Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:10712

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
C/03/198106 / KG ZA 14/614
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot het weer toelaten van eiser als lid en bestuurder van een schietsportvereniging. Bestuurderschap van eiser niet rechtsgeldig beëindigd door opzegging door de meerderheid van het bestuur van eisers lidmaatschap van de vereniging. Uitleg statuten. Ongeoorloofd passeren van de algemene vergadering, die bevoegd is ten aanzien van benoeming en ontslag van bestuurders. Eiser moet weer worden toegelaten, tenzij diens (bestuurs)lidmaatschap alsnog in overeenstemming met de statuten wordt beëindigd. Art. 2:8, 2:14, 2:15 en 2:37 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0450
TvS&R 2014, afl. 4, p. 102
AR 2014/956
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/198106 / KG ZA 14/614

Vonnis in kort geding van 10 december 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonend te [woonplaats],

eiser,

advocaat: mr. M.J. Mookhram,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

SCHIETSPORTVERENIGING “A-TEAM”,

gevestigd te Kerkrade,

gedaagde,

advocaat: mr. E.G.W. Hendriks.

1 De procedure

1.1.

Eiser heeft gedaagde bij exploot van 5 augustus 2013 doen dagvaarden in kort geding. Het kort geding is behandeld ter zitting van 27 november 2014, alwaar de advocaten de zaak hebben bepleit aan de hand van pleitnotities en hebben verwezen naar op voorhand overgelegde producties.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 Het geschil

2.1.

Eiser is in 2006 lid geworden van gedaagde. In 2013 is hij toegetreden tot het bestuur van gedaagde. Begin 2014 is een conflict ontstaan tussen eiser (en de zijnen) en eisers medebestuurslid [naam medebestuurslid] (en de zijnen). Dit conflict is in de daarop volgende maanden verhevigd. In de algemene ledenvergadering van gedaagde van 18 juli 2014 is besloten tot royement van eiser, waarna het bestuur van gedaagde eiser bij brief van 22 juli 2014 uit zijn lidmaatschap heeft ontzet. Na door eiser ingesteld intern beroep tegen deze ontzetting, heeft het bestuur van gedaagde het ontzettingsbesluit bij brief van 26 augustus 2014 “om haar moverende redenen” ingetrokken. Bij brief van 29 augustus 2014 heeft het bestuur van gedaagde vervolgens het lidmaatschap van eiser opgezegd en hem meegedeeld dat daarmee tevens zijn bestuurslidmaatschap is geëindigd.

2.2.

Door gedaagde is geen gevolg gegeven aan de sommatie van eiser om de opzegging ongedaan te maken en hem weer toe te laten als lid en bestuurslid.

2.3.

Eiser vordert primair, samengevat, dat aan gedaagde wordt verboden uitvoering te geven aan haar besluit tot opzegging van zijn lidmaatschap en dat aan gedaagde wordt bevolen hem weer toe te laten als bestuurder, een en ander totdat in de bodemprocedure over de rechtsgeldigheid van die opzegging zal zijn beslist, op straffe van een dwangsom. Subsidiair vordert eiser een voorziening die de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht.

2.4.

Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3 De beoordeling

3.1.

Eiser legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de opzegging van zijn lidmaatschap door gedaagde in strijd is met de statuten van gedaagde en in strijd is met de door gedaagde en haar bestuur op grond van art. 2:8 lid 1 BW in acht te nemen eisen van redelijkheid en billijkheid. Ook de voorzieningenrechter komt tot dat oordeel.

3.2.

Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Artikel 2:14 lid 1 BW bepaalt onder meer dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon nietig is, indien het in strijd is met de statuten. Artikel 2:15 lid 1 BW bepaalt dat een besluit vernietigbaar is, indien het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist.

3.3.

De statuten van gedaagde bevatten onder meer de volgende bepalingen:

EINDE VAN HET LIDMAATSCHAP (…):

Artikel 5.

1. Het lidmaatschap (…) eindigt door:

a. overlijden;

b. schriftelijke opzegging door het lid (…).

