Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:10716

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2160u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eiseres wenst een verhoging van haar WOZ-waarde. Dat is ook in bezwaar aangevoerd. Verweerder heeft in bezwaar echter de WOZ-waarde zelfs verlaagd. Eiseres is van mening dat indien de waarde van haar woning hoger zou zijn vastgesteld, openbare verkoop niet mogelijk was geweest en in elk geval de verkoopprijs ten tijde van de openbare verkoop van de woning ook hoger zou zijn geweest. Daardoor zou eiseres een lagere restschuld hebben overgehouden dan nu het geval is. Ter zitting is met partijen stil gestaan bij de vraag of eiseres met haar beroep een hogere WOZ-waarde kan bewerkstelligen. De rechtbank beantwoord die vraag ontkennend. Ook indien de rechtbank het beroep gegrond zou achten, zou de door eiseres gestelde juiste waarde, die hoger is dan de door verweerder bij het primaire besluit en de uitspraak op bezwaar bepaalde waarde, niet de uitkomst van deze procedure kunnen zijn. Het beroep van eiseres is vervolgens ongegrond geacht met als gevolg dat het bestreden besluit in stand blijft en de in bezwaar verlaagde waarde niet alsnog wordt verhoogd tot de oorspronkelijke waarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/2160

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te Sittard, eiseres

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Sittard-Geleen, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Hilkens en G. van den Hombergh).

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres onroerende zaak] (de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2013 vastgesteld op € 131.000 voor het belastingjaar 2014. Tevens is bij voornoemd besluit aan eiseres opgelegd een watersysteemheffing ten bedrage van € 27,25, een afvalstoffenheffing ten bedrage van € 158,28 en een zuiveringsheffing ten bedrage van € 48,52.

Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 20 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres (deels) gegrond verklaard en de waarde van de onroerende zaak verlaagd van € 131.000 naar € 121.000. Tevens heeft verweerder de watersysteemheffing verlaagd met € 2,08 tot € 25,17, de afvalstoffenheffing verlaagd met € 118,71 tot € 39,57 en de zuiveringsheffing verlaagd met € 36,39 tot € 12,13.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep van eiseres is gericht tegen de WOZ-waarde.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2014 alwaar eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres was ten tijde, relevant voor het belastingjaar 2014, nog eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak [adres onroerende zaak]. De betreffende woning is in de loop van maart 2014 openbaar verkocht.

2. Eiseres is van mening dat de vastgestelde waarde te laag is. Eiseres heeft ter zitting

- zakelijk weergegeven - aangevoerd dat zij de onroerende zaak in 2005 heeft gekocht voor € 130.500. Dit bedrag is exclusief een huurderskorting ad € 14.000. Volgens eiseres had verweerder om die reden uit moeten gaan van een aankoopprijs van € 144.500 en niet van

€ 130.500. Daarnaast is de aanbouw die eiseres heeft laten bouwen niet ingeschreven in het kadaster, waardoor deze volgens haar ten onrechte niet is meegenomen bij de waardebepaling. De rechtbank heeft de toelichting van haar beroep door eiseres ter zitting aldus begrepen dat indien de waarde van de onroerende zaak hoger zou zijn vastgesteld, ook overigens in eerdere belastingjaren, openbare verkoop niet mogelijk was geweest en in elk geval de verkoopprijs ten tijde van de openbare verkoop van de woning ook hoger zou zijn geweest. Daardoor zou eiseres een lagere restschuld hebben overgehouden dan nu het geval is.

3. De rechtbank overweegt dat eiseres met haar beroep een verhoging van de WOZ-waarde wenst te bewerkstelligen. Naar het oordeel van de rechtbank is de kwestie van de verkoop van de woning en de opbrengst daarvan echter geen via een procedure tegen de WOZ-waarde te beschermen belang. Eiseres heeft ter zitting overigens ook aangegeven dat daarover andere procedures hebben gelopen dan wel overwogen wordt die nog te starten. Dat een hogere WOZ-waarde voor eiseres tot een verslechtering in (financiële) zin zal leiden, is eiseres, zoals zij ter zitting verklaarde en ook uitdrukkelijk met haar is besproken, duidelijk. Dat was voor haar echter geen reden om haar beroep niet te handhaven. Vervolgens overweegt de rechtbank dat derhalve de vraag resteert of eiseres met haar beroep, niettegenstaande het hiervoor ten aanzien van het belang van eiseres bij deze procedure overwogene, een hogere WOZ-waarde kan bewerkstelligen. Die vraag wordt door de rechtbank ontkennend beantwoord. Ook indien de rechtbank het beroep gegrond zou achten, zou de door eiseres gestelde juiste waarde, die hoger is dan de door verweerder bij het primaire besluit en de uitspraak op bezwaar bepaalde waarde, niet de uitkomst van deze procedure kunnen zijn. Een gegrondverklaring van haar beroep zou immers tot een vernietiging van de uitspraak op bezwaar leiden. Vervolgens zou de rechtbank het bezwaar moeten beoordelen en dan moeten concluderen dat verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk zou hebben moeten verklaren. Uit het bepaalde in artikel 27 van de Wet WOZ vloeit immers voort dat een dergelijke verhoging slechts mogelijk is bij een voor bezwaar vatbare beschikking en niet via een bezwaarprocedure teneinde te voorkomen dat rechtsbeschermingsmogelijkheden verloren gaan. Derhalve kan een verhoging van een WOZ-waarde niet bewerkstelligd worden met een bezwaar tegen die WOZ-waarde. Nu het beroep van eiseres niet tot het door haar gewenste resultaat kan leiden, ziet de rechtbank aanleiding het beroep van eiseres ongegrond te verklaren.

4. Op grond van de conclusie dat verweerder, gelet op de strekking van het bezwaar dat bezwaar in feite niet-ontvankelijk had moeten verklaren, ziet de rechtbank aanleiding verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep te veroordelen.

Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 10,00 zijnde de reiskosten van eiseres (op basis van kosten openbaar vervoer 2e klas). De rechtbank zal verweerder tevens om de voornoemde reden veroordelen tot het terugbetalen van het door eiseres betaalde griffierecht ad € 45.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van de beroepsprocedure welke worden bepaald op € 10,00 (zijnde de reiskosten per openbaar vervoer), te betalen aan eiseres;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45, aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.H. Machiels, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Haddoumi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2014.

w.g. S. Haddoumi,

griffier

w.g. F.H. Machiels,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 december 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.