Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:10063

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-11-2014
Datum publicatie
24-11-2014
Zaaknummer
03/700374-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:255, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

12 jaren celstraf wegens doodslag stiefvader en poging tot doodslag stiefbroer

De rechtbank Limburg veroordeelt een 33-jarige verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren voor de doodslag op zijn stiefvader en de poging tot doodslag op zijn stiefbroer.

Het door verdachte gedane beroep op noodweer dan wel noodweerexces wordt door de rechtbank verworpen. Een deel van de gevraagde schadevergoeding door nabestaanden is toegewezen.

Aan de nabestaanden die op de plaats delict aanwezig waren ten tijde van de fatale steekpartij en die het misdrijf direct hebben waargenomen of direct daarna werden geconfronteerd met de ernstige gevolgen ervan, wordt ook een vergoeding voor geleden schokschade toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/700374-13

Datum uitspraak : 24 november 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [Geboortegegevens verdachte],

wonende te [Adresgegevens verdachte].

Raadsvrouw is mr. L. Schyns, advocaat te Maastricht.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 november 2014. De rechtbank heeft gehoord de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: [Slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, dan wel [Slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd;

Feit 2: heeft geprobeerd [Slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, dan wel heeft geprobeerd [Slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3. De beoordeling van het bewijs1

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten onder 1 subsidiair en 2 primair wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Ten aanzien van feit 1 primair heeft de officier van justitie betoogd dat er geen sprake is van handelen met voorbedachten rade.

Voor zover de verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces heeft gedaan, heeft de officier van justitie betoogd dat dit verworpen dient te worden. Verdachte heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich mocht verdedigen. Hij heeft steeds wisselende verklaringen afgelegd en bovendien op meerdere punten aantoonbaar niet de waarheid verklaard. De verklaring van verdachte past ook niet in het aangetroffen sporenbeeld.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aanvullend betoogd dat het juist [Slachtoffer 2] was die gehandeld heeft in een noodweersituatie jegens verdachte. Er kan dan ook geen sprake zijn van noodweer aan de zijde van verdachte. Er was geen sprake van een noodzaak tot verdediging, zodat ook het beroep op noodweerexces moet worden verworpen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde, dan wel te ontslaan van alle rechtsvervolging. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen opzet had op de dood van [Slachtoffer 1], laat staan met voorbedachten rade. Ook had verdachte geen opzet op de dood of het verwonden van [Slachtoffer 2]. Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte opzettelijk - al dan niet in voorwaardelijke zin - heeft gehandeld, dan heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces. Verdachte werd namelijk door meerdere personen aangevallen.

De raadsvrouw heeft betoogd dat een aantal getuigen op onderdelen leugenachtige verklaringen hebben afgelegd, teneinde hun eigen aandeel in het gebeuren te verkleinen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 2

Inleiding

Op 8 juni 2013 werd, ter ere van de 51ste verjaardag van [Slachtoffer 1], een verjaardagsfeest gehouden in de woning van [Slachtoffer 1] en zijn partner [benadeelde 1] aan het [adres] te Heerlen. De (stief)kinderen van zowel [Slachtoffer 1] als [benadeelde 1] en hun partners kwamen op bezoek.

Tegen middernacht waren nog aanwezig [Slachtoffer 2], [benadeelde 2], beiden kinderen van [Slachtoffer 1], [benadeelde 2]’s vriend [benadeelde 3], verdachte en [benadeelde 4], laatstgenoemden respectievelijk kind en stiefkind van [benadeelde 1]. Door iedereen werd die avond veel alcohol gedronken, met uitzondering van [benadeelde 1] en [benadeelde 3].

Nadat verdachte een vervelende opmerking maakte richting [benadeelde 4], verliet deze in emotionele toestand de woning. Op verzoek van [benadeelde 1] verliet verdachte even later ook de woning. [benadeelde 3] en [Slachtoffer 2] gingen op zoek naar [benadeelde 4].

Thuis aangekomen kwam verdachte er achter dat hij de sleutel van zijn appartement was vergeten en hij keerde terug naar de woning van zijn moeder om de reservesleutel te halen. Verdachte werd echter niet binnengelaten. Even later keerden [benadeelde 3] en [Slachtoffer 2] samen met [benadeelde 4] in de auto terug bij het appartementencomplex. Verdachte zag hen aan komen rijden en zocht, na het uitstappen, direct de confrontatie op met [benadeelde 4], waarbij verdachte [benadeelde 4] duwde (verklaring verdachte) dan wel sloeg (verklaring [benadeelde 3], [Slachtoffer 2] en [benadeelde 4]). Verdachte was op dat moment naar eigen zeggen kwaad omdat hij niet meer tot de woning werd toegelaten en hij als de boeman werd gezien. Hij hield [benadeelde 4] daarvoor verantwoordelijk. Na deze confrontatie met [benadeelde 4], sloeg verdachte met zijn vuist een ruit van een bestelbus in. Terwijl iedereen terugliep naar de ingang van het appartementencomplex, kwam [benadeelde 2] ook naar buiten. Zij hoorde van [benadeelde 3] dat verdachte naar [benadeelde 4] had geslagen, waarna zij verdachte uitschold. Verdachte is daarna - volgens zijn eigen verklaring - achter [benadeelde 3] aangerend, omdat hij gelogen had over het slaan naar [benadeelde 4].

[Slachtoffer 1] kwam uiteindelijk ook naar de ingang van het appartementencomplex om polshoogte te nemen. Verdachte is langs hem heen het appartementencomplex binnengegaan en naar de woning gelopen.

Bij de ingang van het appartementencomplex vertelden [benadeelde 3], [Slachtoffer 2] en [benadeelde 2] aan [Slachtoffer 1] dat verdachte [benadeelde 2] had geslagen. Vervolgens ging iedereen, inclusief [benadeelde 4], terug naar de woning.

Bewijsmiddelen

Op 9 juni 2013, omstreeks 02:06 uur, belde [benadeelde 1] het alarmnummer met de mededeling dat er grote ruzie was op het [adres] te Heerlen.3 In de woning vond op dat moment het volgende plaats.

[Slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte op een stoel in de woonkamer zat. [Slachtoffer 1] liep op hem af en trok verdachte van de stoel. Beiden kwamen op de grond terecht. [Slachtoffer 1] pakte verdachte in een houdgreep. [Slachtoffer 2] bevond zich op dat moment bij de deur, welke de woonkamer van de hal scheidt.4

[benadeelde 3] heeft verklaard dat [Slachtoffer 1] in de woning op verdachte afliep en hem vroeg of hij zijn dochter had geslagen. Opeens lagen [Slachtoffer 1] en verdachte op de grond te vechten. [Slachtoffer 1] werd van verdachte afgehaald.5

[benadeelde 1] heeft verklaard dat zij zag dat [Slachtoffer 1] bovenop verdachte zat en hem met een vuist sloeg. Hij nam ook het hoofd van verdachte in een greep. Samen met [benadeelde 2] trok zij [Slachtoffer 1] van verdachte af. Verdachte kwam uiteindelijk los en vluchtte naar de keuken. Hij pakte een mes uit een lade. [benadeelde 1] probeerde tevergeefs het mes af te pakken. [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] bevonden zich op dat moment in de hal. Zij trokken de woonkamerdeur naar de hal dicht.6 [benadeelde 4] rende naar de galerij. Hij is niet meer teruggekeerd naar de woning.7

[Slachtoffer 2] zag ook dat verdachte opstond en naar de keuken liep. [Slachtoffer 1] kwam naar de hal. Verdachte kwam met een mes hun kant op. [Slachtoffer 2] hield de woonkamerdeur dicht.8 [benadeelde 3] en [Slachtoffer 1] stonden achter hem.9

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij een mes pakte. [Slachtoffer 2], [benadeelde 3] en [Slachtoffer 1] renden naar de hal van de woning. [Slachtoffer 2] trok daarna de woonkamerdeur dicht. [Slachtoffer 1] stond achter [Slachtoffer 2]. [benadeelde 3] zag hij niet meer. [benadeelde 2] en [benadeelde 1] bevonden zich op dat moment met verdachte in de woonkamer. Verdachte werd door hen niet bedreigd. Verdachte sloeg vervolgens met de punt van het mes de ruitjes van de woonkamerdeur in.10 [Slachtoffer 2] hield de deur dicht en zag dat verdachte stak en sloeg met het mes door de raampjes van de deur. Met zijn hand door het raam, stak verdachte met het mes. Op dat moment liet [Slachtoffer 2] de deur los.11 [Slachtoffer 1] zei tegen [Slachtoffer 2] dat hij weg moest rennen.12 [benadeelde 1] probeerde op dat moment verdachte tegen te houden door van achteren aan zijn trui te trekken en te roepen “niet doen”. Verdachte was echter - aldus [benadeelde 1] - net een pitbull en rende achter [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] aan.13

[Slachtoffer 2] rende via de voordeur naar buiten, de galerij op.14 Ook [benadeelde 3] rende naar buiten door de voordeur. Hij is op de galerij gaan staan. [Slachtoffer 1] kwam als laatste naar buiten. Hij probeerde de voordeur dicht te houden, maar verdachte wist deze open te trekken. Verdachte kwam naar buiten en stond toen tegenover [Slachtoffer 1]. Verdachte maakte vervolgens een zwaaiende beweging met het mes. Hij raakte [Slachtoffer 1] in de linkerzijkant van zijn lichaam. [benadeelde 3] zag dat het mes daarbij volledig in het lichaam van [Slachtoffer 1] verdween. Na het steken rende verdachte met het mes de woning weer in. [Slachtoffer 1] rende ook naar binnen.15

