Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:10710

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
2946127 CV EXPL 14-3972
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot uitbetaling van ‘eindafrekening’ in het kader van een ontslag na nogal onverhoedse aankondiging van vervallen van de administratieve functie lokt (met grote vertraging) een tegenvordering uit.

Werkgever is (achteraf) van oordeel dat werknemer, die naast de receptie de boekhouding deed (al 36 jaar), van die boekhouding (althans het laatste jaar) een ‘chaos’ gemaakt had.

Tegenvordering tot schadevergoeding op te maken bij staat (begroot ‘rond de € 5 000,00’) wegens veronderstelde bewuste roekeloosheid.

Niet voldaan aan strenge / strikte toetsingsmaatstaf van art. 7:661 lid 1 BW.

Voorgeschiedenis en ontbreken van eerdere indicaties maken dat verklaring achteraf van de thans voor de boekhouding ingeschakelde externe consultant vergaand onvoldoende is voor aansprakelijkheid werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-1052
AR 2014/953
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 2946127 CV EXPL 14-3972

Vonnis van de kantonrechter van 10 december 2014

in de zaak

[eiser in conventie, verweerder in reconventie]

wonend te [woonplaats] aan de [adres]

verder ook aan te duiden als “[eiser in conventie, verweerder in reconventie]”

eisende partij in conventie

verwerende partij in reconventie

gemachtigde: mr. P.J.H.C. Glenz, advocaat te Landgraaf

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KGA NETHERLANDS B.V. handelend onder de naam “KOZOLE CHECKSTAR”

gevestigd en kantoorhoudend te (6372 AK) Landgraaf aan de Edisonstraat 23

verder ook aan te duiden als “KGA”

gedaagde partij in conventie

eisende partij in reconventie

mr. P.L.H. Dankers / mr. I.P. Sigmond, advocaat te Landgraaf

De procedure

in conventie

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft KGA bij dagvaarding van 28 maart 2014 in rechte betrokken ter zake van een vordering als omschreven in het exploot van dagvaarding, tegelijk waarmee aan haar directeur [naam directeur] vijf producties in fotokopievorm betekend zijn.

KGA heeft eerst ter rolzitting van 4 juni 2014 schriftelijk geantwoord onder overlegging van één productie.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft vervolgens op 6 augustus 2014 bij repliek kort gepersisteerd en KGA is zich bij dupliek ter rolzitting van 1 oktober 2014 op verrekening blijven beroepen.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak op vandaag gesteld is.

in reconventie

KGA heeft tegelijk met het antwoord in conventie een tegenvordering ingesteld onder verwijzing naar de bij die gelegenheid ingebrachte enige productie en/of naar hetgeen in conventie al gesteld was.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft schriftelijk geantwoord zonder nog nieuwe producties over te leggen.

Partijen hebben daarna achtereenvolgens bij repliek d.d. 1 oktober 2014 respectievelijk bij dupliek d.d. 12 november 2014 de eigen stellingname nader schriftelijk uiteengezet.

Hierna is ook te dien aanzien vonnis bepaald waarvan de uitspraak op vandaag gesteld is.

Het geschil

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] vordert de veroordeling van KGA - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van (‘het netto equivalent van’) € 6 317,62 bruto, te vermeerderen ‘met de wettelijke rente en cumulatief met de maximale wettelijke verhoging’ (ex art. 7:625 BW) met ingang van 5 maart 2014 tot aan de datum van volledige voldoening, alles onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie.

De vordering is opgebouwd uit [eiser in conventie, verweerder in reconventie] toekomend achterstallig (cao)loon, achterstallige vakantiebijslag (‘vakantiegeld’) en de over de periode tot 1 januari 2014 verder nog opgebouwde en niet tot uitbetaling gekomen rechten op vakantiedagen en vakantiebijslag, voortvloeiend uit een arbeidsovereenkomst met KGA en haar directe rechtsvoorgangster die geduurd heeft van 1 september 1977 tot 1 januari 2014 en uit de op die overeenkomst van toepassing zijnde bepalingen van de cao voor het motorvoertuigen- en tweewielerbedrijf.

