Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:10341

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
03/700496-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte wegens verduistering van €75.000,00 en wegens mishandeling tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/700496-12

Datum uitspraak : 2 december 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats 1], [adres 1].

Raadsvrouw is mr. M.H.J. Pluijmen, advocaat te Roermond.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 februari, 20 mei en 18 november 2014.

De rechtbank heeft op 18 november 2014 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw. Voorts zijn gehoord mr. M.E.T. Plantaz-Quadflieg namens de benadeelde partij mr. R.E.A. Ruijter, de heer [slachtoffer] namens de benadeelde partij RKVV Doenrade en de heer [naam directeur].

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er –na wijziging van de tenlastelegging– kort en feitelijk weergegeven op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: een geldbedrag van € 83.253,27, toebehorende aan Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V., heeft verduisterd, welk bedrag hij uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als controller onder zich had;

Feit 1 subsidiair: een geldbedrag van € 83.253,27 heeft witgewassen;

Feit 2 primair: een geldbedrag van € 18.500,00, toebehorende aan RKVV Doenrade, heeft verduisterd, welk bedrag hij als penningmeester onder zich had;

Feit 2 subsidiair: een geldbedrag van € 18.500,00 heeft witgewassen;

Feit 3: [slachtoffer] heeft mishandeld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich met betrekking tot het tenlastegelegde onder feit 1 op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, in die zin dat de verdachte een bedrag van € 72.219,76 heeft verduisterd van Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V. Dit bedrag had verdachte uit hoofde van zijn functie als controller bij voornoemd bedrijf onder zich. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte namens Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V., de bekentenis van de verdachte dat hij geld van het bedrijf heeft verduisterd en het onderzoek van de facturen en de bankbescheiden van Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V.

Daarnaast acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een bedrag van € 10.000,00 heeft verduisterd van RKVV Doenrade, over welk bedrag de verdachte als penningmeester beschikte. Dit is onder feit 2 primair tenlastegelegd. De officier van justitie heeft in dit verband verwezen naar de aangifte en de bekennende verklaring van de verdachte.

Tenslotte acht de officier van justitie ook de onder feit 3 tenlastegelegde mishandeling van [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte en de bekennende verklaring van de verdachte dienaangaande.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig een door haar overgelegde pleitnotitie het woord gevoerd. Kort en zakelijk weergegeven heeft zij de volgende standpunten ingenomen.

De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot feit 1 primair op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat de verdachte uit hoofde van zijn dienstbetrekking een bedrag van

€ 43.744,82 van Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V. heeft verduisterd. De raadsvrouw heeft betoogd dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte zich een groter bedrag wederrechtelijk heeft toegeëigend. Voorts dienen op voornoemd bedrag de btw van de aan [naam 1] en [naam 2] betaalde bedragen nog afgetrokken te worden.

Met betrekking tot feit 2 primair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte erkent

€ 8.825,00 te hebben verduisterd. Hierop dient € 523,00, in mindering te worden gebracht, omdat dit het bedrag was dat in het geldkistje zat dat naderhand door de echtgenote van verdachte aan de voetbalclub is teruggegeven. Ten aanzien van het resterende bedrag kan niet worden bewezen dat dit door de verdachte is verduisterd.

Met betrekking tot het tenlastegelegde onder feit 3 heeft de raadsvrouw betoogd dat de tenlastelegging deels nietig verklaard moet worden, aangezien de mishandeling van [slachtoffer] niet in Doenrade heeft plaatsgevonden zoals ten laste is gelegd, maar in het ziekenhuis te Sittard-Geleen alwaar verdachte op dat moment was opgenomen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank1

Inleiding

Op 6 februari 2012 heeft de verdachte een verkeersongeval gehad, wat later naar zijn zeggen een zelfmoordpoging zou zijn geweest. Daags na het ongeval is de directeur van Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V. benaderd door twee projectleiders van het bedrijf, met de mededeling dat zij door de verdachte waren benaderd om medewerking te verlenen aan fraude met de jaarrekening. Hierop heeft de directeur, de heer [naam directeur], de administratie gecontroleerd waarbij verschillende malversaties aan het licht zijn gekomen. De heer [naam directeur] heeft vervolgens aangifte gedaan van verduistering tegen de verdachte. Naar aanleiding van de aangifte van de heer [naam directeur] heeft ook de voetbalvereniging haar boekhouding gecontroleerd. Ook hier kwamen verschillende malversaties aan het licht, waarop ook door de voetbalvereniging aangifte van verduistering is gedaan.