[benadeelde 1] heeft verklaard dat zij vanuit de woonkamer de hal inliep en dat zij [Slachtoffer 1] op de grond zag liggen. Verdachte stond gebukt over [Slachtoffer 1] heen en stak met de punt van het mes in de buik van [Slachtoffer 1]. Hierbij kwam de punt van het mes in de buik terecht, maar verdachte kwam er niet doorheen. [benadeelde 1] probeerde verdachte weg te duwen.16

[Slachtoffer 2] hoorde, toen hij wegrende vanaf de voordeur, [benadeelde 3] roepen dat [Slachtoffer 1] was neergestoken. [Slachtoffer 2] rende daarop terug naar de woning. Hij zag [Slachtoffer 1] bewegingloos links tegen de muur in de hal liggen. Verdachte zat op handen en knieën op de grond en hield het mes in zijn rechterhand. [Slachtoffer 2] liep naar verdachte toe, zette een knie in zijn rug en sloeg verdachte vervolgens met een vuist op zijn hoofd. Verdachte verzette zich hiertegen.17

[benadeelde 3] heeft verklaard dat [Slachtoffer 2] langs hem heen de woning in rende. [Slachtoffer 2] probeerde het mes van verdachte af te pakken. Zij kwamen in gevecht. Het lukte [Slachtoffer 2] niet om verdachte het mes afhandig te maken.18 Verdachte lag plat op zijn buik op de grond en [Slachtoffer 2] zat bovenop hem. Verdachte was wild en stak vanuit liggende positie met het mes alle kanten op. Verdachte prikte met het mes nog op [Slachtoffer 1].19 [Slachtoffer 2] heeft verklaard dat [benadeelde 3] één of twee keer naar verdachte heeft getrapt. Ook [Slachtoffer 2] zelf heeft verdachte geschopt en hem mogelijk geraakt. 20 Verdachte stak met het mes in [Slachtoffer 2] richting, waarbij hij in zijn linker bovenarm en linker oksel werd geraakt.21 [Slachtoffer 2] rende daarna via de woonkamer naar het balkon en vluchtte via het balkon naar een lager gelegen dak.22 Verdachte verliet de woning via de voordeur.23 Hij werd kort daarna aangehouden met een groot mes in zijn handen.24

Het mes dat verdachte bij zijn aanhouding in handen had, is in beslag genomen.25 Onderzoek aan het mes wees uit dat het een vleesmes betrof met een totale lengte van ongeveer 35 cm. Het gehele mes was bebloed. Het lemmet had een lengte van ongeveer 20 cm.26

Verdachte was tijdens zijn aanhouding onder invloed van alcohol. Onderzoek in het ziekenhuis wees uit dat het alcoholpercentage in het bloed van verdachte 2,0 promille betrof.27

Aantreffen van slachtoffers en vaststellen overlijden [Slachtoffer 1]

Op 9 juni 2013, omstreeks 02:10 uur, kregen verbalisanten de melding om te rijden naar het [adres] te Heerlen. Bij de woning aangekomen zagen zij [Slachtoffer 2] staan op een dak en hoorden zij hem schreeuwen. Hij had bloed aan de linkerzijde van zijn lichaam.

In de woning [adres] troffen verbalisanten [Slachtoffer 1] aan. Hij lag in de opening van de voordeur op de grond in een grote plas bloed. Hij was lijkbleek en vertoonde geen teken van leven.28 Om 02:15 uur werd de dood van [Slachtoffer 1] vastgesteld.29

Sporenonderzoek plaats delict

Op de plaats delict werd forensisch onderzoek verricht naar bloedsporen. Voor de deur van de woning op de galerij, ter hoogte van de deur van de berging van nummer [huisnummer], werden een groot aantal kleine (nagenoeg) rechtstandig terecht gekomen bloeddruppels aangetroffen. Een andere bloedvlek voor de deur van de woning is vermoedelijk ontstaan doordat er in een keer een grotere hoeveelheid bloed op de vloer terecht is gekomen. Op de vloer voor de deur werden ook afgeworpen bloeddruppels aangetroffen, welke afkomstig zijn van een bebloed voorwerp of lichaamsdeel in beweging.30

Letsels bij [Slachtoffer 1]

Het stoffelijk overschot van [Slachtoffer 1] is onder meer aan een pathologisch onderzoek onderworpen.

De patholoog, [naam patholoog], constateerde bij sectie op het lichaam van [Slachtoffer 1] dat links aan de borstkas een scherprandig huiddefect was van ongeveer 2,5 bij 0,7 cm met omgevend enige oppervlakkige huidbeschadiging met indroging. Aansluitend aan dit huiddefect was een steekkanaal, door bloeduitstorting omgeven, verlopend door de huid, het onderhuids weefsel en spierweefsel, door de borstkaswand links (met schade aan de onderzijde van de 6de rib aan de linkerzijde), door de linkerborstholte (met een doorsteek door de onderkwab van de linkerlong), door de weefsels achter het hart (met doorsteek door de lichaamsslagader) tot in de rechterborstholte. Het steekkanaal verliep vrijwel uitsluitend van links naar rechts en had een maximale lengte van circa 17,5 cm.

In de linker- en rechterborstholte was bloed aanwezig.

Hoog en centraal aan de borst, links aan de onderbuik en aan de achterzijde van de linkerschouder waren drie scherprandige huiddefecten, deels met een aspect met aan een zijde een vlakke basis, met aansluitend steekkanalen, vrijwel uitsluitend in onderhuids weefsel en spierweefsel gelegen. Hierbij waren geen vitale organen geraakt.

Centraal aan de borst, aan de buitenzijde van de rechterpols en aan de binnenzijde van de linkerknie waren enkele streepvormige oppervlakkige huidbeschadigingen, dan wel oppervlakkige huiddefecten met korte steekkanalen in het onderhuids vetweefsel.

De patholoog interpreteerde de resultaten als volgt.

Het stoffelijk overschot van [Slachtoffer 1] vertoonde tekenen van fors bloedverlies dan wel verbloeding. Verspreid over het lichaam waren meerdere letsels door inwerking bij leven van uitwendig mechanisch scherprandig geweld, zowel perforerend (steekletsel) als eerder snijdend (oppervlakkige krassen) van aard, als een combinatie van beide, zoals door steken en snijden met bijvoorbeeld één of meer messen.

Door het steekletsel links aan de borstkas is schade ontstaan aan ondermeer de linkerlong en de lichaamsslagader, hetgeen het forse bloedverlies (onder meer in de borstholten) verklaart.

Fors bloedverlies dan wel verbloeding (en de gevolgen hiervan op het hart) door steekletsel kan het overlijden zondermeer verklaren.

De patholoog constateerde dat het intreden van de dood zonder meer verklaard werd door fors bloedverlies dan wel verbloeding (en de gevolgen hiervan op het hart) door steekletsel.31

Letsels bij [Slachtoffer 2]

had aan de buitenzijde van zijn linker bovenarm een streepvormige huidverwonding van ongeveer 3 cm. Aan de binnenzijde van zijn linker bovenarm had hij een streepvormige huidverwonding van ongeveer 2 cm, met daaromheen een forse hematoom. Aan de buitenzijde van zijn linker thorax bevond zich een streepvormige huidverwonding. Voornoemde verwondingen waren in één lijn te trekken en pasten zeer waarschijnlijk bij een steekverwonding waarbij een scherp voorwerp (zoals bijvoorbeeld een mes) vanaf de buitenzijde van de arm, geheel de arm heeft gepenetreerd, en vervolgens nog een steekverwonding veroorzaakt in de thorax.

Op basis van een röntgenfoto werd een kleine klaplong vastgesteld in combinatie met een longkneuzing.32

Bijzondere overwegingen ten aanzien van het bewijs

Voor de beoordeling van het tenlastegelegde heeft de rechtbank grotendeels aansluiting gezocht bij de eerste verklaringen van [benadeelde 3], [benadeelde 1] en [Slachtoffer 2] ten overstaan van de politie. Deze verklaringen van 9 juni 2013 werden kort na het gebeuren afgelegd. Alle betrokkenen werden in eerste instantie als verdachten aangemerkt, aangehouden en van elkaar gescheiden. Na hun aanhouding en voorafgaand aan deze verhoren heeft er dan ook geen contact meer plaatsgevonden tussen de betrokkenen. Niet is gebleken dat betrokkenen voorafgaand aan hun aanhouding wederzijdse afspraken hebben gemaakt of hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, zoals door de raadsvrouw is betoogd. Het komt de rechtbank ook buitengewoon onaannemelijk voor dat [benadeelde 3], [Slachtoffer 2] en [benadeelde 1], die zojuist voor hun eigen ogen hun (schoon)vader resp. levenspartner hadden zien sterven, in de korte tijd dat zij alleen in de woning waren totdat de politie ter plaatse kwam, afspraken zouden hebben gemaakt over de inhoud van een door hun af te leggen verklaring. De rechtbank acht hun verklaringen die ze direct dezelfde ochtend hebben afgelegd dan ook het meest authentiek. De verklaringen van [benadeelde 1], [benadeelde 3] en [Slachtoffer 2] ondersteunen elkaar bovendien op essentiële punten. Zij hebben vanuit verschillende posities waargenomen hoe een en ander achtereenvolgens heeft plaatsgevonden. De verklaringen sluiten ook aan op onderdelen van de verklaring van verdachte, namelijk over het intikken van de ruitjes van de woonkamerdeur. De verklaringen vinden bovendien steun in het aangetroffen sporenbeeld, te weten bloedsporen op de galerij, vlak voor de voordeur, en de letselbeschrijvingen van [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1]. Zo heeft [benadeelde 3] direct verklaard dat hij zag dat verdachte het mes geheel in de linkerzijkant van het lichaam van [Slachtoffer 1] stak. Uit onderzoek op het lichaam van [Slachtoffer 1] blijkt ook dat hij een diepe steekwond heeft aan de linkerzijkant van zijn lichaam. De steekwond was ongeveer 17,5 cm diep. De lengte van het lemmet van het mes bleek na onderzoek 20 cm te zijn. Bovendien heeft [benadeelde 3] verklaard dat dit steken plaats vond op de galerij, nabij de voordeur van de woning, alwaar volgens het forensisch onderzoek ook een bij die verklaring passende bloedvlek is aangetroffen als ook een afwerpspoor, dat zou kunnen passen bij een bebloed voorwerp in beweging, zoals het uit het lichaam trekken van een bebloed mes.

