Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:CA3331

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-06-2013
Datum publicatie
17-06-2013
Zaaknummer
AWB 11/1091, 11/1092, 11/1093, 11/1094, 11/1095
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:1563, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft in het bestreden besluit op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een vrijstelling verleend van het bestemmingsplan voor de vestiging en het gebruik van een helihaven. De aan te leggen toetsingsmaatstaf in dit verband is volgens de rechtbank of er aanleiding bestaat voor het oordeel dat verweerder het bestreden besluit in redelijkheid niet heeft kunnen nemen omdat ernstig moet worden betwijfeld of kan worden voldaan aan de in de relevante milieuwetgeving opgenomen geluidgrenswaarden. Naar het oordeel van de rechtbank dient in casu uitsluitend de door het grondzijdig helikoptergeluid veroorzaakte geluidbelasting aan de daarvoor geldende normen van het hier van toepassing zijnde Activiteitenbesluit te worden getoetst en niet het luchtzijdig helikoptergeluid omdat dit laatste in het kader van de Wet luchtvaart (eventuele luchthavenregeling) wordt beoordeeld. Nu gebleken is dat het grondzijdig geluid, zoals blijkt uit de overgelegde geluidrapporten, voldoet/kan voldoen aan het Activiteitenbesluit is verweerder in het licht van de genoemde toetsingsmaatstaf op dit punt in redelijkheid tot het bestreden besluit gekomen. De in het bestreden besluit opgenomen voorwaarde dat de luchthavenregeling in acht dient te worden genomen is naar het oordeel van de rechtbank geen voorwaarde die in het kader van een goede ruimtelijke ordening aan de vrijstelling kan worden verbonden. De rechtbank is voorts van oordeel dat anders dan het type helikopters het aangevraagde aantal vluchten -vergunninghouder verzet zich daar niet tegen- wel in het bestreden besluit had moeten worden opgenomen. Volgt (gedeeltelijke) vernietiging van het bestreden besluit en de rechtbank voorziet zelf in de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2013-0189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11 / 1091, AWB 11 / 1092, AWB 11 / 1093, AWB 11 / 1094 en

AWB 11 / 1095

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juni 2013 in de zaken tussen

1) [eiseres sub 1], te Heythuysen, eiseres sub 1,

(gemachtigde: mr. G.A.M. van de Wouw);

2) [eisersub2], te Heythuysen, eiser sub 2,

(gemachtigde: mr. P.M.F. Jansen);

3) [eiser sub 3], te Heythuysen, eiser sub 3,

(gemachtigde: mr. P.M.F. Jansen);

4) [naam], te Heythuysen, eisers sub 4,

(gemachtigde: mr. B. De Jong);

5) [eiseres sub 5], te Roermond, eiseres sub 5,

(gemachtigden: B.N.J. Cobben en [naam]);

en

de raad van de gemeente Leudal, verweerder,

(gemachtigden: mr. M.A.N. Gerards en mr. E.J.E. Puts)

Als derde-partij heeft aan de gedingen met zaaknummers AWB 11 / 1092, AWB 11 / 1093, AWB 11 / 1094 en AWB 11 [eiseres sub 1], te Heythuysen,

(gemachtigde: mr. G.A.M. van de Wouw).

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres sub 1 op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling verleend van het bestemmingsplan Buitengebied [buitengebied] voor de vestiging c.q. het gebruik van een helihaven op het adres [adres] te Heythuysen.

Eisers sub 1 tot en met 5 hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Met toepassing van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank eiseres sub 1 in de gelegenheid gesteld om in de zaken met zaaknummers AWB 11 / 1092, AWB 11 / 1093, AWB 11 / 1094 en AWB 11 / 1095 als partij aan de gedingen deel te nemen. Van die mogelijkheid is gebruik gemaakt.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting op 26 juni 2012. Eiseres sub 1 is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens eiseres sub 1 is tevens verschenen [naam] en [eiser] [naam]. Eisers sub 2 en 3 en hun gemachtigde zijn eveneens verschenen. Namens eisers sub 4 is verschenen [naam], bijgestaan door haar gemachtigde. Namens eiseres sub 5 is verschenen [naam] en [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Awb het onderzoek ter zitting heropend en het vooronderzoek hervat. De rechtbank heeft bij brief van 28 juni 2012 op basis van artikel 8:47 van de Awb de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek.

De StAB heeft op 20 september 2012 verslag uitgebracht, waarop eisers sub 1 tot en met 3 hebben gereageerd. De StAB heeft op deze reacties op 23 november 2012 gereageerd.

Bij brief van 30 november 2012 hebben eisers sub 2 en 3 nadere stukken ingediend.

De beroepen zijn opnieuw gevoegd behandeld ter zitting op 17 januari 2013. Eiseres sub 1 is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens eiseres sub 1 is tevens verschenen [naam] en [eiser] alsmede [naam]. Eisers sub 2 en 3 en hun gemachtigde zijn eveneens verschenen. Namens eisers sub 4 is [naam] verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens eiseres sub 5 is verschenen [naam] en [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

2. Op 10 april 2008 en aangevuld op 17 februari 2009 en 23 februari 2010 heeft eiseres sub 1 bij verweerder een verzoek ingediend voor een vrijstelling van het bestemmingsplan Buitengebied [buitengebied] voor de vestiging c.q. het gebruik van een helihaven op het adres [adres] te Heythuysen op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO.

Op 13 augustus 2009 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: VWS) op grond van artikel 6, tweede lid, onder c, en artikel 7 van het Besluit inrichting en gebruik niet aangewezen luchtvaartterreinen toestemming verleend om een helihaven aan te leggen en in te richten aan de [adres] te Heythuysen (hierna: de Bignalverklaring).

3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit aan eiseres sub 1 de gevraagde vrijstelling verleend, onder de voorwaarde dat hiervan uitsluitend gebruik kan worden gemaakt wanneer en zolang er sprake is van een geldige luchthavenregeling voor de helihaven op grond van de Wet luchtvaart.

Aan het bestreden besluit ligt een ruimtelijke onderbouwing ten grondslag van 31 maart 2006, 23 januari 2009, 28 mei 2009, 16 juni 2009 en 23 juni 2009. In de ruimtelijke onderbouwing wordt - kort weergegeven - in het kader van de afweging van de belangen aangegeven dat de maat en functie van de helihaven binnen de omgeving en huidige beleidsinzichten passen en dat sprake is van een beperkte ruimtelijke impact. Voorts bestaan er geen belemmerende effecten op de omgeving en er wordt, gelet op de ligging van de helihaven en de aanvliegroutes, geen schade toegebracht aan omliggende natuurgebieden.

