Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:10343

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-12-2014
Datum publicatie
01-12-2014
Zaaknummer
03/700374-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van een van de ten laste gelegde feiten, omdat verdachte ter zake van dat feit geen afstand heeft gedaan van de rechten die hij aan het specialiteitsbeginsel ontleent en de officier van justitie verdachte toch ter zake van dat feit heeft vervolgd. De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 19 juni 2014 in Maastricht heroïne heeft verkocht en vervoerd. Toen de politie hem staande wilde houden, heeft hij een van de verbalisanten bedreigd door met zijn auto op hem in te rijden. De ten laste gelegde poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling van deze verbalisant acht de rechtbank niet bewezen, nu zij niet met een voldoende mate van zekerheid kan vaststellen met welke snelheid verdachte op de verbalisant is ingereden en hoe deze persoon gesitueerd stond ten opzichte van de auto van verdachte. Daarna is verdachte met hoge snelheid en steeds hogere snelheid met zijn auto op het dienstvoertuig van een andere verbalisant ingereden. De rechtbank kwalificeert dit als een poging tot zware mishandeling, omdat zij de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel groter acht dan de kans op het overlijden van deze verbalisant. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/700374-14

Datum uitspraak : 1 december 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor de behandeling strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst, Op de Geer 1 te Sittard.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

17 november 2014. De rechtbank heeft op deze zitting gehoord de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S. Raza, advocaat te Rotterdam.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd verbalisant [verbalisant 1] te doden dan wel zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen dan wel hem heeft bedreigd door met een auto op hem in te

rijden.

Feit 2: heeft geprobeerd verbalisant [verbalisant 2] te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel hem heeft bedreigd door met een auto op hem in te rijden.

Feit 3: 5,3 gram heroïne heeft verkocht.

Feit 4: 10,7 gram heroïne heeft vervoerd dan wel aanwezig heeft gehad.

Feit 5: gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

Ten gevolge van een kennelijke misslag is in de tenlastelegging als pleegdatum “24 juni 2014” in plaats van “19 juni 2014” vermeld. Deze misslag is in de weergave van dit vonnis door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in zijn verdediging geschaad.

3 De voorvragen

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De rechtbank ziet ambtshalve aanleiding de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 5 aan de orde te stellen.

Verdachte is op 19 juni 2014 in Bilzen (België) door Belgische politieambtenaren aangehouden. Daarop is op 20 juni 2014 door de officier van justitie een Europees arrestatiebevel uitgevaardigd, waarin is verzocht om aanhouding en overlevering van verdachte met het oog op strafvervolging. Op 24 juni 2014 is verdachte door de substituut-procureur des Konings te Limburg verhoord. Toen is hem medegedeeld dat hij werd verdacht van poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling en handel in verdovende middelen op 19 juni 2014 in Maastricht. Hoewel verdachte in dat verhoor heeft ingestemd met zijn overlevering naar Nederland, heeft hij geen afstand gedaan van de rechten die hij aan het specialiteitsbeginsel ontleent. Verdachte stemde er dus niet mee in vervolgd, veroordeeld of van zijn vrijheid beroofd te worden wegens een ander strafbaar feit dan waarvoor de overlevering is verzocht. Daarop heeft de Procureur des Konings te Limburg op 24 juni 2014 de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel gelast onder bescherming van het specialiteitsbeginsel inzake de overlevering.

Het veroorzaken van gevaar op de weg is niet als reden voor de overlevering genoemd, hetgeen betekent dat verdachte dus niet voor dit feit mag worden vervolgd. De officier van justitie heeft het veroorzaken van gevaar op de weg echter toch, onder feit 5, ten laste gelegd. De rechtbank zal de officier van justitie daarom ten aanzien van dit feit niet-ontvankelijk verklaren in zijn vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1:

De officier van justitie acht de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van verbalisant [verbalisant 1] wettig en overtuigend bewezen. Hiertoe heeft hij verwezen naar het door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen en een arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch d.d. 4 juli 2013 met parketnummer

20/002670-12.

Ten aanzien van feit 2:

Eveneens acht de officier van justitie de primair ten laste gelegde poging tot doodslag van verbalisant [verbalisant 2] wettig en overtuigend bewezen. Hiertoe heeft hij verwezen naar het proces-verbaal aangifte van [verbalisant 2] en het door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen. Uit het laatstgenoemde proces-verbaal blijkt immers dat verdachte op de Tongersestraat te Maastricht reed, dat verbalisant [verbalisant 2] deze straat met zijn dienstvoertuig blokkeerde en dat verdachte, zijn snelheid verhoogde en op het dienstvoertuig inreed.