[benadeelde 1] heeft verklaard dat zij zag dat verdachte met de punt van het mes in de buik van [Slachtoffer 1] stak, maar dat verdachte er niet door heen kwam. Ook [benadeelde 3] heeft verklaard dat verdachte op het lichaam van [Slachtoffer 1] prikte. Ook deze verklaringen passen bij het later bij sectie aangetroffen letsel van [Slachtoffer 1]. Op het lichaam van [Slachtoffer 1] werden immers hoog aan de borst, links aan de onderbuik en aan de achterzijde van de linkerschouder scherprandige huiddefecten gezien. De steekkanalen waren vrijwel uitsluitend in onderhuids weefsel en spierweefsel gelegen. Deze verwondingen passen bij de verklaring van [benadeelde 1] over het steken met de punt van het mes in de buik (en er niet doorheen komen) en het ‘prikken’ waar [benadeelde 3] over spreekt.

Uit het voorgaande blijkt derhalve dat [Slachtoffer 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 1] direct op 9 juni 2013 hebben verklaard over gebeurtenissen, waarvan later - na hun verhoor - is gebleken dat deze overeenkomen met de objectieve bevindingen uit het forensisch onderzoek.

De raadsvrouw heeft betoogd dat betrokkenen op onderdelen leugenachtige verklaringen hebben afgelegd. Zo heeft zij gewezen op een aantal discrepanties in de verklaringen van [benadeelde 3] en [Slachtoffer 2] bij de politie enerzijds en bij de rechter-commissaris anderszijds. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen weliswaar op details verschillen, maar dat ze in essentie niet van elkaar afwijken.

Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat er door betrokkenen geen verklaring wordt gegeven voor het letsel dat bij verdachte is geconstateerd, overweegt de rechtbank dat uit de verklaringen van [benadeelde 1], [benadeelde 3] en [Slachtoffer 2] blijkt dat er ook tegen verdachte geweld is gebruikt. In eerste instantie (in de woonkamer) door [Slachtoffer 1] en later (na het steken van [Slachtoffer 1] in de hal van de woning) door [Slachtoffer 2] en [benadeelde 3]. Het door verdachte hierbij opgelopen letsel, kan door dit geweld verklaard worden.

Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat [benadeelde 3] in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij het daadwerkelijk steken door verdachte naar [Slachtoffer 1] heeft gezien, overweegt de rechtbank dat deze verklaring, zoals hiervoor reeds overwogen, wordt ondersteund door zowel het bloedsporenonderzoek als de bevindingen van de patholoog. Er is dan ook geen enkele reden om te twijfelen aan de verklaring van [benadeelde 3]. Dat [benadeelde 4] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij niet weet of [benadeelde 3] iets heeft kunnen zien van wat er gebeurd is met [Slachtoffer 1], maar dat dat volgens hem niet zo is, maakt dat niet anders.

Ten aanzien van de verklaring van [benadeelde 1] overweegt de rechtbank nog als volgt. [benadeelde 1] werd op 9 juni 2013 kort na het gebeuren als verdachte gehoord door de politie en ruim een jaar na het gebeuren, op 28 augustus 2014, als getuige bij de rechter-commissaris. Haar verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris wijkt diametraal af van haar eerdere verklaring bij de politie. Daar waar haar eerste verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van andere getuigen, door het sporenbeeld en de letselbeschrijvingen, vindt haar tweede verklaring - anders dan in de verklaring van verdachte - geen steun in ander bewijsmateriaal. [benadeelde 1] heeft geen aannemelijke verklaring gegeven waarom zij, anderhalf jaar na dato, een wezenlijk andere verklaring aflegt. Het lijkt erop dat [benadeelde 1] met haar tweede verklaring heeft geprobeerd een - voor haar zoon - zo gunstig mogelijk beeld te schetsen. De rechtbank acht deze verklaring daarom niet geloofwaardig.

Tussenconclusie

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte eerst [Slachtoffer 1] heeft gestoken en vervolgens [Slachtoffer 2]. [Slachtoffer 1] is als gevolg van zijn verwondingen ter plaatse overleden.

Opzet op de dood van [Slachtoffer 1]

Verdachte heeft ontkend [Slachtoffer 1] opzettelijk te hebben gedood. Uit de verklaring van verdachte kan dan ook geen opzet op de dood worden afgeleid. Ter beoordeling van het opzet heeft de rechtbank daarom de gang van zaken voorafgaand aan, ten tijde van en kort na het steekincident in beschouwing genomen.

Zoals eerder vastgesteld werd verdachte in eerste instantie in de woonkamer door [Slachtoffer 1] aangevallen en in een wurggreep vastgehouden. Nadat verdachte was losgekomen en een mes ter hand had genomen, zijn [Slachtoffer 1], [Slachtoffer 2] en [benadeelde 3] uit de woonkamer gevlucht. [Slachtoffer 2] heeft de woonkamerdeur gesloten en deze dichtgehouden. Verdachte heeft op dat moment een andere rol aangenomen. Niet langer was hij degene die werd aangevallen, maar heeft hij de rol van agressor aangenomen. Terwijl [Slachtoffer 2], [Slachtoffer 1], [benadeelde 3] en [benadeelde 4] vluchten voor verdachte die een mes in zijn hand heeft, gaat verdachte achter hen aan. Verdachte is op dat moment dronken en in opgefokte toestand. Hij steekt door de ruitjes van de woonkamerdeur. Degenen die verdachte verantwoordelijk houdt voor het beëindigen van het feestje, het wegsturen van verdachte en het vervolgens jegens hem gepleegde geweld, staan op dat moment allen in de hal, achter de woonkamerdeur en proberen deze deur dicht te houden. [benadeelde 1] en [benadeelde 2] bevonden zich bij verdachte en waren voor hem niet bedreigend. [benadeelde 1] heeft tevergeefs geprobeerd verdachte tegen te houden. Ondanks het trekken aan de kleding van verdachte en haar aanroepen dat verdachte het niet moet doen, weet verdachte de deur open te krijgen en gaat hij achter de vluchtende personen aan. [benadeelde 4], [Slachtoffer 2], [benadeelde 3] en als laatste [Slachtoffer 1] vluchten naar de galerij voor de woning en [Slachtoffer 1] trekt de voordeur dicht, naar de rechtbank begrijpt: om zichzelf en zijn zoon [Slachtoffer 2] en schoonzoon [benadeelde 3] de vlucht mogelijk te maken althans te beschermen tegen mogelijk geweld van de zijde van verdachte. Opnieuw bevindt verdachte zich in een situatie waarin hij wordt gescheiden van degenen die hij verantwoordelijk houdt voor de hele situatie. Verdachte trekt echter de voordeur open. Vervolgens heeft verdachte de eerste persoon die hij tegenkwam gestoken. Dit bleek [Slachtoffer 1] te zijn.

Gelet op het door verdachte gehanteerde mes (lemmet van 20 cm) en de lengte van de steekverwonding (ongeveer 17,5 cm), heeft hij het lemmet van het mes nagenoeg geheel in het lichaam van [Slachtoffer 1] gestoken. Het kan dan ook niet anders dan dat verdachte met kracht heeft gestoken. Bovendien hebben [benadeelde 1] en [benadeelde 3] verklaard dat verdachte nog op [Slachtoffer 1] heeft ingestoken nadat hij in de hal was gevallen. Die verklaringen sluiten aan op de bevindingen van de patholoog die - naast een diepe steekwond - oppervlakkig steekletsel en snijletsel vaststelde. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm moet worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, te weten de dood van [Slachtoffer 1], dat er sprake is van opzet. Dat verdachte daarnaast heeft gehandeld met voorbedachten rade acht de rechtbank, evenals de officier van justitie en de raadsvrouw, bij gebrek aan aanwijzingen daartoe niet bewezen.

Opzet op de dood van [Slachtoffer 2]

Ook ten aanzien van feit 2 heeft verdachte ontkend opzet te hebben gehad op de dood van [Slachtoffer 2]. Uit de verklaring van verdachte kan dan ook geen opzet op de dood worden afgeleid. Ter beoordeling van het opzet heeft de rechtbank wederom de gang van zaken ten tijde van het steekincident in ogenschouw genomen.

