen verwijt van zijn handelen kan worden gemaakt. Gelet op het gegeven dat verdachte bewust gewapend de confrontatie met [slachtoffer] is aangegaan, is dat niet aan de orde. De verdachte is daarom strafbaar voor het bewezenverklaarde nu er ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte opheft.

6 De oplegging van straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf van 8 jaren op te leggen. De officier van justitie vindt het schokkend dat verdachte zo (relatief) gemakkelijk naar een wapen grijpt en een weerloos slachtoffer neerschiet. In het voordeel van verdachte heeft de officier van justitie meegewogen dat verdachte een in zijn ogen relatief beperkt strafblad heeft. Ook heeft de officier van justitie rekening gehouden met de rol van het slachtoffer, die immers ook de confrontatie bleef zoeken. Aan de feiten 2 en 3 heeft de officier van justitie geen extra gewicht toegekend, omdat deze feiten qua ernst verbleken in verhouding tot de ernst van feit 1.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht een straf op te leggen die past bij een poging tot zware mishandeling, indien zij tot een bewezenverklaring zou komen en verdachte strafbaar zou achten. De raadsman heeft verwezen naar een eerdere uitspraak van de rechtbank Limburg in een vergelijkbare zaak, waarin een verdachte een kogel in de knie van het slachtoffer heeft geschoten. In die zaak werd een gevangenisstraf van 24 maanden opgelegd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit. Indien het feit tot de dood van [slachtoffer] zou hebben geleid, dan zou als vertrekpunt voor de strafoplegging een gevangenisstraf van aanzienlijk meer dan 10 jaren aan de orde kunnen zijn. Verdachte heeft geprobeerd eigenmachtig op een gewelddadige manier een lang slepend conflict te beslechten, dat fataal had kunnen aflopen. Het conflict vond kennelijk zijn oorsprong in criminele activiteiten van verdachte. Op geen enkel moment heeft hij laten zien dat hij ervan doordrongen is dat hij dus vaker volstrekt verkeerde keuzes maakt. Daarvan getuigen ook de 6 pagina’s justitiële documentatie die verdachte op zijn naam heeft staan. Eerdere ambulante hulpverlening is door hem niet voltooid, omdat hij zich volgens de reclassering terugtrekt uit de behandeling als het niet gaat zoals hij wil.

De verkeerde keuzes van verdachte bestaan derhalve niet alleen uit het telen van hennep, waarvoor verdachte in 2011 is veroordeeld, maar ook uit het aanschaffen van illegale wapens waarmee verdachte vervolgens voor eigen rechter speelt. Daarmee geeft hij blijk van een groot gebrek aan normbesef.

Het eigenmachtig handelen van verdachte is onaanvaardbaar in onze samenleving. Voor de rechtbank is helder dat niet volstaan kan worden met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van lange duur. De op te leggen straf dient daarbij niet alleen verdachte te doordringen van de strafwaardigheid van zijn gedrag, maar ook om anderen ervan te weerhouden een vuurwapen te gebruiken.

Verder moeten in de straf de gevolgen worden meegewogen die het feit voor het slachtoffer heeft meegebracht. [slachtoffer] heeft in zijn slachtofferverklaring aangegeven dat hij nog steeds aanzienlijke fysieke en psychische gevolgen ervaart van het feit, terwijl verdachte hiervoor geen verantwoordelijkheid lijkt te voelen. Het slachtoffer heeft in beginsel geen fraaie rol gespeeld in het geheel, maar die rol staat niet in verhouding tot de ernst van het handelen van verdachte en is geen aanleiding voor de rechtbank om de straf te verminderen.

Enige matiging is op zijn plaats, omdat verdachte niet eerder is veroordeeld voor ernstige geweldsmisdrijven en de meeste feiten op zijn strafblad van oudere datum zijn.

Alles afwegend rechtvaardigt de ernst van het feit de oplegging van de straf zoals gevorderd door de officier van justitie. Dat wordt niet anders door het feit dat de rechtbank verdachte van de feiten 2 en 3 vrij zal spreken, nu ook de officier van justitie deze feiten niet bij zijn eis heeft betrokken.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert ter zake van feit 1 een schadevergoeding van € 7.541,50, waarvan € 6.000,- voor geleden immateriële schade (smartengeld). Daarnaast vordert de benadeelde partij een vergoeding van een bedrag van € 2.420,- voor kosten rechtsbijstand.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden en dat verdachte voor deze schade aansprakelijk is.

De vordering kan echter niet geheel worden toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier blijkt dat de broek die het slachtoffer droeg niet beschadigd is. Deze broek is in het onderzoek door de politie in beslag genomen en kan gewoon aan het slachtoffer worden geretourneerd.

De overige kledingstukken zijn onherstelbaar beschadigd geraakt door de kogel. Dit is duidelijk te zien op de foto’s in het dossier. De onderbouwing van het schadebedrag met bonnen roept vragen op, maar desalniettemin acht de rechtbank de gevorderde bedragen redelijk en billijk. Ten aanzien van de post schoenen is de vordering niet betwist door verdachte, waarmee de vordering voor toewijzing gereed ligt.

