Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:10001

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
20-11-2014
Zaaknummer
03/700635-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van medeplegen overval. Geen bewijs voor aanwezigheid verdachte op de plaats delict. Bezit van een deel van de buit kort na de overval is onvoldoende bewijs, evenals een verklaring van een getuige die niet uit eigen wetenschap verklaart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/700635-13

Datum uitspraak : 19 november 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres 1].

Raadsman is mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat te Maastricht, waarnemend voor

mr. M. Helgers-Crompvoets, advocaat te Maastricht.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

31 januari 2014 en 5 november 2014.

De rechtbank heeft op 31 januari 2014 gehoord de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw en op 5 november 2014 heeft zij gehoord de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 9 september 2013 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in een woning, gelegen aan de [adres 2], gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie mobiele telefoons, in elk geval een mobiele telefoon en/of geld (in totaal ongeveer 200 Euro) en/of een sleutelbos, in elk geval (een) sleutel(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 1] en/of aan[slachtoffer 2] en/of aan [slachtoffer 3], in elk geval toebehorende aan een ander of aan anderen dan aan hem, verdachte en/of aan zijn, verdachtes, mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of tegen voornoemde [slachtoffer 2] en/of tegen voornoemde [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn, verdachtes, mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s) voornoemde [slachtoffer 1] en/of voornoemde [slachtoffer 2] en/of voornoemde [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een pistool/vuurwapen en/of met een breekijzer, in elk geval (telkens) met (een) hard(e) voorwerp(en) tegen/op het hoofd, in elk geval tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en/of meermalen, althans eenmaal, met (geschoeide) voet(en) tegen het lichaam heeft/hebben getrapt en/of geschopt en/of met gebalde vuist(en)/hand(en) heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of een pistool/vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op voornoemde [slachtoffer 1] en/of op voornoemde [slachtoffer 2] en/of op voornoemde [slachtoffer 3] heeft/hebben gericht (gehouden) en/of daarmee een of meer schot(en) heeft/hebben afgevuurd en/of tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of tegen

voornoemde [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd: "het geld, waar is het geld?";

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 9 september 2013 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om aan (een) perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer 1] en/of[slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] en/of voornoemde [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een pistool/vuurwapen en/of met een breekijzer, in elk geval (telkens) met (een) hard(e) voorwerp(en) tegen/op het hoofd, in elk geval tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en/of meermalen, althans eenmaal, (telkens) met (geschoeide) voet(en) tegen het lichaam heeft/hebben getrapt en/of geschopt en/of met gebalde vuist(en)/hand(en) heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of met een pistool, in elk geval met een vuurwapen, een of meer schot(en) heeft/hebben afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 9 september 2013 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend (een) perso(o)n(en) (te weten [slachtoffer 1] en/of[slachtoffer 2]) meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een pistool/vuurwapen en/of met een breekijzer, in elk geval (telkens) met (een) hard(e) voorwerp(en) tegen/op het hoofd, in elk geval tegen het lichaam

heeft/hebben geslagen en/of meermalen, althans eenmaal, (telkens) met (geschoeide) voet(en) tegen het lichaam heeft/hebben getrapt en/of geschopt en/of met gebalde vuist(en)/hand(en) heeft/hebben geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en/of voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

4.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ervoor gepleit het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in haar vervolging, nu zij van mening is dat het dossier onvolledig is. Uit het BOB-dossier blijkt immers dat diverse telefoongesprekken zijn opgenomen, maar dat de uitwerking hiervan niet in het dossier is gevoegd. Ook de historische gegevens van diverse telefoonnummers heeft zij niet in het dossier aangetroffen. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat onthouding van processtukken in het belang van het onderzoek slechts is toegestaan indien door kennisneming van stukken de waarheidsvinding ernstig zou worden belemmerd, hetgeen in de onderhavige zaak niet het geval is. Onthouding van stukken is volgens de raadsvrouw in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Zij voert aan dat daaraan slechts de conclusie kan worden verbonden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vervolging.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte heeft de officier van justitie aangevoerd dat hij van mening is dat het openbaar ministerie ontvankelijk is, nu de uitwerking van relevante tapgesprekken in het dossier is gevoegd. Het dossier is naar zijn mening compleet.

