Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:10621

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
03/866046-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Bewezenverklaard is dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen door met een te hoge snelheid met een beperkt zicht met een land- of bosbouwtrekker te rijden. Veroordeling ter zake ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd’ tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, een taakstraf van 240 uur en een rijontzegging van één jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03/866046-14

Datum uitspraak : 10 december 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. F.A. Dronkers, advocaat te Roermond.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 november 2014. De rechtbank heeft gehoord de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman. Voorts heeft mr. A.L.M. Simons, advocaat te Gulpen, namens de nabestaanden [nabestaande 1], [nabestaande 2] en [nabestaande 3] de schriftelijke slachtofferverklaring voorgelezen.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

primair

hij op of omstreeks 19 juni 2013 te Margraten, in elk geval in de gemeente Eijsden-Margraten, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (land- of

bosbouwtrekker, categorie T1, als bedoeld in artikel 1.1. Regeling Voertuigen, met daaraan gekoppeld een 2-assige aanhangwagen en/of aan de voorzijde voorzien van een (verwisselbaar) uitrustingsstuk (o.a. bestaande uit een giek met een maaibalk)), daarmede rijdende over de weg, de Provincialeweg N278/Rijksweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - terwijl de Provincialeweg N278/Rijksweg een overzichtelijke en/of rechte weg was, waarbij het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd - te rijden met een snelheid gelegen tussen de 38 en 40 km/u, in elk geval met een (veel) hogere snelheid dan de voor hem, verdachte, geldende maximumsnelheid van 25 km/u (artikel 22 onder c Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990) en/of (vervolgens) met onverminderde (hoge) snelheid, althans nagenoeg onverminderde (hoge) snelheid een als zodanig - middels kanalisatiestrepen - aangeduide oversteekplaats voor voetgangers en bestuurders van (snor)fietsen - te naderen en/of op te rijden,

terwijl het zicht (op die oversteekplaats) voor hem, verdachte, zeer ernstig werd belemmerd door een aan de voorzijde van genoemde land- of bosbouwtrekker gemonteerde (verwisselbare) uitrustingsstuk (giek met maaibalk), op het moment dat (een) zich op die oversteekplaats bevindende voetganger(s) doende was/waren genoemde weg over te steken,

waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing, althans aanrijding is gekomen met die voetganger(s), door welk verkeersongeval [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] werd(en) gedood;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat

hij op of omstreeks 19 juni 2013, te Margraten, in elk geval in de gemeente Eijsden-Margraten, als bestuurder van een motorrijtuig (land- of bosbouwtrekker, categorie T1,

als bedoeld in artikel 1.1. Regeling Voertuigen, met daaraan gekoppeld een 2-assige aanhangwagen en/of aan de voorzijde voorzien van een (verwisselbaar) uitrustingsstuk (o.a. bestaande uit een giek met een maaibalk)), daarmee rijdende op de weg, de Provincialeweg N278/Rijksweg, - terwijl de Provincialeweg N278/Rijksweg een overzichtelijke en/of rechte weg was, waarbij het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd - heeft gereden met een snelheid gelegen tussen de 38 en 40 km/u, in elk geval met een (veel) hogere snelheid dan de voor hem, verdachte, geldende maximumsnelheid van 25 km/u (artikel 22 onder c Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990) en/of (vervolgens) met onverminderde (hoge) snelheid, althans nagenoeg onverminderde (hoge) snelheid een als zodanig - middels kanalisatiestrepen - aangeduide oversteekplaats voor voetgangers en bestuurders van (snor)fietsen - is genaderd en/of op is gereden,

terwijl het zicht (op die oversteekplaats) voor hem, verdachte, zeer ernstig werd belemmerd door een aan de voorzijde van genoemde land- of bosbouwtrekker gemonteerde (verwisselbare) uitrustingsstuk (giek met maaibalk), op het moment dat (een) zich op die oversteekplaats bevindende voetganger(s) doende was/waren genoemde weg over te steken,

waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing, althans aanrijding is gekomen met die voetganger(s), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Inleiding

Op 19 juni 2013 vond in Margraten een dodelijk verkeersongeval plaats. Op een oversteekplaats werden twee vrouwen, de 88-jarige [slachtoffer 1] en de 85-jarige [slachtoffer 2], aangereden door een zogenoemde bermmaaier. Hierdoor zijn zij ter plaatse overleden.

