Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:CA2135

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
03/853043-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 Wegenverkeerswet. Roekeloosheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 03/853043-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 april 2013

in de strafzaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 30 november 2012 en 2 april 2013, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: met zijn auto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen of waarbij die [naam slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, dan wel als bestuurder van een auto gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

Feit 2: de plaats van het ongeval heeft verlaten zonder zijn identiteit kenbaar te maken.

Feit 3: heeft geweigerd om medewerking te verlenen aan een ademonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Feit 4: 349 gram heroïne en/of 77 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair ten laste gelegd feit wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat op grond van de verklaringen van [naam slachtoffer], [getuige 1]

en [getuige 2] kan worden vastgesteld dat verdachte zich, als bestuurder van een motorrijtuig, zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen op de wijze zoals in de tenlastelegging is omschreven. Verdachte heeft hierdoor een aan zijn schuld te wijten ongeval veroorzaakt, waardoor aan een ander (te weten [naam slachtoffer]) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Ook de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten kunnen volgens de officier van justitie wettig en overtuigend worden bewezen, gelet op de bevindingen van de verbalisanten, de verklaringen van [naam slachtoffer] en [getuige 2] en de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting.

Met betrekking tot feit 4 heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat verdachte de beschikkingsmacht had over de woning waarin de heroïne en cocaïne werden aangetroffen. In deze woning lagen diverse persoonlijke bezittingen van verdachte, zodat aannemelijk is dat hij daar ook verbleef. Verdachte heeft verklaard dat hij de woning had doorverhuurd aan een ander, en wel voor een bedrag van € 1.800,00. De oorspronkelijke huurprijs van de woning betrof € 640,00. Volgens de officier van justitie mocht verdachte, gelet op de zeer hoge huurprijs die (deels) aan hem werd betaald, verwachten dat de woning mogelijk werd gebruikt voor drugsgerelateerde activiteiten. Nu verdachte kennelijk ook zelf gebruik maakte van de woning, moet hij dit ook daadwerkelijk geweten hebben. De officier van justitie komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de in de woning aangetroffen hoeveelheden heroïne en cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegd feit, met dien verstande dat verdachte van een aantal bestanddelen van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Volgens de raadsman kan niet worden bewezen dat verdachte voorafgaand aan het verkeersongeval op de rijstrook voor links afslaand verkeer heeft gereden. Immers uit de ongevalanalyse van de politie blijkt dat verdachtes auto zich op het moment van de aanrijding op de rijstrook voor rechtdoorgaand verkeer bevond. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het rijgedrag van verdachte, zoals in de tenlastelegging is omschreven, niet kan worden aangemerkt als zijnde roekeloos rijgedrag. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat bij [naam slachtoffer] sprake was van zwaar lichamelijk letsel, omdat niet kan worden vastgesteld dat al het geconstateerde letsel het gevolg is van de aanrijding. Hij heeft daarbij tevens opgemerkt dat de constatering van een whiplash “an sich” geen wettig en overtuigend bewijs oplevert voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 4 tenlastegelegd feit. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat het binnentreden in de woning onrechtmatig is geschied, zodat alle vruchten uit het binnentreden moeten worden uitgesloten van het bewijs. Het dossier bevat voor het overige onvoldoende wettig bewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, zodat verdachte moet worden vrijgesproken. Dat de huurster na het binnentreden schriftelijk toestemming heeft gegeven tot doorzoeking van de woning doet aan het vorenstaande niet af, aangezien zij op dat moment niet de feitelijke bewoonster was van de woning.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat de aangetroffen verdovende middelen toebehoorden aan verdachte. Er waren immers diverse personen die toegang hadden tot de woning. De verdovende middelen kunnen ook van hen zijn geweest.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 22 november 2010 heeft er een verkeersongeval plaatsgevonden op de [B.weg] te Sittard. Bij dit ongeval bleken diverse personen betrokken te zijn, te weten [naam slachtoffer],

[getuige 2] en verdachte. Een persoon genaamd [getuige 1] was getuige geweest van het ongeval.