Naar aanleiding van een eerder verzoek van de verdediging om toevoeging van stukken aan het dossier heeft hij opdracht gegeven om uit te zoeken welke telefoongesprekken zijn uitgewerkt. Dat bleek te gaan om het gesprek dat reeds aan de verdediging is toegezonden.

Het verzoek van de verdediging om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, dient daarom te worden afgewezen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Het onderzoek ter terechtzitting is op 7 februari 2014 heropend. Nadien is het dossier door de officier van justitie aangevuld met stukken, waarvan de verdediging van mening was dat die in het dossier ontbraken. Het dossier is derhalve gecompleteerd en alle beschikbare stukken betreffende de onderhavige zaak zijn daarin aanwezig, zodat de grondslag op welke de verdediging de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie had gestoeld, is vervallen.

De rechtbank concludeert dan ook dat er geen omstandigheden zijn gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

5 De beoordeling van het bewijs

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Hij baseert zijn mening op het volgende.

Uit de aangiften van [slachtoffer 1],[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] blijkt dat zij door drie daders zijn beroofd van hun mobiele telefoons. Twee mobiele telefoons konden na de overval worden getraceerd en de kopers hebben verklaard dat zij het toestel dat zij in hun bezit hadden van [getuige 1] hebben gekocht. [getuige 1] heeft op zijn beurt verklaard dat hij die telefoons van [getuige 2] heeft gekocht. Volgens [getuige 2] hebben verdachte en

[medeverdachte] hem gevraagd of hij deze telefoons wilde kopen en hebben zij hem vergezeld toen hij de telefoons aan [getuige 1] verkocht. Verdachte en [medeverdachte] zouden toen in de auto zijn blijven wachten.

De officier van justitie acht de verklaring van [getuige 2] betrouwbaar om de volgende redenen: uit deze verklaring blijkt dat [getuige 2] op de hoogte was van details van de overval, zijn verschillende verklaringen zijn steeds ongeveer gelijkluidend en hij heeft het verhaal over de overval niet alleen aan de politie, maar ook aan [naam vriendin verdachte], zijnde de vriendin van verdachte, verteld. Ook het feit dat op de plaats delict een schoenspoor is aangetroffen van een schoen die grote overeenkomst vertoonde met de schoen die is aangetroffen bij [naam vriendin getuige 2], de vriendin van [getuige 2], en [getuige 2] heeft verklaard dat deze schoen van hem is, draagt bij aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 2], nu hij daarmee zichzelf belast. Verder vertoont de verklaring van [getuige 1] volgens de officier van justitie overeenkomst met de verklaring van [getuige 2].

Ook de verklaring van [naam vriendin getuige 2], inhoudende dat verdachte enkele weken geleden met [getuige 2] naar Limburg is geweest, acht de officier van justitie van belang voor het bewijs.

Voorts blijkt uit onderzoek van telecommunicatiegegevens dat verdachte in de avond en nacht voorafgaand aan de overval meermalen zowel naar [getuige 2] als naar [medeverdachte] heeft gebeld. Daarnaast acht de officier voor de bewezenverklaring van groot belang dat verdachte zich om 05.19.21 uur onder de zendmast te Grubbenvorst bevond en ongeveer een uur later onder een zendmast in Nijmegen. De tijd, gelegen tussen de overval en het tijdstip waarop verdachte onder het bereik van de mast in Grubbenvorst reed, is volgens een tweetal routeplanners precies de tijd die nodig is om de afstand tussen de plaats delict en de weg gelegen bij Grubbenvorst, waar de telefoon van verdachte is getraceerd, te overbruggen.

