Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:10626

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
03/702586-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel jegens een persoon beneden de zestien jaren. Tijdsverloop. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/702586-12

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 december 2014

in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. F.E.L. Teerling, advocaat te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is (inhoudelijk) behandeld op de zittingen van 18 maart 2013, 4 april 2014 en

25 november 2014, waarbij de officier van justitie, de verdachte en haar raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel, ten aanzien van een minderjarige persoon.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij baseert haar standpunt op de aangifte/verklaringen van [slachtoffer], de door [slachtoffer] gemaakte aantekeningen in een schriftje, diverse getuigenverklaringen, de verklaringen van de medeverdachten en de advertenties

met 06-nummers en teksten die door de verdachte zijn geplaatst.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Volgens de raadsman kan niet worden bewezen dat de verdachte het oogmerk heeft gehad op uitbuiting van [slachtoffer], nu [slachtoffer] uit eigener beweging naar de woning van verdachte is gekomen om te werken in de prostitutie, de periode waarin zij in de prostitutie heeft gewerkt slechts van korte duur is geweest, zij zich op elk gewenst moment had kunnen onttrekken aan de situatie – zonder dat zij zou worden tegengehouden door verdachte – en zij het verdiende geld (na aftrek van de kosten voor “kost en inwoning”) zelf mocht houden.

Volgens de raadsman kan evenmin worden bewezen dat de verdachte aangeefster ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, nu [slachtoffer] – in de periode dat zij bij verdachte verbleef – een reële eigen keus had om al dan niet in de prostitutie te werken.

Ten slotte heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen die [slachtoffer] met of voor een derde tegen betaling heeft verricht. [slachtoffer] kon het door haar verdiende geld immers zelf houden. Alleen voor de kosten van levensonderhoud werd een geringe vergoeding gevraagd.

3.3

Het oordeel van de rechtbank1

Op 3 februari 2011 heeft [slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer], aangifte gedaan ter zake van mensenhandel. [slachtoffer] verklaarde2 dat zij begin september 2010 door de politie was teruggebracht naar de [hulpverleningsgroep], waar zij verbleef. Daar wilde ze weglopen. Ze had daarom drugs gebruikt, om zo naar het ziekenhuis te kunnen. Op 9 september 2010 was [slachtoffer] vanuit het ziekenhuis weggelopen en met twee jongens naar Heerlen gegaan. Daar ontmoette zij [verdachte] (hierna: verdachte), met wie zij was meegegaan naar het huis van verdachte in [H.]. Verdachte vroeg aan [slachtoffer] hoe oud zij was. [slachtoffer] zei tegen de verdachte dat zij 17 jaar was, hoewel zij op dat moment feitelijk pas 15 jaar was. Verdachte had haar vervolgens meegenomen naar een kamer en haar daar uitdagende kleding laten passen. De volgende dag had [slachtoffer] op verzoek van verdachte een digitale foto van zichzelf ter beschikking gesteld, welke foto door de verdachte op een erotische website werd geplaatst, onder vermelding van de werknaam [alias]. Nog diezelfde avond werd de verdachte gebeld door een klant. [slachtoffer] durfde niet te weigeren en deed daarom wat verdachte haar opdroeg; zij ging sexy kleding aan doen en wachtte boven op de slaapkamer. Enige tijd later kwam een man, in het gezelschap van verdachte, de trap omhoog. De man gaf twee biljetten van

€ 50,- aan verdachte en kwam daarna de slaapkamer op, waar [slachtoffer] zich bevond. [slachtoffer]

had deze man afgetrokken en gepijpt. Na afloop van het bezoek van de man had zij van de verdachte € 50,- ontvangen.

