Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:10496

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
04-12-2014
Zaaknummer
C/03/184399 / FA RK 13-2115
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Art. 1:160 BW, bewijs samenwoning en gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging, wettelijke rente over terug te betalen bedragen, onderzoekskosten af te wentelen? Proceskostenveroordeling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0382
FJR 2015/40.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Zaaknummer : C/03/184399 / FA RK 13-2115

Beschikking van 2 december 2014 betreffende alimentatie

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. R.M.H.H. Tuinstra, gevestigd te Maastricht-Airport, gemeente Beek (Lb);

tegen:

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L.E.I.K. Jaminon, gevestigd te Heerlen.

1 Het verdere verloop van de procedure

Dit blijkt uit het volgende:

- het door de man op 26 augustus 2014 ingediende aanvullend verzoekschrift, subsidiair verzoek wijziging partneralimentatie, meer subsidiair limitering partneralimentatie;

- het proces-verbaal van enquête van 16 september 2014 waaruit blijkt dat aan de zijde van de man 3 getuigen zijn gehoord, waarna de vrouw heeft afgezien van het horen van getuigen aan haar zijde;

- de zowel door de man als de vrouw ingediende conclusie na enquête;

- de brief van de rechtbank van 28 oktober 2014 aan de advocaten van partijen waarin partijen is bericht dat de zaak door de meervoudige kamer, bestaande uit de rechters die deze beschikking hebben gewezen, zal worden beslist.

De uitspraak van deze beschikking is nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In de tussenbeschikking van 14 mei 2014 heeft de rechtbank beslist dat de man wordt toegelaten om te bewijzen, allereerst door het laten horen van getuigen, dat de vrouw en haar partner [X] in de periode vanaf 14 juni 2012 tot 30 september 2013 (datum indiening verzoekschrift) hebben samengewoond, dat zij een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd en dat zij elkaar wederzijds hebben verzorgd.

2.2.

Daarbij heeft de rechtbank ook overwogen dat de vrouw heeft erkend dat zij een duurzame, affectieve relatie heeft met haar partner de heer [X], zodat dit in rechte vast staat tussen partijen.

2.3.

De heer [X] is als getuige onder ede gehoord en heeft het volgende verklaard over het bewijsthema (en daarbij beperkt de rechtbank zich tot het jaar 2012):

2.4. “

“U vraagt hoe vaak ik in de periode juni 2012 tot september 2013 bij mijn partner mevrouw [verweerster] ben geweest: Ik denk dat dat gemiddeld drie tot vier dagen per week is geweest. Ik kan dat toelichten: de weekenden waren wij sowieso bij elkaar daarnaast was het meestal nog zeker een dag doordeweeks en als er iets met de kinderen of met een verjaardag was dan kwam er nog een tweede dag bij. In de vakantieperiodes van de kinderen en dan bedoel ik de zomervakantie had ik of drie weken aan een gesloten vrij of twee weken en later nog een keer een week. Een en ander was afhankelijk van het werk (rooster). Ik denk dat ik zesentwintig tot achtentwintig dagen verlof heb en als ik verlof nam dan was ik meestal samen met mijn partner en haar kinderen. Het kon zijn dat wij bij haar waren. Ik heb zelf ook twee kinderen die weliswaar niet permanent bij mij wonen maar met wie ik wel regelmatig met name in de weekenden omgang heb. We waren meestal om en om hetzij bij mevrouw [verweerster] hetzij bij mij in mijn woning in [woonplaats]. Dat hing onder andere samen met het sporten van de kinderen.

In oktober/november 2012 is er een rechtszaak geweest en het gevolg daarvan was dat mevrouw de woonlasten van de woning in [woonplaats] zou moeten gaan betalen, zo begreep ik van mevrouw [verweerster], en dat kon zij financieel niet opbrengen. Ik begreep dat zij met vier kinderen op straat zou komen te staan en dat vond ik geen goede zaak. Ik heb haar het aanbod gedaan om in mijn woning met haar kinderen te komen wonen. De kinderen van haar kenden die woning ook en vonden dat een prettige plek. Het is geen discussie tussen ons geweest dat ik in mijn woning zou blijven wonen.