Nadat verdachte [Slachtoffer 1] heeft neergestoken, is hij niet weggegaan, terwijl hij zich op dat moment al buiten op de galerij bij de woning bevond, maar is hij opnieuw de hal van de woning ingelopen. Zowel [benadeelde 1] als [benadeelde 3] hebben verklaard dat verdachte, nadat [Slachtoffer 1] in de hal ten val was gekomen, nog op hem instak. [Slachtoffer 2], die [benadeelde 3] hoorde roepen dat zijn vader was neergestoken, is teruggekomen naar de woning en zag zijn vader bebloed in de gang liggen, terwijl verdachte nog met het mes in de handen in de hal was en over [Slachtoffer 1] heen boog. Ook [benadeelde 1] was op dat moment in de hal, zij was gevallen en lag naast [Slachtoffer 1] op de grond. Vervolgens heeft [Slachtoffer 2] geweld gebruikt tegen verdachte met het doel verdachte het mes afhandig te maken. De rechtbank is van oordeel dat er voor [Slachtoffer 2] op dat moment een noodzaak was om in te grijpen. In de kleine ruimte van de hal moest hij zijn vader en [benadeelde 1] beschermen tegen verdere steken van het mes. Aangezien verdachte het mes

- ondanks het door [Slachtoffer 2] toegepaste geweld - niet losliet, heeft ook [benadeelde 3] zich met de worsteling bemoeid door verdachte een of twee trappen te geven. [Slachtoffer 2] en [benadeelde 3] hebben naar het oordeel van de rechtbank op dat moment gerechtvaardigd en proportioneel geweld gebruikt. Verdachte heeft hierbij het nodige letsel opgelopen.

Bij tevergeefse pogingen om verdachte het mes afhandig te maken, heeft verdachte wild om zich heen gestoken en daarbij [Slachtoffer 2] in zijn bovenarm geraakt. Uit de letselbeschrijving blijkt dat het mes door de gehele bovenarm werd gestoken en vervolgens nog in de borstkas terecht is gekomen en een kleine klaplong heeft veroorzaakt. Verdachte moet dan ook met kracht hebben gestoken. Dit deed hij terwijl hij in gevecht was met [Slachtoffer 2], hetgeen betekent dat zowel verdachte als [Slachtoffer 2] in beweging waren. Verdachte wist op dat moment dan ook niet waar het mes terecht zou komen. De kans dat verdachte met dit grote mes (een lemmet van 20 centimeter) vitale lichaamsdelen zou raken, was aanmerkelijk. Uit dit samenstel van gebeurtenissen leidt de rechtbank af dat verdachte willens en weten de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [Slachtoffer 2] dodelijk zou verwonden.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [Slachtoffer 1] opzettelijk met een mes heeft doodgestoken (feit 1 subsidiair) en dat hij geprobeerd heeft [Slachtoffer 2] dodelijk te verwonden, door ook hem met een mes te steken (feit 2 primair).

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1 Subsidiair

op 9 juni 2013 in gemeente Heerlen opzettelijk [Slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen met een mes in het lichaam van die [Slachtoffer 1] gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [Slachtoffer 1] is overleden;

2 Primair

op 9 juni 2013 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes in het lichaam van die [Slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

4.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

4.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

doodslag

Ten aanzien van feit 2 primair:

poging tot doodslag

5 De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Subsidiair beroep op noodweer(exces)

Namens verdachte is, in geval van een bewezenverklaring, een beroep gedaan op noodweer(exces).

Vooropgesteld zij dat de omstandigheid dat verdachte de hem tenlastegelegde gedragingen ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair beroep op noodweer(exces) in de weg hoeft te staan.

De rechtbank zal daarom hierna het subsidiaire verweer bespreken. Omdat verdachte wisselend heeft verklaard over wat er volgens hem in de woning is gebeurd, zal de rechtbank bij de beoordeling van het noodweer(exces)verweer uitgaan van de lezing van de gebeurtenissen, zoals door hem ter zitting uiteengezet.

De ter zitting afgelegde verklaring komt er - kort gezegd - op neer dat hij in de woonkamer door [Slachtoffer 1], [Slachtoffer 2] en [benadeelde 3] werd aangevallen. Nadat hij zich los had gemaakt van zijn belagers heeft hij in de aangrenzende keuken een mes gepakt. Hij was op dat moment in paniek en wilde via de voordeur uit de woning vluchten. De woonkamerdeur werd door [Slachtoffer 2] vanuit de hal dichtgehouden. [Slachtoffer 1] stond achter [Slachtoffer 2]. Verdachte heeft vervolgens de ruitjes van de woonkamerdeur ingetikt, waarna [Slachtoffer 2] de deur los liet. Verdachte liep de hal in en zag daar [Slachtoffer 1] staan. Op het moment dat hij om de hoek van de hal liep en met de rug naar [Slachtoffer 1] stond, stopte verdachte een paar seconden om te kijken of de doorgang naar de voordeur vrij was. Op dat moment werd hij door [Slachtoffer 1] van achteren aangevallen. Verdachte wist [Slachtoffer 1] uiteindelijk, met het mes in zijn linkerhand, van zich af te duwen. Op het moment dat hij zich omdraaide naar de voordeur, kwam [Slachtoffer 2] op hem af en sloeg hem in zijn gezicht. Verdachte kwam ten val. Op dat moment kwam ook [benadeelde 3] de gang in. Verdachte werd vervolgens door [Slachtoffer 2] en [benadeelde 3] aangevallen. Op enig moment wist verdachte los te komen en is hij uit de woning gevlucht.

De rechtbank begrijpt uit deze verklaring van verdachte dat er twee momenten zijn geweest waarop hij werd aangevallen, te weten in de woonkamer en in de hal van de woning. Verdachte heeft gesteld dat zijn belagers hem van het leven probeerden te beroven. In zijn poging om aan de dood te ontsnappen zag hij geen andere vluchtmogelijkheid dan de woning via de voordeur te verlaten.

Verdachte heeft steeds ontkend dat hij iemand met een mes heeft gestoken. Ter zitting daarnaar gevraagd heeft hij geantwoord dat hij geen idee heeft op welk moment [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] gewond moeten zijn geraakt. Hij heeft enkel het mes gebruikt om zich te verdedigen tegen het door hen gepleegde geweld en heeft het ter afdreiging gebruikt om de woning uit te komen.

Op grond van een vergelijking tussen door verdachte eerder afgelegde verklaringen en de ter zitting afgelegde verklaring stelt de rechtbank vast dat verdachte steeds op essentiële punten wisselende verklaringen heeft afgelegd over hoe een en ander in de woning heeft plaatsgevonden.

Zo heeft verdachte in eerste instantie op 9 juni 2014 verklaard dat, nadat hij het mes in de hand had genomen, iedereen van hem weg ging, zodat hij de woning vervolgens - zonder obstakels - kon verlaten (p. 271). In zijn verklaring van 10 juni 2014 verklaarde hij dat hij in de gang van de woning wederom werd aangevallen (p. 276). Ook heeft verdachte in zijn eerste drie verhoren ontkend dat de woonkamerdeur werd dichtgehouden en dat hij de ruitjes van de woonkamerdeur heeft ingeslagen. Die deur stond “voor 100% open”, aldus verdachte in zijn verhoor van 19 juni 2013 (p. 291). In diezelfde verklaring stelt verdachte dat hij in ieder geval niet door de ruitjes van de deur heen gestoken heeft met een mes, “absoluut niet” (p. 291). Pas in zijn vierde verhoor van 3 juni 2014, bijna een jaar later en nadat duidelijk is dat op basis van de aangetroffen sporen de deur wel dicht moet zijn geweest, heeft verdachte zijn verklaring bijgesteld en was de deur niet open maar dicht en heeft hij door de ruitjes heen gestoken.

In zijn eerste verklaring heeft bovendien verdachte gezegd dat hij door 5 tot 6 man werd aangevallen in de woonkamer, waaronder ook [benadeelde 2]. In een latere verklaring zegt hij dat [benadeelde 2] er wel bij was, maar dat zij enkel geslagen heeft. Hij voelde dat nauwelijks, omdat “zij maar smal is”. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij door 3 personen werd aangevallen in de woonkamer en dat [benadeelde 2] helemaal niets heeft gedaan.

Ook heeft verdachte wisselende verklaringen afgelegd over de personen die hem gewurgd zouden hebben. Aanvankelijk zouden vijf personen hem hebben trachten te verwurgen ([Slachtoffer 2], [Slachtoffer 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 4], p. 258), later was dat enkel [Slachtoffer 2] (p. 273) en weer later [Slachtoffer 2] én [Slachtoffer 1] (p. 290). Ter zitting verklaarde verdachte dat enkel [Slachtoffer 1] hem probeerde te wurgen, [Slachtoffer 2] zou vuistlagen hebben gegeven.

Het feit dat verdachte steeds op wezenlijke punten wisselt in zijn verklaringen, leidt er toe dat de rechtbank al om die reden vraagtekens plaatst bij de aannemelijkheid van de door verdachte ter zitting geschetste toedracht.

Voorts vindt de door verdachte ter zitting afgelegde verklaring geen steun in andere afgelegde verklaringen, met uitzondering van de verklaring van zijn moeder ([benadeelde 1]) ten overstaan van de rechter-commissaris. De rechtbank heeft reeds eerder overwogen dat zij deze verklaring om meerdere redenen niet geloofwaardig vindt.