Ten aanzien van feit 1

Op 12 maart 2012 heeft de heer [naam directeur] aangifte gedaan tegen verdachte wegens verduistering in dienstbetrekking. Verdachte was vanaf 1 november 2008 werkzaam als controller bij Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V., waarvan de heer [naam directeur] eigenaar en directeur was.

Als controller had de heer [verdachte] volledige toegang tot alle rekeningen en een grote mate van vrijheid in zake financiële aangelegenheden. Tijdens de controle van de administratie door de heer [naam directeur], na het verkeersongeval van de verdachte, kwamen verschillende onverklaarbare boekingen en facturen boven water. Ook kwam aan het licht dat er sprake was van verscheidene contante opnames, zonder dat deze schriftelijk verantwoord waren.

Door de heer [naam directeur] is becijferd dat hierdoor in totaal een bedrag van € 83.253,27 aan het bedrijf is onttrokken. Hierop heeft hij een onderhandse akte laten opstellen waarin de verdachte erkent € 83.253,27 te hebben verduisterd. Deze akte is door de verdachte en zijn vrouw ondertekend.

Later heeft een onderzoek van een extern accountantskantoor bevestigd dat de door de verdachte gevoerde administratie niet klopte en dat de verdachte de cijfers steeds rooskleuriger heeft weergegeven dan ze in werkelijkheid waren. De heer [naam directeur] heeft investeringen gedaan die op grond van deze cijfers onverantwoord waren. Uiteindelijk bleek een faillissement onafwendbaar. Verdachte is op staande voet ontslagen.2

De verdachte heeft bekend geld van de B.V. te hebben verduisterd. Over de omvang van de verduistering heeft hij verschillende wisselende verklaringen afgelegd. Hoewel hij de onderhandse akte heeft ondertekend, ontkent hij later dat het om een bedrag van € 83.253,27 ging en stelt hij de akte onder psychische druk te hebben ondertekend. Gedurende de schriftelijke ronde die de rechtbank voorafgaand aan de behandeling ter terechtzitting heeft ingelast, heeft de verdediging een bedrag ter hoogte van € 40.237,08 erkend. Dit bedrag is door de verdediging ter terechtzitting bijgesteld naar € 43.744,82, mede naar aanleiding van de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Op grond van de beschikbare stukken acht de rechtbank bewezen dat verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking een bedrag van € 65.000,00 heeft verduisterd van Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V. De rechtbank baseert dit op het navolgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij zich een factuur ad € 30.000,00 contant heeft laten uitbetalen door [naam 3]. Dit bedrag heeft de verdachte in ontvangst genomen en in zijn auto gelegd. Hij heeft de auto niet afgesloten maar is nog even naar het kantoor van de [naam 3] teruggegaan. Toen hij weer bij de auto terugkwam was het geld ontvreemd. Verdachte heeft hierover niemand bij het bedrijf van [naam 3] aangesproken. Evenmin heeft hij aangifte van deze diefstal gedaan, naar eigen zeggen uit angst om zijn baan te verliezen. In plaats daarvan heeft hij met – zoals hij dat zelf omschrijft “ knip- en plakwerk in de boekhouding”- het verlies van dit bedrag geprobeerd te verdoezelen. De rechtbank hecht geen geloof aan deze beweerdelijke diefstal maar gaat er van uit dat verdachte dit geld, dat voor de B.V. bedoeld was, in zijn eigen zak heeft gestoken.

Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij in totaal € 25.000,00 contant heeft opgenomen van de rekening van Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V.3 Deze laatste verklaring komt overeen met hetgeen de getuige [getuige] verklaart. Hij heeft immers verklaard dat de verdachte tegen hem heeft toegegeven zeker € 25.000,00 te hebben verduisterd.4 Ook heeft de verdachte eerder ten overstaan van de politie verklaard € 25.000,00 contant te hebben opgenomen. Verdachte heeft ter zitting weliswaar gesteld dat hij een deel van het contante geld met toestemming van [naam directeur] heeft opgenomen, maar dat acht de rechtbank niet geloofwaardig, nu [naam directeur] dit ontkent en verdachte ook tegenover de getuige [getuige] en tegenover de politie heeft verklaard dat hij € 25.000,00 aan contant opgenomen geld zou hebben verduisterd.