Ten aanzien van feit 3 en feit 4:

De onder feit 3 ten laste gelegde verkoop van 5,3 gram heroïne en het onder feit 4 ten laste gelegde vervoer van 10,7 gram heroïne acht de officier van justitie ook wettig en overtuigend bewezen. Hiertoe heeft hij verwezen naar het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat verdachte 5,3 gram heroïne aan [naam koper] heeft verkocht en dat hij tijdens de achtervolging 2 bolletjes met een totaalgewicht van 10,7 gram aan heroïne heeft weggegooid. Beide hoeveelheden zijn door het NFI getest.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 en feit 2:

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bepleit. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de verklaringen van de verbalisanten onderling niet overeenkomen en dat de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] inconsistent is. [verbalisant 1] relateert namelijk aanvankelijk dat hij moest wegspringen toen verdachte op de Van Heylerhofflaan te Maastricht accelereerde en wegreed. Later bij de rechter-commissaris verklaart [verbalisant 1] dat hij moest wegstappen. Daarnaast kan volgens de raadsvrouw niet bewezen worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het overlijden dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Verdachte dacht dat hij op het moment dat hij werd geblokkeerd door de auto’s van de politie werd beroofd. Verdachte is toen achteruit gereden en vervolgens weggereden, omdat hij wilde ontkomen. Hij heeft niet gehoord dat er “politie” is geroepen, zoals door de verbalisanten is gerelateerd. Ook is niet duidelijk of er een politiepas is getoond. Tot slot heeft zij aangevoerd dat uit het Porsche-arrest kan worden afgeleid dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Door zijn handelwijze zou hij zelf ook aanmerkelijk letsel kunnen oplopen.

Ten aanzien van feit 3:

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder feit 3 ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Ten aanzien van feit 4:

Van het onder feit 4 ten laste gelegde vervoer van heroïne heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat uit het proces-verbaal van bevindingen weliswaar kan worden afgeleid dat verdachte bolletjes uit de auto heeft gegooid op de Prins Bisschopsingel te Maastricht, maar dat dit gebied bekend staat als een gebied voor drugsoverlast. Gelet daarop kan niet worden uitgesloten dat de inbeslaggenomen bolletjes die heroïne bleken te bevatten, niet de bolletjes betreffen die verdachte uit de auto heeft gegooid.

4.3

Het oordeel van de rechtbank1

De rechtbank zal, in verband met de leesbaarheid en begrijpelijkheid van het vonnis, de feiten in chronologische volgorde bespreken.

Ten aanzien van feit 3:

Op 19 juni 2014, omstreeks 16.55 uur, zag verbalisant [verbalisant 3] dat een man met een junkachtig uiterlijk, naar later bleek [naam koper], op de Van Heylerhofflaan te Maastricht in een Opel Astra met het kenteken [XX-XX-XX] stapte. Vlak daarna stapte [naam koper] uit deze auto, waarna [verbalisant 3] hem staande hield. Nadat [verbalisant 3] de uitlevering van verdovende middelen vorderde, haalde [naam koper] een plastic zakje met daarin 5,3 gram bruto op heroïne gelijkend poeder uit zijn broek.2 Dit zakje werd in beslag genomen.3 Door het NFI is geconcludeerd dat het op heroïne gelijkende poeder, daadwerkelijk heroïne bevat.4

[naam koper] heeft verklaard dat hij op 19 juni 2014 een jongen, zijn dealer, bij het park in Maastricht heeft opgewacht. Zijn dealer kwam in een grijze Opel Astra aangereden en [naam koper] is vervolgens bij hem in de auto gestapt. Hij heeft toen 5 gram heroïne gekocht en daar € 75,00 voor betaald. De dealer heeft [naam koper] vervolgens enkele meters verder uit de auto laten stappen.5

De Opel Astra met het kenteken [XX-XX-XX] bleek op naam van [verdachte], verdachte, te staan en [verdachte] werd later bij zijn aanhouding herkend als de bestuurder van de auto.6

Uit die bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte op 19 juni 2014 te Maastricht 5,3 gram heroïne heeft verkocht.