In dat verband zijn er onder andere diverse onderzoeksrapportages van 20 januari 2008, 25 mei 2009, 22 februari 2010, 26 mei 2010, 15 juli 2010, 31 oktober 2011 en 10 mei 2012 naar de geluideffecten verricht door [naam], in opdracht van eiseres. Tevens is er een contra-expertise van [BV] in opdracht van de provincie Limburg van 14 juni 2010 alsmede een onderzoek van de provincie Limburg van 29 september 2010.

4. Eisers sub 1 tot en met 5 kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen en hebben in beroep - samengevat weergegeven - het volgende aangevoerd.

4.1 Eiseres sub 1 komt op tegen de aan de aan haar verleende vrijstelling verbonden voorwaarde dat van de vrijstelling uitsluitend gebruik kan worden gemaakt wanneer en zolang er sprake is van een geldige luchthavenregeling voor de helihaven op grond van de Wet luchtvaart. Zij voert aan dat deze voorwaarde ontoelaatbaar is, omdat de gemeenteraad niet bevoegd is ten aanzien van de Wet luchtvaart en de naleving van de luchthavenregeling, voor de helihaven reeds een Bignalverklaring voor onbepaalde tijd is afgegeven, die herleeft zodra de luchtvaartregeling geen rechtskracht meer heeft, en de voorwaarde planologische relevantie ontbeert.

4.2 Eisers sub 2 en 3 voeren aan dat bij de verleende vrijstelling onvoldoende rekening is gehouden met het algemene belang en de belangen van omwonenden, waardoor geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening/onderbouwing. Eisers sub 2 en 3 betogen voorts dat de aantasting van de privacy en de geluidhinder voor belanghebbenden onvoldoende bij het bestreden besluit zijn meegewogen. Eiser sub 2 voert nog aan dat hij, vanwege gezondheidsredenen, overgevoelig is voor harde geluiden en meer geluidhinder ondervindt doordat de helikopters op ongeveer 100 meter langs zijn huis vliegen. Eisers sub 2 en 3 voeren verder aan dat de geluidrapporten op onjuiste uitgangspunten zijn gebaseerd wat betreft het aantal vluchten, de specifieke vluchtgegevens en de methode en beoordeling van de resultaten in de rapporten. In het bijzonder zijn het impulsgeluid en het indirecte geluid ten onrechte niet meegenomen in het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. In o.a. het rapport van [naam] van 15 juli, nr. 11, is het impulsgeluid en de straftoeslag daarvoor niet meegenomen in de beoordeling en is ten onrechte niet het maximum aantal toegestane vluchten van 3 per dag toegepast. Er is ten onrechte geen berekening voor de avondperiode uitgevoerd en er heeft geen toetsing aan de normering in dat kader plaatsgevonden. Voorts voeren eisers sub 2 en 3 aan dat het bestreden besluit in strijd is met de luchthavenregeling, omdat dit, in tegenstelling tot de luchthavenregeling, een verdeling van vluchten aangeeft. Verder stellen eisers sub 2 en 3 dat in de geluidbeschouwing ten onrechte het brongeluid buiten de perceelsgrens, de vluchtfase en de directe dan wel indirecte geluidhinder en de geluidhinder op het aangrenzende stiltegebied niet zijn meegenomen. Tot slot is onduidelijk of de beoordeelde locaties de bepalende locaties voor geluidhinder zijn en ontbreken de contourplaatjes. Ter zitting heeft eiser sub 3 nog aangevoerd dat de helihaven thans geen verband meer houdt met de machinehandel van eiseres sub 1, waardoor geen sprake is van een aan eiseres sub 1 gerelateerd bedrijfsbelang. Het bestreden besluit vermeldt ten onrechte de in de aanvraag aangegeven bedrijfsgebonden activiteiten niet.

4.3 Eisers sub 4 stellen dat het bestreden besluit ten onrechte voorschriften ten aanzien van het maximaal aantal vluchten per dag en het maximum aantal vluchten per week en per jaar ontbeert. Als gevolg daarvan zou een onbeperkt aantal vluchten mogelijk zijn. Het bestreden besluit is om die reden onvoldoende gemotiveerd en er is onvoldoende onderzocht wat de gevolgen van een onbeperkt aantal vluchten zouden zijn. In het bestreden besluit zijn volgens eisers sub 4 de vluchtroutes, die zijn vastgesteld ter voldoening aan de geluidsnormen, onvoldoende vastgelegd. Voorts zijn de no fly zones, het aantal vluchten en de vliegrichting, die in het akoestisch rapport worden gehanteerd, ten onrechte niet in het bestreden besluit vastgelegd. Vanwege deze onduidelijkheden is het besluit niet handhaafbaar. Ter onderbouwing van deze stelling verwijzen eisers sub 4 onder meer naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 april 2011 (LJN BQ2646). Tot slot wijzen eisers sub 4 op het feit dat een bedrijfsbelang ontbreekt bij de helihaven en dat er sprake is van historische rechten ter onderbouwing waarvan zij naar de eerder ingediende zienswijzen verwijzen.

4.4 Eiseres sub 5 voert allereerst aan dat significante effecten op de natuurwaarden van het habitatrichtlijngebied Leudal als gevolg van de helihaven niet zijn uit te sluiten. Intensief gebruik van de helihaven aan de rand van dit gebied past niet bij de doelstellingen van de aanwijzing van het gebied als habitatrichtlijngebied. Voorts betoogt eiseres sub 5 dat het verrichte ecologisch onderzoek onvoldoende is en dat de invloed op de in het gebied aanwezige bever ten onrechte niet is meegenomen. Tevens heeft er ten onrechte geen onderzoek plaatsgevonden naar alternatieven. Eiseres sub 5 voert verder nog aan dat ten onrechte geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de toename van stikstof en fijnstofdepositie. Eiseres sub 5 stelt zich op het standpunt dat het toestaan van een landingsbaan binnen de bufferzone van een Natura 2000-, EHS- en stiltegebied in strijd is met het provinciale beleid. Volgens eiseres sub 5 biedt de luchthavenregeling toestemming voor twee landingsplekken op de locatie, waaronder één voor landingen na een vlucht en één voor verplaatsingen op het eigen terrein richting de stalling. Het toegestane hoveren naar de stallingsplaats op grond van het vrijstellingsbesluit en de luchthavenregeling is in strijd met het vigerende beleid en de eis dat niet binnen een straal van 50 meter van aaneengesloten bebouwing mag worden geland of opgestegen. Tot slot betoogt eiseres sub 5 dat het bestreden besluit niet handhaafbaar is, omdat in het bestreden besluit geen duidelijke voorschriften worden gesteld en de no fly zone daarin niet terug komt.

