Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:10711

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
C/03/197933 / BZ RK 14-1419
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Art.46, lid 2, Wet Bopz; intrekking voorwaardelijk ontslag; beslissing geneesheer-directeur tot intrekking van het daags daarvoor verleend voorwaardelijk ontslag is onrechtmatig. Het door betrokkene beweerdelijk veroorzaakt ontslag is niet komen vast te staan en bovendien biedt de beslissing van de geneesheer-directeur geen inzicht in de door hem als bestuursorgaan te maken belangenafweging. Geen vernietiging nu de uitspraakmodaliteiten van de bestuursrechter niet ter beschikking staan aan de civiele rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum beschikking: 11 november 2014

Zaaknummer: C/03/197933 / BZ RK 14/1419

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven

in de zaak van

[betrokkene],

geboren op [1962],

wonend te [woonplaats], [adres],

verblijvend in de Mondriaan Heerlen.

1 Het procesverloop

Bij brief van 20 oktober 2014 heeft [betrokkene] (hierna: betrokkene) zich tot de officier van justitie gewend met het verzoek bij de rechtbank een verzoek in te dienen teneinde een beslissing van de rechter te verkrijgen over de beslissing van de geneesheer-directeur van 10 september 2014 tot intrekking van het haar op 9 september 2014 verleende voorwaardelijk ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis.

De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, op 27 oktober 2014 ter griffie ingekomen, aan de rechtbank verzocht ter zake een beslissing te nemen.

Bij het verzoekschrift is overgelegd een afschrift van de brief van betrokkene van 20 oktober 2014 en de beslissing van de geneesheer-directeur tot intrekking van het voorwaardelijk ontslag.

De rechtbank heeft het verzoek mondelinge behandeld ter zitting met gesloten deuren van 10 november 2014, waarbij zij heeft gehoord betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, de voor haar behandeling verantwoordelijk psychiater drs. J. Minis en M. Bonnema, sociaalpsychiatrisch verpleegkundige.

2 De beoordeling

Bij beschikking van deze rechtbank van 9 september 2014, zaaknummer C/03/195433 / BZ RK 14-1104, is aan betrokkene, die ingevolge een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling in het psychiatrisch ziekenhuis verbleef, een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) verleend. Blijkens het formulier ‘voorwaardelijk verlof / ontslag’ heeft de voor de behandeling van betrokkene verantwoordelijk psychiater betrokkene nog diezelfde dag ontslag verleend onder de voorwaarden dat (1) betrokkene afspraken met Wijkteam Landgraaf en psychiater nakomt, (2) betrokkene medicatie accepteert en (3) bij gevaarlijk gedrag tot opname wordt overgegaan.

Bij brief van 11 september 2014 heeft de geneesheer-directeur betrokkene bericht dat het haar verleende voorwaardelijk ontslag met ingang van 10 september 2014, één dag na de verlening ervan, is ingetrokken.

De rechtbank stelt voorop dat aan haar, door tussenkomst van de officier van justitie, op de voet van artikel 46, lid 2, Wet Bopz ter beoordeling is voorgelegd het besluit van de geneesheer-directeur van 11 september 2014 tot intrekking per 10 september 2014 van het aan betrokkene verleende voorwaardelijk ontslag als bedoeld in artikel 47 Wet Bopz. Daarmee heeft de officier van justitie uitvoering gegeven aan de aan hem gerichte brief van betrokkene van 20 oktober 2014. Tijdens de mondelinge behandeling heeft betrokkene herhaald dat het haar erom te doen is een oordeel van de rechtbank te krijgen over de rechtmatigheid van de intrekking van het voorwaardelijk ontslag. Betrokkene heeft het aan de rechtbank ter beoordeling voorgelegde geschil aldus uitdrukkelijk beperkt tot een oordeel over de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming die voortvloeide uit de beslissing van de geneesheer-directeur van 10 september 2014. Niet ter beoordeling van de rechtbank staat derhalve de vraag of, beoordeeld naar de ten tijde van de beslissing van de rechtbank geldende feiten en omstandigheden, de vrijheidsbeneming die een gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis met zich brengt, moet voortduren.

Op grond van artikel 46, lid 1 juncto artikel 47, lid 3 van de Wet Bopz trekt de geneesheer-directeur het voorwaardelijk ontslag in, wanneer de uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiende gevaarlijkheid van betrokkene dit noodzakelijk maakt én wanneer het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Voorts kan het voorwaardelijk ontslag worden ingetrokken, wanneer de patiënt de gestelde voorwaarden niet nakomt.