Ten aanzien van feit 1:

De verbalisanten [verbalisant 2], hoofdagent van politie en [verbalisant 1], brigadier van politie, hebben naar aanleiding van de onder feit 3 bewezenverklaarde verkoop van heroïne geprobeerd de Opel Astra op de Sint Hubertuslaan in Maastricht te laten stoppen, om verdachte aan te houden. Op het moment dat de Opel Astra de Sint Hubertuslaan op wilde rijden, heeft [verbalisant 2] zijn dienstvoertuig voor deze auto geplaatst om te voorkomen dat de bestuurder verder kon rijden. [verbalisant 2] zag dat verbalisant [verbalisant 4] zijn dienstvoertuig achter de Opel Astra had geplaatst. [verbalisant 1] is uit zijn dienstvoertuig gestapt en naar de bijrijderskant van de Opel Astra gerend. Tijdens het rennen riep hij “politie, politie”. [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zagen vervolgens dat de bestuurder van de Opel Astra, verdachte, achteruit reed. [verbalisant 2] heeft toen geprobeerd deze auto klem te zetten door zijn dienstvoertuig achteruit te zetten. Daarna zag hij dat verdachte zijn auto naar rechts draaide waar [verbalisant 1] op dat moment stond. [verbalisant 1] zag toen dat verdachte vooruit begon te rijden. Hij is vervolgens opzij gesprongen om niet overreden te worden. [verbalisant 2] zag ook dat [verbalisant 1] opzij moest springen. Volgens [verbalisant 1] was er op dat moment maar weinig ruimte tussen hem en de auto van verdachte. Daarna zagen beide verbalisanten dat verdachte het dienstvoertuig waarin [verbalisant 2] zat passeerde en met hoge snelheid wegreed.7

[verbalisant 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij tegen de auto van verdachte aan stond. Op dat moment zag hij dat verdachte gas gaf en 1 of 2 meter achteruit reed. Daarna draaide verdachte de door hem bestuurde auto in zijn richting. [verbalisant 1] heeft moeten wegspringen, omdat de auto van verdachte hem anders had geraakt.8

Poging tot doodslag, poging tot zware mishandeling of bedreiging?

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte met zijn auto op verbalisant [verbalisant 1] is ingereden op de Sint Hubertuslaan te Maastricht. Vervolgens is de juridische vraag of dat als een poging tot doodslag, een poging tot zware mishandeling of een bedreiging moet worden gekwalificeerd.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Uit de verklaring van verdachte kan niet worden afgeleid dat hij de bedoeling had om [verbalisant 1] te doden. Resteert de vraag of het (voorwaardelijk) opzet op de dood van [verbalisant 1] kan worden afgeleid uit de uiterlijke verschijningsvorm van verdachtes handelen.

Het met een auto op iemand inrijden kán dodelijk letsel tot gevolg hebben, maar dat hangt onder meer af van de snelheid waarmee met de auto op iemand wordt ingereden en de positie van de auto ten opzichte van het slachtoffer. Niet is komen vast te staan met welke snelheid verdachte op [verbalisant 1] is ingereden. Wat wel vast staat is dat verdachte vanuit stilstand is opgetrokken en [verbalisant 1] zich op dat moment op korte afstand van de auto van verdachte bevond. Immers [verbalisant 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij tegen de auto van verdachte aan stond en dat verdachte de auto vervolgens 1 of 2 meter achteruit reed en vervolgens op hem is ingereden. De auto van verdachte kan vanuit stilstand op die afstand naar het oordeel van de rechtbank niet een zodanig hoge snelheid hebben bereikt dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. Evenmin is duidelijk wat de exacte positie van [verbalisant 1] ten opzichte van de auto was toen verdachte met zijn auto op hem inreed. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [verbalisant 1] door zijn handelen zou komen te overlijden. Zij zal verdachte daarom vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling overweegt de rechtbank dat het met een auto inrijden op een voetganger in zijn algemeenheid een aanmerkelijke kans met zich meebrengt dat ten gevolge daarvan zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Door het inrijden met een auto op een voetganger kan vrij gemakkelijk (een) breuk(en) aan een been of benen worden veroorzaakt. (Een) dergelijke breuk(en) merkt de rechtbank aan als zwaar lichamelijk letsel. Deze kans is echter ook weer afhankelijk van de snelheid waarmee op iemand wordt ingereden en hoe deze persoon gesitueerd stond ten opzichte van de auto. In dit geval kan de rechtbank deze beide factoren - als gezegd - niet met een voldoende mate van zekerheid vaststellen om daaraan de conclusie te verbinden dat sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Verdachte dient daarom tevens van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling te worden vrijgesproken.