In de daaropvolgende twee à drie weken had [slachtoffer] meerdere keren seks gehad met klanten in de woning van verdachte. In totaal had zij ongeveer 20 klanten gehad. Verdachte regelde de gang van zaken. Zij sprak met de klanten af en bracht de klanten naar haar woning, waar [slachtoffer] seks had met deze mannen. De verdachte regelde ook de betaling. Er werd gemiddeld € 80,- tot € 100,- betaald aan verdachte. Daarvan ontving [slachtoffer] af en toe € 10,- of € 20,-. In totaal had [slachtoffer] ongeveer € 400,- of € 500,- gekregen van verdachte, maar omdat zij van dit geld ook de boodschappen moest betalen hield zij maar weinig geld over voor zichzelf.

Verdachte had [slachtoffer] ook een keer naar een escortklant gebracht, genaamd [betrokkene]. Deze [betrokkene] woonde in een flat in Hoensbroek-Heerlen. [slachtoffer] had seks met deze [betrokkene]. Verdachte, die al die tijd buiten in de auto had gewacht, had [slachtoffer] na afloop ook weer meegenomen.

[slachtoffer] heeft verklaard dat zij uit angst voor de gevolgen geen klanten durfde te weigeren.

[slachtoffer] kon zich nog herinneren dat zij twee weken voor verdachte had gewerkt en dat zij

op 19 september 2010 was vertrokken uit de woning.

De verdachte – die ten tijde van het ten laste gelegde ook zelf in de prostitutie werkte – heeft

ter terechtzitting verklaard dat zij vanaf 9 tot 19 september 2010 onderdak had verleend aan [slachtoffer], die in de prostitutie wilde werken. Zij had [slachtoffer] daarbij geholpen door een advertentie op een erotische website te plaatsen. Bij deze advertentie had zij een foto van [slachtoffer] geplaatst, welke foto [slachtoffer] zelf van haar Hyves profiel had gehaald. In de advertentie had de verdachte het telefoonnummer vermeld van haar eigen klantentelefoon. Gedurende de tien dagen dat [slachtoffer] bij de verdachte had gewoond, had zij meerdere klanten gehad. Als een klant belde naar de verdachte, gaf zij dit door aan [slachtoffer], die vrijwel altijd akkoord ging. De verdachte maakte vervolgens een seksafspraak voor [slachtoffer] met de klant. De verdachte had [slachtoffer] ook een keer naar een escortafspraak gebracht. Van de opbrengsten die [slachtoffer] uit de prostitutie genereerde moest zij een derde deel afdragen aan verdachte als vergoeding voor levensonderhoud en inwoning. De rest mocht [slachtoffer] zelf houden. Toen de verdachte [slachtoffer] had leren kennen, had [slachtoffer] verteld dat zij 19 jaar was. Twee dagen later had [slachtoffer] echter aangegeven dat dit niet klopte en dat zij eigenlijk 17 jaar was.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte:

- [slachtoffer] als prostituee heeft laten werken;

- voor die [slachtoffer] een advertentie op een erotische site onder de naam [alias] heeft geplaatst;

- voor die [slachtoffer] een kamer en/of een gelegenheid geregeld heeft waar zij zich kon prostitueren;

- de contacten heeft onderhouden met mannen/klanten voor die [slachtoffer] voor het verrichten van seksuele handelingen;

- [slachtoffer] heeft vervoerd naar één man/klant voor het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling, en;

- die [slachtoffer] heeft bewogen om (een deel van haar) verdiensten uit de prostitutie aan haar, verdachte, af te dragen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden bewezen dat de verdachte erotische foto’s van [slachtoffer] heeft gemaakt, dat [slachtoffer] door de verdachte is voorzien van harddrugs en evenmin dat verdachte [slachtoffer] in een gecontroleerde en/of afgesloten woning heeft gehouden, zodat de verdachte van die onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de verdachte, door de hiervoor bewezen geachte feitelijke gedragingen, zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van de minderjarige [slachtoffer]. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

Van mensenhandel is onder andere sprake indien iemand een persoon “….vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt met het oogmerk van uitbuiting van die ander….terwijl die ander de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt” (artikel 273f, eerste lid, sub 2 van het Wetboek van Strafrecht).