Tenslotte heeft de verdachte toegegeven dat hij € 10.000,00 heeft overgeboekt van de rekening van Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V. naar de rekening van voetbalvereniging RKVV Doenrade.5 Voor deze overboeking bestond geen legitieme reden. Verdachte heeft de overboeking gedaan om een verduistering, die hij gepleegd had bij de voetbalclub, recht te zetten.

In totaal gaat het derhalve om een bedrag van € 65.000,00.

Dit bedrag is aanmerkelijk meer dan verdachte ter zitting heeft erkend. Naast de genoemde bewijsmiddelen vindt de rechtbank echter ook steun voor de overtuiging dat verdachte in ieder geval € 65.000,00 heeft verduisterd in de door hem ondertekende schuldbekentenis. Dit bedrag, € 83.253,27, komt namelijk dicht in de buurt van het bedrag dat de verdachte in de onderhandse akte erkend heeft. De rechtbank wil best geloven dat verdachte op het moment van de ondertekening niet op de cent nauwkeurig wist om welk bedrag het ging. Zij acht evenwel volstrekt ongeloofwaardig dat zowel de verdachte als ook zijn vrouw een onderhandse akte tekenen waarin zij de verduistering van een bedrag erkennen dat meer dan het dubbele bedraagt dan het bedrag dat verdachte daadwerkelijk heeft verduisterd.

Aldus acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in het tijdvak van 1 januari 2009 tot en met 6 februari 2012, een bedrag ter hoogte van € 65.000,00 toebehorende aan Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V., dat verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had, heeft verduisterd.

De rechtbank acht niet wettig bewezen dat de verdachte meer dan € 65.000,00 heeft verduisterd en zal de verdachte van het resterende tenlastegelegde bedrag vrijspreken.

Aangezien de raadsvrouw niet heeft aangevoerd dat de aanvangsdatum van de verduistering buiten het tijdvak van 1 januari 2009 tot en met 6 februari 2012 ligt, ziet de rechtbank geen aanleiding om de tenlastegelegde periode in te korten.

Ten aanzien van feit 2

Op zaterdag 14 april 2012 heeft [slachtoffer] namens de voetbalvereniging RKVV Doenrade aangifte gedaan van verduistering tegen de penningmeester van de voetbalvereniging, zijnde verdachte. In overeenstemming met de statuten van voornoemde voetbalvereniging, was bij de aangifte een tweede bestuurslid van de voetbalvereniging aanwezig.

Verdachte zou € 18.500,00 hebben verduisterd. Het gaat om kasgelden van de bar, die vanaf 4 april 2011 niet meer zijn opgevoerd in de boekhouding. Deze kasgelden zijn sinds april 2011 niet meer bijgeschreven op de bankrekening van de voetbalvereniging, zoals wel gebruikelijk was. Ook zijn deze gelden niet aangetroffen in de kas. Daarnaast betreft het meerdere contante opnames, die niet zijn verantwoord. De verdachte was als enige in het bezit van een bankpas op naam van de voetbalvereniging.6

Uit een aanvullend verhoor van het nagenoeg voltallige bestuur van de voetbalclub wordt bovendien melding gemaakt van een storting van € 10.000,00 van Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V. op rekening van de voetbalvereniging. Tevens is dan aan het licht gekomen dat verschillende rekeningen zijn betaald vanaf de spaarrekening van de voetbalvereniging, die normaal gesproken van de kantine-inkomsten betaald worden.7

De verdachte geeft toe geld van de voetbalvereniging te hebben verduisterd, maar ontkent dat het om € 18.500,00 ging. Volgens hem ging het om een bedrag van € 8.825,00.