Daarnaast valt de verklaring van verdachte op geen enkele wijze te rijmen met het sporenbeeld zoals dat op de plaats delict werd aangetroffen. Verdachte heeft ter zitting (en overigens ook in zijn eerdere verhoren) verklaard niet op de galerij te zijn geweest met [Slachtoffer 1], [benadeelde 3] of [Slachtoffer 2]. Alles heeft in de woning plaatsgevonden. [benadeelde 3] heeft echter verklaard dat [Slachtoffer 1] op de galerij, bij de voordeur, werd gestoken door verdachte. Hier bevond zich ook een grote plas bloed en afwerpsporen. De verklaring van [benadeelde 3] en de bloedsporen komen dan ook overeen. Verdachte heeft voor de aanwezigheid van een grote plas bloed op de galerij, terwijl er in zijn optiek niets op de galerij is gebeurd, geen aannemelijke verklaring gegeven, anders dan te stellen dat [benadeelde 3] liegt.

De omstandigheid dat verdachte steeds wisselende verklaringen heeft afgelegd, welke verklaringen bovendien geen steun vinden in andere afgelegde verklaringen en niet passen in het sporenbeeld zoals dat is aangetroffen bij forensisch onderzoek op de plaats delict, maakt dat de aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk is geworden.

Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat de opnamen van de 112-melding de verklaring van verdachte dat hij door meerdere personen werd aangevallen, ondersteunen, overweegt de rechtbank dat op deze opnamen te horen is dat [benadeelde 1] - kennelijk op het moment dat verdachte in de woonkamer is en [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] weer binnen komen - zegt: “Niet doen [Slachtoffer 2], denk aan mijn spullen.” De rechtbank is van oordeel dat uit deze uitspraak geenszins blijkt dat [Slachtoffer 2] op dat moment enig geweld jegens verdachte heeft uitgeoefend. Hieruit blijkt enkel dat [benadeelde 1] [Slachtoffer 2], die boos was omdat verdachte zijn zusje zou hebben geslagen, tot bedaren heeft willen brengen. Iets dat kennelijk ook gelukt is, zo blijkt uit de (politie)verklaringen van zowel [Slachtoffer 2] als [benadeelde 1].

Conclusie

Nu niet aannemelijk is geworden dat verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn leven tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van anderen in de woning, wordt het beroep op noodweer(exces) verworpen.

Toerekenbaarheid van het feit

Door de psycholoog [naam psycholoog] werd op 18 september 2013 een rapport omtrent de persoon van verdachte uitgebracht. De psycholoog heeft geconcludeerd dat verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakzinnigheid. Hiervan was sprake ten tijde van het tenlastegelegde. Verdachte werd hierdoor ook beïnvloed.

Voorts heeft de psycholoog geconcludeerd dat verdachte, in het verloop van het tenlastegelegde, niet tot een goede oplossing van het conflict kon komen. Hij kwam telkens weer terug in de situatie, waarin zijn beperkte overzicht en beperkte oplossingsvaardigheden voortkomend uit zijn intellectuele beperkingen een rol speelden, zij het in beperkte mate. Daarnaast speelde de boosheid als gevolg van het alcoholgebruik een rol.

De pathologie van verdachte speelde een beperkte rol bij het tenlastegelegde. Ondanks zijn pathologie is hij in staat andere keuzes te maken in situaties als het tenlastegelegde. Hij kon de wederrechtelijkheid van het tenlastegelegde inzien, echter is in mindere mate dan de gemiddelde normale mens in staat om zijn wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen.

De psycholoog heeft ten slotte geconcludeerd dat het tenlastegelegde aan verdachte in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank neemt deze slotconclusie over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte niet over. Anders dan de psycholoog is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde volledig aan verdachte kan worden toegerekend. Zij overweegt daartoe dat de psycholoog heeft geconcludeerd dat de gebrekkige ontwikkeling van verdachte een beperkte rol heeft gespeeld bij het tenlastegelegde en dat verdachte in staat was om andere keuzes te maken. Hieruit volgt dat het gedrag van verdachte niet verklaard kan worden vanuit een ziekelijke stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. De rechtbank begrijpt dat boosheid als gevolg van het alcoholgebruik een rol heeft gespeeld ten tijde van het ten laste gelegde. Verdachte heeft zichzelf echter in deze situatie gebracht, door veel alcohol te drinken. Deze (tijdelijke) beïnvloeding kan dan ook aan verdachte verweten worden.

De verdachte is dan ook strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

6 De oplegging van straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van de duur van het voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht in de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zij heeft tevens verzocht rekening te houden met de gevolgen die de gebeurtenis op 9 juni 2013 voor verdachte persoonlijk hebben gehad.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op het volgende.

Tijdens de viering van het verjaardagfeest van [Slachtoffer 1], de stiefvader van verdachte, is er een ruzie ontstaan naar aanleiding van een krenkende opmerking van verdachte richting zijn stiefbroer. Verdachte was behoorlijk onder invloed van alcohol.

Op straat is de ruzie met zijn stiefbroer en de kinderen van [Slachtoffer 1] verder geëscaleerd, waarbij verdachte zich zeer agressief heeft gedragen. De ruzie, die zich vervolgens in de woning heeft voortgezet, is uiteindelijk totaal uit de hand gelopen. Verdachte werd in eerste instantie door [Slachtoffer 1] aangevallen. Nadat dit gevecht ten einde was gekomen, heeft verdachte een mes uit de keukenlade gepakt en de achtervolging ingezet op degenen die hij verantwoordelijk achtte voor de situatie waarin hij - in zijn ogen - onterecht als boeman werd gezien. Op de opnamen van de 112-meldingen is hoorbaar hoe totale paniek in de woning ontstaat. Verdachte lijkt op dat moment volledig door het lint te zijn gegaan. Zijn moeder probeerde hem tevergeefs tegen te houden, maar verdachte was - in haar bewoordingen - op dat moment net een pitbull. Verdachte heeft zijn woede en frustratie kennelijk op de eerste persoon die zijn pad kruiste bekoeld. Dat dit [Slachtoffer 1] was, lijkt willekeurig te zijn. Johns poging om de aanval van verdachte te stoppen en anderen de vlucht mogelijk te maken door de voordeur dicht te houden, heeft hij met de dood moeten bekopen. Nadat verdachte de deur open trok en [Slachtoffer 1] voor zich zag staan, heeft hij direct met het mes gestoken. Deze steek bleek dodelijk te zijn. [Slachtoffer 1] is in de woning ten val gekomen, waarna verdachte nog steeds probeerde om [Slachtoffer 1] te steken met het mes. Met gevaar voor eigen leven en ter bescherming van zijn reeds gewonde vader, heeft [Slachtoffer 2] tevergeefs geprobeerd verdachte hardhandig het mes af te pakken. Verdachte heeft niets of niemand ontziend wild om zich heen gestoken en daarbij [Slachtoffer 2] ernstig verwond: dwars door zijn bovenarm heen is het mes in zijn zij terecht gekomen. [Slachtoffer 2] mag dan ook van geluk spreken dat hij niet dodelijk werd verwond. Dit is geenszins een omstandigheid die aan verdachte te danken is.

Met het doodsteken van zijn stiefvader en het proberen te doden van zijn stiefbroer heeft verdachte laten zien dat hij - onder invloed van alcohol en in complete razernij - onberekenbaar is en kennelijk geen enkele grens meer kent, ook niet als het om zijn dierbaren gaat. De naasten van [Slachtoffer 1] moesten meemaken hoe hun (stief/schoon)vader en levenspartner ter plaatse doodbloedde. Een gebeurtenis die een ieder bespaart zou moeten blijven.

De gebeurtenissen zijn extra pijnlijk aangezien een en ander zich heeft afgespeeld binnen het gezin, welk gezin thans geheel ontwricht is. De (stief)kinderen van [Slachtoffer 1] vragen zich af hoe het zo ver heeft kunnen komen. Een vraag die nooit beantwoord zal worden. Zij moeten leven met het gemis van hun (stief)vader en de kleinkinderen met het gemis van hun opa. De wijze waarop [Slachtoffer 1] is overleden, maakt het gemis extra pijnlijk.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank met bovenstaande rekening houden. Zij overweegt verder dat doodslag een van de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht is. Verdachte heeft het leven van een ander mens genomen, het grootste goed dat een persoon heeft. Daarbij komt nog dat verdachte na het dodelijk verwonden van [Slachtoffer 1], ook nog heeft geprobeerd [Slachtoffer 2] van het leven te beroven. Dat rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. De feiten rechtvaardigen enkel een lange gevangenisstraf, waarbij moet worden gesteld dat geen enkele straf het gemis van het slachtoffer voor zijn nabestaanden kan vergoeden.

De officier van justitie heeft voor de doodslag een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren als uitgangspunt genomen. De rechtbank is van oordeel dat dit uitgangspunt inmiddels achterhaald is. Voor een voltooide doodslag wordt tegenwoordig doorgaans een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren of meer opgelegd.33 De rechtbank zal daarom een hogere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank ziet op basis van de ernst van de feiten, de omstandigheden ten tijde van het bewezenverklaarde en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, geen aanleiding om van het uitgangspunt van 8 jaren af te wijken. Voor de poging tot doodslag acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren passend. Hierbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte, weliswaar door een gerechtvaardigde aanval, ook zelf gewond is geraakt.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren passend.