[naam slachtoffer] heeft verklaard dat zij op 22 november 2010, omstreeks 07.15 uur, als bestuurder van een personenauto (Audi) over de [U.baan], in de richting van Sittard, reed. Ter hoogte van de kruising [U.baan] - [B.weg] wilde zij linksaf slaan in de richting van Nieuwstadt. Zij sorteerde voor op het vak voor links afslaand verkeer. [naam slachtoffer] zag dat het verkeerslicht voor haar rijrichting groen licht uitstraalde en trok op om linksaf te slaan. Zij reed op dat moment ongeveer 10 of 20 km/uur. Ter hoogte van het kruisingsvlak voelde zij plots een harde klap. [naam slachtoffer] voelde dat haar airbag uitklapte en wist niet wat er gebeurd was. Toen zij vervolgens uitstapte zag zij dat de voorzijde van haar auto helemaal kapot was. Zij besefte toen pas dat zij was aangereden. [naam slachtoffer] zag dat verderop een auto langs de kant van de weg stond. Zij liep naar die auto en zag dat het een Golf was. Er zat niemand meer in de auto. Tijdens het doen van aangifte voelde [naam slachtoffer] dat haar linkerarm begon te tintelen en dat haar nek stijf werd.

Uit de geneeskundige verklaring is gebleken dat [naam slachtoffer] als gevolg van de aanrijding lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten: een lichte hersenschudding, een whiplash en

een ingescheurde nagel. Uit een verhoor van [naam slachtoffer] op 20 oktober 2011 volgt dat zij sinds de aanrijding dagelijks leeft met hoofdpijnen en nekpijnen. Zij heeft verklaard dat zij de eerste zes weken na het ongeval ziek thuis is geweest en haar normale bezigheden niet meer kon uitoefenen. Na deze zes weken is zij weer voor halve dagen gaan werken en inmiddels werkt zij weer full time.

[getuige 2] heeft verklaard dat ook hij op bovengenoemde datum en tijdstip over de [U.baan] reed, gaande in de richting van Sittard. Hij was voornemens om op de kruising [U.baan] - [B.weg] linksaf te slaan in de richting van Nieuwstadt. [getuige 2] sorteerde voor om linksaf te slaan. Voor hem stond een Audi. Hij zag dat het verkeerslicht voor hem groen licht uitstraalde en dat de Audi optrok. [getuige 2] trok eveneens op en reed de kruising op. Hij zag vervolgens dat de Audi een schokkende beweging maakte en terugdeinsde in zijn richting. Op dat zelfde moment zag hij een andere auto uit tegenovergestelde richting voorbij flitsen. [getuige 2] remde fors, maar kon niet voorkomen dat hij met de Audi in botsing kwam. Hij stapte uit zijn auto en zag dat een stuk verderop een auto langs de kant stond, welke kennelijk de Audi had aangereden. Deze auto betrof een Volkswagen Golf. Er zat niemand meer in de auto.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op genoemde datum en tijdstip met zijn voertuig stil stond op de kruising [B.weg] - [L.laan]. Hij stond op de rijbaan, bedoeld voor het rechtdoorgaand verkeer in de richting van Urmond. Het verkeerslicht voor hem straalde rood licht uit. [getuige 1] zag dat van achteren met hoge snelheid een donkere auto naderde en dat deze auto hem met hoge snelheid links passeerde over de rijstrook voor het links afslaand verkeer in de richting van de [L.laan]. De auto reed vervolgens door het rode verkeerslicht en vervolgde zijn rijweg over de rijstrook voor het rechtdoorgaand verkeer. Hierna zag [getuige 1] dat de donkere auto opnieuw over de linkerrijstrook reed voor het links afslaand verkeer en zonder af te remmen wederom door het rode verkeerslicht reed. De donkere personenauto reed vervolgens met hoge snelheid en met zijn linker zijde tegen de rechter zijde van een

Audi. Deze Audi kwam vanuit de tegenovergestelde richting en was doende om rechtsaf

te slaan in de richting van Nieuwstadt. De donkere personenauto reed nog ongeveer 100 meter, maar stopte daarna. Volgens [getuige 1] reed de donkere auto ongeveer 80 of 90 km/uur toen deze hem naderde. De bestuurder remde bij de kruisingen niet af en reed met dezelfde hoge snelheid door het rode verkeerslicht over het kruisingsvlak.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij in de ochtend van 22 november 2010, als bestuurder van een personenauto (Volkswagen Golf) betrokken was bij een aanrijding met een andere personenauto, welke aanrijding had plaatsgevonden op de [B.weg] te Sittard.

Uit de verkeersongevalanalyse blijkt onder meer het volgende.

