Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:10394

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
10-02-2015
Zaaknummer
C/03/197866 KG ZA 14/608
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

---

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer: C/03/197866 KG ZA 14/608

Vonnis in kort geding van 2 december 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap HILHORST TEGELS EN SANITAIR BV,

gevestigd te Kerkrade,

eisende partij,

advocaat: mr. P.M.J. Graus

tegen

[gedaagde], handelend onder de naam [naam] TEGEL- EN NATUURSTEENWERKEN,

wonend en zaakdoend te [woonplaats],

gedaagde partij,

advocaat: mr. J.G.M. Daemen.

Partijen zullen hierna Hilhorst en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 27 oktober 2014

  • -

    de mondelinge behandeling van 27 november 2014 en de daarvan opgemaakte aantekeningen

  • -

    de pleitnota van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 18 juni 2014 met zaaknummer 468370 CV EXPL 12-2776 is Hilhorst veroordeeld om aan [gedaagde] een bedrag van € 11.130,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de respectieve facturen, alsmede een bedrag van
€ 952,00 als vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Tevens is Hilhorst veroordeeld om de in die procedure aan de zijde van [gedaagde] gevallen proceskosten te betalen. Hilhorst heeft tegen dat vonnis - dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard - hoger beroep ingesteld.

3 De vordering en het geschil

3.1.

Hilhorst vordert - kort samengevat - schorsing van de tenuitvoerlegging van het onder 2.1 genoemd vonnis.

3.2.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gestelde - en niet weersproken - spoedeisende belang wordt voldoende aannemelijk geacht.

4.2.

De vordering van Hilhorst is te beschouwen als een executiegeschil en valt onder de reikwijdte van artikel 438 Rv. Ten aanzien daarvan geldt als uitgangspunt dat de partij, aan wie de vordering bij - zoals hier het geval is - uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is toegewezen, bevoegd is tot tenuitvoerlegging van die veroordeling.

Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee, dat inhoudelijke bezwaren tegen het veroordelende vonnis in een executiegeschil niet gehonoreerd kunnen worden. Het mag geen verkapt hoger beroep zijn. Slechts indien sprake is van misbruik van genoemde bevoegdheid, kan tenuitvoerlegging van het vonnis worden verboden. In lijn hiermee is in reeds jaren bestendige rechtspraak (zie onder meer HR 22 april 1983, NJ 1984, 145 “Ritzen/Hoekstra”) aanvaard dat van dat laatste sprake kan zijn als het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien ná het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan voor de geëxecuteerde, zodat onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is.

4.3.

Hilhorst stelt zich op het standpunt dat het vonnis 18 juni 2014 een kennelijke juridische dan wel feitelijke misslag bevat omdat de kantonrechter haar (in haar optiek: ten onrechte) niet tot bewijs heeft toegelaten van haar stelling (in díe procedure) dat Hilhorst opdrachtgever van [gedaagde] was.

4.4.

Uit het onderliggende dossier van het vonnis van 18 juni 2014 blijkt dat [gedaagde] in die procedure reeds bij antwoord (in reconventie) gemotiveerd had betwist dat Hilhorst zijn opdrachtgever was (ten aanzien van het Hensgens project). Zo Hilhorst over bewijs van zijn stelling beschikte, dan had hij dat bewijs bij de eerste gelegenheid in die procedure dienen in te brengen (en niet dienen te volstaan met een bewijsaanbod). De kantonrechter heeft vervolgens in het vonnis onder 3.3 gemotiveerd overwogen dat (gebaseerd op de hem op dat moment voorhanden zijnde stukken) in die procedure vast is komen te staan dat niet Hilhorst maar een derde opdrachtgever was van [gedaagde]. Van een kennelijke misslag, juridisch of feitelijk, is niet gebleken.

4.5.

Dat bij verdere executie sprake zal zijn van een noodtoestand aan de zijde van Hilhorst is onder punt 34 van het exploot weliswaar gesteld, doch die stelling is verder niet gemotiveerd dan wel met stukken of anderszins nader onderbouwd, zodat daaraan voorbij gegaan wordt.

4.6.

Hilhorst voert aan dat er sprake is van een restitutierisico. Zij vreest dat [gedaagde] de door hem te innen vordering bij vernietiging van het vonnis in hoger beroep niet kan terugbetalen omdat zij geen middelen van verhaal heeft aangetroffen. Om die reden is Hilhorst van mening dat [gedaagde] thans genoegen dient te nemen met de door haar gestelde zekerheid die bestaat uit storting van een bedrag van € 17.500,00 op de derdengeldrekening van haar advocaat. [gedaagde] betwist dat er van een restitutierisico sprake is. Sinds 2010 heeft hij geen opdrachten van Hilhorst meer ontvangen. De opbrengst van zijn onderneming stelt hem desondanks in staat om ook sindsdien in zijn levensonderhoud te voorzien.

4.7.

Voorop gesteld wordt dat Hilhorst het gestelde restitutierisico niet van een feitelijke onderbouwing voorzien heeft. Verder wordt overwogen dat gelet op het hiervoor onder 4.2 vermelde toetsingscriterium het belang van Hilhorst bestaande uit het door haar gestelde restitutierisico op zichzelf niet kan leiden tot een bevel tot staking van de executie. Daarvoor zou noodzakelijk zijn dat [gedaagde], mede gelet op het restitutierisico, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Die conclusie kan echter niet getrokken worden op basis van de aangedragen feiten en omstandigheden.

4.8.

Daargelaten dat Hilhorst haar stelling dat zij zekerheid heeft gesteld door
€ 17.500,00 op de derdengeldrekening van haar advocaat te storten, niet met betalingsbewijzen heeft onderbouwd, leidt een dergelijke storting er niet toe dat [gedaagde] in de nabije toekomst voldoende zekerheid heeft dat het bestreden vonnis wordt nageleefd. [gedaagde] heeft derhalve belang bij executie van het bestreden vonnis.

4.9.

Gelet op het bovenstaande zal de vordering worden afgewezen.

4.10.

Hilhorst zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis begroot op

€ 1.098,00, bestaande uit € 816,00 aan salaris advocaat en € 282,00 aan griffierecht.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de gevorderde voorziening(en) af,

5.2.

veroordeelt Hilhorst tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis begroot op € 1.098,00,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en is in het openbaar uitgesproken.

type: RK