Wel is de rechtbank van oordeel dat verdachte verbalisant [verbalisant 1] door met zijn auto op hem in te rijden heeft bedreigd. Uit proces-verbaal [verbalisant 4] (pagina 81 van de doornummering) blijkt immers dat verdachte het toerental van de motor van de auto fors omhoog bracht en een forse stuurbeweging maakte richting [verbalisant 1]. In samenhang met de verklaring van [verbalisant 1] zoals afgelegd bij de RC, stelt de rechtbank vast dat bij [verbalisant 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Zij acht de meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging daarom wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 4:

Verbalisant [verbalisant 4] zette de achtervolging in, nadat verdachte het dienstvoertuig van [verbalisant 2] passeerde en wegreed . Hij zag dat verdachte op de ventweg van de Prins Bisschopsingel te Maastricht een klein plastic bolletje uit het portierraam gooide. Op de kruising van de Prins Bisschopsingel met het Aldenhofpark te Maastricht zag [verbalisant 4] weer dat verdachte een bolletje uit het portierraam gooide.9

Op 19 juni 2014, om 17.10 uur, werd op de Prins Bisschopsingel te Maastricht een plastic bolletje met daarin 5,4 gram bruto op heroïne gelijkend poeder in beslag genomen. Ook werd daar een plastic bolletje met daarin 5,3 gram bruto op heroïne gelijkend poeder in beslag genomen.10 Door het NFI is geconcludeerd dat beide op heroïne gelijkende poeders daadwerkelijk heroïne bevatten.11

Uit deze bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte op 19 juni 2014 in totaal 10,7 gram heroïne heeft vervoerd in zijn auto in Maastricht. Gelet op het korte tijdsverloop tussen het uit het portierraam gooien van de bolletjes door verdachte (dat gelet op de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] ergens na de drugsdeal met koper [naam koper], welke omstreeks 16.55 uur plaatsvond, moet hebben plaatsgevonden) en het aantreffen daarvan op de Prins Bisschopsingel te Maastricht (om 17.10 uur) acht de rechtbank het onaannemelijk dat de aangetroffen bolletjes met daarin heroïne andere bolletjes zouden zijn dan die verdachte uit het portierraam heeft gegooid. Niet aannemelijk is dat bolletjes met heroïne blijven liggen in een gebied waar naar verluidt veel gebruikers komen.

Ten aanzien van feit 2:

Terwijl verdachte wegreed, hoorde verbalisant [verbalisant 2] via de portofoon dat verdachte op de Tongersestraat in Maastricht reed. Verbalisant [verbalisant 2] is vervolgens met zijn onopvallende dienstvoertuig aan de zijde van de Tongersestraat gaan staan waar verdachte vandaan moest komen. Hij had zijn auto zo geplaatst dat verdachte zou moeten stoppen. Vervolgens zag hij dat verdachte met hoge snelheid kwam aanrijden. [verbalisant 2] zag dat de snelheid van de door verdachte bestuurde auto steeds hoger werd en dat de afstand tussen het dienstvoertuig en de auto van verdachte snel kleiner werd. [verbalisant 2] kreeg het gevoel dat verdachte hem ging rammen en heeft zijn auto, toen de afstand tussen het dienstvoertuig en de auto van verdachte ongeveer 50 meter was, naar links gestuurd in de richting van het trottoir om een aanrijding te voorkomen. Direct daarna zag hij dat verdachte hem rakelings aan de rechterkant passeerde.12

Verbalisant [verbalisant 4], die verdachte op dat moment achtervolgde, zag dat verdachte op de Tongersestraat reed. Hij zag dat verdachte zijn snelheid opvoerde en zag op dat moment dat de snelheidsmeter van zijn dienstvoertuig een snelheid van 100 kilometer per uur aangaf en dat verdachte op hem uitliep. [verbalisant 4] zag dat een dienstvoertuig op de Tongersestraat de doorgang versperde. Het was voor verdachte onmogelijk deze versperring te passeren. Verdachte voerde zijn snelheid echter nog verder op en [verbalisant 4] zag dat het dienstvoertuig op het laatste moment een stuk vooruit reed om een aanrijding te voorkomen.13

Poging tot doodslag, poging tot zware mishandeling of bedreiging?