Aan de bestuurder van de bermmaaier, de verdachte, zijn de hierboven onder het kopje ‘De tenlastelegging’ vermelde feiten ten laste gelegd. Primair wordt hem verweten, kort gezegd dood door schuld in het verkeer. Subsidiair wordt hem verweten dat hij gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit bewezen, in die zin dat de verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden. Dit heeft zij gebaseerd op het proces-verbaal aanrijding, de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], de verklaring van de verdachte, de bevindingen van de Verkeersongevallenanalyse en de aktes van overlijden van de slachtoffers.

Op grond van de volgende omstandigheden heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat sprake is van grove schuld.

  • -

    Verdachte reed met een heel zware landbouwcombinatie, met welke combinatie bij een aanrijding grote schade kan worden veroorzaakt.

  • -

    Verdachte reed te hard.

  • -

    Verdachte reed in de bebouwde kom waar diverse oversteekplaatsen zijn voor langzaam verkeer.

  • -

    Vanaf 128 meter voor de botsplaats had verdachte geen zicht meer op wat er links van hem in de berm of de naastgelegen rijstrook gebeurde.

  • -

    Verdachte had in het geheel niet in de bermmaaier mogen rijden, omdat deze niet voldoet aan het bepaalde in de Europese Richtlijn 2008/2/EG.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft naar voren gebracht dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen, doch niet dat het gedrag van de verdachte zeer onvoorzichtig en/of onoplettend is geweest.

4.4

Het oordeel van de rechtbank1

4.4.1

De bewijsmiddelen

De verdachte heeft verklaard – zakelijk weergegeven –:

Op 19 juni 2013, omstreeks 16:50 uur, reed ik als bestuurder met mijn maai- en zuigmachine, met daarvoor een tractor, over de Rijksweg in Margraten. Ik kwam uit de richting van Maastricht. Ik reed op een gegeven moment langs de Sterre der Zeestraat in Margraten. Opeens stond er een mevrouw met een rollator voor de machine. Ik heb deze mevrouw van te voren niet zien staan. Ik voelde een klap. Ik ben meteen gestopt en uitgestapt en ik ben gaan kijken. Pas toen zag ik dat het twee personen waren.2

Als ik het mij goed herinner, reed ik op het moment van de aanrijding 35 kilometer per uur.3

Ik begrijp nog steeds niet waarom ik de dames niet heb gezien. Door de grote giek in mijn gezichtsveld ben ik gewend om ver vooruit te kijken en mij in de bestuurderscabine ook regelmatig naar rechts te buigen om om de giek heen te kijken en mijn blikveld te vergroten.4

Getuige [getuige 1] heeft verklaard – zakelijk weergegeven –:5

Op 19 juni 2013, omstreeks 17:00 uur, bevond ik mij op de Rijksweg te Margraten. Ik zat op de motorkap van mijn [geparkeerde] auto en had goed zicht op de rijbaan. De weg was vrij te overzien. Ik zag twee vrouwen over het trottoir lopen aan de andere zijde van de weg. Ter hoogte van de oversteekplaats zag ik dat de twee vrouwen de rijbaan wilden oversteken, voor mij gezien van links naar rechts. Ik zag een bermmaaimachine met afzuiging over de Rijksweg rijden in de richting van de overstekende vrouwen. Ik zag de bermmaaimachine met onverminderde snelheid zijn weg vervolgen. Toen de bermmaaimachine ter hoogte van de oversteekplaats was hoorde ik een klap en zag de rollator die de dames met zich voerden en de vrouwen onder de bermmaaimachine door vliegen. Ik ben naar de oversteekplaats gegaan en zag twee dames volledig verminkt op de rijbaan liggen.

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de VerkeersOngevallenAnalyse hebben gerelateerd – zakelijk weergegeven –:6

Wij hebben op 19 juni 2013, en later, een onderzoek ingesteld naar de aanleiding/oorzaak/ vermijdbaarheid van een verkeersongeval dat op 19 juni 2013, omstreeks 16:48 uur, had plaatsgevonden.

De aanrijding vond plaats op de Provincialeweg N278/Rijksweg, ter hoogte van de T‑kruising met de Sterre der Zeestraat, gelegen binnen de bebouwde kom van Margraten.