Ter terechtzitting heeft de verdachte echter ook verklaard dat hij van de rekening van Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg € 10.000,00 naar de voetbalvereniging heeft overgemaakt, omdat dit nodig was om het verduisterde bedrag te compenseren. 8 Uit een bankafschrift blijkt dat de verdachte inderdaad € 10.000,00 heeft overgemaakt aan de voetbalvereniging.9

Gelet op deze laatste verklaring, dat er € 10.000,00 nodig was om het verduisterde bedrag te compenseren, in samenhang bezien met de bankafschriften en de aangifte van RKVV Doenrade, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in het tenlastegelegde tijdvak een bedrag van € 10.000,00 heeft verduisterd, toebehorende aan RKVV Doenrade. De rechtbank acht onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte een hoger bedrag heeft verduisterd.

Ten aanzien van feit 3

Op 14 april 2012 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van mishandeling. [slachtoffer] stelt in zijn verklaring dat hij op donderdag 12 april 2012 de verdachte heeft bezocht, die op dat moment op de afdeling 18 West van het Orbis Medisch Centrum verbleef. Aldaar ging [slachtoffer], in zijn hoedanigheid van secretaris van RKVV Doenrade, uitleg vragen aan de verdachte met betrekking tot de geconstateerde malversaties in de boekhouding van de voetbalclub. Dit gesprek verliep niet prettig. Op enig moment is de verdachte opgestaan, heeft vervolgens [slachtoffer] bij diens kin op het bed geduwd en diens bovenarm vast gegrepen. [slachtoffer] voelde dat de verdachte hard in zijn bovenarm kneep en voelde pijn.

Bij de aangifte is een foto gevoegd van de rechterbovenarm van [slachtoffer], waarop een bloeduitstorting te zien lijkt.10

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer] bij hem op bezoek is geweest in het ziekenhuis, toen verdachte op de psychiatrische afdeling verbleef. Op enig moment sloegen de stoppen bij de verdachte door en heeft hij [slachtoffer] van diens stoel afgetrokken en op het bed gegooid. Hij heeft [slachtoffer] vervolgens op de mond geknepen. Het is mogelijk dat hij [slachtoffer] bij diens bovenarm heeft gepakt toen hij [slachtoffer] van de stoel aftrok.11 Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] inderdaad bij zijn arm heeft gepakt en heeft geknepen.12

Op basis van de aangifte in samenhang bezien met de verklaring van de verdachte dienaangaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 12 april 2012 [slachtoffer] heeft mishandeld door hem in zijn bovenarm te knijpen, waardoor deze pijn en letsel heeft bekomen. Deze mishandeling heeft blijkens voornoemde bewijsmiddelen plaatsgevonden in het Orbis Medisch Centrum te Sittard-Geleen en niet te Doenrade, zoals ten laste is gelegd. Nu de verdachte duidelijk wist welk feit aan hem wordt verweten, vat de rechtbank de onjuiste pleegplaats op als een kennelijke misslag in de tenlastelegging. De verdachte is daarmee niet in zijn belangen geschaad.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

T.a.v. feit 1 primair:

in het tijdvak van 1 januari 2009 tot en met 6 februari 2012 in het arrondissement Maastricht (thans Limburg), opzettelijk een hoeveelheid geld te weten ongeveer 65.000 euro, toebehorende aan Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V., en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als controller onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

T.a.v. feit 2 primair:

in het tijdvak van 1 april 2011 tot en met 6 februari 2012 te Doenrade, opzettelijk een geldbedrag van 10.000 euro, toebehorende aan RKVV Doenrade, welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als penningmeester, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

T.a.v. feit 3:

op 12 april 2012 te Sittard-Geleen, opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte die [slachtoffer] met kracht in zijn arm geknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

4.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

4.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke

dienstbetrekking onder zich heeft

T.a.v. feit 2 primair:

verduistering

T.a.v. feit 3:

mishandeling

5 De strafbaarheid van verdachte

De raadsvrouw heeft namens de verdachte een beroep gedaan op psychische overmacht ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 3. Zij stelt dat de verdachte heeft gehandeld in een plotseling opkomende hevige gemoedstoestand, veroorzaakt door de beledigingen door aangever [slachtoffer]. Een normaal functionerend individu zou de beledigingen en de verwijten kunnen verdragen, maar verdachte verkeerde op dat moment in een psychisch kwetsbare positie waardoor hij geen weerstand meer kon bieden aan de drang om [slachtoffer] te mishandelen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de verdachte ten tijde van de mishandeling was opgenomen op de PAAZ-afdeling van het Orbis Medisch Centrum te Sittard-Geleen. De raadsvrouw concludeert dat hij niet strafbaar is.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en overweegt daartoe als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie moet er voor een geslaagd beroep op psychische overmacht sprake zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. De enkele omstandigheid dat verdachte ten tijde van de mishandeling opgenomen was op een psychiatrische afdeling kan niet de conclusie dragen dat de verdachte enkel en alleen daarom al redelijkerwijze geen weerstand kon en behoefde te bieden aan de drang om [slachtoffer] te mishandelen. Van andere omstandigheden is voorts niet gebleken, reden waarom de rechtbank het beroep op psychische overmacht afwijst.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu ook voor het overige geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