Ik heb vanaf het moment dat zij met de kinderen in mijn woning is getrokken op verschillende plaatsen een slaapplaats gehad. Op dat moment (vanaf circa augustus 2012 tot op heden) had ik geen contact met mijn eigen kinderen. Ik was zogezegd een vrij man. Ik heb niet op allerlei plaatsen gewoond, nadrukkelijk alleen maar op allerlei plaatsen geslapen. Ik heb vijf broers en een zus en bij al die broers ben ik in die periode dat mijn partner in mijn woning woonde geweest en bij drie broers, te weten, [A], [B] en [C], heb ik ook geslapen. Ik heb ongeveer twee maanden regelmatig bij de ouders van mijn partner geslapen. Ik ben ook op dat adres ingeschreven geweest. De ouders van mijn partner zijn al op leeftijd en rond de tachtig. De vader was in die periode wat ziekelijk, ik wilde ze eigenlijk niet tot last zijn en heb daarom met mijn moeder overlegd en ik kon vervolgens bij haar komen slapen. Overigens dat ik bij mijn broers heb geslapen dat was eigenlijk al het geval voordat ik mijn woning aan mevrouw [verweerster] had gegeven en dat is niet meer of minder geworden in de periode dat zij in mijn woning woonde. In de woning van de ouders van mijn partner had ik een kamer helemaal boven op zolder als je bovenkomt rechts aan de voorkant van de woning (straatkant). Ik had daar mijn eigen kleerkast voor mijn kleren en verder had ik mijn toiletspullen en een foto van mijn kinderen. Ik kwam in die periode meestal na negen of tien uur s’-avonds bij de ouders van mijn partner en ‘s-ochtends ging ik alweer voor zeven uur weg. Ik nam soms wat brood ‘s-ochtends en dan was ik weg. Soms als ik ‘s-avonds aankwam dan was er nog wat eten voor mij dat klaar stond en dat warmde ik dan zelf op. Ik had een sleutel van de voordeur. Mijn partner had mij voorgesteld om bij haar ouders te slapen. In het verleden had haar ex daar ook weleens geslapen dus dat was niks bijzonders. Ik heb met de ouders geen afspraken gemaakt of huishoudelijke afspraken zoals u dat noemt. Zij vonden het goed dat ik daar kwam slapen. Van begin af aan was het duidelijk dat het tijdelijk zou zijn. (…)

Dat ik mijn woning aan mijn partner en haar kinderen ter beschikking heb gesteld vind ik heel normaal gezien haar situatie en zo ben ik door mijn ouders opgevoed. (…)

In de vakantieperiodes, als wij samen waren, deelden wij de kosten. Als in de periode dat ik bij haar in [woonplaats] regelmatig ben geweest betaalde zij de kosten van de huishouding en dus ook van mijn eten en drinken. Wij deden bijvoorbeeld in de weekenden weleens boodschappen en die boodschappen betaalde ik niet. In de periode dat zij in [woonplaats] woonden en ik nog in [woonplaats] in mijn eigen woning kwam zij met haar kinderen zoals ik heb gezegd ook regelmatig bij mij en dan betaalde ik alle kosten.

U vraagt aan mij of ik in die periode dat ik bij haar was wel eens klusjes voor haar deed, ja ik denk dat dat weleens is voorgekomen en in het bijzonder heb ik bijvoorbeeld weleens als chauffeur voor de kinderen opgetreden zodat zij op tijd bij het sporten waren. Ik ben overigens ook zelf handbaltrainer. De oudste dochter en de zoon van mijn partner hebben een bepaalde periode gehandbald. In de periode dat wij samen waren heb ik ook wel huishoudelijke klusjes verricht zoals afwassen en de vaat opruimen. Ik heb haar ook helpen verhuizen van [woonplaats] naar [woonplaats]. (…)”.