KGA is bij brieven van 11 december 2013 (afkomstig van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] zelf) en 17 februari 2014 (mr. Glenz) tot betaling aangesproken respectievelijk gesommeerd (in het tweede geval in aangetekende vorm), maar KGA heeft ter zake niet van zich doen horen, heeft niet betaald en heeft buiten rechte evenmin verweer gevoerd.

De vordering in conventie is door KGA naar aard en omvang niet bestreden, doch tegenover het bedrag van € 6 317,62 bruto dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] berekende en tevens betaald wenst(e) te zien, plaatst KGA in rechte een tegenvordering die zij in conventie wenst te doen verrekenen met hetgeen [eiser in conventie, verweerder in reconventie] van haar nog te goed heeft.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] bestrijdt die tegenvordering van KGA gemotiveerd en pertinent.

Aldus is het reconventionele debat in deze procedure bepalend geworden, waar partijen verder niet meer ingegaan zijn op de grondslagen van het in conventie gevorderde noch op de inhoud, opbouw en samenstelling van de diverse onderdelen.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] verweert zich gemotiveerd tegen de tegenvordering van KGA, die - samengevat - het volgende behelst. KGA vraagt om een verklaring van recht dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ‘aansprakelijk is voor de schade van Kozole nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet’, omdat zij van oordeel is dat in zijn functioneren sprake was van ‘wanprestatie met grove roekeloosheid’ die haar schade in de vorm van ‘kosten’ tot een bedrag van € 5 000,00 (begroot of geschat) opgeleverd heeft. Zij grondt die opvatting op de stelling dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] in de uitvoering van één van zijn taken, het verzorgen van de boekhouding van het autobedrijf, ‘ernstige wanprestatie heeft geleverd’ die zij kennelijk rangschikt onder de uitzondering in het ‘tenzij-gedeelte’ van de eerste volzin van art. 7:661 lid 1 BW, althans aanmerkt als ‘bewuste roekeloosheid’. KGA zoekt daartoe steun in de ‘verklaring’ (een niet ondertekend e-mailbericht) d.d. 1 juni 2013 van ene ‘[voornaam huidige boekhouder]’ ([naam huidige boekhouder]) aan ‘[naam directeur]’ over ‘[eiser in conventie, verweerder in reconventie]’ (met wie kennelijk [eiser in conventie, verweerder in reconventie] bedoeld is). De ‘huidige boekhouder’ (KGA doelt hiermee klaarblijkelijk op deze [naam huidige boekhouder]) zou ‘een grote chaos geconstateerd’ hebben en zou tot de conclusie gekomen zijn dat de hele boekhouding over 2013 opnieuw ‘ingevoerd’ moest worden. Voorbeelden daarvan zijn genoemd. Volgens KGA had [eiser in conventie, verweerder in reconventie] - ‘van huis uit boekhouder’- beter moeten weten (althans handelen), eventueel door extra cursussen te volgen, zeker nu hij wist dat de onderneming ‘in zwaar weer’ verkeerde, doch heeft hij desondanks ‘zijn taak ernstig verwaarloosd’.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft daartegenover pertinent betwist dat eventuele fouten of tekorten in de boekhouding terug te voeren zijn op bij hem gelegen bewuste roekeloosheid en heeft in dat verband tevens verwezen naar de diverse - elkaar soms in de weg zittende - taken die hij in dienst van KGA vervulde. Ook wijst [eiser in conventie, verweerder in reconventie] op de restrictieve interpretatie van ‘bewuste roekeloosheid’ in de rechtspraak van de Hoge Raad.