5. Verweerder stelt zich blijkens het verweerschrift op het standpunt dat hij op goede gronden is overgegaan tot verlening van de vrijstelling aan eiseres sub 1. In reactie op de door eisers sub 1 tot en met 5 aangevoerde beroepsgronden voert verweerder - samengevat weergegeven - aan dat de aan de vrijstelling verbonden voorwaarde uitsluitend beoogt aan te geven dat de vrijstelling conform de Wet luchtvaart dient te worden gebruikt en dat geen andere voorwaarden aan het besluit dienen te worden verbonden. De beperkingen inzake vliegrichting, no fly zones en het aantal vluchten volgen reeds uit de beschikking van de minister van VWS, de luchthavenregeling en de geluidnormen. Verweerder meent verder dat de ruimtelijke onderbouwing voldoet, nu er een veelvoud aan geluidrapporten en ecologische onderzoeken aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd. Volgens verweerder worden de natuurwaarden en de belangen van omwonenden niet geschaad. Het opstijgen en dalen over de naburige percelen leidt niet tot aantasting van de privacy of het woongenot. Verweerder betoogt voorts dat de onduidelijkheid inzake de geluidhinder in de rapporten volgt uit de verschillende rekenmethoden die gehanteerd zijn en de naar aanleiding van de wijziging van de Wet luchtvaart gehanteerde berekeningsmethode Lden. De aanbevelingen uit de contra-expertise van [BV] zijn gericht op een andere berekeningsmethode en niet van toepassing op de akoestische berekening in het kader van de ruimtelijke onderbouwing. Verweerder voert verder aan dat er geen verplichting bestaat de luchthavenregeling volledig te verankeren in het planologisch kader. Hoewel niet gemotiveerd in het bestreden besluit, past het geluidniveau eveneens binnen het beoordelingsniveau voor de avondperiode. Verweerder stelt verder nog dat door middel van een meting is vastgesteld dat geen impulsgeluid plaatsvindt. Tot slot stelt verweerder dat de gezondheidssituatie van eiser sub 2 geen ruimtelijk relevant punt betreft en dat de waardevermindering van woningen in een planschadeprocedure aan de orde dient te komen.

6. De rechtbank heeft de StAB verzocht haar van advies te dienen over de vraag of de geluidberekeningen/-effecten, zoals aan de orde in de diverse onderzoeken van [naam] die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, beantwoorden aan de daarvoor geldende normen.

De StAB neemt de twee rapporten van [naam] van 15 juli 2010, (20081396-11 en 20081396-12) als uitgangspunt. Samengevat weergegeven en voor zover van belang heeft de StAB in haar advies het volgende geconcludeerd. Allereerst stelt de StAB vast dat de gehanteerde grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde uit het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) voor de woningen aan de [straatnaam] en Aan de [straatnaam] te hoog is en dat, gelet op de aard van de woonomgeving, een grenswaarde van respectievelijk 45 en 40 dB(A) als etmaalwaarde meer in de rede zou liggen als waarborg voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Voor de afbakening van direct en indirect geluid van het vliegverkeer zouden, in tegenstelling tot de grens van de inrichting op grond van de Wet milieubeheer (Wm) zoals [naam] heeft gehanteerd, de in- en uitvliegpaden tot een hoogte van 500 ft. beschouwd kunnen worden als onderdeel van de infrastructuur van de helihaven. Daarmee zou het vliegverkeer tot een hoogte van 500 ft. als direct gevolg van het in werking zijn van de helikopterlandingsplaats kunnen worden beoordeeld. De in de akoestische rapportage(s) van [naam] gehanteerde industrielawaaiberekening is te beperkt. In de benadering van [naam] blijft onduidelijk aan welke (voorkeurs)grenswaarde het indirecte geluid zou moeten worden getoetst. Het hanteren van de jaargemiddelde dosismaat Lden lijkt niet voor de hand te liggen.

Omdat in het bestreden besluit en de van toepassing zijnde luchthavenregeling specifieke regels of voorschriften ontbreken ten aanzien van de specifieke bedrijfsomstandigheden met betrekking tot het gebruik van de helikopters, is in de onderzoeken van [naam] ten onrechte geen worst case-situatie beschouwd.

Tot slot stelt de StAB vast dat in het bestreden besluit specifieke regels dan wel voorschriften over onder meer het type helikopters dat geoorloofd is, de stijg- en daalhoek, de richting van het aantal toegestane vliegbewegingen ontbreken alsmede geen rekening is gehouden met het optreden van een impulsvormig karakter van het geluid van de helikopter. Daardoor is het niet uitgesloten dat de standaard grenswaarden uit het Activiteitenbesluit bij de woningen aan de [straatnaam] worden overschreden.

7. In de reacties op het verslag van de StAB is - samengevat weergegeven - het volgende aangevoerd.

7.1 Eiseres sub 1 stelt zich naar aanleiding van het verslag van de StAB, onder verwijzing naar een bijgevoegde reactie van [naam], primair op het standpunt dat met de inwerkingtreding van de Regeling burgerluchthavens en militaire luchthavens (Rbml) het luchtzijdige deel van het helikoptergeluid beoordeeld dient te worden aan de hand van de Lden-systematiek. Het grondzijdige deel van het helikoptergeluid dient binnen de inrichting te worden beschouwd met gebruikmaking van de Industrielawaaibenadering. In het advies van de StAB wordt ten onrechte niet aangegeven of deze door [naam] gehanteerde methode rechtens aanvaardbaar is. Bovendien gaat de StAB er ten onrechte aan voorbij dat [naam] uitgaat van een knip tussen het luchtzijdige en grondzijdige helikoptergeluid en hanteert de StAB voor de hele vliegbeweging ten onrechte de methode Industrielawaai en voor het luchtzijdige deel niet de sinds 1 november 2009 verplichte Lden-tool. De StAB gaat er vanuit dat [naam] alle helikoptergeluid als Industrielawaai benadert en uitsluitend met die benadering recht wordt gedaan aan de ervaring van de verstoring van het woon- en leefklimaat van de omwonenden. Wanneer de door [naam] voorgestelde knip wordt gehanteerd wordt ruimschoots binnen de geldende normstelling gebleven. Eiseres sub 1 verwijst ter onderbouwing van haar standpunten naar vaste jurisprudentie waaruit volgt dat een knip gemaakt dient te worden tussen het luchtzijdig helikoptergeluid (zoals bij aanwijzingsbesluiten voor luchthavens) en het grondzijdig helikoptergeluid (milieuwetgeving). Volgens eiseres sub 1 geeft de StAB in het kader van de mogelijkheid van maatwerkvoorschriften ten onrechte aan dat de reguliere normstelling voortvloeiend uit het Activiteitenbesluit niet mag worden gehanteerd. De benadering voorgesteld door de StAB voor de indirecte hinder en de begrenzing van de inrichting miskent dat het luchtzijdig helikoptergeluid via de Lden-methode dient te worden benaderd en niet de Industrielawaaimethode. In deze benadering wordt voorts het begrip indirecte hinder binnen de Industrielawaaimethode onjuist geïnterpreteerd.