2.4.1. “

“De verhuizing van mijn partner en haar kinderen naar mijn woning heeft zo een veertien dagen geduurd en ik denk dat ik twee of drie dagen niet heb kunnen helpen. Dat meehelpen heb ik zonder enige vergoeding gedaan. In de periode dat mijn partner nog in [woonplaats] woonde had ik een eigen sleutel (van een van de kinderen) zodat ik ook zelf de woning kon betreden. Ik wist dat mijn partner een woning samen met haar ex had welke in [woonplaats] lag maar wij hebben het er niet over gehad of zij daar zou gaan wonen. Toen mijn partner met haar kinderen in mijn woning trok had ik de woning met uitzondering van de zolder en de garage praktisch leeg er was misschien een stofzuiger blijven staan maar dan zullen we het ook gehad hebben. Mijn dagelijkse administratie zoals van de bank en dergelijke die heb ik altijd bij mij gehad, zowel toen ik bij de ouders van mijn partner heb geslapen als toen ik later bij mijn moeder ben gaan slapen. Mijn historische administratie had ik in een doos of twee op mijn zolder staan. Ik heb een computer en wel een laptop van mijn werk en die had ik in een handige tas zitten. Die tas nam ik eigenlijk altijd met mij mee. Ik heb mij zoals gezegd bij de gemeente ingeschreven op het adres van de ouders van mijn partner. Ik ben daar na ongeveer twee maanden vertrokken maar ik heb mij niet meteen ingeschreven op het adres van mijn moeder. Wij dachten dat de periode dat mijn partner mijn woning gebruikte wel zou aflopen maar dat bleek anders te lopen. (…)

U vraagt aan mij waar ik dan at in de periode dat ik niet in mijn eigen woning woonde: ik at regelmatig uitgebreid op mijn werk (er werd dan iets met collega’s geregeld en iets bij de slager gehaald), ik at ook bij mijn broers en ik kocht ook regelmatig bij de Aldi uitgebreide salades. Toen ik niet meer in mijn eigen woning woonde werden mijn kleren meestal gewassen bij mijn moeder en door mijn moeder en dat doet zij nog steeds. Ik heb geen kostgeld betaald bij de ouders van mijn partner en ook niet bij mijn moeder. Ik rij al jaren in een Chrysler Voyager. Het kenteken weet ik niet en ik weet ook niet of ik in die periode van auto ben gewisseld maar ik ben altijd een Chrysler Voyager blijven rijden. Mijn partner heeft ook weleens in mijn auto gereden maar dat kwam alleen maar voor als er iets met haar auto was en zo zal ik ook zelf wel eens in haar auto hebben gereden. Als ik mijn auto bij de ouders van mijn partner moest parkeren dan kwam het regelmatig voor dat er geen plek was voor de woning en dan parkeerde ik mijn auto of bovenaan bij de kerk of achter mijn eigen woning op de [adres] want daar had ik een plek. (…)

In 2012 zijn we met de kinderen van mijn partner en met mijn eigen kinderen in Zweden geweest. (…) Zoals gezegd deelden wij de kosten ieder 50/50. Aan het einde van de vakantie keek ik wat ik gepind had en keken wij wat zij had uitgegeven en dan trokken wij de bedragen gelijk.

De feestdagen en de verjaardagen van mij, mijn partner en haar kinderen vierden wij samen. Ik ga ook mee met familiefeesten aan de zijde van mijn partner zoals verjaardagen en communies. In de periode juni 2012 tot en met september 2013 ben ik drie keer op zakenreis buiten Europa geweest. Het klopt dat ik dan zowel voor als na de zakenreis bij mij partner was meer in het bijzonder na mijn zakenreis dan was ik een aantal dagen bij mijn partner. Ik heb verklaard over dat ik tijdens ziekteperiodes (gelukkig ben ik niet zo vaak ziek), ik bedoel die ene keer dat ik in die periode ziek ben geweest, bij mijn partner heb verbleven en zij heeft toen voor mij gekookt. Ik ken [Y]. In die periode was de frietjes dag op dinsdag en op die dag kwamen ik en [Y] altijd bij mijn partner en haar kinderen eten. [Y] spreekt in haar verklaring over restaurantje dag: ik kan dat toelichten. Ik zorgde dan dat de kinderen met hun fantasie een restaurantje gingen nabootsen en dat deden wij thuis. Gemiddeld kwam dat een keer per maand voor dat gebeurde in het weekend. Er word nu gerefereerd aan de Facebook aantekeningen die mijn partner in de procedure heeft overgelegd. (…)

Ik heb in mijn schriftelijke verklaring gesproken over dat ik mijn partner ook wel adviseer over de opvoeding van haar kinderen en ook ongevraagd geef ik wel mijn mening maar uiteindelijk is zij degene die als moeder van de kinderen beslist. Met de kinderen ben ik gaande weg meer gaan doen. Ik heb gesproken over helpen bij het huiswerk en voorlezen. De kinderen van mijn partner hebben verschillende vormen van dyslexie en ik ondersteun ze bij het leren. Bij schoolactiviteiten van de kinderen ben ik ook regelmatig mee geweest en ik doel dan op speurtocht, schoolafsluitingen en sportdagen.” Tot zover de getuige [X].