In voortgezet debat hebben partijen nog gekibbeld over hetgeen tot de taken van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] behoorde, over de vraag of het uitsluitend ging om kritiek op de boekhouding vanaf het moment van overgang van E.A. Kozole B.V. naar KGA (per 01-11-2012), over de verantwoordelijkheid van anderen dan [eiser in conventie, verweerder in reconventie], over gebrek aan tijd / aan begeleiding en over gegeven kwalificaties. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] blijft volhouden dat hij - als man van de ‘oude stempel’- de boekhouding naar beste ‘kunnen en geweten’ gedaan heeft, en dat KGA opvallenderwijs pas na ontvangst van de dagvaarding met deze klacht op de proppen komt.

Volgens KGA is [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ‘herhaaldelijk en bij voortduring’ gewezen op zijn onjuiste werkwijze en de gevolgen daarvan. Dat hij daarin volhardde, ziet zij als bewijs van de juistheid van het verwijt dat zij hem thans maakt. KGA heeft het over ‘stuklopen’ van de boekhouding en over ‘in het honderd lopen’ daarvan, en het risico daarvan was [eiser in conventie, verweerder in reconventie] zich volgens haar bewust of hij had dit moeten zijn.

De beoordeling

in conventie en in reconventie

De juistheid van de vordering in conventie is op zichzelf (naar grondslag, omvang en beloop) niet bestreden, zodat de som van € 6 317,62 bruto (nader te specificeren in het kader van de uitbetaling naar omvang en soort van de inhoudingen) voor toewijzing vatbaar is. Art. 6:136 BW zou een aanvullend argument kunnen opleveren voor directe toewijzing van de onbetwist gebleven hoofdsom, nu de gerechtvaardigdheid van het op verrekening gerichte verweer allerminst zonneklaar is. Omdat KGA echter haar lot geheel verbindt aan de tegenvordering en vrijwel alle ruimte in haar beide conclusies benut voor onderbouwing van de stelling dat zij minimaal € 5 000,00 (netto) van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te goed heeft ter vergoeding van schade ex art. 7:661 lid 1 BW, zal eerst nader op de reconventie ingegaan worden.

Art. 7:661 lid 1 BW stelt, zoals [eiser in conventie, verweerder in reconventie] terecht benadrukt, zware eisen aan de stel- en bewijsplicht van de werkgever die betoogt dat een werknemer aansprakelijk / draagplichtig gehouden moet worden voor schade aan de werkgever toegebracht in de uitoefening van de werkzaamheden. KGA kiest er niet voor [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ten aanzien van de wijze waarop hij sedert 1 november 2012 uitvoering gegeven heeft aan zijn boekhoudtaak, opzet in de schoenen te schuiven maar verwijt hem ‘bewuste roekeloosheid’. Zij gaat er in dat verband volledig aan voorbij dat - zoals af te leiden is uit de als prod.1 aan het exploot van dagvaarding gehechte toestemmingsbeschikking van het UWV WERKbedrijf - de functie van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] niet ‘boekhouder’ maar ‘receptie- (en) administratief medewerker’ was én dat hij deze functie bij haar directe rechtsvoorgangster ‘Kozole’ van 1 september 1977 tot 1 november 2012 tot volle tevredenheid vervuld had. Nog opvallender is echter dat gesteld noch gebleken is dat in het verzoek ex art. 6 BBA dat KGA eind augustus 2013 aan het UWV voorgelegd had, iedere referentie aan het functioneren van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ontbrak: de UWV-beschikking d.d. 12 september 2013 toont immers ondubbelzinnig aan dat louter bedrijfseconomische omstandigheden in de automobielbranche KGA ingaven om toestemming te verzoeken tot opzegging van de arbeidsverhouding tussen haar en [eiser in conventie, verweerder in reconventie], wiens (unieke) functie zij met het oog op kostenbesparing geheel liet vervallen (met een herverdeling van daarbij behorende taken/werkzaamheden). Dit oogmerk werd door het UWV als passend binnen de ondernemersvrijheid niet onredelijk geacht, zodat de toestemming ook heel snel afkwam. Bij of voorafgaand aan de opzegging d.d. 27 september 2013 tegen 1 januari 2014, noch in de periode tot de indiening van de conclusie d.d. 4 juni 2014 in deze kantonprocedure heeft KGA vervolgens ook maar met een woord gerept van ontevredenheid over de taakvervulling van [eiser in conventie, verweerder in reconventie]. Het is dus vreemd dat die nu zowel bepalend lijkt te zijn geweest voor de opzegging als voor de ongemotiveerde weigering om de ontslagen werknemer een correcte eindafrekening te verstrekken / deze uit te betalen. Zichtbaar voor [eiser in conventie, verweerder in reconventie] was slechts dat er niet betaald werd. KGA heeft ook in deze procedure geen enkel stuk ingebracht dat zou kunnen wijzen op eerdere kritiek (laat staan dat deze ook gefundeerd was) of op kenbaar maken van het motief om betalingen op te schorten of te weigeren. Bij de (lang uitgestelde) conclusie van 4 juni 2014 is een ‘verklaring’ van de ‘huidige boekhouder’ gevoegd waarvan de datering in dit verband veelbetekenend is: 1 juni 2014. Pas toen is er bij KGA klaarblijkelijk iets gaan dagen.