De rijbaan van de Provincialeweg N278/Rijksweg heeft ter hoogte van de plaats van het ongeval een breedte van 6,6 meter. Gezien vanuit de richting van Maastricht heeft de Provincialeweg N278/Rijksweg ter hoogte van de plaats van het ongeval een nagenoeg recht wegverloop. Ter hoogte van de T-kruising met de Sterre der Zeestraat, in dit geval ter hoogte van de plaats van het ongeval, ligt een oversteekplaats bestemd voor voetgangers en voor bestuurders van (snor)fietsen. Deze oversteekplaats is aangeduid middels kanalisatiestrepen aangebracht op het wegdek van de Provincialeweg N278/Rijksweg.

Voor wat betreft de toestand van de weg hebben wij geen bijzonderheden geconstateerd die van belang waren in de oorzaak, de toedracht of de gevolgen van het ongeval. Ten tijde van de aanrijding was het droog en licht bewolkt weer. Het wegdek was droog. Ter hoogte van de plaats van het ongeval was het zicht goed. Ten tijde van het ongeval waren er geen atmosferische omstandigheden die het zicht belemmerden. Het zicht voor het verkeer rijdende over de Provincialeweg N278/Rijksweg, komende uit de richting van Maastricht en rijdende in de richting van de T-kruising met de Sterre der Zeestraat, wordt op het wegverloop en op de aanwezigheid van andere weggebruikers, die via de oversteekplaats, gelegen ter hoogte van de T-kruising met de Sterre der Zeestraat, de rijbaan van de Provincialeweg 278/Rijksweg willen oversteken, dan wel de rijbaan aan het oversteken zijn, niet beperkt.

Het voertuigonderzoek werd op verzoek van ons verricht door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4]. Het betrokken voertuig betrof een land- of bosbouwtrekker (categorie T1) als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen. Achter deze land- of bosbouwtrekker was een aanhangwagen gekoppeld. Deze aanhangwagen had twee assen. Aan de voorzijde van de land- of bosbouwtrekker was een verwisselbaar uitrustingsstuk, onder andere bestaande uit een giek met maaibalk, gemonteerd.

Gezien vanaf de bestuurderszitplaats van de betrokken bermmaaier werd het zicht naar voren, naar voor links en naar voor rechts, in ernstige mate beperkt door de ingeklapte giek met maaibalk. Na het voertuigonderzoek werd de beperking van het zicht door de voorruit van de betrokken bermmaaier vastgesteld. Uit de AutoCad situatietekening “Zichtbeperking C” blijkt dat de bestuurder de plaats waar de betrokken voetgangsters begonnen met het oversteken van de rijbaan niet kon waarnemen vanaf iedere afstand die hij korter dan 128 meter verwijderd was van de botsplaats.

Met de betrokken bermmaaier zijn remproeven gehouden. Er is gebleken dat de bestuurder van de betrokken bermmaaier had gereden met een snelheid van ongeveer 38,9 tot 40,3 kilometer per uur.

Uitgaande van de berekende gereden snelheid door de bestuurder van de betrokken bermmaaier, in combinatie met de berekening van de vermoedelijke loopsnelheid van de voetgangsters, is gebleken dat deze bestuurder minimaal 54,9 meter en maximaal 89,6 meter van de botsplaats verwijderd was op het moment dat de beide betrokken voetgangsters begonnen met het oversteken van de rijbaan van de Provincialeweg N278/Rijksweg.

Uit deze berekeningen volgt ook dat de aanrijding niet zou hebben plaatsgevonden indien verdachte had gereden met een snelheid van minder dan 29 kilometer per uur.

In de akte van overlijden van de gemeente Eijsden-Margraten met nummer 200071 is opgenomen – zakelijk weergegeven –:7

Op 19 juni 2013 te 17:15 uur is in de gemeente Eijsden-Margraten overleden: [slachtoffer 1], geboren te [geboorteplaats so 1] op [geboortedatum so 1].

In het Verslag betreffende niet-natuurlijke dood d.d. 20 juni 2013 met betrekking tot [slachtoffer 2] is opgenomen – zakelijk weergegeven –:8

De lijkschouwer J.W. Syswerda, forensisch geneeskundige, verklaart dat [slachtoffer 1], geboren te [geboorteplaats so 1] op [geboortedatum so 1], op 19 juni 2013 is overleden als gevolg van direct dodelijk hersenletsel, passend bij overrijding door een motorvoertuig.

In de akte van overlijden van de gemeente Eijsden-Margraten met nummer 200072 is opgenomen – zakelijk weergegeven –:9

Op 19 juni 2013 te 17:15 uur is in de gemeente Eijsden-Margraten overleden: [slachtoffer 2], geboren te [geboorteplaats so 2] op [geboortedatum so 2].