De [B.weg] is ter plaatse van de aanrijding onderverdeeld in twee rijstroken voor het rechtdoorgaande verkeer in de richting van de [U.baan], een rijbaan voor het links afslaand verkeer richting de [H.baan] en een rijbaan voor het verkeer dat komt uit de richting van Geleen. De bestuurder van de Volkswagen had gereden over de [B.weg] te Sittard in de richting van de [U.baan]. De aanrijding tussen de Volkswagen en de Audi had plaatsgevonden op het wegvak van de [B.weg], ter hoogte van de rijbaan voor links afslaand verkeer in de richting van de [H.baan] en de rijstrook voor rechtdoorgaand verkeer in de richting van de [U.baan]. Aan de hand van de aangetroffen schade en sporen is gebleken dat de Volkswagen over de rijstrook bedoeld voor het rechtdoorgaand verkeer had gereden.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

Voor een bewezenverklaring van het misdrijf van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 moet de rechtbank onder andere vaststellen dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij er minimaal sprake moet zijn van een aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen door verdachte.

Bij de beoordeling van de mate van schuld komt het – volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad – aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij is van belang dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, dat in strijd is met een of meer gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

De rechtbank is gelet op de aangifte van [naam slachtoffer] en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] van oordeel dat verdachte roekeloos heeft gereden als gevolg waarvan er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft immers, zo volgt uit de aangifte en de verklaringen, over de rijstrook bestemd voor links afslaand verkeer gereden, is vervolgens door het rode licht het kruispunt opgereden, om zijn weg rechtdoor (en niet links af conform de rijstrook waarop hij van tevoren reed) te vervolgen en heeft daarbij het voertuig van [naam slachtoffer] aangereden. Dat verdachte op het daadwerkelijke moment van de aanrijding niet meer op de strook bestemd voor links afslaand verkeer reed, zoals de raadsman heeft aangevoerd, doet hier niet aan af. Het feit dat verdachte voorafgaand aan de aanrijding en voorafgaand aan het door het rode licht de kruising oprijden, op de strook bestemd voor links afslaand verkeer reed, benadrukt naar het oordeel van de rechtsbank juist het roekeloze van zijn rijgedrag. Kennelijk had verdachte zoveel haast, dat hij zich niets gelegen liet liggen aan de voor hem verplichte rijrichting die op het wegdek was aangegeven en aan het voor hem rode stoplicht. Ten slotte was hij ook niet in staat het voertuig van [naam slachtoffer], dat voorrang had, te ontwijken.

De rechtbank is van oordeel dat het letsel, zoals dat is beschreven in de hierboven aangehaalde geneeskundige verklaring en de verklaring van [naam slachtoffer], niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, nu onvoldoende bekend is over de ernst van

het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medische ingrijpen en de geschatte duur van

de genezing. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van de rechtbank staat op grond van de geneeskundige verklaring en de verklaring van [naam slachtoffer] wel genoegzaam vast dat bij [naam slachtoffer] sprake was van zodanig zwaar lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, in dier voege dat voor [naam slachtoffer] als gevolg van de aanrijding tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Feit 2

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de aangifte van [naam slachtoffer];

- de verklaring van [getuige 2], en

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting.

Feit 3

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- het proces-verbaal van bevindingen;

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting.

Feit 4

Verdachte ontkent dat hij wetenschap had van de verdovende middelen in de woning.

Uit het dossier blijkt dat de in de tenlastelegging genoemde verdovende middelen zijn aangetroffen in een woning die officieel werd gehuurd door een vrouw genaamd [persoon 1]. Zowel verdachte als [persoon 1] heeft verklaard dat [persoon 1] op het moment van aantreffen zelf niet meer in deze woning verbleef en dat zij de woning aan verdachte ter beschikking had gesteld. Zowel verdachte als [persoon 1] had een sleutel van de woning. Verdachte kwam hier af en toe om te “chillen”. [persoon 1] kwam naar eigen zeggen ook nog vier keer per week in de woning.

Gelet op het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat er in ieder geval twee personen waren met een sleutel van de woning, te weten [persoon 1] en verdachte, en dat deze beide personen gebruik maakten van de woning en daar ook regelmatig kwamen. Nu er meerdere personen gebruik maakten van de woning is het niet geheel ondenkbeeldig dat de verdovende middelen door een ander dan verdachte in de woning zijn gebracht.