2.5.

Deze verklaring van haar partner [X] heeft de vrouw als juist onderschreven in haar conclusie na enquête.

2.6.

Indien de verklaring van de getuige [X] wordt vergeleken met zijn eerdere, schriftelijke verklaring (die door de rechtbank ook is besproken in de tussenbeschikking) dan kan geconcludeerd worden dat, in de loop van de relatie, de samenwoning van de vrouw en de heer [X] geleidelijk aan intensiever is geworden en dat hij vanaf 1 december 2012 buiten de weekenden en de vakanties niet slechts incidenteel door de week bij de vrouw en haar kinderen is geweest, maar dat hij gemiddeld 3 tot 4 dagen per week bij hen was. Dit betekent, naast die weekenden (van vrijdag tot en met maandagochtend) en de vakanties, gemiddeld door de week (na het werk van de man) nog 1 tot 2 nachten per week.

2.7.

Die intensiteit van de samenwoning van partijen vindt in het tijdvak waarin de vrouw en haar partner in opdracht van de man door een recherchebureau zijn geobserveerd

(9 mei 2012 tot en met 18 september 2012) bevestiging in het daarvan opgemaakte observatie-rapport (productie 3 van de man).

Buiten de weekenden en de vakantie (begin juli-begin augustus) heeft de rechtbank daarover in de vorige beschikking overwogen dat door het recherchebureau is vastgesteld dat de vrouw en [X] ook doordeweeks en ’s nachts wel bij elkaar zijn. Aan die observaties komt zwaarder gewicht toe nu de man een door de vrouw onbestreden verklaring van het betrokken bureau (productie 16) heeft overgelegd. De inhoud en strekking van die verklaring is dat het bureau (dat beschikt over een vereiste vergunning van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en waarvan onbestreden is gesteld dat het de observaties heeft gedaan op willekeurig gekozen dagen en dagdelen en daarbij de proportionaliteit in het oog heeft gehouden) alle observaties zonder uitzondering in het rapport heeft verwerkt.

Kortom, op grond van een en ander kan worden geconcludeerd dat de observaties een getrouw beeld van de werkelijkheid geven in het bijzonder van de contacten tussen de vrouw en haar partner [X]. Meer in het bijzonder betreft het 8 door-de-weekse observaties (buiten de vakantieperiode) waarin op alle 8 dagen of dagdelen zodanige observaties zijn gedaan dat kan worden gezegd dat de man en de vrouw steeds bij elkaar zijn geweest. De rechtbank verwijst naar de beschikking van 14 mei 2014 en wel naar de overwegingen 5.6.2. tot en met 5.6.7. en 5.6.12 en 5.6.13 en volhardt daarbij. Voor wat betreft de observatie van 22 augustus 2012 waarin zowel de auto van de man als de vrouw zowel om 7.10 uur als 8.05 uur bij de woning te [woonplaats] (waar de vrouw met de kinderen woonde) is gesignaleerd, kan dezelfde conclusie worden getrokken.

2.8.

De rechtbank gaat hierbij voorbij aan het bezwaar van de vrouw dat de verklaring van het recherchebureau buiten beschouwing moet blijven. Het heeft de man vrij gestaan om op het punt van de vraag (die de rechtbank in haar tussenbeschikking had opgeworpen) of alle observaties ook waren verslagen in het rapport, de bedoelde verklaring van het bureau in het geding te brengen, omdat de man door alle middelen rechtens het bewijs van zijn stelling mocht leveren. De vrouw heeft de juistheid van die verklaring niet voldoende ter discussie gesteld.

2.9.