Voorts is voor de beoordeling van deze zaak van belang dat het besluit van de geneesheer-directeur tot intrekking van het voorwaardelijk ontslag moet worden aangemerkt als een ‘besluit’ van een ‘bestuursorgaan’ in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Wanneer de geneesheer-directeur besluit tot intrekking van een voorwaardelijk ontslag geldt bovendien dat hij in zoverre een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1, lid 1, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht. Beroep bij de bestuursrechter staat tegen besluiten van de geneesheer-directeur niet open. Wel zijn de voorschriften voor de totstandkoming van besluiten toepasselijk. Dat betekent dat de geneesheer-directeur als bestuursorgaan op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht gehouden is bij de voorbereiding van door hem te nemen beslissingen als de onderhavige de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de door hem af te wegen belangen. De artikelen 3:46 en 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht brengen bovendien mee dat zijn beslissing dient te berusten op een deugdelijke en voor betrokkene kenbare - en voor de rechtbank toetsbare -motivering.

Uit de beslissing van de geneesheer-directeur van 11 september 2014 blijkt dat het aan betrokkene op 9 september 2014 verleende ontslag daags daarna op 10 september 2014 is ingetrokken. Tot intrekking van het voorwaardelijk ontslag is overgegaan, zo valt in de bestreden beslissing te lezen, ‘omdat uw toestandsbeeld is verslechterd. Hierdoor is gevaar ontstaan voor fysieke en verbale agressie’. De geneesheer-directeur stelt in dat kader te hebben vernomen dat betrokkene op ramen, deuren en brievenbussen sloeg en schreeuwend over straat liep. Kennelijk berust de intrekking van het voorwaardelijk ontslag op overtreding van de voorwaarde dat gevaarlijk gedrag tot opneming moet leiden.

Daarmee staat de rechtbank in deze zaak voor de taak te onderzoeken of deze voorwaarde door betrokkene was overtreden en of een eventuele overtreding de onvrijwillige opneming op 10 september 2014 kon rechtvaardigen.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Voor de intrekking van het voorwaardelijk ontslag heeft de geneesheer-directeur redengevend geacht de informatie die de psychiater Minis hem heeft verstrekt. Hoe die informatie precies luidt en wat de strekking ervan is, blijkt niet uit de beslissing van de geneesheer-directeur. Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek heeft de psychiater Minis verklaard dat hij destijds niet de voor de behandeling verantwoordelijk psychiater van betrokkene was en dat hij betrokkene pas recent als patiënt van een collega heeft overgenomen. Bij de overname is hij ervan uitgegaan ‘dat het allemaal klopte’. Uit het ontslagformulier blijkt dat het voorwaardelijk ontslag niet door Minis is verleend. Betrokkene zelf heeft verklaard dat de geneesheer-directeur haar heeft gezegd dat er weer overlastmeldingen bij de politie zijn binnengekomen. Dat er weer melding van overlast bij de politie zijn binnengekomen is echter niet komen vast te staan. Gelet op de door betrokkene overgelegde brief van de korpschef van politie van 16 oktober 2014 is dat zelfs zeer onwaarschijnlijk. Nu betrokkene voorts gemotiveerd heeft weersproken dat zij op ramen, deuren en brievenbussen sloeg en schreeuwend over straat liep, is het door betrokkene beweerdelijk veroorzaakte ‘gevaarlijk gedrag’ niet met de daarvoor vereiste mate van zekerheid komen vast te staan.

Uit het voorgaande volgt dat de conclusie van de geneesheer-directeur dat het toestandsbeeld van betrokkene is verslechterd en dat daardoor gevaar is ontstaan voor fysieke en verbale agressie niet kan worden gedragen door de daaraan door hem ten grondslag gelegde feiten. Daar komt dan nog eens bij dat overtreding van de voorwaarde dat gevaarlijk gedrag tot opneming leidt, voor de geneesheer-directeur de bevoegdheid impliceert maar niet de verplichting het voorwaardelijk ontslag in te trekken. Die bevoegdheid brengt in het licht van het bepaalde in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht mee dat de geneesheer-directeur gehouden is inzicht te verschaffen in de door hem in dat kader gemaakte afweging van belangen. Dat inzicht biedt de bestreden beslissing van de geneesheer-directeur niet.

Dat alles brengt mee dat de door betrokkene bestreden beslissing van de geneesheer-directeur tot intrekking van het voorwaardelijk ontslag, als onrechtmatig moet worden bestempeld.

Nu titel 8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van overeenkomstige toepassing is verklaard en de verzoekschriftprocedure in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering noch de procedurevoorschriften in de Wet Bopz niet voorzien in een bevoegdheid van de burgerlijke rechter om een besluit van de geneesheer-directeur te vernietigen of gebruik te maken van de andere uitspraakmodaliteiten die het bestuursprocesrecht kent, zal de rechtbank het laten bij de vaststelling dat de door betrokkene aangevochten beslissing van de geneesheer-directeur onrechtmatig is.

3 De beslissing

De rechtbank:

Bepaalt dat het bij de beslissing van de geneesheer-directeur van 11 september 2014 met ingang van 10 september 2014 ingetrokken voorwaardelijk ontslag onrechtmatig is;

Wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, rechter, en uitgesproken op 11 november 2014 in tegenwoordigheid van de griffier..

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.