6 De oplegging van straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en daarnaast een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Als bijkomende straf heeft de officier van justitie de openbaarmaking van het vonnis gevorderd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de mishandeling gepleit voor toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de rechtbank haar beroep op psychische overmacht verwerpt. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte niet gestraft dient te worden voor de mishandeling vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder deze mishandeling heeft plaatsgevonden. De verdachte was op dat moment immers opgenomen op de PAAZ-afdeling van het Orbis Medisch Centrum.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de rechtbank bij het bepalen van de straf rekening dient te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast heeft zij gewezen op het feit dat de verdachte een zogenaamde first offender is en spijt heeft betuigd. Ook heeft de raadsvrouw verzocht om rekening te houden met het bedrag dat de verdachte terug dient te betalen en de grote psychische druk die op de verdachte rust.

De raadsvrouw acht een gevangenisstraf niet passend, aangezien de verdachte thans weer over een vaste baan beschikt en het recidiverisico laag is gelet op de referentie van zijn huidige werkgever. Gelet op dit laatste is ook een voorwaardelijke straf met een proeftijd van 3 jaren niet passend. De verdediging pleit daarom voor enkel een taakstraf.

Zij verzet zich tenslotte tegen publicatie van het vonnis, omdat de verdachte in de media al vaak in een negatief daglicht is gesteld.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering, zowel uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als controller bij Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V. alsmede als penningmeester bij voetbalclub RKVV Doenrade.

Vast staat dat een bedrag van minstens € 75.000,00 is verduisterd, maar de verdachte heeft geweigerd om openheid van zaken te geven waaraan dit bedrag is besteed. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting komt het beeld naar voren van een man, die het in hem gestelde vertrouwen op meerdere manieren misbruikte. Niet alleen door de daadwerkelijke verduistering, maar tevens door met niet aan hem toebehorende geldbedragen te schuiven en te proberen onder de btw-betaling uit te komen door privé-uitgaven via de zaak te laten verlopen. Ook vulde de verdachte het ene ontstane financiële tekort met het andere. Dit trachtte hij vervolgens te maskeren door de boekhouding te manipuleren. Daarmee dupeerde hij zijn werkgever, maar ook de voetbalclub. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van de secretaris van de voetbalclub, toen deze de verdachte confronteerde met zijn mogelijke bedrog.

Ter terechtzitting heeft de verdachte nauwelijks inzicht getoond in de onjuistheid van zijn handelen. In zijn laatste woord, op schrift overgelegd door de verdachte, omschrijft hij zichzelf als iemand die zich volledig heeft weggecijferd voor zijn werkgever. Ook benadrukt hij dat hijzelf, maar ook zijn gezin, als slachtoffer gezien moeten worden.

Hoewel de rechtbank wil aannemen dat de verdachte uit hoofde van zijn functie bij Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V. ook goed werk verricht zal hebben, gaat de verdachte daarmee volledig voorbij aan het feit dat hij ook tienduizenden euro’s heeft verduisterd van het bedrijf waar hij het naar eigen zeggen zo goed mee voor had. Daarnaast is de rechtbank opgevallen dat de emotionele uitbarsting van de gewezen eigenaar van Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V. naar aanleiding van de verklaring van de verdachte ter terechtzitting, verdachte geenszins leek te deren. Deze hele proceshouding van de verdachte bevestigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie van de reclassering dat verdachte een narcistische persoonlijkheid heeft. Hij heeft enkel en alleen oog voor zijn eigen belangen. Eenzelfde houding neemt de verdachte aan ten aanzien van de voetbalclub. Ook in dit verband lijkt de verdachte niet in te zien dat hij uiterst onverantwoordelijk met de aan hem toevertrouwde gelden is omgesprongen. Ook voor de mishandeling neemt de verdachte geen verantwoordelijkheid door zich te verschuilen achter zijn psychische gesteldheid, waarbij hij zichzelf wederom als slachtoffer posteert. Deze houding baart de rechtbank zorgen, zeker omdat de verdachte inmiddels wederom een verantwoordelijke financiële positie bekleedt bij een bedrijf.