De hoogte van het toe te kennen bedrag aan smartengeld zal de rechtbank matigen, omdat zij moet vaststellen dat het slachtoffer een verwijtbare rol heeft gespeeld in de escalatie van het conflict tussen hem en verdachte. Wat de rechtbank betreft had hij na het incident in café [naam café] de zaak moeten laten rusten. Het slachtoffer heeft er uiteraard niet om gevraagd beschoten te worden, maar heeft wel bewust een verdere confrontatie met de verdachte gezocht en dat is reden om naar redelijkheid en billijkheid de immateriële schade vast te stellen op een lager bedrag, groot € 4.000,-.

De rechtbank zal dan ook een schadevergoeding toekennen van in totaal € 5.199,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2014. Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen.

Ook volgt een veroordeling van de verdachte in de kosten van de benadeelde partij op basis van het liquidatietarief voor kantonzaken. Gelet op het toe te wijzen bedrag komt dan een bedrag van € 500,- voor vergoeding in aanmerking (twee punten maal € 250,-).

8 Het beslag

In het onderzoek zijn een geluidsdemper en een pompstok in de woning van verdachte in beslag genomen. De rechtbank zal de onttrekking aan het verkeer van deze goederen gelasten, nu zij het ongecontroleerde bezit ervan in strijd acht met de Wet wapens en munitie. Het zijn immers hulpstukken die bestemd zijn voor vuurwapens.

De kledingstukken van het slachtoffer die ten behoeve van het onderzoek in de zaak in beslag zijn genomen, zullen aan hem worden teruggegeven.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36b, 36d, 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

De dagvaarding

- verklaart de dagvaarding nietig voor zover de tenlastelegging onder 1 primair en 1 subsidiair de zin “en/of een kogel in het hoofd van die [slachtoffer] heeft willen schieten” bevat;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    veroordeelt de verdachte ter zake van feit 1 primair om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer], domicilie kiezende te 's-Hertogenbosch, Havensingel 8, te betalen een bedrag van € 5.199,- (zegge: vijfduizendeenhonderdnegenennegentig euro), waarvan € 4.000,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2014 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige af;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 500,-;

  • -

    legt aan verdachte ter zake van feit 1 primair de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 60 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2014;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer] vervalt en omgekeerd;

Beslag

- verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

2 1.00 STK Geluidsdemper 439675 AAGS4661NL

3 2.00 STK pompstok 439678 AAGS4660NL

- gelast de teruggave aan [slachtoffer] van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

4 1.00 STK Vest, G-STAR sweater, 440268 AAGS4663NL

5 1.00 STK Trui Kl: grijs, 440269 AAGS4664NL

6 1.00 STK Broek, REPLAY, 440270 AAGS4662NL.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. J.H. Klifman en mr. G. Demmink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 december 2014.

Buiten staat

Mr. Demmink en mr. Kuster zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in (de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van) het in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde verbalisant van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal (verloop onderzoek), genummerd 2014022775 d.d. 28 april 2014 en de als bijlagen daarbij gevoegde processen-verbaal en schriftelijke bescheiden, alle wettige bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering. Voor zover het gebruikte bewijsmiddel niet opgenomen is in de doornummering, wordt daarvan in de voetnoten melding gemaakt.

2 Kennisgeving van inbeslagneming, niet opgenomen in de doornummering, vermeldende het goednummer PL233R-2014022775447270 en het spooridentificatienummer (SIN) AAGZ7232NL betreffende een kogelpunt verwijderd uit het lichaam van [slachtoffer].

3 Het deskundigenrapport Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Weert op 15 maart 2014, van 27 juni 2014 van B. Jacobs, NFI-deskundige wapens en munitie, niet opgenomen in de doornummering, paragraaf 5, conclusie onder vraag 1 en vraag 2 o.v.v. SIN AAGZ7232NL.

4 Proces-verbaal aangifte d.d. 17 maart 2014, dossierpagina134, midden van de pagina.

5 Proces-verbaal verhoor verdachte, dossierpagina 43, tweede helft.

6 Proces-verbaal verhoor verdachte, dossierpagina 55, midden van de pagina.

7 Ter terechtzitting heeft verdachte niet over bedreigingen verklaard, dit is weergegeven in het proces-verbaal verhoor verdachte, dossierpagina 44, tweede helft.

8 Het proces-verbaal verhoor verdachte, dossierpagina 82, tweede helft.

9 Het proces-verbaal verhoor verdachte, dossierpagina’s 84 en 85.

10 Het proces-verbaal verhoor verdachte, dossierpagina 83, tweede helft.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 154, laatste alinea.

12 Proces-verbaal verhoor verdachte, dossierpagina 85, eerste helft.

13 Dossierpagina 62, eerste helft.