De rechtbank zal de schorsing van de voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang opheffen. De schorsing destijds was ingegeven door de omstandigheid dat op basis van het dossier zoals dat er toen lag, niet kon worden uitgesloten dat verdachte uit zelfverdediging had gehandeld. Nu de rechtbank bij vonnis van vandaag dat verweer verwerpt, en gelet op de ernst van de feiten en de op te leggen straf, is een langere voortduring van die schorsing niet gerechtvaardigd.

7 De benadeelde partijen

7.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

- [benadeelde 5] voor een bedrag van € 18.426,30, bestaande uit € 13.426,30 aan

materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade;

- [benadeelde 6] voor een bedrag van € 5.280,32, bestaande uit € 280,32 aan materiële

schade en € 5.000,- aan immateriële schade;

- [benadeelde 2] voor een bedrag van € 33.385,36, bestaande uit € 3.385,36 aan materiële schade en € 30.000,- aan immateriële schade;

- [benadeelde 7] voor een bedrag van € 5.270,32, bestaande uit € 270,32 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade;

- [Slachtoffer 2] voor een bedrag van € 96.283,84, bestaande uit € 66.283,84 aan materiële schade en € 30.000,- aan immateriële schade;

- [benadeelde 8] voor een bedrag van € 5.305,92, bestaande uit € 305,92 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade;

- [benadeelde 3] voor een bedrag van € 33.378,16, bestaande uit € 3.378,16 aan materiële schade en € 30.000,- aan immateriële schade;

- [benadeelde 4] voor een bedrag van € 48.835,12, bestaande uit € 18.835,12 aan materiële schade en € 30.000,- aan immateriële schade.

De benadeelden hebben gevorderd het toe te wijzen bedrag te verhogen met de wettelijke rente en daarnaast de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd een voorschot vast te stellen voor alle benadeelden en de benadeelden voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen en te bepalen dat zij hun vorderingen voor het resterende deel kunnen aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelden integraal niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Gelet op de omvang en de complexiteit van de vorderingen, leveren deze een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Daarnaast heeft de raadsvrouw betoogd dat het gestelde psychische letsel niet kan worden vastgesteld. Dit onderdeel van de vordering werd slechts summier onderbouwd. De concrete schade moet via nader, objectief onderzoek worden vastgesteld.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelden direct schade hebben geleden als gevolg van het bewezenverklaarde onder feit 1. [Slachtoffer 2] heeft bovendien direct schade geleden als gevolg van feit 2. De rechtbank is echter ook van oordeel dat niet alle gevorderde kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Zij acht de vordering daarom deels toewijsbaar. Hierna zullen de aparte kostenposten uit de verschillende vorderingen besproken worden.

Medische kosten

Door [benadeelde 3], [benadeelde 2] en [Slachtoffer 2] worden de kosten voor medische verzorging gevorderd.

[benadeelde 3] en [benadeelde 2] zijn beiden onder behandeling van een psycholoog voor een posttraumatische stressstoornis. De kosten (tot nu toe) bedragen voor beiden € 2.662,-. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten en de onderliggende psychische problematiek voldoende zijn onderbouwd. Het gevorderde bedrag zal dan ook worden toegewezen.

[Slachtoffer 2] heeft verschillende medische kosten gevorderd welke hij als gevolg van het bewezenverklaarde heeft moeten maken. Hij heeft kosten voor een behandeling van een psycholoog voor een posttraumatische stressstoornis gevorderd. Deze kosten zullen worden toegewezen, nu deze kosten, en de onderliggende psychische problematiek, voldoende zijn onderbouwd. In de door hem opgevoerde toekomstige kosten ad € 2.000,- voor een vervolgbehandeling, zal [Slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaard worden, nu het hier toekomstige schade betreft.

Ook heeft [Slachtoffer 2] de kosten voor verlies van eigen risico ziektekosten 2013 gevorderd. Dit bedrag is onderbouwd en vloeit rechtstreeks voort uit het bewezenverklaarde. Het bedrag zal dan ook worden toegewezen.

Ten slotte heeft hij nog de kosten voor aanschaf van paracetamol/ibuprofen gevorderd ad

€ 50,-. Dit bedrag is niet onderbouwd. De rechtbank zal het bedrag matigen en naar redelijkheid en billijkheid een bedrag van € 25,- toewijzen. De resterende € 25,- zal worden afgewezen.

Ziekenhuisdaggeld vergoeding

Door [Slachtoffer 2] zijn de kosten voor verblijf in het Atrium ziekenhuis conform de letselschaderichtlijn gevorderd. Het staat vast dat [Slachtoffer 2] enkele dagen in het ziekenhuis heeft moeten verblijven als gevolg van het bewezenverklaarde onder 2. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 104,- dan ook toewijsbaar.

Reiskosten

Onder de schadepost “reiskosten” zijn verschillende posten opgevoerd. De volgende onderdelen komen niet voor vergoeding in aanmerking:

  • -

    vervoer naar notaris (gevorderd door [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 2], [benadeelde 7], [benadeelde 8] en [Slachtoffer 2]);

  • -

    vervoer naar het ziekenhuis voor bezoek aan [Slachtoffer 2] (gevorderd door [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 7] en [benadeelde 8] en [benadeelde 3]);

  • -

    vervoer naar psycholoog met dochter (gevorderd door [benadeelde 5]).

De rechtbank is van oordeel dat deze reiskosten niet in een rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde. De rechtbank zal deze onderdelen van de vordering aan reiskosten dan ook afwijzen.

De volgende onderdelen van de vordering zullen worden toegewezen:

  • -

    vervoer naar de advocaat (gevorderd door [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 2], [benadeelde 7], [benadeelde 8] en [Slachtoffer 2] en [benadeelde 4]);

  • -

    vervoer naar het uitvaartcentrum (gevorderd door [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 2], [benadeelde 7], [benadeelde 8] en [Slachtoffer 2] en [benadeelde 4]);

  • -

    vervoer naar de winkel voor grafmonumenten (gevorderd door [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 2], [benadeelde 7], [benadeelde 8] en [Slachtoffer 2]);

  • -

    vervoer naar psycholoog (gevorderd door [benadeelde 3], [benadeelde 2] en [Slachtoffer 2], [benadeelde 4]);

  • -

    vervoer naar het politiebureau (gevorderd door [benadeelde 3], [benadeelde 5], [benadeelde 2] en [Slachtoffer 2]);

  • -

    vervoer naar huisarts (gevorderd door [benadeelde 4] en [Slachtoffer 2])

  • -

    vervoer naar de rechtbank (gevorderd door [benadeelde 5]).

Deze kosten komen direct voort uit het bewezenverklaarde en zullen dan ook worden toegewezen.

Door [benadeelde 4] worden eveneens de kosten voor vervoer naar het politiebureau gevorderd. De rechtbank ziet hier echter aanleiding om deze te matigen. [benadeelde 4] stelt namelijk in verband met de afhandeling van deze zaak 17 keer naar het politiebureau te zijn gegaan en vordert een bedrag van € 40,80. De rechtbank acht het aantal bezoeken aan het politiebureau niet aannemelijk en zal deze kosten matigen tot een bedrag van € 14,40 (uitgaande van 6 bezoeken aan het politiebureau). Het resterende deel zal worden afgewezen.

Door [Slachtoffer 2] zijn verder nog de kosten voor vervoer naar het ziekenhuis, naar de apotheek, naar Adelante en parkeerkosten gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat [Slachtoffer 2] deze kosten heeft moeten maken in verband met het door hem opgelopen letsel. Deze kosten staan dan ook in rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde en zullen daarom worden toegewezen.

Telefoonkosten

Door alle benadeelde partijen worden de kosten voor het gebruik van de telefoon gevorderd. De rechtbank stelt vast dat deze kosten in zijn geheel niet zijn onderbouwd De benadeelden zullen voor dit onderdeel van hun vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beschadigde kleding

Door [benadeelde 3], [benadeelde 2] en [Slachtoffer 2] worden de kosten voor beschadigde kleding gevorderd, respectievelijk ter hoogte van € 250,- (+ p. m.), € 175,- en € 401,-. De rechtbank stelt vast dat de kleding van voornoemde benadeelden is beschadigd. Op de kleding zijn bloedsporen aanwezig. Het shirt van [Slachtoffer 2] werd bovendien beschadigd door het steekincident. De rechtbank begrijpt dat de benadeelden deze kleding niet meer wensen te dragen. Zij ziet echter aanleiding om de gevorderde kosten enigszins te matigen. De rechtbank zal naar redelijkheid en billijkheid een bedrag toewijzen van € 150,- voor [benadeelde 3] en [benadeelde 2] en een bedrag van € 200,- voor ([Slachtoffer 2]). Het resterende deel zal worden afgewezen.

Overige kosten

Onder de schadepost “overige posten” zijn de kosten aan - kortweg - lijkbezorging opgevoerd. Hierbij is onderscheid gemaakt in verschillende schadeposten. De volgende onderdelen komen voor vergoeding in aanmerking:

  • -

    aanschaf bloemen voor op de kist (gevorderd door [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 2], [benadeelde 7], [benadeelde 8] en [Slachtoffer 2]);

  • -

    kosten voor zang in de kerk (gevorderd door [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 2], [benadeelde 7], [benadeelde 8] en [Slachtoffer 2]).

Deze kosten staan in direct verband met het bewezenverklaarde en zullen dan ook worden toegewezen.