De verdachte dient ervan doordrongen te raken dat zijn handelingen uitermate kwalijk waren en hij verdient hiervoor straf. Dit geldt ook voor de gepleegde mishandeling van [slachtoffer], waardoor de rechtbank toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht ongepast acht.

Doorgaans worden voor verduistering van bedragen rond de € 75.000,00 in een frauduleuze context gevangenisstraffen van 5 tot 9 maanden opgelegd. Dit is ingegeven door de ernst van de feiten. Immers worden niet alleen persoonlijke vertrouwensbanden geschaad, maar zijn dergelijke vertrouwensschendingen ook uitermate schadelijk voor het functioneren van het bedrijfsleven waarbij het vertrouwen in werknemers essentieel is. Ook een vereniging zoals de voetbalclub moet blind kunnen vertrouwen op haar penningmeester.

Door de officier van justitie is geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf geëist. De houding van verdachte geeft de rechtbank echter geen aanleiding hierin mee te gaan. Zoals reeds overwogen heeft de rechtbank bovendien ernstige twijfels bij de vraag of verdachte daadwerkelijk wel het verwerpelijke van zijn handelen inziet. Daarom acht de rechtbank het noodzakelijk om dat te doen wat nodig is om zeker te zijn dat hij het verkeerde van zijn handelen inziet en in de toekomst vergelijkbaar gedrag achterwegen zal laten. Naar de overtuiging van de rechtbank is daarvoor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk. Daarnaast zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen als de spreekwoordelijke “stok achter de deur”. om te proberen de verdachte er zo van te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren passend en geboden.

De rechtbank is van oordeel dat de publicatie van het vonnis in de onderhavige zaak noch passend noch geboden is. Nu het vonnis in de openbaarheid zal worden uitgesproken en vervolgens in geanonimiseerde vorm digitaal is te raadplegen via de website van de rechtspraak, ontgaat de rechtbank de meerwaarde van (integrale) publicatie.

7 De benadeelde partijen

7.1.1 De vordering van de benadeelde partij mr. R.E.A. Ruijter q.q. curator

De benadeelde partij mr. R.E.A. Ruijter vordert, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V., een schadevergoeding ter zake van feit 1. De hoogte daarvan is meerdere keren bijgesteld, laatstelijk tot € 45.000,-Tijdens deze zitting is de vordering mondeling toegelicht door mevrouw mr. M.E.T. Plantaz-Quadflieg, waarnemend voor mr. R.E.A. Ruijter.

7.1.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op standpunt gesteld dat de primair gedane vordering genoegzaam onderbouwd is en voor toewijzing gereed ligt.

7.1.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de curator wordt erkend voor zover deze vordering gelijk loopt met de posten die de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 1 heeft erkend.

7.1.4 Het oordeel van de rechtbank

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij mr. R.E.A. Ruijter q.q. curator door het hiervoor onder feit 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit ten minste rechtstreeks schade is toegebracht tot het door hem gevorderde bedrag van € 45.000,00 en nu aan verdachte onder andere ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd zal deze vordering geheel worden toegewezen. Tevens zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf 1 januari 2009 tot aan de dag van volledige voldoening.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

7.2.1 De vordering van de benadeelde partij [naam directeur]

De benadeelde partij [naam directeur] vordert een schadevergoeding van € 3.639,70 ter zake van feit 1. Het gevorderde bedrag bestaat uit € 3.139,70 voor geleden materiële schade en € 500,00 voor geleden immateriële schade. Daarnaast vordert [naam directeur] de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering waar het de posten kosten voor advocaat en kosten voor accountant betreft. Deze kosten hebben immers betrekking op het faillissement en staan niet in rechtstreeks verband met de ten laste van de verdachte bewezen verklaarde verduistering.