Doet deze opsomming van eigenaardigheden al twijfelen aan de zuiverheid van het motief van KGA, ook haar argumentatie in deze procedure is bepaald niet sterk. Uit geen enkel stuk blijkt dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] - wiens staat van dienst als ‘man van de oude stempel’ bij de rechtsvoorgangster van KGA onberispelijk was - in de periode 1 november 2012 tot 27 september 2013 (daarna is er kennelijk nauwelijks meer gewerkt en heeft [eiser in conventie, verweerder in reconventie] dus ook het boekjaar 2013 in de boekhouding niet meer kunnen afsluiten) op meer of minder indringende wijze terechtgewezen is. De ‘leidinggevende’ van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] komt alleen in abstracto in de beide conclusies van KGA aan bod en dat hij/zij ooit heldere vingerwijzingen gaf, op manco’s wees en tot aanvullende scholing of training aanzette, blijkt uit niets. Omtrent eventuele functioneringsgespreken (of zelfs maar één zodanig gesprek) ontbreekt elke aanwijzing in de processtukken. De verklaring achteraf van de als (externe) financieel ‘consultant’ aangemerkte ‘[voornaam huidige boekhouder]’ ([naam huidige boekhouder]) kan daarom hoogstens wijzen op een verschil in taxatie van hetgeen een goede boekhouding van de aard en omvang als bij KGA vergt en welke boekhoudmethodiek de voorkeur verdient. Dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] dit werk, dat maar een deel van zijn functie uitmaakte en waarvoor hij slechts ‘administratief verantwoord’ te werk diende te gaan, met zijn ervaring van 35 jaar bij ‘Kozole’ anders deed dan [naam huidige boekhouder], mag gevoeglijk aangenomen worden. Dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] van een gemiddelde moderne boekhouder ook wel het een en ander zou kunnen opsteken, wil de kantonrechter ook nog wel aannemen. Maar dat is in de eerste plaats door KGA niet onderzocht, laat staan op zichtbaar gemaakte wijze in praktijk gebracht door iemand naast [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te plaatsen die hem daarin bijstond. Maar belangrijker is dat dit ook geheel iets anders is dan dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] van de boekhouding een ‘chaos’ gemaakt heeft, dat hij deze ‘in het honderd liet lopen’ of liet ‘stuklopen’. De kwalificatie ‘chaotisch’ is weliswaar door [naam huidige boekhouder] gehanteerd, maar is enerzijds een appreciatie vanuit een ander type deskundigheid en een modernere boekhoudkundige benadering, en zegt anderzijds hoogstens iets over het resultaat maar niet over de intenties van (de werkzaamheden van) [eiser in conventie, verweerder in reconventie].