Ten slotte ondersteunt de verklaring afgelegd door de getuige [naam vriendin verdachte] de bewezenverklaring.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan de richtlijnen en aanwijzingen van de reclassering, met aftrek van de tijd door verdachte in voorlopige hechtenis doorgebracht.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak van het tenlastegelegde, nu niet vast te stellen is dat verdachte op de plaats delict aanwezig is geweest.

De raadsman verwijst daarbij naar de pleitnotities van mr. Helgers-Crompvoets, overgelegd ter terechtzitting van 31 januari 2014, inhoudende dat er geen sprake is van een daderspoor dat wijst naar verdachte en dat er geen voor verdachte belastende tapgesprekken in het dossier aanwezig zijn. Dat de telefoon van verdachte op 9 september 2013 om 05.19 uur contact heeft gemaakt met de zendmast in Grubbenvorst bewijst slechts dat hij op dat moment in de buurt van Grubbenvorst was, niet dat hij op de plaats delict aanwezig is geweest.

De verdediging acht de verklaringen van [getuige 2] kennelijk leugenachtig. Zij zijn innerlijk tegenstrijdig en botsen met ander bewijsmateriaal. Bovendien worden zij niet ondersteund door enig nader ander bewijs. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de stelling van [getuige 2] dat verdachte last had van zijn knokkels en zou hebben gezegd “kop kapot”.

De verklaringen van [naam vriendin getuige 2] zijn eveneens kennelijk leugenachtig. Haar verklaring omtrent de rit naar [getuige 1] is immers andersluidend dan de verklaring van [getuige 2] hieromtrent.

Ook het getapte telefoongesprek tussen [getuige 2] en zijn vriendin [naam vriendin 2 getuige 2] bewijst dat hun verklaringen leugenachtig zijn, nu daarin wordt gezegd: “Maar we kunnen goed praten we kunnen goed liegen snap je”.

Op grond van het bovenstaande concludeert de verdediging dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij verzoekt verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde. De raadsman voert aan dat de na 31 januari 2014 aan het dossier toegevoegde stukken het standpunt van de verdediging niet heeft veranderd.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht de door de officier van justitie geëiste straf te matigen, gezien het tijdsverloop en gezien de positieve ontwikkeling die verdachte blijkens het reclasseringsrapport van augustus 2014 heeft doorgemaakt.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Feitenrelaas

In de nacht van 9 september 2013 ontving de politie om 04.17 uur een melding dat een overval had plaatsgevonden in de woning, gelegen aan de [adres 2] te Sittard. De bewoners, [slachtoffer 1],[slachtoffer 2], hun dochter [slachtoffer 3] en hun zoontje [slachtoffer 4] waren op dat moment in de woning aanwezig.[slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] hebben aangifte gedaan van deze overval. Uit deze aangiften blijkt dat de overval heeft plaatsgevonden rond 04.00 uur in de nacht. Er waren drie overvallers bij betrokken. Alle drie hadden zij een vuurwapen.

Een van hen kwam de slaapkamer van de ouders binnen en richtte een vuurwapen op

[slachtoffer 1] die inmiddels was opgestaan, en schoot daarmee. [slachtoffer 1] heeft deze man vastgepakt, waarna hij door een andere man met een breekijzer tegen het hoofd werd geslagen en trappen in zijn zij kreeg. Zijn vrouw,[slachtoffer 2], was ook opgestaan en toen zij probeerde de mannen uit elkaar te krijgen, kreeg zij eveneens een klap op het hoofd met een breekijzer.