De kosten voor psychosociale hulpverlening en de immateriële schade komen daarentegen wel voor vergoeding in aanmerking. Deze posten zijn volgens de officier van justitie genoegzaam onderbouwd en liggen voor toewijzing gereed. Tevens vordert hij verdachte met betrekking tot deze vordering te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [naam directeur] dient te worden afgewezen, omdat de opgevoerde kostenposten betrekking hebben op het faillissement van Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V. en niet op de schade, die rechtstreeks voortvloeit uit de ten laste van verdachte bewezen verklaarde verduistering.

7.2.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. Om als benadeelde partij in een strafproces te kunnen worden aangemerkt is vereist dat aan diegene die de schade claimt zogenoemde “rechtstreekse schade” is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Volgens de Memorie van Toelichting is sprake van “rechtstreekse schade” indien iemand is getroffen in het belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In de onderhavige zaak gaat hem – voor zover hier van belang- om verduistering van gelden die de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had. Het belang dat deze strafbaarstelling beoogt te beschermen is zowel het (individuele) vermogensbelang van de werkgever als het bijzondere vertrouwen dat in het maatschappelijke verkeer gesteld moet kunnen worden in personen die tot de “vertrouwende” in een persoonlijke dienstbetrekking staan.

Dit brengt de rechtbank bij de vraag wie in dit geval als de “vertrouwende” heeft te gelden. Is dit alleen Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V., als zijnde de formele werkgever van verdachte? In dat geval zou [naam directeur] niet gerechtigd zijn zich als benadeelde partij te voegen in dit strafproces. Of kan ook [naam directeur] persoonlijk, als zijnde directeur en feitelijk leidinggevende van [verdachte], als “vertrouwende” worden beschouwd?

De rechtbank is van oordeel dat een teleologische wetsinterpretatie met zich brengt dat ook [naam directeur] in de onderhavige zaak als “vertrouwende” heeft te gelden, nu er een dusdanig enge verwevenheid tussen [naam directeur] en zijn B.V. is dat hun posities niet los van elkaar gezien kunnen worden. Daardoor strekt het beschermd belang zich ook uit tot [naam directeur] als privépersoon. [naam directeur] kan dus in zijn vordering worden ontvangen. Dat wil echter niet zeggen dat deze vordering ook geheel voor toewijzing gereed ligt. De posten “Koenen en Co” en “Thuis en Partners advocaten” zien volgens eigen zeggen van [naam directeur] op kosten die gemaakt zijn naar aanleiding van-, en in verband met- het faillissement van de B.V. Nu niet bewezen is dat [verdachte] dit faillissement heeft veroorzaakt kunnen deze posten in de onderhavige strafzaak niet voor rekening van [verdachte] komen en dient [naam directeur] in deze posten niet-ontvankelijk te worden verklaard. De posten “Counseling” en de immateriële schade zien op psychisch leed dat [naam directeur] heeft ondervonden door zowel het faillissement als het handelen van [verdachte]. Nu deze schade deels aan [verdachte] kan worden toegeschreven zal de rechtbank deze schadepost(en) deels toewijzen en wel voor een bedrag, ex aequo et bono vast te stellen op € 400,00 voor counseling en € 300,00 smartengeld.

7.3.1 De vordering van de benadeelde partij RKVV Doenrade

De benadeelde partij RKVV Doenrade vordert een schadevergoeding van € 19.795,95 ter zake van feit 2. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade.

7.3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de verduistering van € 10.000,00 wettig en overtuigend bewezen. Dientengevolge komt enkel dit bedrag voor toewijzing in aanmerking. Uit de stukken blijkt echter dat de voetbalclub ter hoogte van dit bedrag reeds is gecompenseerd via de rekening van Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg. Derhalve dient de vordering te worden afgewezen.

7.3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat de voetbalclub feitelijk geen schade heeft geleden. Immers is de voetbalclub schadeloos gesteld met betrekking tot het door verdachte verduisterde bedrag doordat later een bedrag van € 10.000,00 vanaf de rekening van Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg op de rekening van de voetbalclub is gestort.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het gedeelte van de vordering van de voetbalclub, dat het door de verdachte erkende bedrag overstijgt, onvoldoende is onderbouwd waardoor het een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. De raadsvrouw concludeert dat de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

7.3.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij deels niet-ontvankelijk is in haar vordering en deze deels moet worden afgewezen.