In het Verslag betreffende niet-natuurlijke dood d.d. 20 juni 2013 met betrekking tot [slachtoffer 1] is opgenomen – zakelijk weergegeven –:10

De lijkschouwer J.W. Syswerda, forensisch geneeskundige, verklaart dat [slachtoffer 2], geboren te [geboorteplaats so 2] op [geboortedatum so 2], op 19 juni 2013 is overleden als gevolg van direct dodelijk letsel aan borst en buik, passend bij overrijding door een motorvoertuig.

4.4.2

Het toetsingskader

Aan de verdachte is primair ten laste gelegd dat hij zich als bestuurder van een land- of bosbouwtrekker zodanig heeft gedragen dat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij hij in botsing of aanrijding is gekomen met twee voetgangers die daarbij om het leven zijn gekomen.

De rechtbank moet deze zaak beoordelen naar strafrechtelijke normen. Dit betekent dat de rechtbank op de grondslag van de tenlastelegging moet beoordelen hoe de verdachte zich als verkeersdeelnemer heeft gedragen. De rechtbank stelt uitdrukkelijk voorop dat de toets niet ligt bij de vraag of verdachte als bestuurder van de bermmaaier de optimaal denkbare voorzichtigheid heeft betracht, maar hoe de gemiddelde soortgelijke verkeersdeelnemer zich in soortgelijke situaties behoort te gedragen.

Het begrip ‘schuld’ is een bestanddeel van de tenlastelegging. Dit bestanddeel is vervuld indien de verdachte een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid aan de dag heeft gelegd. Bewezen moet dus worden dat sprake is geweest van (a) onvoorzichtig handelen dat (b) verwijtbaar is, en wel (c) in aanmerkelijke mate.

a. onvoorzichtigheid

Van onvoorzichtig handelen is sprake indien het handelen wederrechtelijk was en de gevolgen hiervan voorzienbaar waren. De gevolgen van het handelen van de verdachte kunnen daarbij alleen aan hem worden toegerekend indien:

  • -

    hij zich wederrechtelijk heeft gedragen,

  • -

    hij kon en behoorde te voorzien dat zijn gedrag tot dat gevolg kon leiden,

  • -

    dat gevolg dus vermeden had moeten worden en

  • -

    hij zijn gedrag dan ook achterwege had moeten laten.

verwijtbaarheid

Bij de verwijtbaarheid dient de onvoorzichtigheid voorafgaand aan het moment van het ongeval te worden beoordeeld.

aanmerkelijke mate

Hierbij gaat het om een grove onachtzaamheid. Beoordeeld dient te worden of verdachte zich zo gevaarlijk heeft gedragen, dat een reële mogelijkheid ontstond dat de slachtoffers gedood zouden worden.

Bij de beantwoording van de vraag of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 – in dit geval de zeer, althans aanmerkelijke, onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid – uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, komt het aan op:

  • -

    het geheel van gedragingen van de verdachte,

  • -

    de aard en de ernst van deze gedragingen en

  • -

    de overige omstandigheden van het geval.

Dit betekent dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van de ten laste gelegde schuld. Hiervoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan.11

Overigens kan, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Dit betekent dat, ook indien er, zoals in deze zaak, dodelijke slachtoffers te betreuren zijn, dit feit alleen kan worden bewezen, indien uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op zijn minst aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend is geweest.

4.4.3

Vaststelling op grond van de bewijsmiddelen

4.4.3.1 Vaststelling van de feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat:

  • -

    de verdachte op 19 juni 2013 als bestuurder van een land- of bosbouwtrekker van categorie T1 heeft gereden over de Provincialeweg N278/Rijksweg te Margraten;

  • -

    aan deze land- of bosbouwtrekker een 2-assige aanhangwagen was gekoppeld;

  • -

    deze land- of bosbouwtrekker aan de voorzijde was voorzien van een verwisselbaar uitrustingsstuk, onder meer bestaande uit een giek met een maaibalk;

  • -

    de Provincialeweg N278/Rijksweg te Margraten een overzichtelijke en (nagenoeg) rechte weg is;

  • -

    de verdachte reed met een snelheid gelegen tussen 38,9 en 40,3 kilometer per uur;