[slachtoffer 1] kon de man met het vuurwapen uit de slaapkamer werken, waarna een worsteling op de gang plaatsvond en beide mannen van de trap vielen. [slachtoffer 1] is de woonkamer binnen gegaan. Beide mannen kwamen achter hem aan. Eerst kreeg hij weer een klap met het breekijzer tegen zijn achterhoofd en daarna nog een klap met het vuurwapen. Hij zakte door zijn knieën en kreeg nog een trap in zijn ribben. Daarna vroegen de mannen om geld. Toen [slachtoffer 1] zei dat hij geen geld had, werd hij nog een paar keer geschopt en geslagen. Vervolgens kwam de derde man van boven. Hij zei: “Er is gebeld, we gaan nu”. Zij zijn via de achterdeur vertrokken. [slachtoffer 1] is in elkaar gezakt en “buiten westen” geraakt. Toen de mannen de slaapkamer waren uitgewerkt en zich op het portaal bevonden, heeft de tweede man[slachtoffer 2] nog tweemaal geslagen. Zij is naar de kamer van haar zoontje gegaan en heeft naar haar dochter, [slachtoffer 3], die zich in haar eigen slaapkamer bevond, geroepen dat zij de politie moest bellen. De man met het pistool was toen nog boven. Hij liep naar de kamer van haar dochter. Zij en haar zoontje zijn ook naar deze kamer gelopen en daar op het bed gaan zitten. De persoon richtte het wapen op hen en vroeg of er gebeld was. [slachtoffer 3] zei dat dit niet het geval was, waarna de man naar beneden liep. Daarna was het stil.

Nadat [slachtoffer 1] is bijgekomen is hij naar de spoedeisende hulp gegaan, waar de verwondingen over zijn hele lichaam zijn onderzocht en waar nodig gehecht. Ook de verwondingen van[slachtoffer 2] zijn bij de spoedeisende hulp bekeken en daar waar nodig gehecht.

Ook [slachtoffer 3] is bedreigd met het pistool.

De daders zijn vermoedelijk via het raampje in de schuur, dat op kiepstand stond, de woning van het gezin Tselepsis binnengedrongen. In de keuken bij de achterdeur van de woning zijn kogelhulzen aangetroffen.

Bij de overval is een bedrag van € 200,- en een sleutelbos weggenomen, evenals drie telefoons, onder meer een Apple Iphone 5 en een Samsung GT 19505.

Op 10 september 2013 werd in de gestolen Apple Iphone 5 een nieuw simkaartje gezet op naam van [getuige 3] en op 11 september 2013 is een nieuw simkaartje gezet in de gestolen Samsung GT 19505 op naam van [getuige 4]. Uit politie-onderzoek is gebleken dat beide telefoons zijn verkocht via [getuige 1], die op zijn beurt de telefoons heeft gekocht van [getuige 2].

[getuige 2] is door de politie gehoord. Hij heeft verklaard - zakelijk weergegeven - dat hij de telefoons aan [getuige 1] heeft verkocht. Hij heeft ze gekregen op 9, 10 of 11 september 2013. Op een van deze data kwam hij [verdachte] tegen, die hem vroeg of hij iemand wist die telefoons opkocht. [verdachte] zat in de auto met ene [medeverdachte] ([medeverdachte], begrijpt de rechtbank). [getuige 2] heeft gevraagd of de telefoons “eerlijk” waren en of zij in orde waren. Toen dat werd bevestigd, is hij samen met [verdachte] en [medeverdachte] naar [getuige 1] gereden. Zijn vriendin [naam vriendin getuige 2] was daar niet bij. [getuige 2] heeft voorts verklaard dat hij bij de woning van [getuige 1] is uitgestapt en de telefoons aan [getuige 1] te koop heeft aangeboden. Deze heeft de telefoons gekocht, waarna [getuige 2] naar de auto is gegaan en het geld aan [verdachte] en [medeverdachte] heeft gegeven. Naderhand heeft [getuige 1] hem gebeld en hem verteld dat de telefoons afkomstig waren van een overval waarbij geweld was gebruikt. [getuige 2] heeft dat tegen [verdachte] gezegd, waarop [verdachte] antwoordde: “ja, heel erg, kop kapot” of zoiets.