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte [slachtoffer] heeft vervoerd naar een klant, haar in haar woning heeft opgenomen en daar heeft gehuisvest terwijl zij nog geen 18 jaar was. Aan al deze elementen van het betreffende wetsartikel is dus voldaan. Rest de vraag of er bij verdachte ook sprake is van de opzet op uitbuiting.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en de Memorie van Toelichting op voornoemd wetsartikel, geldt dat – voor zover hier aan de orde – sprake is van een uitbuitingssituatie indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan

de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Nu het hier gaat om een 15 jarige kan haar situatie in geen enkel geval gelijk worden genoemd aan de omstandigheden waarin een mondige (en meerderjarige) prostituee in Nederland pleegt

te verkeren en is naar het oordeel van de rechtbank reeds daarom sprake van een uitbuitingssituatie.

Voorts wordt nog overwogen dat niet is vereist dat aangeefster daadwerkelijk is uitgebuit (Hoge Raad 27 oktober 2009, LJN BI7099). Het oogmerk daartoe volstaat. Dit oogmerk blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de aard van de tewerkstelling (het werken in de prostitutie door [slachtoffer]), de faciliterende diensten die de verdachte daarbij heeft verricht en het feit dat verdachte economisch voordeel heeft behaald uit de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer].

Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank al vast dat van mensenhandel sprake is.

De opsteller van de tenlastelegging heeft er echter voor gekozen nog meer vormen van mensenhandel ten laste te leggen, namelijk het ertoe brengen zich beschikbaar te stellen

voor het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f, eerste lid, sub 5 van het Wetboek van Strafrecht) en opzettelijk voordeel trekken uit de seksuele handelingen van [slachtoffer] met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f, eerste lid, sub 8 van het Wetboek van Strafrecht). De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Is [slachtoffer] door de verdachte ertoe gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling?

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte voor [slachtoffer] een advertentie heeft geplaatst op

een (erotische) website onder de naam [alias] teneinde klanten te werven voor de prostitutie, dat zij voor [slachtoffer] afspraken maakte met klanten, dat zij haar naar een klant heeft gebracht en dat zij aan [slachtoffer] een van de slaapkamers van haar woning ter beschikking heeft gesteld

voor prostitutiewerkzaamheden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte, door het verrichten van deze (faciliterende) handelingen, [slachtoffer] ertoe gebracht zich beschikbaar

te stellen voor het verrichten van seksuele handelingen, met of voor een derde tegen betaling. Anders dan de raadsman heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer], gezien haar jeugdige leeftijd en de positie waarin zij zich bevond (uit huis geplaatst en weggelopen van haar “groep”), geen reële eigen keuze had om zich wel of niet te prostitueren.

Heeft de verdachte opzettelijk voordeel getrokken uit de seksuele handelingen van [slachtoffer] met of voor een derde tegen betaling?

Uit bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat de verdachte (een deel van) haar opbrengsten

uit de prostitutie moest afdragen aan de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van [slachtoffer] met of voor een derde tegen betaling. De rechtbank merkt hierbij op dat ook indien [slachtoffer] werkelijk slechts een bedrag moest afdragen als vergoeding voor levensonderhoud en inwoning dit als een economisch voordeel moet worden gezien, nu daardoor de eigen lasten voor de verdachte lager uitvielen.

Ook deze vormen van mensenhandel kunnen dus ten aanzien van verdachte bewezen worden.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

in de periode van 9 september 2010 tot en met 19 september 2010 in de gemeente Heerlen, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer]) heeft vervoerd en gehuisvest, met

het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer], terwijl deze de leeftijd van zestien nog niet had bereikt;

en

[slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer]) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen, met of voor een derde tegen betaling, terwijl zij

(slachtoffer [slachtoffer]) de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt;

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van die [slachtoffer] met of

voor een derde tegen betaling terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt,

immers heeft verdachte

- die [slachtoffer] als prostituee laten werken en

- voor die [slachtoffer] een advertentie op een (erotische) site (onder de naam [alias]) geplaatst en