Daarbij komt dat in het dossier geen bewijs voorhanden is op grond waarvan de rechtbank kan vaststellen dat de verdachte ook daadwerkelijk wetenschap had van de aanwezigheid van verdovende middelen. Verdachte was niet in de woning aanwezig ten tijde van het aantreffen van de verdovende middelen en de rechtbank kan niet uitsluiten dat de verdovende middelen in de woning geplaatst zijn nadat verdachte er voor het laatst aanwezig was.

Op grond van het vorenstaande kan niet worden bewezen dat verdachte de in de woning aangetroffen verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad. Hij zal daarom worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegd feit. Nu de rechtbank komt tot een vrijspraak, behoeven de overige door de raadsman gevoerde verweren ten aanzien van voornoemd feit geen verdere bespreking.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1. (primair)

op 22 november 2010 te Sittard, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [B.weg], gaande in de richting van de [U.baan] en gekomen bij de kruising van die [B.weg] met de [H.baan], op welke kruising het verkeer wordt geregeld middels een driekleurig verkeerslicht en op welke kruising voornoemde [B.weg] is onderverdeeld in vier rijstroken, waarbij de rechter rijstrook bestemd is voor rechts afslaand verkeer, de linker rijstrook bestemd is voor links afslaand verkeer en de twee middelste rijstroken bestemd zijn voor recht door gaand verkeer, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos,

met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig over voornoemde linker rijstrook, bestemd voor links af slaand verkeer, te rijden en vervolgens zonder gevolg te geven aan een voor hem, verdachte, bestaande verplichting te stoppen, ingevolge een in zijn, verdachtes, richting gekeerd staand rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht, dat kruispunt op te rijden om vervolgens rechtdoor zijn weg over de [B.weg] te vervolgen, op het moment dat een motorrijtuig, rijdende over de [B.weg] en komende uit de richting van de [U.baan], hem, verdachte, reeds zo dicht genaderd was dat een aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en dat motorrijtuig,

door welk verkeersongeval [naam slachtoffer], zijnde de bestuurder van dat motorrijtuig, zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering

in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

2.

op 22 november 2010 te Sittard, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de [B.weg], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist

aan [naam slachtoffer] letsel en aan een personenauto toebehorende aan [naam slachtoffer] en aan een personenauto toebehorende aan [getuige 2] schade was toegebracht;

3.

op 22 november 2010 te Sittard, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Feit 2:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Feit 3:

Overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft zij gevorderd voor de feiten 1 primair, 2 en 3 telkens een rijontzegging op te leggen voor de duur van 1 jaar.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman acht de door de officier van justitie gevorderde straf buitenproportioneel hoog. Hij heeft de rechtbank verzocht om deze straf aanzienlijk te matigen en daarbij ook rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft roekeloos rijgedrag vertoond en daardoor een verkeersongeval veroorzaakt waarbij een ander zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Verdachte heeft na

de aanrijding de plaats van het ongeval verlaten. Ten slotte heeft verdachte geweigerd om medewerking te verlenen aan een ademanalyse. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij een aantal (ernstige) verkeersfouten heeft begaan en daardoor andere weggebruikers, alsmede de twee andere inzittenden in zijn eigen auto, ernstig in gevaar heeft gebracht. Met name het tot tweemaal toe bewust negeren van een rood verkeerslicht acht de rechtbank zeer kwalijk, aangezien de kans zeer groot is dat als gevolg van deze gedraging verkeersongevallen ontstaan, met alle gevolgen van dien. Dat er bij het slachtoffer [naam slachtoffer] geen ernstiger letsel is ontstaan of erger is niet aan verdachte te danken. De rechtbank zal bij het bepalen van de straf tevens rekening houden met de nadelige gevolgen die het ongeval voor het slachtoffer [naam slachtoffer] hebben gehad.