  • -

    de verdachte met onverminderd hoge snelheid een oversteekplaats voor voetgangers en bestuurders van (snor)fietsen is genaderd en opgereden terwijl [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich reeds op die oversteekplaats bevonden;

  • -

    bij normaal zicht die oversteekplaats goed is waar te nemen, maar het zicht op die oversteekplaats voor de verdachte zeer ernstig werd belemmerd door voornoemde giek met maaibalk;

  • -

    verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het geheel niet heeft waargenomen totdat zij, enkele meters voor hij die oversteekplaats bereikte, recht voor zijn trekker liepen;

  • -

    de verdachte met de land- of bosbouwtrekker tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is gebotst, terwijl zij als voetgangers de weg aan het oversteken waren op voornoemde oversteekplaats;

  • -

    [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hierdoor werden gedood.

4.4.3.2 Toepassing van het toetsingskader

De wederrechtelijkheid

De verdachte heeft verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij reed met een snelheid van ongeveer 35 kilometer per uur. Uit het technisch onderzoek blijkt echter dat hij met een hogere snelheid reed, te weten met een snelheid tussen 38,9 en 40,3 kilometer per uur. Uit de verklaring van de verdachte leidt de rechtbank wel af dat verdachte in ieder geval de bewustheid had dat hij met een te hoge snelheid reed.

Nu op grond van artikel 22, aanhef en onder c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1999 de maximumsnelheid voor de verdachte, als bestuurder van een land- of bosbouwtrekker, 25 kilometer per uur bedroeg en uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte reed met een snelheid tussen 38,9 en 40,3 kilometer per uur, stelt de rechtbank vast dat verdachte met een snelheid reed die fors hoger was dan de maximum toegestane snelheid. Hij heeft de maximumsnelheid immers met ongeveer 56 procent overschreden.

Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat de verdachte zich wederrechtelijk heeft gedragen en onvoldoende heeft opgelet.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte niet in de betreffende bermmaaier had mogen rijden, omdat deze niet zou voldoen aan de in Richtlijn 2008/2/EG gestelde eisen. De rechtbank deelt dit standpunt niet en overweegt hiertoe het volgende.

In de landelijke regelgeving is de uitwerking van Richtlijn 2008/2/EG terug te vinden in bijlage IIIc, behorende bij artikel 3.4, tweede lid, van de Regeling voertuigen. Hierin is bepaald dat voertuigen van de voertuigcategorie T met de voertuigclassificatie T4.2 en T5 voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring moeten voldoen aan onder meer de eisen uit Richtlijn 2008/2/EG. Verdachte bestuurde echter een voertuig met de voertuigclassificatie T1. Volgens de landelijke regelgeving hoeft een dergelijk voertuig niet te voldoen aan deze Richtlijn. Overigens is het doel van de Richtlijn niet het strafbaar stellen van het besturen van bepaalde voertuigen. De Richtlijn heeft het oog op het al dan niet mogen onthouden van de typegoedkeuring aan bepaalde voertuigen.

De voorzienbaarheid

De verdachte heeft met een fors hogere snelheid gereden dan de maximumsnelheid ter plaatse, terwijl zijn zicht in beginsel zodanig beperkt was dat hij de plaats waar de betrokken voetgangsters begonnen met het oversteken van de rijbaan niet kon waarnemen vanaf iedere afstand die hij korter dan 128 meter verwijderd was van de botsplaats. Verdachte was op de hoogte van deze dode hoek. Ter terechtzitting heeft hij immers verklaard dat hij regelmatig schuin op de bestuurdersstoel van het voertuig ging/gaat zitten, opdat hij dan meer zicht heeft om de giek met maaibalk heen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte ten minste de laatste 54,9 meter voor de botsplaats zich er niet meer van heeft vergewist of er voetgangers (of ander verkeer) bezig was met het oversteken van de weg ter hoogte van de betreffende oversteekplaats.

De verdachte had moeten voorzien dat hij door zijn handelen, bestaande uit het te hard rijden met een zeer beperkt zicht, andere verkeersdeelnemers over het hoofd zou kunnen zien met, gelet op de aard en omvang van zijn voertuig, mogelijk fatale gevolgen. Dit gedrag had hij dan ook achterwege moeten laten.

De verwijtbaarheid

Op grond van het vorenstaande is het gedrag van de verdachte verwijtbaar.