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte op 19 juni 2014 op de Tongersestraat in Maastricht met een hoge snelheid en zonder snelheid te minderen, sterker nog met een steeds hogere snelheid, op de auto waarin verbalisant [verbalisant 2] zat, is ingereden. Uit de tekening die verbalisant [verbalisant 2] op verzoek van de raadsvrouw bij de rechter-commissaris heeft gemaakt, leidt de rechtbank af dat [verbalisant 2], op het moment dat verdachte met zijn auto op hem inreed niet aan de (bijrijders)zijde van de auto zat, waarop verdachte inreed (de rechterflank van de auto). Vervolgens is de vraag of dit als een poging tot doodslag, een poging tot zware mishandeling of als een bedreiging moet worden gekwalificeerd.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Uit de verklaring van verdachte kan niet worden afgeleid dat hij de bedoeling had om [verbalisant 2] te doden. Resteert de vraag of het (voorwaardelijk) opzet op de dood van [verbalisant 2] kan worden afgeleid uit de uiterlijke verschijningsvorm van verdachtes handelen.

Zoals hierboven overwogen kán het met een auto op iemand inrijden dodelijk letsel tot gevolg hebben. Dat hangt onder meer af van de snelheid waarmee met de auto op iemand wordt ingereden en de positie van het potentiele slachtoffer. Hoewel in dit geval vastgesteld kan worden dat verdachte al met een hoge snelheid richting de auto van [verbalisant 2] reed en zijn snelheid alleen maar toe nam, acht de rechtbank de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel groter dan de kans op het overlijden van [verbalisant 2]. Hierbij neemt zij in aanmerking dat [verbalisant 2], op het moment dat verdachte met zijn auto op hem inreed, zelf ook in een auto zat. Daarnaast zat [verbalisant 2], blijkens de tekening die hij bij de rechter-commissaris heeft gemaakt, niet aan de zijde waar verdachte met zijn auto op het dienstvoertuig zou botsen, maar aan de bestuurderskant, de linkerflank van de auto. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet vast is komen te staan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [verbalisant 2] door zijn handelen zou komen te overlijden. Zij zal verdachte dan ook vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Wel is de rechtbank van oordeel dat verdachte door met zijn auto met een hoge snelheid en zonder snelheid te minderen op de auto van [verbalisant 2] in te rijden willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [verbalisant 2] daardoor ernstig gewond zou raken. Door het met een steeds hogere snelheid en zonder snelheid te minderen met een auto in te rijden op de zijkant van een andere auto kan immers voor de inzittenden van dat laatst genoemde voertuig zwaar lichamelijk letsel ontstaan. Uit ervaringsregels is de rechtbank bekend dat de impact van een dergelijke botsing hevig is en dat gelet op de rondspringende materialen van de auto’s (onder andere glas) en de gevolgen van de botsing zelf gemakkelijk ernstige verwondingen ontstaan. Door dit rijgedrag heeft verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [verbalisant 2] aanvaard en is het dankzij het alerte optreden van [verbalisant 2] zelf bij een poging gebleven.

Het verweer gebaseerd op het zogenoemde Porsche-arrest verwerpt de rechtbank. In dat geval was sprake van een frontale botsing, hier niet. Bovendien blijkt ook uit de verklaring van verdachte dat hij kostte wat het kost weg wilde komen.

Verdachte stelt dat hij wilde wegkomen, omdat hij dacht dat hij zou worden overvallen. Dit motief acht de rechtbank onaannemelijk. De enkele verklaring daarvoor van verdachte is onvoldoende en laat bovendien nog het motief open dat hij weg wilde komen om ontdekking van de zich nog in de auto bevindende (en later in België aangetroffen) verdovende middelen te voorkomen én niet betrapt wilde worden op het vervoer van die drugs.

De rechtbank acht dus bewezen dat verdachte geprobeerd heeft [verbalisant 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (feit 2 subsidiair).