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte gelet op het uittreksel uit het justitieel documentatie register d.d. 28 januari 2013 waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld ter zake van verkeersdelicten, te weten rijden onder invloed.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele maanden rechtvaardigt. Echter, nu de feiten meer dan twee jaar geleden zijn gepleegd, acht de rechtbank het thans niet meer opportuun om verdachte terug

te sturen naar de gevangenis. De rechtbank heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

De rechtbank zal, alles afwegende, aan verdachte opleggen een taakstraf van 120 uren, bij niet (goed) verrichten te vervangen door 60 dagen hechtenis. Daarnaast zal zij aan verdachte opleggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

Deze straf brengt niet alleen de ernst van de feiten tot uitdrukking, maar tracht verdachte er tevens van te weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat, gelet op de ernst van het rijgedrag van verdachte voor de feiten 1, 2 en 3 telkens een ontzegging van de rijbevoegdheid op zijn plaats is van na te melden duur. De rechtbank beoogt hiermee om verdachte ervan te doordringen voortaan in het verkeer de vereiste voorzichtigheid en oplettendheid te betrachten

6 Het beslag

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de bij verdachte in beslag genomen voorwerpen (te weten een hoeveelheid geld en een personenauto) dienen te worden teruggegeven aan verdachte.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 163, 175 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van feit 4;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen en maatregelen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit.

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf voor de duur van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging

van de opgelegde werkstraf, naar rato van twee uur per dag.

- veroordeelt verdachte voor feit 1 tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.

- veroordeelt verdachte voor feit 2 tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden.

- veroordeelt verdachte voor feit 3 tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden.

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende bij verdachte in beslag genomen, maar nog niet teruggegeven voorwerpen:

- een personenauto (Volkswagen Golf met kenteken [xx-xx-xx]);

- een hoeveelheid geld (€ 890,00).

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Romme, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 april 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 november 2010,te Sittard, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [B.weg], gaande in de richting van de [U.baan] en gekomen bij de kruising van die [B.weg] met de [H.baan], op welke kruising het verkeer wordt geregeld middels een driekleurig verkeerslicht en op welke kruising voornoemde [B.weg] is onderverdeeld in vier rijstroken, waarbij de rechter rijstrook bestemd is voor rechts afslaand verkeer, de linker rijstrook bestemd is voor links afslaand verkeer en de twee middelste rijstroken bestemd zijn voor recht door gaand verkeer, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig over voornoemde linker rijstrook, bestemd voor links af slaand verkeer, te rijden en vervolgens zonder gevolg te geven aan een voor hem, verdachte, bestaande verplichting te stoppen, ingevolge een in zijn, verdachtes, richting gekeerd staand rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht, dat kruispunt op te rijden om vervolgens rechtdoor zijn weg over de [B.weg] te vervolgen, op het moment dat een motorrijtuig, rijdende over de [B.weg] en komende uit de richting van de [U.baan], hem, verdachte, reeds zo dicht genaderd was dat een aanrijding of botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en dat motorrijtuig,

door welk verkeersongeval [naam slachtoffer], zijnde de bestuurder van dat motorrijtuig, zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 22 november 2010, in Sittard, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [B.weg], gaande in de richting van de [U.baan] en gekomen bij de kruising van die [B.weg] met de [H.baan], op welke kruising het verkeer wordt geregeld middels een driekleurig verkeerslicht en op welke kruising voornoemde [B.weg] is onderverdeeld in vier rijstroken, waarbij de rechter rijstrook bestemd is voor rechts afslaand verkeer, de linker rijstrook bestemd is voor links afslaand verkeer en de twee middelste rijstroken bestemd zijn voor recht door gaand verkeer,

met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig over voornoemde linker rijstrook, bestemd voor links af slaand verkeer, heeft gereden en vervolgens geen gevolg heeft gegeven aan een voor hem, verdachte, bestaande verplichting te stoppen, ingevolge een in zijn, verdachtes, richting gekeerd staand rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht, dat kruispunt is opgereden om vervolgens rechtdoor zijn weg over de [B.weg] te vervolgen, op het moment dat een motorrijtuig, rijdende over de [B.weg] en komende uit de richting van de [U.baan], hem, verdachte, reeds zo dicht genaderd was dat een aanrijding of botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en dat motorrijtuig,

door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op of omstreeks 22 november 2010 te Sittard, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen,

als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op [B.weg], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan

[naam slachtoffer] letsel en/of aan een personenauto geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] en/of aan een personenauto geheel of ten dele toebehorende [getuige 2] schade was toegebracht;

3.

hij op of omstreeks 22 november 2010 te Sittard, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen,

als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

4.

(parketnummer 706152-10)

hij op of omstreeks 12 juli 2010 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 340 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 271 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.