De StAB miskent voorts dat in het onderzoek van [naam] de akoestische avondperiode is meegenomen. Eiseres sub 1 voert verder aan dat de StAB, door de eis van een onderzoek naar een worst case scenario te stellen aan het onderzoek van [naam], miskent dat de verantwoordelijkheid voor het stellen van beperkingen bij het vrijstellingsbesluit bij het bevoegd gezag ligt. Bovendien zijn, gelet op de aanvraag en het bestreden besluit, de beperkingen waaronder de helihaven gebruikt mag worden duidelijk, daargelaten of zoals de StAB stelt uitsluitend de planregels en de plankaart bindend zijn. Eiseres sub 1 geeft aan dat als voorwaarde of beperking bij het bestreden besluit kan worden aangegeven dat de helihaven uitsluitend gebruikt mag worden door helikopters die maximaal dezelfde geluidbelasting veroorzaken als de Robinson en Eurocopter. Eiseres sub 1 betoogt dat de StAB ten onrechte op grond van videomateriaal van eiser sub 4, dat geen onderdeel uitmaakt van het dossier, het impulsgeluid bij haar advies heeft betrokken. Eiseres sub 1 heeft om inzage in dit videomateriaal en een reactiemogelijkheid verzocht. Eiseres sub 1 stelt tot slot dat, nu de Luchthavenregeling van provinciale staten van Limburg is vernietigd door de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2012, teruggevallen moet worden op de onherroepelijke Bignalverklaring.

7.2 Eisers sub 2 en 3 onderschrijven het advies van de StAB en voeren ter aanvulling nog een drietal punten aan. Allereerst voeren zij aan dat de StAB de omstandigheid dat de stijg- en daalsnelheid in de berekeningen door Cauberg Huygen te hoog zijn niet heeft meegenomen bij haar advies. Voorts voeren zij aan dat de StAB de geluiduitstraling op het aangrenzende stiltegebied niet in haar advies heeft betrokken. Tot slot betogen zij dat het impulsgeluid, conform het advies van de StAB, verrekend dient te worden.

7.3 Verweerder stelt zich in het kader van de berekeningssystematiek op het standpunt dat de vergelijking die in het advies van de StAB gemaakt wordt op grond van jurisprudentie over vrachtverkeer en de toegangspoort van een inrichting naar de openbare weg niet opgaat, omdat in dit geval sprake is van aan- en uitvliegroutes in een verticale richting. Verweerder vindt dat bij de verlening van de vrijstelling in dit geval niet behoefde te worden uitgegaan van de maximale invulling die de vrijstelling mogelijk maakt ter berekening van de ruimtelijke effecten. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat de StAB miskent dat voor de onderhavige locatie bij de door [naam] uitgevoerde berekeningen uitgegaan is van feitelijke metingen waarbij de helikopters zo effectief mogelijk en minst belastend uit het gebied geraken. Verweerder constateert dat de in het bestreden besluit opgenomen verwijzing naar de luchthavenregeling beoogt te waarborgen dat voor vliegbewegingen, vliegrichtingen en vermogens dezelfde voorwaarden gelden als vermeld in de rapporten. Tot slot stelt verweerder dat de conclusies van de StAB gebaseerd zijn op aannames en geen berekeningen. Verweerder was ten tijde van het vrijstellingsbesluit niet op de hoogte van de door de StAB aanbevolen andere methodes en grenswaarden en heeft zich gebaseerd op diverse rapporten van een deskundige, die andere methodes en grenswaarden heeft gehanteerd.

De rechtbank overweegt voorts als volgt.

8. Niet in geschil is dat de vestiging c.q. het gebruik van de helihaven op het adres [adres] te Heythuysen in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan Buitengebied [buitengebied]. Voort is niet in geschil dat de helihaven is gelegen binnen de grenzen van het bedrijf van eiseres sub 1, een bedrijf dat onder meer gereedschap, machineonderdelen en metaalbewerkingsmachines levert aan professionals in de landbouw en industrie, en dat het bedrijf een Wm-inrichting vormt waarvoor het Activiteitenbesluit geldt. Tot slot is niet in geschil dat op de onderhavige helihaven de Wet luchtvaart en de Bignalverklaring van toepassing is.

9. Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de WRO komen te vervallen. In artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wro is bij wijze van overgangsrecht bepaald dat het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing blijft ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de WRO, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip. Artikel 19, eerste lid, van de WRO bepaalde ten tijde van het verzoek, voor zover hier van belang: ‘De gemeenteraad kan, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.’

De desbetreffende verklaring is door gedeputeerde staten van Limburg verleend.

Artikel 19a, eerste lid, van de WRO bepaalde ten tijde van het verzoek, voor zover hier van belang: ‘Het vrijstellingsbesluit, bedoeld in artikel 19, eerste en tweede lid, bevat een beschrijving van het betrokken project, de ruimtelijke onderbouwing en de afwegingen die aan het verlenen van vrijstelling ten grondslag liggen. Artikel 15, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.’

Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit, voor zover thans van belang, geldt voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, dat de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer mogen bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden.

De in tabel 2.17a aangegeven waarden bedragen, voor zover thans van belang, voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) van 07.00 tot 19.00 uur, 45 dB(A) van 19.00 tot 23.00 uur en 40 dB(A) van 23.00 tot 07.00 uur.

Artikel 8.64 van de Wet luchtvaart, voor zover hier van belang, voorziet in het bij verordening door provinciale staten vaststellen van een luchthavenregeling.

10. Nu in de beroepen van eisers sub 1 tot en met 5 aan de orde is in hoeverre met de vestiging en het gebruik van de helihaven de geldende geluidnormen worden overschreden, dient de rechtbank te beoordelen of de geluidnormen, gelet op de te hanteren berekeningssystematiek, in acht zijn genomen.

10.1 Hierbij ligt de vraag voor wat het toetsingskader is voor de berekening en de beoordeling van de toelaatbaarheid van de door het in gebruik nemen van de helihaven veroorzaakte geluidbelasting in het kader van het al dan niet verlenen van een vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO. De vraag of het project voldoet aan de voorschriften van het Activiteitenbesluit of andere milieuregels dient in beginsel te worden bezien in de daarvoor geëigende procedures. Daarbij is - de rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2013 (nr. 201201973/1/A3) - slechts aan de orde de vraag of er aanleiding bestaat voor het oordeel dat het vrijstellingsbesluit niet kon worden genomen, omdat ernstig moet worden betwijfeld of kan worden voldaan aan de in het Activiteitenbesluit of andere milieuregels opgenomen geluidgrenswaarden. Dit is de aan te leggen toetsingsmaatstaf waarbij overigens geldt of verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot het bestreden besluit.