Deze kan te allen tijde en zonder inachtneming van een opzegtermijn geschieden;

c. schriftelijke opzegging namens de vereniging.

Deze kan te allen tijde en zonder inachtneming van een opzegtermijn geschieden door het bestuur wanneer een lid (…) heeft opgehouden te voldoen aan de vereisten door deze statuten voor het lidmaatschap (…) gesteld of wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap (…) te laten voortduren.

d) ontzetting.

Deze kan geschieden door het bestuur wanneer een lid (…) in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt of wanneer een lid (…) de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.

2. Van een besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap (…) staat de betrokkene binnen een maand na de ontvangst van de kennisgeving van het besluitberoep open op een door de algemene vergadering te benoemen commissie van beroep van tenminste drie leden, die geen deel mogen uitmaken van het bestuur.

(…)

BESTUUR:

Artikel 7.

1. Het bestuur bestaat uit een door de algemene vergadering vast te stellen aantal van minimaal drie leden, die door de algemene vergadering uit de leden worden benoemd.

(…)

EINDE BESTUURSLIDMAATSCHAP - (…) - SCHORSING:

Artikel 8.

1. Elk bestuurslid kan te allen tijde door de algemene vergadering worden ontslagen of geschorst. (…)

2. (…)

3. Het bestuurslidmaatschap eindigt voorts:

a. door het eindigen van het lidmaatschap van de vereniging;

b. door bedanken.

3.4.

Zoals ook uit deze statuten blijkt, is de algemene ledenvergadering het belangrijkste orgaan van gedaagde. Deze algemene vergadering benoemt, schorst en ontslaat bestuurders en beslist, via een door haar te benoemen commissie van beroep, in hoogste instantie over de ontzetting door het bestuur van leden. Met de door het bestuur van gedaagde ten aanzien van eiser gevolgde weg en de door gedaagde aangehangen uitleg van de statuten, wordt de algemene vergadering echter gepasseerd op een essentieel punt, te weten het ontslag van een bestuurder. Gedaagde redeneert aldus dat het bestuur (bij meerderheidsbesluit) de bevoegdheid heeft het lidmaatschap van een lid op te zeggen (art. 5 sub c. van de statuten) en dat als gevolg van die beëindiging van het lidmaatschap van de vereniging het bestuurderschap automatisch vervalt (art. 8 lid 3 sub a. van de statuten). Door toepassing van die constructie ten aanzien van eiser, heeft (de meerderheid van) het bestuur zichzelf de facto een bevoegdheid toegedicht - het ontslag van een medebestuurslid - die bij uitstek toekomt aan de algemene vergadering. In de redenering van gedaagde en de uitleg die zij daarbij geeft aan de statuten, wordt de algemene vergadering geheel buiten spel gezet, te meer nu gedaagde kennelijk het standpunt inneemt dat in geval van opzegging van het lidmaatschap - anders dan bij ontzetting - geen beroep openstaat bij de commissie van beroep van de algemene vergadering. Het passeren van de algemene vergadering verhoudt zich ook niet met de regel van art. 2:37 lid 6 BW dat het orgaan dat een bestuurslid heeft benoemd te allen tijde tot diens ontslag kan beslissen.

3.5.

De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande met eiser van oordeel dat een redelijke uitleg van de statuten voor het onderhavige geval meebrengt dat onder “het eindigen van het lidmaatschap van de vereniging” in art. 8 lid 3 sub a. niet mede kan worden begrepen de opzegging door het bestuur zonder daartoe strekkend besluit van de algemene vergadering of zonder bekrachtiging door (de commissie van beroep van) de algemene vergadering.

3.6.

Het voorgaande brengt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mee dat geen sprake is van een rechtsgeldige beëindiging van het bestuurderschap van eiser. De vraag in hoeverre de door het bestuur van gedaagde gebezigde opzeggingsgronden valide zijn, hetgeen eiser bestrijdt, kan daarbij in het midden blijven. Van omstandigheden op grond waarvan de toepassing van de statutaire regeling over ontslag van bestuurders in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 2:8 lid 2 BW), is in ieder geval niet gebleken.