Aanmerkelijke mate

Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid vanwege de combinatie van de te hoge snelheid, het zeer beperkte zicht en de aard en omvang van het voertuig. Daarbij mag van de verdachte, als beroepsmatig bestuurder van de bermmaaier, uiterste oplettendheid worden gevergd ten aanzien van de mogelijkheid dat zich in zijn dode hoek een andere verkeersdeelnemer bevindt.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat van zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen door de verdachte geen sprake is, nu aan hem, naast de snelheidsoverschrijding in combinatie met het zeer beperkte zicht, geen ander verwijtbaar handelen kan worden toegerekend.

4.4.3.3 Conclusie

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit bewezen, zoals omschreven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

4.4.4

Ten slotte

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair

op 19 juni 2013 te Margraten, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (land- of bosbouwtrekker, categorie T1, als bedoeld in artikel 1.1. Regeling voertuigen, met daaraan gekoppeld een 2-assige aanhangwagen en aan de voorzijde voorzien van een verwisselbaar uitrustingsstuk (o.a. bestaande uit een giek met een maaibalk), daarmede rijdende over de Provincialeweg N278/Rijksweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend – terwijl de Provincialeweg N278/Rijksweg een overzichtelijke en rechte weg was, waarbij het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt of werd gehinderd – te rijden met een snelheid gelegen tussen de 38 en 40 km/u

en vervolgens met onverminderde hoge snelheid een als zodanig – middels kanalisatiestrepen – aangeduide oversteekplaats voor voetgangers en bestuurders van (snor)fietsen te naderen en op te rijden, terwijl het zicht (op die oversteekplaats) voor hem, verdachte, zeer ernstig werd belemmerd door een aan de voorzijde van genoemde land- of bosbouwtrekker gemonteerde verwisselbare uitrustingsstuk (giek met maaibalk), op het moment dat zich op die oversteekplaats bevindende voetgangers doende waren genoemde weg over te steken,

waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing is gekomen met die voetgangers, door welk verkeersongeval [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werden gedood.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare misdrijven op:

primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 175 in verband met artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

6 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

7 De oplegging van straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van acht maanden en een rijontzegging van twee jaren. Hiertoe heeft zij erop gewezen dat verdachte een grove verkeersfout heeft gemaakt die hij had kunnen voorkomen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ervoor gepleit om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat het ongeval ook verdachte erg heeft aangegrepen en dat de berechting lang op zich heeft laten wachten. Hij heeft verzocht om, conform het advies van de reclassering, een taakstraf op te leggen. Voorts heeft de raadsman ervoor gepleit om slechts een voorwaardelijke rijontzegging op te leggen, omdat het voor de verdachte van wezenlijk belang is dat hij door zijn werkgever ingezet kan blijven worden als chauffeur. Een onvoorwaardelijke rijontzegging van een beperkte duur zou evenwel binnen het bedrijf waar verdachte werkt opgevangen kunnen worden, zonder dat dit – zoals het er op dit moment op lijkt – zijn arbeidspositie zal aantasten.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden met een bermmaaier, door met te hoge snelheid en terwijl zijn zicht zeer beperkt was, door de bebouwde kom van Margraten te rijden. Hierbij heeft hij twee voetgangers over het hoofd gezien en vervolgens overreden. Ten gevolge hiervan zijn de twee voetgangers overleden.

De twee overleden voetgangers zijn de 88 jaar oude [slachtoffer 1] en haar 85 jaar oude zus [slachtoffer 2]. Namens enkele nabestaanden, onder wie [nabestaande 1], de zus van de twee overledenen, is ter terechtzitting een schriftelijke slachtofferverklaring voorgelezen. Hierin hebben de nabestaanden onder meer aangegeven dat zij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] na hun overlijden niet meer hebben kunnen zien, hetgeen hun overigens ook werd afgeraden, gelet op de toestand waarin de lichamen verkeerden. Zij hebben dan ook geen afscheid van hen kunnen nemen. Voorts hebben de nabestaanden aangevoerd dat het gemis, zeker op bepaalde momenten, pijnlijk voelbaar is.

Tijdens de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat ook de verdachte en zijn gezin gebukt gaan onder hetgeen is voorgevallen. Het ongeval en de dramatische gevolgen ervan grijpen verdachte nog steeds erg aan. Dat de nabestaanden in hun slachtofferverklaring hebben aangegeven dat zij bezorgd zijn geweest om de verdachte en voor hem hebben gebeden, geeft aan dat ook zij beseffen dat een dergelijk ongeval slechts leed teweegbrengt, ook bij de veroorzaker ervan.