Tijdens een ander verhoor heeft [getuige 2] verklaard - zakelijk weergegeven - dat hij met de telefoons aan de deur was bij [getuige 1], dat deze een prijs noemde, dat hij daarna naar de jongens in de auto is gelopen en dat zij de genoemde prijs te laag vonden. [getuige 2] is toen teruggegaan naar [getuige 1], waarop opnieuw werd onderhandeld over de prijs. Men kwam tot overeenstemming en [getuige 1] heeft meteen betaald.

Voorts heeft [getuige 2] verklaard dat [verdachte] hem veel heeft verteld over de overval, met name over het slaan met een bahco. [verdachte] had veel pijn in zijn rug en aan zijn handen, zijn knokkels waren geschaafd. En hij zei iets van kop kapot en dat hij die man hard had geslagen.

Er is een tapgesprek d.d. 10 oktober 2013 om 22.01.50 uur uitgewerkt door de politie, zijnde een gesprek tussen [getuige 2] en zijn (tweede) vriendin [naam vriendin 2 getuige 2]. Daarin wordt door [getuige 2] gezegd: …”maar we kunnen goed praten, we kunnen goed liegen, snap je”…(pag 303 van de doornummering).

Getuige [naam vriendin getuige 2] heeft op 23 oktober 2013 verklaard - zakelijk weergegeven - dat haar vriend [getuige 2] twee of drie weken geleden met [verdachte] naar Limburg is geweest, met de auto van [verdachte].

Voorts heeft zij verklaard dat [getuige 2] haar heeft verteld dat hij telefoons moest verkopen voor [verdachte]. Zij zijn toen naar [getuige 1] gegaan. Op 3 november 2013 heeft zij verklaard dat zij met [verdachte] en [getuige 2] naar [getuige 1] is gereden, [getuige 2] is naar [getuige 1] gegaan en zij heeft met [verdachte] in de auto gewacht op zijn terugkomst. [getuige 2] had de telefoon toen nog bij zich.

Getuige [naam vriendin verdachte], vriendin van verdachte, heeft verklaard - zakelijk weergegeven - dat [verdachte] in de nacht van 8 op 9 september 2013 niet bij haar was. Hij gaat in het weekend vaak naar Limburg. Zij heeft hem gebeld om 05.19 uur, omdat zij wilde weten waar hij was en wanneer hij zou terugkomen. Met betrekking tot de aan [getuige 1] verkochte telefoons heeft zij verklaard dat zij van [getuige 2] heeft gehoord hoe deze verkoop is verlopen.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard - zakelijk weergegeven - dat hij een I-Phone en een Samsung met opladers heeft gekocht van [getuige 2]. Hij weet de datum niet meer, maar het was tussen 16.00 uur en 18.00 uur. [getuige 2] haalde de telefoons bij de jongens die op de parkeerplaats in de auto zaten, maar die hij vanuit zijn woning niet kon zien.

Uit telecomgegevens is gebleken dat op 9 september 2013 via een zendmast in Nijmegen veelvuldig is gebeld met de telefoon van [verdachte] naar de telefoon van [getuige 2], tussen 00.00 uur en 23.59 uur zevenmaal, tussen 13.17.12 uur en 16.15.04 uur zesmaal. Ook is op deze datum met de telefoon van [verdachte] tussen 8 september 2013 te 22.26.44 uur en 9 september 2013 te 17.40.12 uur zesmaal gebeld naar de telefoon van [medeverdachte], eveneens via een zendmast in Nijmegen. Op 9 september 2013 om 05.19.21 uur is er met de telefoon van [naam vriendin verdachte] gebeld naar de telefoon van [verdachte]. Deze bevond zich toen onder de zendmast Californische weg 108 in Grubbenvorst. Volgens de routeplanner TomTom is de kortste route van de [adres 2] in Sittard naar de Californischeweg in Grubbenvorst de route via de A2 en A73 met een rijtijd van 46 minuten. Volgens de routebeschrijving van Google Maps is de rijdtijd 50 minuten. Op verzoek van de rechtbank is nagegaan welke zendmasten de telefoons van verdachte, zijn medeverdachte en [getuige 2] hebben aangestraald op de dag van de overval tussen 01.09 uur en 19.00 uur. Masten in de omgeving van de plaats delict bleken niet te zijn aangestraald door de betreffende telefoons.