10.2 De rechtbank volgt, anders dan de StAB, eiseres sub 1 en verweerder in hun standpunt dat in het kader van de beoordeling of verweerder op goede gronden tot verlening van de vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO is overgegaan uitsluitend de door het grondzijdig helikoptergeluid veroorzaakte geluidbelasting aan de daarvoor geldende normen op grond van het Activiteitenbesluit moet worden getoetst. De helihaven is onderdeel van de Wm-inrichting waarop de normen neergelegd in het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. Niet is gebleken dat het gebruik van de helihaven niet (mede) ten dienste staat aan de bedrijfsactiviteiten van eiseres sub 1, zoals de levering van en handel in onder meer machineonderdelen, gereedschap en metaalbewerkingsmachines. Met de inwerkingtreding van de Rbml op 1 november 2009 dient het luchtzijdig helikoptergeluid beoordeeld te worden aan de hand van de Lden-systematiek in het kader van de Wet luchtvaart in plaats van aan de hand van de tot dat moment geldende methode Industrielawaai die thans nog geldt voor het grondzijdig helikoptergeluid. Het hanteren van een knip tussen het luchtzijdig en grondzijdig helikoptergeluid past volgens de rechtbank binnen de berekeningssystematiek ter vaststelling van helikoptergeluid die ten grondslag ligt aan de Rbml. De omstandigheid dat de Bignalverklaring als gevolg van de vernietiging van de luchthavenregeling door de Afdeling is blijven gelden tot er een nieuwe luchthavenregeling is vastgesteld - de rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling zoals opgenomen in overweging 11 van de onderhavige uitspraak - doet daaraan naar oordeel van de rechtbank niet af.

10.3 Het starten, het warmdraaien en het hoveren van een helikopter dat plaatsvindt op de helihaven binnen de grenzen van de Wm-inrichting van eiseres sub 1 vormt het grondzijdig helikoptergeluid. Op grond van de Wet luchtvaart en een op grond daarvan vastgestelde luchthavenregeling kunnen geen regels worden gesteld met betrekking tot het grondzijdig helikoptergeluid. De door het grondzijdig helikoptergeluid veroorzaakte geluidbelasting wordt geregeld door de Wm en in dit geval is daarop het Activiteitenbesluit van toepassing, in het bijzonder de in artikel 2.17, eerste lid, neergelegde grenswaarden. Het grondzijdig helikoptergeluid dient volgens de voorgeschreven methode voor Industrielawaai (op grond van het Activiteitenbesluit en de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999) te worden berekend.

Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd en het schriftelijk verslag van de StAB, neemt de rechtbank in het navolgende de door [naam] verrichte onderzoeken van 15 juli 2010, (20081396-11 en 20081396-12), tot uitgangspunt. In het onderzoek van 15 juli 2010, 20081396-11, is, zoals eiseres sub 1 stelt, de nieuwe berekeningssystematiek die sinds de inwerkingtreding van het Rbml geldt gehanteerd.

Niet in geschil is verder dat bij de berekening van de geluidbelasting aangenomen is dat de helihaven gebruikt dient te worden overeenkomstig de aanvraag voor de vrijstelling die ziet op 350 vluchten per jaar met een maximum van 15 vluchten per week en een maximum van 3 vluchten per dag, waarvan maximaal 2 vluchten via de zuidwestelijke route en maximaal 1 vlucht via de noordoostelijke route. Het aan- en afvliegen geschiedt in beginsel in de richtingen 270° en 060°, gerekend vanuit de landingsplaats, en er geldt een no fly zone binnen de sector 290° via 360° tot 045°. Voorts is gerekend met een stijg- en daalhoek van 45°.

Uit de door [naam] verrichte onderzoeken, in het bijzonder de rapportage van 15 juli 2010 (20081396-11) en 31 oktober 2011 (20111475-01, in situ controle avondperiode), blijkt dat de geluidbelasting door het grondzijdig helikoptergeluid onder deze omstandigheden binnen de grenswaarden van 50, 45 en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode van het Activiteitenbesluit blijft. Uit het verslag van de StAB en de nadere reactie volgt eveneens dat aan deze grenswaarden voor de gevelbelasting van de omliggende woningen wordt voldaan. Wat betreft de avondperiode heeft [naam] geconcludeerd dat de grenswaarden niet worden overschreden. Eiseres sub 1 voert terecht aan dat de StAB aan de in situ controle is voorbij gegaan.

De in opdracht van de provincie Limburg door [BV] verrichte contra-expertise van 14 juni 2010 doet naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande niet af. In deze contra-expertise wordt ingegaan op onderzoeken van [naam] waarin de nieuwe berekeningssystematiek op grond van het Rbml nog niet is gehanteerd. In de onderzoeken van 15 juli 2010 van [naam] wordt de nieuwe berekeningssystematiek volgens het Rbml gehanteerd. Bovendien wordt in de contra-expertise niet uitgegaan van de door [naam], naar het oordeel van de rechtbank terecht toegepaste, knip tussen het grondzijdig en luchtzijdig helikoptergeluid.

Voorts vormt het gehanteerde Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (RMG 2012) naar het oordeel van de rechtbank een geoorloofde methode om de verschillende geluidsoorten, luchtvaartlawaai en industrielawaai, met elkaar te cumuleren. Sinds de inwerkingtreding van het Rbml bestaat voor de berekening van het luchtzijdig geluid de Lden-methode. De rechtbank acht het niet onredelijk om de geluidbelasting van het luchtzijdig en grondzijdig helikoptergeluid, berekend volgens verschillende methoden, door middel van de RMG 2012 te cumuleren. Uit de onderzoeken van [naam] blijkt voorts dat de gecumuleerde geluidbelasting berekend volgens deze methode binnen de geldende grenswaarden blijft. Ook de StAB geeft in haar verslag en nadere reactie aan dat de RMG 2012 een erkende methode vormt ter berekening van de cumulatie van geluidsoorten.

De in dit verband aangevoerde beroepsgronden slagen derhalve niet.

10.4 Cumulatie en directe en indirecte geluidhinder

Naar het oordeel van de rechtbank behoeven de beroepsgronden inzake directe en indirecte geluidhinder geen bespreking meer. Uit het voorgaande (overwegingen 10.2 en 10.3 van deze uitspraak) blijkt dat de rechtbank de gehanteerde methode RMG 2012 ter cumulatie van de verschillende geluidsoorten niet onredelijk acht. Aan de vraag tot hoe ver de vluchtbewegingen als onderdeel van de inrichting en daarmee als direct geluid moeten worden beschouwd wordt in dat geval niet meer toegekomen. Het grondzijdig geluid is immers berekend volgens de methode Industrielawaai en betreft geluidhinder binnen de inrichtingsgrens (directe geluidhinder) en het luchtzijdig geluid is berekend volgens de Lden-systematiek, waarbij het onderscheid directe en indirecte geluidhinder niet van belang is, en vervolgens zijn beide geluidsoorten door middel van de gehanteerde methode RMG 2012 gecumuleerd.