Door [benadeelde 5] worden aanvullend de kosten voor een grafsteen, grafleges en schoonmaakkosten van de woning gevorderd. Deze kosten zijn door middel van nota’s onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten direct voortvloeien uit het bewezenverklaarde en zal deze kosten dan ook toewijzen.

Door [benadeelde 4] worden de kosten voor “eigen bijdrage aan begrafeniskosten” gevorderd. Deze gemaakte kosten worden in zijn geheel niet onderbouwd. De rechtbank heeft dan ook niet kunnen vaststellen welke kosten [benadeelde 4] heeft moeten maken. Te meer nu de kosten voor zang in de kerk en een bloemstuk reeds door de kinderen van [Slachtoffer 1] werden bekostigd. De rechtbank zal [benadeelde 4] daarom niet-ontvankelijk verklaren voor dit onderdeel van zijn vordering.

Ook worden door [benadeelde 4] de kosten voor nieuwe kleding en schoenen gevorderd ter hoogte van € 140,-. De kleding van [benadeelde 4] werd namelijk in beslag genomen. De rechtbank stelt vast dat de kleding van [benadeelde 4] is beschadigd. De rechtbank begrijpt ook dat de benadeelde deze kleding niet meer wenst te dragen. Het gevorderde bedrag is alleszins redelijk en zal dan ook worden toegewezen.

De schadepost voor het aanschaffen van nieuwe kleding voor de begrafenis (gevorderd door [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 2], [benadeelde 7], [benadeelde 8] en [Slachtoffer 2] en [benadeelde 4] en [benadeelde 3]) en de griffiekosten (gevorderd door [benadeelde 5], [benadeelde 2], [benadeelde 7], [benadeelde 8]) staan niet in rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde en zullen worden afgewezen.

Door [benadeelde 3] worden de kosten voor de aanschaf van een nieuwe telefoon gevorderd. Zijn oude telefoon werd in beslag genomen. [benadeelde 3] heeft daarom een nieuwe telefoon aangeschaft. Gebleken is echter dat de oude telefoon aan [benadeelde 3] is geretourneerd. Er is dan ook geen sprake meer van financiële benadeling. Deze post zal dan ook worden afgewezen.

[Slachtoffer 2] heeft nog een bedrag van € 600,- gevorderd voor goederen die zijn gesneuveld door woedeaanvallen van [Slachtoffer 2] als gevolg van een posttraumatische stressstoornis. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten in een te ver verwijderd verband staan met het tenlastegelegde. Nu deze kosten niet rechtstreeks voortvloeien uit de bewezenverklaarde feiten, zal deze schadepost worden afgewezen.

Verlies aan arbeidsvermogen/studievertraging/zelfredzaamheid

Door [benadeelde 4] is gesteld dat hij als gevolg van het bewezenverklaarde een studievertraging en verlies aan arbeidsvermogen heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Zij zal [benadeelde 4] dan ook niet-ontvankelijk verklaren voor dit onderdeel van de vordering.

Ook door [Slachtoffer 2] worden de kosten voor het verlies aan arbeidsvermogen en daarnaast de kosten wegens verlies aan zelfredzaamheid gevorderd. Hoewel de vordering (deels) middels stukken is onderbouwd, acht de rechtbank de vordering te complex voor behandeling in het strafgeding. [Slachtoffer 1] wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering wegens verlies van arbeidsvermogen en zelfredzaamheid.

Huishoudelijke hulp

Door [Slachtoffer 2] worden de kosten voor een huishoudelijke hulp gevorderd. De rechtbank kan dit onderdeel van de vordering niet beoordelen. Een dergelijke vordering vergt nader onderzoek en leent zich niet voor behandeling in het strafgeding. Zij zal [Slachtoffer 1] dan ook niet-ontvankelijk verklaren voor dit onderdeel van de vordering.

Kosten zonder nut

Door [benadeelde 4] worden de kosten voor een fitnessabonnement gevorderd. Hij stelt als gevolg van klachten door het voorval niet in staat te zijn geweest om het abonnement te benutten. [Slachtoffer 2] heeft een bedrag van € 175,- gevorderd wegens het niet gebruik kunnen maken van een seizoenskaart voor het bekijken van voetbalwedstrijden. De rechtbank kan deze onderdelen van de vorderingen niet beoordelen. Dergelijke vorderingen vergen nader onderzoek en zijn te complex voor behandeling in het strafgeding. [benadeelde 4] en [Slachtoffer 2] zullen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard voor deze onderdelen van hun vorderingen.

Smartengeld

Door alle benadeelde partijen is een bedrag aan immateriële schade gevorderd als gevolg van het aan hen toegebrachte leed door het bewezenverklaarde. In hoeverre de benadeelden in aanmerking komen voor immateriële schadevergoeding hangt af van het al dan niet bestaan van een medische eindtoestand, de omvang van de gestelde schade en het al dan niet bestaan van een situatie als bedoeld in artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek.

De rechtbank begrijpt uit de vorderingen dat de benadeelden smartengeld vorderen vanwege de pijn en het verdriet dat het overlijden van hun vader, stiefvader dan wel schoonvader heeft gebracht. Het betreft dan ook een vordering wegens affectieschade.

Hoe invoelbaar de wens van de nabestaanden ook is om deze schade te verhalen, deze zogenaamde affectieschade komt op grond van de Nederlandse wet niet voor vergoeding in aanmerking. Recht op vergoeding van immateriële schade bestaat immers slechts voor zover de wet hierop een aanspraak geeft. Artikel 6:106 BW geeft daartoe een limitatieve opsomming, waaronder affectieschade niet valt.

De rechtbank ziet geen ruimte om de mogelijkheden voor het vergoeden van immateriële schade aan nabestaanden te verruimen. De Hoge Raad heeft zich namelijk ten aanzien van dit juridische vraagstuk op het standpunt gesteld dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat om af te wijken van het huidige restrictieve wettelijke stelsel (HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240).

De rechtbank zal hiervoor dan ook geen bedrag toekennen aan de nabestaanden.

Voor zover de nabestaanden ook bedoeld hebben om de vergoeding van shockschade te eisen, overweegt de rechtbank als volgt. Shockschade is een vorm van immateriële schade voor nabestaanden, die onder omstandigheden wel toegewezen kan worden. Onder shockschade wordt geestelijk letsel verstaan, dat voortvloeit uit een hevige emotionele schok, teweeggebracht door de directe waarneming van een ongeval of misdrijf dat een naaste overkomt of de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. In dat geval is er namelijk sprake van aantasting in de persoon (van de nabestaande zelf) en dat valt onder de reikwijdte van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Er moet dan wel sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Deze vereisten heeft de Hoge Raad in zijn arrest d.d. 22 februari 2002, NJ 2002, 240 geformuleerd en in zijn arrest d.d. 9 oktober 2009, NJ 2010, 387 bekrachtigd.

[benadeelde 6], [benadeelde 7] en [benadeelde 8] waren ten tijde van het bewezenverklaarde niet op de plaats delict aanwezig. Hierdoor wordt niet voldaan aan de confrontatie-eis. Hoewel de rechtbank begrijpt dat zij enorm zijn getroffen door het verlies van hun vader, komen zij niet voor vergoeding van schokschade in aanmerking. De vorderingen zullen op dit onderdeel dan ook worden afgewezen.

Dit is anders voor wat betreft de vorderingen van [benadeelde 2] en [Slachtoffer 2] en [benadeelde 3]. [benadeelde 2] en [Slachtoffer 2] en [benadeelde 3] waren op de plaats delict aanwezig ten tijde van de fatale steekpartij en hebben dan ook het misdrijf direct waargenomen of werden direct daarna geconfronteerd met de ernstige gevolgen ervan. Zij hebben hun (schoon)vader voor hun eigen ogen zien doodbloeden. Deze confrontatie heeft een hevige emotionele shock teweeg gebracht. Allen hebben hulp gezocht bij een psycholoog, die vaststelde dat zij lijden aan een posttraumatische stressstoornis. Dit is een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Vast staat dat de benadeelden een affectieve band met [Slachtoffer 1] hadden, als kinderen [Slachtoffer 2] en [benadeelde 2] en schoonzoon ([benadeelde 3]). De rechtbank ziet aanleiding om de gevorderde schade te matigen.

Aangezien [benadeelde 3] heeft gezien hoe [Slachtoffer 1] dodelijk werd verwond is de rechtbank van oordeel dat de shockschade tot op heden begroot kan worden op € 5.000,-. Eenzelfde bedrag wordt toegekend aan [benadeelde 2]. Zij was ten tijde van het dodelijke steekincident in de woning en moest bij het verlaten van de woning langs het dode lichaam van haar vader. Zij werd door een politieambtenaar met een handdoek over haar hoofd over het lichaam heen getild, omdat zij de aanblik van haar dode vader niet aankon. De rechtbank begrijpt dat dit een zeer traumatische ervaring moet zijn geweest. Voor het overige deel zullen voornoemde benadeelden niet-ontvankelijk worden verklaard.

[benadeelde 4] was ten tijde van het dodelijk steekincident nabij de plaats delict aanwezig. Hij bevond zich in de woning van zijn broer [naam broer], die kennelijk een etage lager woonde. Hij zal ongetwijfeld hebben meegekregen wat er gebeurde, maar de rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat hij zelf getuige was van het doodsteken van zijn stiefvader of dat hij direct daarna geconfronteerd is met diens dode lichaam. Gelet op de strenge eisen die in de jurisprudentie gesteld worden aan het toekennen van schockschade, zal zijn vordering daarom worden afgewezen. Hoe zeer de rechtbank begrijpt dat ook hij enorm is getroffen door het verlies van zijn stiefvader.