- voor die [slachtoffer] een kamer en/of een gelegenheid geregeld waar zij zich kon prostitueren en

- de contacten onderhouden met één of meerdere mannen/klanten voor die [slachtoffer] voor het verrichten van seksuele handelingen en

- die [slachtoffer] vervoerd naar één man/klant voor het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling en

- die [slachtoffer] bewogen om (een deel van haar) verdiensten uit de prostitutie aan haar verdachte af te dragen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Mensenhandel jegens een persoon beneden de zestien jaren.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, in het geval de rechtbank mocht komen tot een bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegde feit, erop gewezen dat verdachte slechts een beperkte rol heeft gehad, dat er geen sprake is geweest van dwang, dat [slachtoffer] maar een korte periode bij verdachte in de prostitutie heeft gewerkt, dat zij in deze periode maar een beperkt aantal klanten heeft gehad en dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde niet wist dat [slachtoffer] pas 15 jaar was. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op het beperkte strafblad van verdachte en het tijdsverloop in deze zaak. De raadsman acht de eis van de officier van justitie – in het licht van het vorenstaande – veel te fors. De raadsman heeft, mede gelet

op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de rechtbank verzocht om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen

is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een minderjarig en kwetsbaar meisje in de prostitutie gebracht en van haar geprofiteerd. Zij is daarmee doorgegaan, zelfs nadat zij wist dat het slachtoffer in werkelijkheid minderjarig was. Dit is een zeer ernstig feit. De verdachte heeft geen rekening gehouden met de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en met de nadelige gevolgen die jonge slachtoffers van dergelijke feiten doorgaans op latere leeftijd ondervinden. Op grond van de ernst van het bewezenverklaarde feit acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd.

Anderzijds was de periode waarin het slachtoffer in de prostitutie heeft gewerkt van beperkte duur (10 dagen) en betreft het een feit dat inmiddels al ruim vier jaar geleden heeft plaatsgevonden. Van een goede reden waarom deze zaak pas zo lang na dato ter inhoudelijke behandeling aan de rechtbank is voorgelegd is niet gebleken. Daarnaast is gebleken dat de verdachte sinds die tijd haar leven een andere wending heeft gegeven. Ze is opnieuw moeder geworden en heeft de prostitutie achter zich gelaten. Ze is hard bezig om op een legale en verantwoorde manier aan de maatschappij deel te nemen. Een bevestiging voor het feit dat haar dat tot nu toe ook is gelukt ziet de rechtbank in de omstandigheid dat zij in de tussentijd niet opnieuw met justitie in aanraking is gekomen. Onder die omstandigheden ziet de rechtbank niet welk redelijk strafdoel nu nog is gediend bij oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal dan ook volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze straf heeft mede als doel om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal, alles afwegende, aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor

de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

6 De benadeelde partij

[slachtoffer] vordert een vergoeding van schade wegens verlies van kleding, schoeisel en

een sieraad. Daarnaast vordert [slachtoffer] een vergoeding voor een boete wegens gebruik van de trein zonder vervoersbewijs, een vergoeding voor onkosten wegens verblijf in een ziekenhuis en uitbetaling van de inkomsten uit de prostitutie die zij aan verdachte heeft moeten afdragen. In zoverre beloopt de vordering een bedrag van € 1.533,-. Wegens immateriële schade vordert [slachtoffer] een vergoeding van € 2.500,-. Ten aanzien daarvan heeft zij gesteld dat het bewezenverklaarde feit psychische klachten bij haar heeft veroorzaakt en dat zij door het seksueel misbruik pijn heeft geleden en in onzekerheid is komen te verkeren over een mogelijke zwangerschap of geslachtsziekten. Namens [slachtoffer] is gewezen op een precedent

uit de rechtspraak (LJN: BR2945).