10.5 Impulsgeluid

Het betoog van eisers sub 2 en 3 dat ten onrechte geen straftoeslag van 5 dBA is toegepast vanwege het door de helikopters veroorzaakte impulsgeluid en onvoldoende rekening is gehouden met de invloed van het impulsgeluid op het woon- en leefklimaat kan evenmin slagen. Daartoe overweegt de rechtbank dat, zoals ter nadere zitting is toegelicht, het impulsgeluid wordt veroorzaakt door het klappen van de wieken bij het dalen van de helikopter. Daargelaten of dit geluid ook waarneembaar kan zijn, zoals eisers sub 2 en 3 stellen, bij het opstijgen van de helikopter, is het impulsgeluid onderdeel van het luchtzijdig geluid, waarvoor regels kunnen worden gesteld in de nieuw vast te stellen luchtvaartregeling of het nieuw vast te stellen luchtvaartbesluit. Het impulsgeluid is meegenomen in de beoordeling op grond van de Lden-systematiek. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat op grond van de video-opnames, die de rechtbank ter nadere zitting in aanwezigheid van alle partijen heeft bekeken en beluisterd, geen eenduidige beoordeling over het veroorzaakte impulsgeluid kan worden vastgesteld.

10.6 Volgens de rechtbank is verweerder, gelet op het feit dat de geldende normen voor geluidbelasting op basis van het Activiteitenbesluit in acht (kunnen) worden genomen in redelijkheid tot zijn besluit gekomen. Dat daarbij, zoals eisers sub 2, 3 en 4 nog hebben betoogd, is afgeweken van de afstandnorm op basis van de Handreiking “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel nu de gevolgen van de geluidbelasting niet leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat rondom de helihaven. De verlening van de vrijstelling voldoet aan de eis van een goede ruimtelijke onderbouwing.

Gelet op het vorenstaande en in het licht van het toetsingskader, zoals aangegeven onder overweging 10.1 van deze uitspraak, overweegt de rechtbank dat geen grond bestaat voor het oordeel dat in ernstige mate moet worden betwijfeld dat de vestiging en het gebruik van de helihaven van eiseres sub 1 aan de in het Activiteitenbesluit of andere milieuregels opgenomen geluidgrenswaarden kan voldoen.

11. De aan het bestreden besluit verbonden voorwaarde

De rechtbank overweegt dat het betoog van eiseres sub 1, dat verweerder ten onrechte aan de vrijstelling de voorwaarde heeft verbonden dat de luchthavenregeling in acht dient te worden genomen, slaagt. Deze voorwaarde vormt naar oordeel van de rechtbank geen voorwaarde die in het kader van een goede ruimtelijke ordening aan de vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO kan worden verbonden. De omstandigheid of en in hoeverre een luchthavenregeling geldt, vormt geen ruimtelijke afweging die bij het al dan niet verlenen van een vrijstelling meegenomen dient te worden. Tegen het gebruik van de helihaven in strijd met een geldende luchtvaartregeling of geldende Bignal-verklaring kan door het daartoe bevoegde bestuursorgaan handhavend worden opgetreden.

De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2012 (nr. 201102071/1/R1). Daarin is overwogen dat na de vernietiging van het besluit tot vaststelling van de Verordening Luchthavens Limburg - in paragraaf 3.6 is de luchthavenregeling voor de helihaven van eiseres sub 1 opgenomen, - op grond van het overgangsrecht de op 13 augustus 2009 afgegeven Bignal-verklaring weer geldt. Hieruit volgt dat het gebruik van de helihaven op grond van en overeenkomstig de Bignalverklaring toegestaan is. Het is vervolgens aan provinciale staten, als het daartoe bevoegde gezag, om te beoordelen of en in hoeverre een nieuwe luchthavenregeling dient te worden vastgesteld.

Deze beroepsgrond slaagt derhalve.

12. Het ontbreken van voorwaarden en beperkingen in het bestreden besluit

12.1 Ten aanzien van het betoog van eisers sub 2 tot en met 5 dat aan de vrijstelling onvoldoende voorwaarden en beperkingen zijn verbonden, aangezien het maximum aantal toegestane vliegbewegingen, de vliegrichting, de no fly zones en het soort helikopters niet in het besluit is vastgelegd, waardoor het besluit niet voldoet aan de eis van een goede ruimtelijke ordening en niet handhaafbaar is, overweegt de rechtbank als volgt.

12.2 Hoewel verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de geldende geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit niet worden overschreden bij de woningen aan de [straatnaam], indien de helihaven wordt gebruikt conform de door eiseres sub 1 in acht te nemen voorwaarden en beperkingen, zijn deze niet vastgelegd in de verleende vrijstelling. Uit de aanvraag van 10 april 2008 en de aanvullingen daarvan van 17 februari 2009 en 23 februari 2010 blijkt uitsluitend dat de aanvraag zich beperkt tot een maximum aantal vluchten van 350 per jaar. Verweerder gaat uitsluitend in de ruimtelijke onderbouwing van de verleende vrijstelling en de reactie op de ingediende zienswijzen tegen het ontwerpbesluit op deze aspecten in. Daaruit komt naar voren dat de aanvraag voor de vrijstelling betrekking heeft op 350 vluchten per jaar met een maximum van 15 vluchten per week en een maximum van 3 vluchten per dag, waarvan maximaal 2 vluchten via de zuidwestelijke route en maximaal 1 vlucht via de noordoostelijke route. Het aan- en afvliegen geschiedt in beginsel in de richtingen 270° en 060°, gerekend vanuit de landingsplaats, en er geldt een no fly zone binnen de sector 290° via 360° tot 045°. In het bestreden besluit wordt niet aangegeven dat de aanvraag onderdeel vormt van dat besluit. Voorts is in de aan het bestreden besluit en de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag gelegde akoestische onderzoeken uitgegaan van een tweetal typen helikopters, de Robinson R44 en de Eurocopter EC120B, met een akoestisch bronvermogen categorie 11. De conclusie op grond van de gehanteerde berekeningen dat de geldende grenswaarden in acht worden genomen, is ook afhankelijk van de geluidbronvermogens van deze specifieke helikopters. In het bestreden besluit is daarop evenmin ingegaan.

12.3 Niet in geschil is dat eiseres sub 1 heeft aangegeven de helihaven overeenkomstig de hiervoor genoemde voorwaarden en beperkingen in gebruik te willen nemen en dat verweerder de noodzaak tot het stellen van deze voorwaarden en beperkingen, gelet op het woon- en leefklimaat van omwonenden, onderschrijft.