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

op 19 juni 2014 in de gemeente Maastricht, [verbalisant 1], brigadier van politie, heeft bedreigd met zware mishandeling immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto op die [verbalisant 1] ingereden.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

op 19 juni 2014 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 2], hoofdagent van politie, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid en zonder snelheid te minderen op het onopvallende dienstvoertuig, welke de rijbaan van de Tongersestraat had geblokkeerd en waarin genoemde [verbalisant 2] was gezeten, is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Ten aanzien van feit 3:

op 19 juni 2014 in de gemeente Maastricht, opzettelijk heeft verkocht ongeveer 5,3 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Ten aanzien van feit 4:

op 19 juni 2014 in de gemeente Maastricht, opzettelijk heeft vervoerd, ongeveer 10,7 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

bedreiging met zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 3:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 4:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

6 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

7 De oplegging van straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4 op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3,5 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 5 heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een hechtenis voor de duur van 2 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1, 2 en 4 vrijspraak bepleit. Mocht het tot een bewezenverklaring komen, heeft zij de rechtbank verzocht aan verdachte een taakstraf of een geldboete, eventueel in combinatie met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft op 19 juni 2014 in Maastricht ongeveer 5,3 gram heroïne verkocht. Toen verbalisanten verdachte vervolgens staande wilden houden, heeft hij verbalisant [verbalisant 1] bedreigd door met zijn auto op hem in te rijden. Vervolgens is verdachte met hoge snelheid weggereden en heeft hij op de Prins Bisschopsingel te Maastricht in totaal ongeveer

10,7 gram heroïne van de partij heroïne die hij vervoerde uit het portierraam van zijn auto gegooid. Tot slot is verdachte met hoge snelheid en steeds hogere snelheid met zijn auto op het dienstvoertuig waarin verbalisant [verbalisant 2] op dat moment zat, ingereden. [verbalisant 2] heeft uiteindelijk geen letsel opgelopen, omdat hij zijn dienstvoertuig op het laatste moment kon verplaatsen. Hij is ternauwernood aan een aanrijding door verdachte ontsnapt.

Dit alles is gebeurd op de openbare weg, in de binnenstad van Maastricht, op een tijdstip (rond 17.00 uur) dat er veel woon- werkverkeer op de weg is en op een plek, waar - mede door de aanwezigheid van universiteits- en faculteitsgebouwen - veel voetgangers en fietsers zijn. Verdachte heeft daar, naar het zich laat aanzien, op momenten meer dan 100 km/u gereden, terwijl een maximumsnelheid van 50 km/uur is toegestaan. Gedurende de hele achtervolging van verdachte tot in België heeft hij “als een gek” gereden. Hierdoor zijn veel medeweggebruikers ongewild getuige geworden van het extreme rijgedrag van verdachte en liepen zij de kans ook ernstig gewond te raken. De rechtbank houdt hiermee in strafverzwarende zin rekening.

Poging tot zware mishandeling is een ernstig strafbaar feit, nu dit een feit betreft dat de lichamelijke integriteit schendt. In het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) is een oriëntatiepunt vastgesteld voor het bestraffen van zware mishandeling waarbij met behulp van een wapen, niet zijnde een vuurwapen, middelzwaar lichamelijk letsel is toegebracht, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden. Gaat het om het toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel dan is het oriëntatiepunt 1 jaar. Die oriëntatiepunten kunnen nog verhoogd worden als het feit is begaan tegen een politieagent, zoals in deze zaak het geval is. De rechtbank zal hier ook in strafverzwarende zin rekening mee houden. In dit geval heeft verdachte zijn auto als wapen gebruikt, waardoor met name [verbalisant 2], maar ook vele omstanders en voorbijgangers, de kans hebben gelopen ernstig gewond te raken.

Verdachte heeft zich echter niet alleen schuldig gemaakt aan bedreiging en poging zware mishandeling van twee verbalisanten, maar ook aan Opiumwetdelicten. Hij heeft daarmee bijgedragen aan het in stand houden van het illegale harddrugscircuit en de daaraan gerelateerde criminaliteit. Met name in de Maastrichtse binnenstad is de overlast die veroorzaakt wordt door harddruggebruikers en door drugsrunners zoals verdachte, een groot probleem. Verslaafden nemen bovendien hun toevlucht tot criminele activiteiten om hun drugsgebruik te kunnen bekostigen, waardoor aan de hele samenleving ernstige schade wordt berokkend.

De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk. Temeer nu het niet de eerste keer is dat hij is veroordeeld voor Opiumwetfeiten. Kennelijk is de handel in drugs voor verdachte een ‘way of living’, waarvan hij maar moeilijk afscheid kan nemen.

De rechtbank zal ook daar ten nadele van verdachte rekening mee houden.