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot toewijzing van de vordering van de benadeelde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 september 2010. Voorts vordert de officier

van justitie dat de schadevergoedingsmaatregel wordt toegepast.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [slachtoffer]

niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, nu verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting vormt voor het strafproces, hetgeen dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij.

Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de vordering moet worden afgewezen, nu de gevorderde immateriële schade en de post “geld van klanten” onvoldoende zijn onderbouwd en er geen rechtsreeks verband bestaat tussen het ten laste gelegde en het verlies van kleding, schoeisel en sieraad, de onkosten vanwege het verblijf in een ziekenhuis en het verschuldigd worden van een boete wegens gebruik van de trein zonder vervoersbewijs.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is – met de raadsman – van oordeel dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en het verlies van kleding, schoeisel en sieraad, de onkosten vanwege het verblijf in een ziekenhuis en het verschuldigd worden van een boete wegens gebruik van de trein zonder vervoersbewijs. De benadeelde moet in zoverre in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Hetzelfde lot treft het overige deel van de vordering van de benadeelde partij. De rechtbank is van oordeel dat de posten “geld van klanten” en “immateriële schade” zodanig veel vragen oproepen dat de behandeling daarvan in dit proces een onevenredige belasting voor het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom ook in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaren, met bepaling dat de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4

is omschreven;

- verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer] in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Romme, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 december 2014.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 9 september 2010 tot en met 19 september 2010 in de gemeente Heerlen, althans het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer]) heeft/hebben geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer], terwijl deze de leeftijd van zestien, althans achttien jaren nog niet had bereikt;

en/of

[slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer]) ertoe heeft/hebben gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of meer seksuele handelingen, met of voor een derde tegen betaling, dan wel ten aanzien van die [slachtoffer] enige handeling heeft/hebben ondernomen, waarvan zij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het slachtoffer [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die handelingen, terwijl zij

(slachtoffer [slachtoffer]) de leeftijd van zestien, althans achttien jaren nog niet had bereikt;

en/of

opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de seksuele handelingen van die [slachtoffer] met of voor een derde tegen betaling terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt,

immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s)

- die [slachtoffer] als prostituee laten werken en/of

- een (erotische) foto van die [slachtoffer] gemaakt en/of vervolgens voor die [slachtoffer] een advertentie op een (erotische) site (onder de naam [alias]) geplaatst en/of

- voor die [slachtoffer] (een) kamer(s) en/of een gelegenheid geregeld en/of laten regelen waar zij zich kon prostitueren en/of

- de contacten onderhouden met één of meerdere man(nen)/klant(en) voor die [slachtoffer] voor het verrichten van seksuele handelingen en/of

- die [slachtoffer] naar/van de plek waar zij zich prostitueerde gebracht en/of die [slachtoffer] gebracht en/of vervoerd naar één of meer man(nen)/klant(en) voor het verrichten van seksuele handelingen (tegen betaling) en/of

- die [slachtoffer] gedwongen, althans bewogen om (een (groot) deel van haar) verdiensten uit de prostitutie aan haar verdachte en/of haar mededader(s) af te staan en/of af te dragen en/of

- die [slachtoffer] voorzien of laten voorzien van een of meer soorten (hard)drugs en/of

- die [slachtoffer] in een door de verdachte en/of haar mededader(s) gecontroleerde situatie en/of in een afgesloten woning heeft/hebben gehouden.

1 Voor zover de in het vonnis vermelde feiten en omstandigheden door de rechtbank redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde, wordt hierna in de voetnoten verwezen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de rechtbank deze feiten en omstandigheden ontleent. Tenzij anders vermeld, maken deze bewijsmiddelen deel uit van het eindproces-verbaal met BVH-nummer 2010123992, van de regiopolitie Limburg-Zuid, Divisie Regionale Recherche, Regionaal Coördinatiepunt Mensenhandel en Prostitutie. Het dossier is doorgenummerd van pag. 1 t/m 343.

2 De processen-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer], pag. 87 t/m 94, 98, 100, 108 en 119 t/m 120.