De rechtbank overweegt in dit verband dat, zoals eisers sub 4 betogen onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 april 2011 (LJN BQ2646), afwijking van de ruimtelijke onderbouwing van een besluit onvoldoende grond biedt voor handhavend optreden. Voor handhavend optreden is vereist dat sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift en/of een aan de vrijstelling verbonden voorwaarde of beperking. De Bignalverklaring en de vast te stellen luchthavenregeling of het vast te stellen luchthaven- besluit reguleren uitsluitend het luchtzijdig deel van het helikoptergeluid, waardoor daaruit uitsluitend beperkingen voor het opstijgen, landen en daarmee verband houdende bewegingen kunnen voortvloeien. Voorwaarden of beperkingen ten aanzien van het grondzijdig helikoptergeluid als gevolg van het gebruik van de helihaven worden daarmee niet gereguleerd.

12.4 De rechtbank is van oordeel dat verweerder in verband met de handhaafbaarheid van de vrijstelling en de rechtszekerheid van eiseres sub 1 en omwonenden, waaronder eisers sub 2 tot en met 4, en in het licht van de ruimtelijke uitstraling in de vrijstelling zelf en niet uitsluitend in de ruimtelijke onderbouwing het aantal vluchten had moeten opnemen. Deze beroepsgronden slagen derhalve.

12.5 De rechtbank ziet geen aanleiding aan de verleende vrijstelling de voorwaarde te verbinden dat het gebruik van de helihaven beperkt is tot helikopters van het type Robinson R44 en Eurocopter EC120B, met een akoestisch bronvermogen behorend tot de Appendices categorie 11, aangezien dit naar het oordeel van de rechtbank te ver gaand is voor een WRO-vrijstelling en dit aangewezen is in het kader van (mogelijke maatwerkvoorschriften op basis van) het Activiteitenbesluit. Deze beroepsgronden slagen derhalve niet.

12.6 Omdat beperkingen en voorwaarden met betrekking tot de no fly zones, de stijghoek en de daalhoek alsmede de aan- en uitvliegroutes het luchtzijdig helikoptergeluid betreffen, zijn deze aspecten volgens de rechtbank van belang bij het vaststellen van de luchthavenregeling of het luchthavenbesluit ingevolge de Wet luchtvaart en niet in het kader van het bestreden besluit. Met betrekking tot het betoog van eisers sub 2 en sub 3 in dit verband dat eiseres sub 1 de no fly zones en overige beperkingen alsmede de geldende normen niet in acht neemt of heeft genomen, merkt de rechtbank op dat mogelijke overtredingen van de geldende wet- en regelgeving of de verleende vrijstelling aan de orde kunnen komen in een procedure naar aanleiding van een verzoek tot handhaving dat kan worden gedaan bij het daartoe bevoegde bestuursorgaan. Deze beroepsgronden slagen derhalve niet.

13. Beleidsnota Regionale Luchtvaart Provincie Limburg 2009/2010

Het betoog van eiseres sub 5 dat het bestreden besluit in strijd is met het provinciale beleid, zoals neergelegd in de Beleidsnota Regionale Luchtvaart Provincie Limburg (hierna: de beleidsnota), omdat het beleid een locatie en gebruik van helikopters niet toestaat in een zone van 100 meter rondom een EHS-Natura 2000 of stiltegebied, kan volgens de rechtbank niet slagen. Daartoe overweegt zij als volgt.

Op grond van de Rbml hebben provinciale staten de bevoegdheid tot het opstellen van een luchthavenregeling gekregen. Bij het toepassen van die bevoegdheid komt provinciale staten beleidsvrijheid toe en dienen zij een integrale afweging te verrichten waarbij aspecten als economische ontwikkeling, verstedelijking, bereikbaarheid, leefbaarheid, milieu, veiligheid en ruimtelijke kwaliteit een rol spelen. De rechtbank verwijst daartoe naar de geschiedenis van de totstandkoming van de Wijzigingswet Wet Luchtvaart (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens, RBML) (Kamerstukken II 2005/06, 30 452, nr. 3, blz. 22). Provinciale staten van Limburg hebben in de hiervoor genoemde beleidsnota onder paragraaf 11, pagina 16, aangegeven dat: “Bij het te hanteren toetsingskader wordt daarom aansluiting gezocht bij het in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg en de Handreiking Ruimtelijke Ontwikkeling ontwikkelde kader en bij de in de Provinciale Milieuverordening neergelegde regelgeving, met name die ten aanzien van de milieubeschermingsgebieden. Uitgangspunt is dat de bestaande luchtvaartterreinen worden gehandhaafd, in elk geval voor de duur waarvoor het huidige bevoegde gezag (V&W) vergunning heeft verleend en dat initiatieven voor de ontwikkeling van nieuwe luchtvaartterreinen en initiatieven voor locaties voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik worden getoetst aan het POL en aan de regeling voor milieubeschermingsgebieden van de PMV. Dit betekent dat in gebieden in de ecologische hoofdstructuur (EHS, POL - perspectief P1) en in Natura 2000 gebieden een “nee, tenzij” regime geldt. Alleen zwaarwegende maatschappelijke belangen en het ontbreken van alternatieven zijn redenen om rode functies in de EHS te realiseren.”

Niet in geschil is dat de helihaven van eiseres sub 1 zich niet in het Natura 2000-gebied of het EHS-en stiltegebied bevindt. Evenmin is in geschil dat het Natura 2000-gebied ligt op ongeveer 1.200 meter afstand van de helihaven en het EHS- en stiltegebied op ongeveer 70 meter afstand van de helihaven liggen. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde beleidsnota de vestiging en het gebruik van de helihaven niet uitsluit.

Provinciale staten van Limburg hebben op 17 december 2010 voor de helihaven een luchthavenregeling opgesteld, die de Afdeling bij uitspraak van 12 december 2012 heeft vernietigd (zie overweging 11 van de onderhavige uitspraak). Zij dienen thans bij het al dan niet vaststellen van een nieuw(e) luchthavenregeling of -besluit alle betrokken belangen te betrekken, waaronder het voorkomen van aantasting van natuurwaarden, zoals neergelegd in voornoemde beleidsnota. Nu de Afdeling de luchthavenregeling heeft vernietigd wegens strijd met artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, is daarmee geen oordeel gegeven over de toelaatbaarheid van de luchthavenregeling in het licht van voornoemde beleidsnota. Provinciale staten dienen een nieuw(e) luchthavenregeling of -besluit vast te stellen passend binnen het provinciale beleid. Gelet daarop en op het vorenstaande bestaat er volgens de rechtbank thans geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wegens strijd met het provinciale beleid niet uitvoerbaar zou zijn.