Hier komen we aan de kern van het geschil tussen partijen. Een andere appreciatie van (de kwaliteit van) het werk en de expertise / relevante kennis van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] had in een andere context en bij zorgvuldige begeleiding wellicht tot kwaliteitsverbetering of aanpassing van de werkmethodiek kunnen leiden, maar KGA heeft daar niet op gekoerst. Zij heeft binnen een jaar na overname van het bedrijf van haar rechtsvoorgangster de functie van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] geschrapt en hemzelf ontslagen en houdt hem achteraf (zonder enig eerder niet voor misverstand vatbaar signaal) ook nog eens aansprakelijk voor schadetoebrenging. Geconstateerd moet echter worden dat iedere aanwijzing ontbreekt dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] zich in de relevante periode november 2012 tot september 2013 (steeds) daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn samenhangende gedragingen, die zich dan ook nog eens in diverse varianten voordeden en zich over geruime tijd uitstrekten. Dat daarbij de verantwoordelijkheid in niet onbelangrijke mate terecht hoort te komen bij de leidinggevende die [eiser in conventie, verweerder in reconventie] aldus - zonder aanwijsbare correctie - zijn gang liet gaan, weegt zwaar. Er is immers door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] niets verheimelijkt en binnen de onderneming is zijn thans veronderstelde ‘bewuste roekeloosheid’ al die tijd niet opgemerkt, althans niet aan de kaak gesteld. Als het werkelijk zo evident was, levert het zwijgen van de bedrijfsleiding een vorm van veronachtzaming van het bedrijfsbelang op die op haar beurt om maatregelen vraagt.

Kortom: getoetst aan de strenge maatstaf van art. 7:661 lid 1 tweede deel van de eerste volzin BW levert de handelwijze van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] geen bewuste roekeloosheid op en zal KGA eventuele schade in / aan de boekhouding van de onderneming voor eigen rekening moeten nemen. De tegenvordering van KGA moet afgewezen worden.

Voor de vorderingen in conventie betekent het ontbreken van mogelijkheden tot verrekening in combinatie met de afwezigheid van enig tegen de nevenvorderingen gericht verweer dat ook het volle bedrag aan wettelijke verhoging (naar het maximum van 50% over de hoofdsom) alsmede de wettelijke rente (alleen over de hoofdsom gevorderd) voor toewijzing in aanmerking komen.

Hoewel [eiser in conventie, verweerder in reconventie] zulks niet uitdrukkelijk in het petitum opnam, zal KGA tot slot als in het ongelijk gestelde partij (art. 237 Rv) voor beide delen van de procedure in de proceskosten verwezen worden.

Die worden in combinatie vastgesteld en bepaald op een totaalbedrag van € 1 062,80:

  • -

    Exploot van dagvaarding € 93,80

  • -

    Griffierecht € 219,00

  • -

    Salaris gemachtigde € 750,00 (3 x € 250,00).

Omdat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] naliet daarover iets te zeggen/vragen, kan de kostenveroordeling uiteraard niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard worden.

De beslissing

De kantonrechter komt aldus tot het volgende oordeel

in conventie

KGA wordt veroordeeld om aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] tegen bewijs van kwijting € 9 476,43 bruto te betalen met de wettelijke rente over een bedrag van € 6 317,62 bruto met ingang van 5 maart 2014 tot de datum van volledige voldoening en met de verplichting voor KGA om bij de uitbetaling een deugdelijke specificatie van bruto naar netto te verschaffen.

in reconventie

de vordering van KGA wordt afgewezen.

in conventie en in reconventie

KGA wordt veroordeeld tot betaling van de tezamen genomen proceskosten, aan de zijde van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] tot de datum van dit vonnis begroot op € 1 062,80.

Het vonnis wordt (met uitzondering van de kostenpassage) uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: hs