De rechtbank is al met al van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de angst en onrust die hierdoor bij de slachtoffers is veroorzaakt dermate groot is, dat zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd. Een werkstraf, zoals door de raadsvrouw is bepleit, is gelet op al het bovenstaande in het geheel niet aan de orde.

Die straf zal wel beduidend lager zijn dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van de poging doodslag/zware mishandeling op [verbalisant 1] en ten aanzien van hem ‘slechts’ tot bewezenverklaring van een bedreiging komt en ook de poging doodslag op [verbalisant 2] niet bewezen is. Bovendien heeft de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van feit 5, zodat voor dat feit geen straf of maatregel opgelegd zal worden.

Het reclasseringsadvies dat over verdachte is opgemaakt geeft geen aanleiding om een andere straf dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De reclassering onthoudt zich namelijk van advies, omdat verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept en onvoldoende inzicht in zijn gedragingen geeft om een inschatting te maken over recidive en gevarenrisico’s. Bovendien heeft de rechtbank met het schorsen van de voorlopige hechtenis ter terechtzitting van 6 oktober 2014 verdachte een kans willen geven zijn leven op te pakken, maar die kans heeft verdachte niet gegrepen. Sterker nog: verdachte heeft, hoewel de rechtbank had bevolen dat verdachte naar school moest gaan en moest gaan werken aan zijn schulden, dat niet gedaan. Dat was de reden voor de rechtbank om de schorsing van de voorlopige hechtenis ter terechtzitting van 17 november 2014 op te heffen. De rechtbank heeft er dan ook geen vertrouwen in dat verdachte zich in de toekomst wel aan afspraken zal houden en ziet daarom geen aanleiding een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Alles afwegende, acht de rechtbank het passend en geboden dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden wordt opgelegd.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 57, 285, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het ten laste gelegde feit 5.

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde feit en het onder 2 primair ten laste gelegde feit.

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd.

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar.

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Holthuis, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en

mr. C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.J. Reuvers, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 december 2014.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 juni 2014 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 1], brigadier van politie, van het leven te beroven, met dat opzet, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid, in elk geval met aanmerkelijke snelheid op die [verbalisant 1] is ingereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 19 juni 2014 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [verbalisant 1], brigadier van politie, gedurende en/of terzake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid, in elk geval met aanmerkelijke snelheid op die [verbalisant 1] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 19 juni 2014 in de gemeente Maastricht, [verbalisant 1], brigadier van politie, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte,

bestuurde personenauto met hoge snelheid, in elk geval met aanmerkelijke snelheid op die [verbalisant 1] ingereden.

2.

hij op of omstreeks 19 juni 2014 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 2], hoofdagent van politie, van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid, in elk geval met aanmerkelijke snelheid en/of zonder snelheid te minderen op het onopvallende dienstvoertuig, welk de rijbaan van de Tongersestraat had geblokkeerd en

waarin genoemde [verbalisant 2] was gezeten, is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 19 juni 2014 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 2], hoofdagent van politie, gedurende en/of terzake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid, in elk geval met aanmerkelijke snelheid en/of zonder snelheid te minderen op het onopvallende dienstvoertuig, welk de rijbaan van de Tongersestraat had

geblokkeerd en waarin genoemde [verbalisant 2] was gezeten, is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 19 juni 2014 in de gemeente Maastricht [verbalisant 2], hoofdagent van politie, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte,

bestuurde personenauto met hoge snelheid, in elk geval met aanmerkelijke snelheid en/of zonder snelheid te minderen op het onopvallende dienstvoertuig, welk de rijbaan van de Tongersestraat had geblokkeerd en waarin genoemde [verbalisant 2] was gezeten, ingereden.

3.

hij op of omstreeks 19 juni 2014 in de gemeente Maastricht, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, ongeveer 5,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4.

hij op of omstreeks 19 juni 2014 in de gemeente Maastricht, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10,7 gram in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

5.

hij op of omstreeks 19 juni 2014, in de gemeente Maastricht, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),

daarmee rijdende op de weg, de Van Heylerhofflaan, terwijl de doorgang op die weg, voor hem, verdachte, werd geblokkeerd door twee dienstvoertuigen van de politie, met een voor die situatie ter plaatse veel te hoge snelheid is weggereden, op het moment dat