14. Natura 2000-gebied en EHS- en stiltegebied

Het betoog van eiseres sub 5 dat de helihaven zal leiden tot significante effecten op de natuurwaarden faalt naar het oordeel van de rechtbank eveneens. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Zoals hiervoor is aangegeven, grenst de helihaven aan deze natuurgebieden. Uit het StAB-rapport dat in het kader van de beroepszaken over de nieuwe luchthavenregeling is ingebracht bij de Afdeling en onderdeel uitmaakt van de gedingstukken in de onderhavige zaken ,blijkt dat de geluidbelasting op de gebieden beperkt en laag is. Uit het ecologisch onderzoek van Ecologisch adviesbureau [naam] van 2 september 2004, 1 juli 2008/juni 2009 en april 2010 alsmede het memo van 9 november 2011 dat door verweerder aan het bestreden besluit en de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag is gelegd, blijkt dat het voorgenomen gebruik van de helihaven niet leidt tot een significante aantasting van het Natura 2000-gebied noch van wezenlijke waarden van delen van de EHS. Gelet op het voorgenomen gebruik van de helihaven en het aantal maximale vliegbewegingen bestaat er voor de rechtbank dan ook geen aanleiding om te oordelen dat het gebruik van de helihaven zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het Natura 2000-gebied en het EHS- en stiltegebied. Eiseres sub 5 heeft voorts niet onderbouwd of aangetoond dat het gebruik van de helihaven leidt tot een zodanige aantasting van deze omliggende (natuur)gebieden.

15. Aanwezigheid van de bever

De beroepsgrond van eiseres sub 5 dat verweerder ten onrechte de invloed op de in het gebied aanwezige bever niet heeft meegenomen, faalt eveneens. Uit het ecologisch onderzoek van Ecologisch adviesbureau [naam] van 2 september 2004, 1 juli 2008/juni 2009 en april 2010 alsmede de memo van 9 november 2011 dat verweerder aan het bestreden besluit en de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag heeft gelegd, blijkt niet van een onaanvaardbare aantasting van het leefgebied van de aanwezige populatie bevers. Eiseres sub 5 heeft voorts geen contra-expertise aan haar betoog ten grondslag gelegd. Gelet daarop en op het beperkte aantal vliegbewegingen, in het bijzonder in de avonduren, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen voor de leefomgeving voor de mogelijke aanwezige populatie van de bever in het (natuur)gebied in de nabijheid van de helihaven niet opwegen tegen het belang van eiseres sub 1 bij gebruik van de helihaven.

16. Schending van privacy en woongenot

De rechtbank overweegt voorts dat het betoog van eisers sub 2 en 4 dat de verlening van de vrijstelling en het gebruik van de helihaven leidt tot een schending van hun privacy en woongenot niet kan slagen. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank dat de woning van eiser sub 2 en sub 4 op 425 meter van de helihaven ligt alsmede dat zij geen (direct) zicht hebben op de helihaven, maar uitsluitend op de in- en uitvliegroute. Het zicht vanuit de helikopter op de woningen van eisers sub 2 en 4 is, gelet op de afstand tot de woning tijdens de vlucht van ongeveer 75-100 meter, beperkt en de omstandigheid dat de helikopter uitsluitend over hun percelen vliegt zal gezien de in- en uitvliegroute niet of zelden dienen voor te komen. Het betoog van eiser sub 2 dat onvoldoende rekening gehouden is met de effecten van de geluidhinder op zijn gezondheid leidt evenmin tot een ander oordeel, aangezien dit belang, zoals verweerder stelt, geen belang vormt dat kan worden meegewogen in het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing. Deze beroepsgronden slagen derhalve niet.

17. De rechtbank is van oordeel dat op grond van hetgeen eisers sub 2 tot en met 5 voor het overige hebben aangevoerd er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de verlening van de vrijstelling leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat. Volgens de rechtbank bestaat er geen aanleiding te oordelen dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot verlening van de vrijstelling aan eiseres sub 1.

De rechtbank betrekt hierbij dat verweerder in de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op alle belangen en verweerder de belangen van eiseres sub 1 zwaarder heeft kunnen laten wegen dan die van de andere eisers.

18. Uit het voorgaande - overweging 11 van deze uitspraak - volgt dat het beroep van eiseres sub 1 gegrond is en de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen, voor zover daaraan de voorwaarde is verbonden dat van de vrijstelling uitsluitend gebruik kan worden gemaakt wanneer en zolang er sprake is van een geldige luchthavenregeling voor de helihaven op grond van de Wet luchtvaart. Uit het voorgaande - overweging 12.4 van deze uitspraak - volgt dat de beroepen van eisers sub 2 tot en met 5 eveneens gegrond zijn en de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen, voor zover daarin niets is bepaald omtrent het maximum aantal vluchten.

19. De rechtbank ziet in het licht van het vorenstaande - overweging 12.4 - voorts aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat aan het bestreden besluit de voorwaarde wordt verbonden dat een maximum aantal vluchten van 350 per jaar, 15 per week en 3 per dag toegestaan is.

20. Omdat de rechtbank de beroepen van eisers sub 1 tot en met 5 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers sub 1 tot en met 5 het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers sub 1, 2, 3 en 4 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpk) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ten aanzien van eiseres sub 1 vast op € 1416,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het reageren op het advies van de StAB en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting en een wegingsfactor 1, met een waarde per punt van € 472,-). Ten aanzien van eisers sub 4 stelt de rechtbank deze kosten vast op

€ 1180,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting en een wegingsfactor 1, met een waarde per punt van € 472,-). Omdat het bij de zaken van eisers sub 2 en 3 om dezelfde gemachtigde gaat en gebleken is dat de beroepschriften gelijkluidend zijn dienen deze als samenhangende zaken te worden aangemerkt in de zin van het Bpk, hetgeen betekent dat de rechtbank de kosten voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand ten aanzien van eisers sub 2 en 3 vaststelt op € 708,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het reageren op het advies van de StAB en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting en een wegingsfactor 1, met een waarde per punt van € 472,-) (zijnde de helft van € 1416,-).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen van eisers sub 1 tot en met 5 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin de voorwaarde is opgenomen dat van de helihaven uitsluitend gebruik kan worden gemaakt wanneer en zolang er sprake is van een geldige luchthavenregeling voor de helihaven op grond van de Wet luchtvaart alsmede voor zover daarin geen andere voorwaarden en beperkingen voor de vestiging c.q. het gebruik van de helihaven gesteld zijn;

- verbindt aan het bestreden besluit de voorwaarde dat een maximum aantal vluchten van 350 per jaar, 15 per week en 3 per dag toegestaan is;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 302,- aan eisers sub 1 en 5 en van € 152,- aan eisers sub 2, 3 en 4 te vergoeden;

-

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1416,-, te betalen aan eiseres sub 1;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 708,-, te betalen aan eisers sub 2 en 3;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1180,-, te betalen aan eisers sub 4.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, voorzitter, mr. J.N.F. Sleddens en

mr. D.W.M. Wenders, leden, in aanwezigheid van mr. drs. P.M. van den Brekel, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2013.

w.g. van den Brekel w.g. Seerden

Voor eensluidend afschrift:

de griffier:

verzonden aan partijen op: 14 juni 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.