3.7.

De door eiser in dit kort geding gevraagde voorzieningen, waarbij eiser voldoende spoedeisend belang heeft, komen neer op een verbod gevolgen te verbinden aan de door het bestuur van gedaagde beoogde beëindiging van het lidmaatschap en bestuurderschap van eiser. In beginsel zijn deze voorzieningen toewijsbaar.

3.8.

De primaire vorderingen van eiser zullen evenwel niet onverkort worden toegewezen. De voorzieningenrechter ziet in de belangen van partijen en de (deels gewijzigde) omstandigheden van het geval aanleiding gedaagde eerst in de gelegenheid te stellen haar algemene vergadering alsnog over het bestuurderschap (en lidmaatschap) van eiser te laten besluiten. Het gaat hierbij, samengevat, met name om de volgende belangen en omstandigheden:

- de algemene vergadering heeft zich eerder, op 18 juli 2014, kennelijk uitgesproken voor royement van eiser (waarna de later door het bestuur van gedaagde ingetrokken ontzetting volgde);

- eiser heeft inmiddels een nieuwe schietsportvereniging opgericht, waarvan hij bestuurder is;

- van de aanvankelijk 56 leden van gedaagde is een aantal met eiser meegegaan, waardoor gedaagde nu nog slechts 40 leden heeft;

- uit de over en weer overgelegde verklaringen van (oud-)leden van gedaagde blijkt dat gesproken kan worden van twee tegenover elkaar staande “kampen”: eiser en de zijnen en [naam medebestuurslid] en de zijnen;

- niet aannemelijk is geworden dat eiser zijn wapenvergunning dreigt te verliezen indien hij niet terstond weer als actief (bestuurs)lid van gedaagde kan terugkeren;

- het moet in het belang van beide partijen en in het belang van de leden van gedaagde worden geacht dat (de besluitvorming over) de eventuele terugkeer van eiser als actief (bestuurs)lid van gedaagde ordentelijk verloopt.

3.9.

Beslist zal worden als hierna vermeld. Gedaagde zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding:

4.1.

verbiedt gedaagde uitvoering te geven aan haar besluit tot opzegging van het lidmaatschap van eiser totdat de bevoegde rechter in een bodemprocedure zal hebben beslist over de rechtsgeldigheid daarvan, althans totdat het lidmaatschap van eiser op andere wijze rechtsgeldig is geëindigd;

4.2.

beveelt gedaagde te gehengen en gedogen dat eiser zijn functie als bestuurder van gedaagde ongehinderd zal kunnen uitoefenen onder de voorwaarden zoals opgenomen in de statuten van gedaagde totdat de bevoegde rechter in een bodemprocedure zal hebben beslist over de rechtsgeldigheid van de opzegging van het lidmaatschap van eiser, althans totdat het lidmaatschap van eiser op andere wijze rechtsgeldig is geëindigd;

4.3.

bepaalt dat eiser slechts rechten kan ontlenen aan de beslissingen onder 4.1. en 4.2. indien niet binnen 90 dagen na heden alsnog met inachtneming van de statuten het bestuurderschap en het lidmaatschap van eiser is beëindigd;

4.4.

bepaalt dat gedaagde bij overtreding van het onder 4.1. uitgesproken verbod en/of het onder 4.2. gegeven bevel, indien de onder 4.3. bepaalde termijn is verstreken zonder dat een beëindiging als daar bedoeld heeft plaatsgevonden, een aan eiser te betalen dwangsom verbeurt van (in totaal) € 100,- per dag, met een maximum van € 2.500,-;

4.5.

veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gerezen, tot op heden begroot op € 102,87 aan kosten dagvaarding, € 274,- aan griffierecht en € 816,- voor salaris advocaat;

4.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort en in het openbaar uitgesproken.