Uit de verklaring van [X], waarbij de vrouw zich heeft aangesloten, blijkt dat partijen de intensiteit van hun samenwoning zodanig hebben uitgebreid dat aannemelijk en bewezen is dat zij op 1 december 2012 samenwoonden in de zin van 1:160 BW. Kijkend naar de verklaring van [X], waarbij de vrouw zich heeft aangesloten, blijkt dat voor de andere te bewijzen elementen, de gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging, zodanige feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden dat kan worden geconcludeerd dat ook het bewijs daarvoor door de man is geleverd.

2.9.1.

De rechtbank wijst in dit verband op de volgende feiten en omstandigheden:

  • -

    de intensiteit van de samenwoning als gezin onder één dak waarbij de man zowel bij het huishouden als bij de verzorging en opvoeding van de kinderen werd betrokken;

  • -

    als de man bij de vrouw verbleef betaalde zij de kosten van de huishouding waaronder het eten en drinken van de man en verbleef de vrouw met de kinderen bij de man dan betaalde hij de kosten van haar en haar kinderen;

  • -

    het doen van huishoudelijke klusjes in en rondom de woning van de vrouw;

  • -

    het brengen van de kinderen naar het sporten;

  • -

    het verhuizen van de vrouw en haar kinderen van [woonplaats] naar [woonplaats];

  • -

    de man heeft een eigen sleutel van de woning in [woonplaats] waar de vrouw met de kinderen woont;

  • -

    het over en weer in elkaars auto rijden als de eigen auto niet kon worden gebruikt;

  • -

    de kosten van de gezamenlijke vakanties werden gelijkelijk gedeeld;

  • -

    het samen vieren van feestdagen, verjaardagen van [X], de vrouw en de kinderen;

  • -

    de man gaat mee naar de familiefeesten van de vrouw;

  • -

    tijdens zijn ziekte heeft de man bij de vrouw verbleven en is hij door haar verzorgd;

  • -

    de groeiende betrokkenheid van [X] bij het wel en wee van de kinderen, zoals school(activiteiten), huiswerk, ondersteunen bij de dyslexie van de kinderen.

2.10.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen kan naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie worden getrokken dan dat de levens van de vrouw en haar partner [X] in de loop van hun relatie in 2012 zodanig vervlochten zijn geraakt dat gesproken kan worden van een praktisch bijna dagelijks samenleven in een lotsverbondenheid gedurende een duurzame periode waardoor dit samenleven op 1 december 2012 de kenmerken draagt van een relatie als bedoeld in artikel 1:160 BW.

2.11.

Dat de man niet op alle door-de-weekse dagen bij de vrouw en haar kinderen heeft overnacht doet aan die conclusie geen afbreuk. Immers, uit de door de man als getuige afgelegde verklaring blijkt dat het zwaartepunt van zijn sociale leven (naast zijn werk) onmiskenbaar en vrijwel uitsluitend bij de vrouw en haar gezin is komen te liggen. Dat de man regelmatig bij zijn broers verbleef en bij drie van hen regelmatig bleef slapen (zoals hij ook al vóór de relatie met de vrouw placht te doen) past in een patroon van het leven van de man zonder dat daarvan kan worden gezegd dat daar het zwaartepunt van zijn sociale leven lag of heeft gelegen. Dat geldt ook voor de periode na 1 december 2012 als de man eerst bij de ouders van de vrouw en aansluitend regelmatig bij zijn moeder pleegt te overnachten. Uit zijn verklaring over die overnachtingsadressen blijkt onmiskenbaar dat die plekken voor de man beperkt zijn tot overnachtingsplekken. Hij arriveert daar laat op de avond en is vroeg in de morgen al weer weg veelal zonder dat er enige contacten met de hoofdbewoner(s) zijn geweest.

2.12.

Nu de rechtbank van oordeel is dat de vrouw op en vanaf 1 december 2012 samenwoont met haar partner [X] als ware zij gehuwd, is de onderhoudsverplichting van de man jegens haar per die datum van rechtswege geëindigd. Met inachtneming hiervan wordt het verzoek onder I. van de man toegewezen en wat betreft een eerdere datum afgewezen.

2.13.

In het verlengde daarvan moet het verzoek onder II. worden toegewezen. De vrouw moet aan de man terug betalen hetgeen zij over de periode vanaf 1 december 2012 ten titel van partneralimentatie van de man heeft ontvangen. Niet valt in te zien dat een beroep door de vrouw op de redelijkheid en billijkheid gezien de ernstige gevolgen voor haar van deze veroordeling daar afbreuk aan kan doen.