[verbalisant 1], brigadier van politie, zich in de directe nabijheid van het door verdachte bestuurde motorrijtuig bevond en/of,

het kruispunt, gevormd door de Sint Hubertuslaan en de Prins Bisschopsingel, in strijd met een voor hem, verdachte, geldend rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht, is opgereden en/of,

rijdende op het Aldenhofpark - terwijl de richtingaanwijzer van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig naar rechts niet in werking was gesteld - naar rechts is afgeslagen teneinde de Tongersestraat op te rijden met een voor die situatie (veel) te hoge snelheid en/of,

heeft gereden op de Kakeberg, op of in de nabijheid van welke weg een terras is gelegen waar zich meerdere personen bevonden, met een voor die situatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid en/of,

rijdende op de Kakeberg - terwijl de richtingaanwijzer van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig naar links niet in werking was gesteld - naar links is afgeslagen teneinde de Ezelmarkt op te rijden met een voor die situatie (veel) te hoge snelheid, en/of,

de rotonde, het Tongerseplein, is opgereden en daarbij geen gevolg heeft gegeven aan op het wegdek aangebrachte haaietanden - aanduidende: verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg -, op het moment dat zich meerdere voertuigen op of nabij die rotonde bevonden en/of,

op het kruispunt gevormd door de Tongerseweg en de Cannerweg en rijdende op het voorsorteervak bestemd voor het linksafslaande verkeer, ter plaatse niet linksaf is geslagen maar zijn weg in strijd met een voor hem, verdachte, geldend rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht rechtdoor heeft vervolgd en/of,

op het kruispunt gevormd door de Tongerseweg en de Ruttensingel en rijdende op het voorsorteervak bestemd voor het linksafslaande verkeer, ter plaatse niet linksaf is geslagen maar zijn weg in strijd met een voor hem, verdachte, geldend rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht rechtdoor heeft vervolgd en/of,

op de Tongerseweg meerdere voertuigen met hoge snelheid heeft ingehaald en/of,

op het kruispunt gevormd door de Tongerseweg en de Javastraat en rijdende op het voorsorteervak bestemd voor het linksafslaande verkeer, ter plaatse niet linksaf is geslagen maar in strijd met een voor hem, verdachte, geldend rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht rechtsaf is geslagen teneinde de Javastraat op te rijden en hierbij geen voorrang heeft verleend aan een hem, verdachte, tegemoetkomende en reeds overstekende fietser en/of,

op de Javastraat personenauto’s met hoge snelheid heeft ingehaald op het moment dat hem, verdachte, tegemoetkomende personenauto's reeds dicht genaderd waren en/of,

ter hoogte van de kruising met Via Regia een personenauto heeft ingehaald op het moment dat een hem, verdachte, tegemoetkomende personenauto reeds dicht genaderd was en zich vervolgens weer naar rechts heeft begeven op het moment dat een personenauto zich rechts naast dan wel zich rechts dicht achter hem bevond, waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing of aanrijding is gekomen met laatstgenoemde personenauto en/of,

op de Via Regia geruime afstand op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer heeft gereden en vervolgens over een groenvoorziening heeft gereden en/of,

op de Via Regia meerdere voertuigen met hoge snelheid heeft ingehaald en hierbij (telkens) de dubbele doorgetrokken streep heeft overschreden,

door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Eenheid Limburg opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL2400-2014067057 d.d. 4 juli 2014, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 93 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2014, als weergegeven op de pagina’s 78 en 79 van de doornummering.

3 Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv), als weergegeven op pagina 25 van de doornummering.

4 Rapport identificatie van drugs en precursoren van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 8 juli 2014.

5 Proces-verbaal verhoor verdachte [naam koper] d.d. 19 juni 2014, als weergegeven op de pagina’s 35 en 36 van de doornummering.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 juni 2014, als weergegeven op pagina 92 van de doornummering en Proces-verbaal van bevindingen als weergegeven op pagina 92 van de doornummering.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2014, als weergegeven op de pagina’s 86 en 87 van de doornummering.

8 Proces-verbaal verhoor van getuigen bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van de getuite[verbalisant 1] d.d. 30 oktober 2014.

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2014, als weergegeven op de pagina’s 81 en 82 van de doornummering.

10 Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv), als weergegeven op de pagina’s 60 en 61 van de doornummering.

11 Rapport identificatie van drugs en precursoren van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 8 juli 2014.

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2014, als weergegeven op pagina 87 van de doornummering.

13 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2014, als weergegeven op pagina 83 van de doornummering.