Er heeft sporenonderzoek plaatsgevonden aan de bij de woning aan de [adres 2] te Sittard aangetroffen zes patronen, die door de daders werden achtergelaten bij de woning. Daarop is geen DNA aangetroffen dat afkomstig kan zijn van verdachte. Verder heeft er sporenonderzoek plaatsgevonden aan de in de ouderslaapkamer aangetroffen schroevendraaier. Op het handvat werd celmateriaal aangetroffen dat bij aanvullend onderzoek door het NFI een complex DNA-mengprofiel opleverde van minimaal vijf personen. Het celmateriaal kan afkomstig zijn van verdachte en de medeverdachte [medeverdachte], maar dit resultaat heeft volgens het NFI echter weinig onderscheidend vermogen. Verder is een vergelijkend schoensporenonderzoek verricht met als conclusie dat het schoenspoor aangetroffen op de vluchtweg van de overvallers waarschijnlijk overeenkomt met een bij de medeverdachte aangetroffen rechterschoen.

Verdachte heeft toegegeven dat hij op 9 september 2013 om 5.19 uur in Grubbenvorst was, maar hij ontkent op de plaats delict te zijn geweest. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij daar die nacht met iemand een afspraakje had.

De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of voldoende bewijs voorhanden is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met gebruik van geweld, van het medeplegen van een poging tot zware mishandeling of van het medeplegen van mishandeling.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De rechtbank kan op basis van het dossier en van hetgeen ter terechtzitting is besproken niet vaststellen dat de verdachte zich aan een van de tenlastegelegde feiten heeft schuldig gemaakt.

Zij overweegt hiertoe het volgende.

Volgens de Nederlandse wet is de strafrechter gebonden aan een bewijsminimum, waaraan moet zijn voldaan om tot een bewezenverklaring van een ten laste gelegd feit te kunnen komen. Er moet sprake zijn van minstens twee wettige bewijsmiddelen. Daarbij geldt, kort samengevat, dat wanneer op het springende punt in een zaak, slechts één bewijsmiddel is, er voldoende objectieve gegevens moeten zijn die dat punt onderbouwen.

Ten aanzien van het tenlastegelegde moet de rechtbank concluderen dat alleen [getuige 2] verklaart dat verdachte bij de overval in de [adres 2] te Sittard betrokken is geweest. [getuige 2] zegt dat hij zelf niet betrokken is geweest bij de overval en in de betreffende nacht bij zijn vriendin [naam vriendin 2 getuige 2] verbleef, hetgeen zij bevestigde en hetgeen ook overeenkomt met de resultaten van het onderzoek telecommunicatie. Dat [verdachte] bij de overval een rol heeft gespeeld, heeft [getuige 2] dus niet op grond van eigen waarneming kunnen vaststellen.

De aanwezigheid van [verdachte] bij de overval, zoals die door [getuige 2] wordt geschetst, berust naar het oordeel van de rechtbank op interpretaties van wat verdachte hem heeft verteld en aannames, gebaseerd op het feit dat hij de telefoons van [verdachte] had ontvangen en op de mededeling van [getuige 1] dat de telefoons afkomstig waren van een overval waarbij geweld was gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat niet uit het dossier blijkt dat deze koppeling terecht is gelegd. De verklaringen hieromtrent acht de rechtbank dan in zoverre onbruikbaar.

Dat er in de nacht van 9 september 2013 veelvuldig telefonisch contact is gezocht en dat [verdachte] en [getuige 2] op deze dag veel bij elkaar zijn geweest in Nijmegen, zoals uit het telecommunicatieonderzoek is gebleken, kan niet tot het oordeel leiden dat verdachte ten tijde van de overval op de plaats delict aanwezig is geweest. Dat blijkt evenmin uit de resultaten van het aanvullend onderzoek van de telefoongegevens van verdachte, [medeverdachte] en [getuige 2] dat op verzoek van de rechtbank heeft plaatsgevonden.