Wat betreft de wettelijke rente heeft de man zijn verzoek om deze toe te wijzen vanaf de respectieve ontvangstdata van de partneralimentatie niet toegelicht terwijl de vrouw op dit punt het verzoek niet heeft weersproken. Voor de verschuldigdheid van de wettelijke rente is verzuim van de vrouw terzake de terugbetalingsverbintenis vereist. Dit verzuim treedt zonder ingebrekestelling niet in tenzij (zie artikel 6:205 BW) de vrouw de betalingen te kwader trouw zou hebben aangenomen. De man heeft zich niet op die kwade trouw beroepen en de man heeft onvoldoende gesteld om de kwade trouw te kunnen aannemen. Als ingebrekestelling heeft te gelden het verzoekschrift van de man dat op 30 september 2013 zowel bij de rechtbank is ingediend als aan de advocaat van de vrouw is verzonden. Rekening houdende met een redelijke termijn van ingebrekestelling van 14 dagen is de vrouw vanaf 15 oktober 2013 de wettelijke rente verschuldigd geworden.

Met inachtneming hiervan wordt de wettelijke rente toegewezen en verder afgewezen.

2.14.

De man verzoekt onder III. om de vrouw te veroordelen tot het vergoeden van de onderzoekskosten van de door hem ingeschakelde onderzoeksbureaus tot een bedrag van

€ 7.200,58.

Dit onderdeel van het verzoek wordt afgewezen omdat de man niet heeft gesteld dat hij de vrouw, vóórdat hij de bedoelde bureaus is gaan inschakelen en de bedoelde kosten is gaan maken, heeft verzocht hem te informeren over de aard en de bestendigheid van de relatie met [X]. Daarmee heeft de man de vrouw de mogelijkheid ontnomen om een standpunt in te nemen over haar relatie met [X] en daarvoor een feitelijke onderbouwing te geven. De verhouding tussen ex-gehuwden in dit verband wordt inderdaad beheerst door hetgeen de redelijkheid en billijkheid meebrengt in hun onderlinge verhouding. Die verhouding brengt allereerst mee dat de man die stap had moeten zetten alvorens kosten in de orde van grootte van ruim € 7.000,00 te maken.

2.15.

De door de man verzochte proceskostenveroordeling van de vrouw, hetzij de werkelijke proceskosten, hetzij de op de voet van het liquidatietarief te begroten proceskosten, wordt afgewezen. De vrouw heeft in deze procedure over haar relatie tot haar partner [X] opening van zaken gegeven, en niet is gebleken dat zij feiten heeft trachten te houden. Op grond van de door de vrouw gepresenteerde feiten nam de vrouw het standpunt in dat niet kon worden gesproken van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW. Eerst na bewijslevering en dan met name aan de hand van de verklaring van de getuige [X] en de bevestiging door de vrouw van de juistheid van de door hem gegeven lezing van de feiten is de rechtbank tot de conclusie kunnen komen dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW. Gelet op een en ander is er geen genoegzame reden om de vrouw in de proceskosten aan de zijde van de man te veroordelen. De proceskosten zullen tussen partijen als ex-echtelieden worden gecompenseerd.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

verklaart voor recht dat het recht van de vrouw op een bijdrage in haar levensonderhoud van de zijde van de man per 1 december 2012 van rechtswege is geëindigd op grond van het bestaan van een samenleving tussen de vrouw en haar partner [X] als bedoeld in artikel 1:160 BW;

3.2.

veroordeelt de vrouw tot terugbetaling aan de man van de door haar over het tijdvak vanaf 1 december 2012 tot aan de datum van deze beschikking van de man ontvangen en door hem als onverschuldigd betaalde partneralimentatie, vermeerderd met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf 15 oktober 2013 tot de dag der algehele voldoening;

3.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.5.

wijst af hetgeen de man meer of anders heeft verzocht.

Deze beschikking is gegeven door de mrs. P.H.J. Frénay, L.M.I.A. Bregonje en P. van Blaricum , rechters, en ter openbare civiele terechtzitting van 2 december 2014 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.