[Slachtoffer 2] heeft zijn vader levenloos op de grond zien liggen, vlak nadat zijn vader door verdachte werd neergestoken. De rechtbank zal aan hem een bedrag van € 5.000,- toekennen. Nadat [Slachtoffer 2] werd geconfronteerd met het steekincident, heeft hij met gevaar voor eigen leven verdachte het mes afhandig proberen te maken. Hierbij werd hij zwaar gewond door een messteek. De rechtbank acht het dan ook alleszins redelijk dat aan verdachte als slachtoffer van het onder feit 2 bewezenverklaarde feit een bedrag van

€ 2.500,- wordt toegekend. Voor het overige zal hij in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Pro memorie kosten

Voor zover er toekomstige kosten worden gevorderd welke niet nader gespecificeerd zijn (pro memorie) zal de rechtbank de benadeelden in dat onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zullen de volgende bedragen aan de benadeelden worden toegekend:

  • -

    [benadeelde 5]: € 12.941,98;

  • -

    [benadeelde 6]: € 92,-;

  • -

    [benadeelde 2]: € 8.182,96;

  • -

    [benadeelde 7]: € 92,-;

  • -

    [Slachtoffer 2]: € 11.142,94;

  • -

    [benadeelde 8]: € 127,60;

  • -

    [benadeelde 4]: € 199,52;

  • -

    [benadeelde 3]: € 8.033,76.

De toegewezen bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Voor zover benadeelden op onderdelen van hun vorderingen niet-ontvankelijk zijn verklaard, overweegt de rechtbank dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

8 Het beslag

Tijdens het onderzoek werd een mes in beslag genomen. Het mes is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, aangezien het een voorwerp betreft met betrekking tot welke de bewezenverklaarde feiten zijn begaan en het een voorwerp betreft van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan - onder deze omstandigheden - in strijd is met het algemeen belang.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36d, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren;

  • -

    bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

  • -

    heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp:

nr. 1: Mes (goednummer 2213566);

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 5] te betalen een bedrag van € 12.941,98 (zegge: twaalfduizendnegenhonderdeenenveertig euro en achtennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake de posten "reiskosten naar notaris, ziekenhuis en psycholoog dochter", "aanschaf kleding voor begrafenis" en "griffierechten" af;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 5] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde 5] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 5] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 99 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [benadeelde 5] vervalt en omgekeerd;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 6] te betalen een bedrag van € 92,- (zegge: tweeënnegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6] ter zake de posten "reiskosten naar notaris en ziekenhuisbezoek", "aanschaf kleding voor begrafenis", "griffiekosten" en "smartengeld" af;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 6] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde 6] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 6] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [benadeelde 6] vervalt en omgekeerd;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 2] te betalen een bedrag van € 8.182,96 (zegge: achtduizendhonderdtweeëntachtig euro en zesennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake de posten "reiskosten naar notaris", "aanschaf kleding voor begrafenis", "griffiekosten" en het resterende bedrag van de post "beschadigde kleding" af;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 2] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde 2] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 75 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [benadeelde 2] vervalt en omgekeerd;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 7] te betalen een bedrag van € 92,- (zegge: tweeënnegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7] ter zake de posten "reiskosten naar notaris en ziekenhuisbezoek", "aanschaf kleding voor begrafenis", "griffiekosten" en "smartengeld" af;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 7] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde 7] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 7] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [benadeelde 7] vervalt en omgekeerd;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 11.142,94 (zegge: elfduizendhonderdtweeënveertig euro en vierennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer 2] ter zake de posten "reiskosten naar notaris", "kosten zonder nut", "kosten wegens gesneuvelde goederen" en de resterende bedragen van de posten "aanschaf paracetamol/ibuprofen" en "beschadigde kleding" af;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [Slachtoffer 2] voor het overige in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Slachtoffer 2] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer 2] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 90 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [Slachtoffer 2] vervalt en omgekeerd;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 8] te betalen een bedrag van € 127,60 (zegge: honderdzevenentwintig euro en zestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8] ter zake de posten "reiskosten naar notaris en ziekenhuisbezoek", "aanschaf kleding voor begrafenis", "griffiekosten" en "smartengeld" af;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 8] voor het overige in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde 8] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 8] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 2 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [benadeelde 8] vervalt en omgekeerd;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 4] te betalen een bedrag van € 199,52 (zegge: honderdnegenennegentig euro en tweeënvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake de post "aanschaf kleding voor begrafenis" en het resterende bedrag van de post "reiskosten naar politiebureau" af;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 4] voor het overige in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde 4] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 4] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 3 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [benadeelde 4] vervalt en omgekeerd;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 3] te betalen een bedrag van € 8.033,76 (zegge: achtduizenddrieëndertig euro en zevenenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013 tot aan de dag van volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake de posten "reiskosten voor ziekenhuisbezoek" en het resterende bedrag van de post "beschadigde kleding" af;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 3] voor het overige in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde 3] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 75 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2013;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [benadeelde 3] vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Holthuis, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en

mr. C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 november 2014.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 9 juni 2013 in de gemeente Heerlen opzettelijk en met voorbedachten rade [Slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal in het lichaam van die [Slachtoffer 1] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [Slachtoffer 1] is overleden;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 9 juni 2013 in gemeente Heerlen opzettelijk [Slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam van die [Slachtoffer 1] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [Slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 9 juni 2013 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam van die [Slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 9 juni 2013 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [Slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam van die [Slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/700374-13

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 24 november 2014 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [Geboortegegevens verdachte],

wonende te [Adresgegevens verdachte].

Tegenwoordig:

mr. J.S. Holthuis, voorzitter,

mr. B.G.L. van der Aa en mr. C.G.A. Wouters, rechters,

mr. , officier van justitie,

mr. C.K. Spronk, griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsvrouw mr. L. Schyns, advocaat te Maastricht.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, met proces-verbaalnummer 2013060658 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Voor de leesbaarheid van het vonnis heeft de rechtbank ervoor gekozen eenmaal de volledige naam van de betrokken personen te vermelden en daarna steeds alleen de voornaam te noemen.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2013, p. 93.

4 Proces-verbaal van verhoor [Slachtoffer 2] d.d. 9 juni 2013, p. 299 en 300.

5 Proces-verbaal van verhoor [benadeelde 3] d.d. 9 juni 2013, p. 313.

6 Proces-verbaal van verhoor [benadeelde 1] d.d. 9 juni 2013, p. 348 en 349.

7 Proces-verbaal van verhoor [benadeelde 4] d.d. 9 juni 2013, p. 326.

8 Proces-verbaal van verhoor [Slachtoffer 2] d.d. 9 juni 2013, p. 300.

9 Proces-verbaal van verhoor [Slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris d.d. 8 juli 2014.

10 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 10 november 2014 afgelegd.

11 Proces-verbaal van verhoor [Slachtoffer 2] d.d. 9 juni 2013, p. 300.

12 Proces-verbaal van verhoor [Slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris d.d. 8 juli 2014.

13 Proces-verbaal van verhoor [benadeelde 1] d.d. 9 juni 2013, p. 349.

14 Proces-verbaal van verhoor [Slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris d.d. 8 juli 2014.

15 Proces-verbaal van verhoor [benadeelde 3] d.d. 9 juni 2013, p. 313 , 314 en 315.

16 Proces-verbaal van verhoor [benadeelde 1] d.d. 9 juni 2013, p. 349.

17 Proces-verbaal van verhoor [Slachtoffer 2] d.d. 9 juni 2013, p. 300.

18 Proces-verbaal van verhoor [benadeelde 3] d.d. 9 juni 2013, p. 315.

19 Proces-verbaal van verhoor [benadeelde 3] bij de rechter-commissaris d.d. 3 juli 2014.

20 Proces-verbaal van verhoor [Slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris d.d. 9 juli 2014.

21 Proces-verbaal van verhoor [benadeelde 3] d.d. 9 juni 2013, p. 315.

22 Proces-verbaal van verhoor [Slachtoffer 2] d.d. 9 juni 2013, p. 300.

23 Proces-verbaal van verhoor [benadeelde 3] d.d. 9 juni 2013, p. 315.

24 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juni 2013, p.254.

25 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juni 2013, p. 254 en proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 9 juni 2013, p. 37 van het beslagdossier.

26 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d 31 juli 2013, p. 666 in combinatie met het aanvullend correctie proces-verbaal d.d. 23 mei 2014.

27 Het geschrift, te weten een letselbeschrijving d.d. 10 juni 2013, p. 941 en 942.

28 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juni 2013, p. 101.

29 Proces-verbaal van onnatuurlijke dood d.d. 18 juni 2013, p. 90.

30 Proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 19 juni 2013, p. 584 en 585.

31 Het geschrift, te weten het rapport van de patholoog d.d. 24 juni 2013, p. 863 tot en met 866.

32 Het geschrift, te weten het rapport van de forensisch arts d.d. 10 juni 2013, p. 951 en 952.

33 Zie onder andere ECLI:NL:GHSHE:2014:3810, ECLI:NL:GHSHE:2014:104 en ECLI:NL:GHSHE:2014:2182.