Behalve [getuige 2]’s verklaring zijn er geen bewijsmiddelen die duiden op verdachte als een van de daders van de overval op de familie [slachtoffer 1]-[slachtoffer 2] die nacht van 9 september 2013. Ook de verklaringen van de getuigen [naam vriendin getuige 2] en [naam vriendin verdachte] bieden geen bewijs voor de aanwezigheid van verdachte op de plaats delict. [naam vriendin getuige 2] verklaart slechts over haar aanwezigheid in de auto ten tijde van de verkoop van de telefoons. Haar verklaring dat verdachte enkele weken geleden met [getuige 2] naar Limburg is geweest is te vaag. Niet staat vast dat dit uitstapje betrekking had op 9 september 2013.

De verklaring die is afgelegd door [naam vriendin verdachte] betreffende de afwezigheid van [verdachte] in de nacht van 8 op 9 september 2013 levert evenmin aanvullend bewijs voor de betrokkenheid van [verdachte] aan de overval, nu zij zegt niet te weten waar haar hij was die nacht.

Bij het sporenonderzoek naar de munitie en de schroevendraaier is geen DNA-match vastgesteld tussen het aangetroffen DNA en het DNA van verdachte , terwijl het schoenspoor evenmin naar hem is terug te leiden.

Ook de omstandigheid dat hij (samen met [medeverdachte]) in bezit was van de gestolen telefoons is onvoldoende voor het oordeel dat hij op de plaats delict aanwezig moet zijn geweest ten tijde van de overval, nu tussen het tijdstip van de overval en het tijdstip waarop kan worden vastgesteld dat verdachte in het bezit was van deze telefoons, de nodige uren zijn verstreken.

Dat met de telefoon van verdachte een zendmast te Grubbenvorst is aangestraald terwijl de kortste route van de plaats delict naar Nijmegen, waar verdachte vroeg in de ochtend weer aanwezig was, via Grubbenvorst loopt en dat de tijd die nodig is om de afstand tussen de plaats delict en de weg gelegen bij Grubbenvorst overeenkomt met de tijd die daarvoor volgens routeplanners wordt berekend, voegt naar het oordeel van de rechtbank aan het bewijs niets toe, nu verdachte heeft verklaard dat hij inderdaad in Grubbenvorst is geweest rond die tijd waar hij een afspraakje had.

Al met al zijn geen objectieve gegevens in het dossier voorhanden op grond waarvan de aanwezigheid van verdachte op de plaats delict kan worden vastgesteld.

De rechtbank komt tot de slotsom dat in het onderhavige dossier slechts één bewijsmiddel voorhanden is dat wijst naar de deelname van verdachte aan de overval aan de [adres 2] te Sittard. Deze getuigenverklaring berust niet op eigen waarneming. In combinatie met enkel aangiftes is deze ene verklaring onvoldoende om vast te stellen dat verdachte betrokken is geweest bij de overval aan de [adres 2] te Sittard.

De rechtbank zal verdachte daarom van het tenlastegelegde vrijspreken.

6 Het beslag

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de inbeslaggenomen goederen kunnen worden geretourneerd aan de rechthebbenden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt betreffende het beslag.

6.3

Het standpunt van de rechtbank

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de inbeslaggenomen goederen kunnen worden geretourneerd aan de rechthebbenden.

7 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde;

Beslag

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen:

2 1 GSM, IPHONE 4, 2254086;

3 1 computer, APPLE IPAD, 2254086;

4 1 acculader, 2254218;

5 1 acculader, 2254220;

- gelast de teruggave van de inbeslaggenomen en niet teruggegeven computer,

ASUS X 56T, 2262982 inclusief adapter, aan verdachte;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzitter, mr. A.M. Schutte en mr. M.E. Kramer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Schuwirth, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 november 2014.

Mr. M.E. Kramer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.