De rechtbank hecht eraan om voorop te stellen dat bij schuld als begrip bij de straftoemeting het beginsel ‘straf naar de mate van schuld’ past. Dat betekent dat de hoogte van de straf afhankelijk is van de mate van schuld. Hoe meer schuld iemand heeft, des te hoger zal de op te leggen straf behoren te zijn. Dit beginsel komt onder meer tot uitdrukking in de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Het oriëntatiepunt voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout en een dodelijk slachtoffer, is een taakstraf van 240 uur en een rijontzegging van één jaar. Bij een grove verkeersfout met een dodelijk slachtoffer adviseren de oriëntatiepunten een gevangenisstraf van 6 maanden en een rijontzegging van 2 jaar. Bij roekeloos rijden met een dodelijk slachtoffer wordt een gevangenisstraf van 8 maanden en een rijontzegging van 3 jaar geadviseerd.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij voornoemd oriëntatiepunt waarbij sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout en een dodelijk slachtoffer.

De volgende omstandigheden worden door de rechtbank als strafverhogend aangemerkt:

  • -

    In het onderhavige geval zijn twee dodelijke slachtoffers te betreuren, terwijl het oriëntatiepunt ziet op een verkeersongeval met één dodelijk slachtoffer.

  • -

    Verdachte is in het verleden meermalen met politie en justitie in aanraking gekomen voor overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. Hij is immers tweemaal in 2008 en eenmaal in 2010 door de kantonrechter veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs.

De rechtbank zal niet overgaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zij meent dat het opleggen van de hoogst mogelijke taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf recht doet aan zowel de ernst van de gedraging als aan de persoon van verdachte. Verdachte gaat zelf ernstig gebukt onder de gevolgen van het ongeval. Voorts is hij niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Ten slotte wordt meegewogen dat de hierna op te leggen rijontzegging voor verdachte extra hard zal aankomen, omdat dit de uitoefening van zijn werk zal raken.

De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het tijdsverloop van 17 maanden dat de berechting heeft geduurd. De rechtbank zal hiermee geen rekening houden, nu van overschrijding van de redelijke termijn geenszins sprake is.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. Met de oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Daarnaast zal de rechtbank de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzeggen voor de duur van één jaar. De rechtbank beseft dat het voor de verdachte niet gemakkelijk zal zijn dat hij een jaar lang niet mag rijden met de bermmaaier en dus een jaar lang zijn gebruikelijke werk niet kan verrichten. Tevens begrijpt de rechtbank dat een rijontzegging van een jaar niet een beperkte rijontzegging is, waarvoor de verdediging heeft gepleit. De rechtbank is evenwel van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, niet met een lichtere rijontzegging kan worden volstaan.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.5 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk;

  • -

    bepaalt dat deze voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van 2 jaar de algemene voorwaarde heeft overtreden;

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;

  • -

    beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

  • -

    ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor 1 jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers, voorzitter, mr. A.P.A. Bisscheroux en mr. V.P. van Deventer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 december 2014.

Buiten staat

Mr. V.P. van Deventer is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen, tenzij anders vermeld, naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie regio Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL2424 2013065442-1 d.d. 16 oktober 2013 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 210.

2 Het proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] d.d. 19 juni 2013 op pagina 9.

3 Het proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] d.d. 20 juni 2013 op pagina 13.

4 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 26 november 2014.

5 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 19 juni 2013 op de pagina’s 18 en 19.

6 Het proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse d.d. 6 oktober 2013 op de pagina’s 34, 36, 37, 41, 42 en 45-49.

7 Het niet in het proces-verbaal opgenomen afschrift van de akte van overlijden d.d. 21 juni 2013 van de gemeente Eijsden-Margraten met nummer 200071.

8 Het niet in het proces-verbaal opgenomen Verslag betreffende niet-natuurlijke dood met betrekking tot [slachtoffer 2] d.d. 20 juni 2013.

9 Het niet in het proces-verbaal opgenomen afschrift van de akte van overlijden d.d. 21 juni 2013 van de gemeente Eijsden-Margraten met nummer 200072.

10 Het niet in het proces-verbaal opgenomen Verslag betreffende niet-natuurlijke dood met betrekking tot [slachtoffer 1] d.d. 20 juni 2013.

11 Zie onder meer: Hoge Raad 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822.