Op zich acht de rechtbank bewezen dat de verdachte € 10.000,00 heeft verduisterd. Wat betreft het meerdere van de vordering ontbreekt dus het wettelijk vereiste verband tussen het strafbare feit en dat meerdere van de vordering zodat de voetbalvereniging voor dat meerdere niet ontvankelijk moet worden verklaart.

Wat betreft het verduisterde bedrag ad € 10.000,00 is de voetbalvereniging ontvankelijk in haar vordering. De voetbalvereniging is echter via de bankrekening van Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V. gecompenseerd voor de € 10.000,00 die de verdachte heeft verduisterd. Ter terechtzitting is namens de curator van Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V. aangegeven dat dit bedrag niet zal worden teruggevorderd van de voetbalclub. Dit deel is dus voldaan en derhalve behoort de vordering voor dit onderdeel te worden afgewezen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57, 300, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijk deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij mr. R.E.A. Ruijter q.q. curator in het faillissement van Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V., Kerkstraat 4, 6367 JE Ubachsberg, te betalen een bedrag van € 45.000,00 (zegge: vijfenveertigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente van 1 januari 2009 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij mr. R.E.A. Ruijter q.q. curator tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer mr. R.E.A. Ruijter voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 260 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2009;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij mr. R.E.A. Ruijter vervalt en omgekeerd;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam directeur], [adres 2], [woonplaats 2], te betalen een bedrag van € 700,00 (zegge: zevenhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2009 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [naam directeur] ter zake de posten kosten advocaat en kosten accountant niet-ontvankelijk, omdat deze kosten betrekking hebben op het faillissement en niet in rechtstreeks verband staan met de door verdachte gepleegde verduistering;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam directeur] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam directeur] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 14 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2009;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [naam directeur] vervalt en omgekeerd;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij RKVV Doenrade, Valderensweg 2c, 6439 AG Doenrade, ter hoogte van € 10.000,00 af;

  • -

    verklaart de benadeelde partij RKVV Doenrade, met betrekking tot het meerdere van haar vordering niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij RKVV Doenrade in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.E.J. Maas, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 december 2014.BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is –na wijziging van de tenlastelegging– ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 2009 tot en met 6 februari 2012 te Heerlen, in elk geval in het arrondissement Maastricht (thans Limburg), althans in Nederland, opzettelijk een hoeveelheid geld te weten ongeveer 83.253,27 euro, in elk geval een geldbedrag, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan Aannemers- en Wegenbouwbedrijf Limburg B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als controller, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 2009 en 6 februari 2012, te Doenrade, gemeente Schinnen, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer 83.253,27 euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer 83.253,27 euro, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2.

hij in of omstreeks het tijdvak van 1 april 2011 tot en met 6 februari 2012 te Doenrade, gemeente Schinnen opzettelijk een geldbedrag van ongeveer 18.500 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan RKVV Doenrade, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten penningmeester, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks het tijdvak van 16 april 2010 en 6 februari 2012, te Doenrade, gemeente Schinnen,, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer 18.500 euro, in elk geval een geldbedrag heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer 18.500 euro, in elk geval een geldbedrag gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig

misdrijf;

3.

hij op of omstreeks 12 april 2012 te Doenrade, gemeente Schinnen, opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte die [slachtoffer] met kracht in zijn arm en/of gezicht geknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL2430 2012027999 d.d. 4 mei 2012 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal van aangifte door [naam directeur] d.d. 12 maart 2012 inclusief schriftelijke bescheiden, pagina 21 tot en met 73.

3 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 18 november 2014.

4 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] d.d. 23 maart 2012.

5 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 18 november 2014.

6 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 14 april 2012 inclusief schriftelijke bescheiden, pagina 81 tot en met 180.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 april 2012 van het verhoor van het nagenoeg voltallige bestuur van RKVV Doenrade d.d. 24 maart 2012, pagina 268 tot en met 270.

8 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 18 november 2014.

9 Het schriftelijk bescheid, zijnde een bankafschrift, pagina 176.

10 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 14 april 2012, pagina 181 tot en met 183.

11 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 28 april 2012, pagina 238.

12 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 18 november 2014.