Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:CA1960

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-06-2013
Datum publicatie
07-06-2013
Zaaknummer
03-659047-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewapende overval, medeplegen of medeplichtigheid? Verdachte beschikte als enige over een auto die voor de overval noodzakelijk was, hij nam deel aan de planning van de overval, hij verrichte een voorverkenning en hij trad op als chauffeur van de vluchtauto. Dit alles maakt hem naar het oordeel van de rechtbank tot medepleger van de overval, niet tot medeplichtige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03/659047-13

Datum uitspraak : 7 juni 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [datum],

gedetineerd in [adres]

Raadsvrouw is mr. [naam], advocaat te Maastricht.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 24 mei 2013. De rechtbank heeft op 24 mei 2013 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

a]. hij op of omstreeks 20 oktober 2012 in de gemeente [naam], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een hoeveelheid geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slacht[naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slacht[naam], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, met dat oogmerk (met gezichtsbedekking) het café, gelegen aan de [adres], binnen is/zijn gegaan en/of (vervolgens) (een) mes(sen) en/of een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voor voornoemde [slacht[naam] heeft/hebben gehouden, althans aan voornoemde [slacht[naam] heeft/hebben getoond en/of (daarbij) heeft/hebben geroepen: "Geld, geef ons geld" en/of "Geld, ik wil geld", althans woorden van gelijke strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

b]. hij op of omstreeks 20 oktober 2012 in de gemeente [naam], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slacht[naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, met dat oogmerk (met gezichtsbedekking) het café, gelegen aan de [adres], binnen is/zijn gegaan en/of (vervolgens) (een) mes(sen) en/of een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voor voornoemde [slacht[naam] heeft/hebben gehouden, althans aan voornoemde [slacht[naam] heeft/hebben getoond en/of (daarbij) heeft/hebben geroepen: "Geld, geef ons geld" en/of "Geld, ik wil geld", althans woorden van gelijke strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art. 317 / 45 / 47 Wetboek van Strafrecht

en/of

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

[mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] op of omstreeks 20 oktober 2012 in de gemeente [naam], ter uitvoering van het door hem/hun voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een hoeveelheid geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan genoemde [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slacht[naam], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan genoemde [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, met dat oogmerk (met gezichtsbedekking) het café, gelegen aan de [adres], binnen is/zijn gegaan en/of (vervolgens) (een) mes(sen) en/of een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voor voornoemde [slacht[naam] heeft/hebben gehouden, althans aan voornoemde [slacht[naam] heeft/hebben getoond en/of (daarbij) heeft/hebben geroepen: "Geld, geef ons geld" en/of "Geld, ik wil geld", althans woorden van gelijke strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 20 oktober 2012 in de gemeente [naam], opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door eerdergenoemde [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar de plaats des misdrijfs te vervoeren;

art. 312 / 2 / 45 / 48 Wetboek van Strafrecht

en/of

[mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] op of omstreeks 20 oktober 2012 in de gemeente [naam], ter uitvoering van het door hem/hun voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slacht[naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan genoemde [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader][naam]f [mededader] en/of aan verdachte, met dat oogmerk (met gezichtsbedekking) het café, gelegen aan de [adres], binnen is/zijn gegaan en/of (vervolgens) (een) mes(sen) en/of een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voor voornoemde [slacht[naam] heeft/hebben gehouden, althans aan voornoemde [slacht[naam] heeft/hebben getoond en/of (daarbij) heeft/hebben geroepen: "Geld, geef ons geld" en/of "Geld, ik wil geld", althans woorden van gelijke strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 20 oktober 2012 in de gemeente [naam], opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door eerdergenoemde [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar de plaats des misdrijfs te vervoeren;

art. 317 / 45 / 47 /48 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

a]. hij op of omstreeks 20 oktober 2012 in de gemeente [naam], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of voornoemde [slachtoffer 2] en/of overige cafébezoekers, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, met dat oogmerk (met gezichtsbedekking) het café, gelegen aan de [adres], binnen is/zijn gegaan en/of (vervolgens) (een) mes(sen) en/of een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of overige cafébezoekers heeft/hebben gehouden, althans heeft/hebben getoond en/of (daarbij) heeft/hebben geroepen: "Geld, geef ons geld" en/of "Geld, ik wil geld", althans woorden van gelijke strekking;

en/of

b]. hij op of omstreeks 20 oktober 2012 in de gemeente [naam], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, met dat oogmerk (met gezichtsbedekking) het café, gelegen aan de [adres], binnen is/zijn gegaan en/of (vervolgens) (een) mes(sen) en/of een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of overige cafébezoekers heeft/hebben gehouden, althans heeft/hebben getoond en/of (daarbij) heeft/hebben geroepen: "Geld, geef ons geld" en/of "Geld, ik wil geld", althans woorden van gelijke strekking;

artikel 317 / 47 Wetboek van Strafrecht

en/of

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

[mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] op of omstreeks 20 oktober 2012 in de gemeente [naam], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 1 portemonnee, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of voornoemde [slachtoffer 2] en/of overige cafébezoekers, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of

zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, met dat oogmerk (met gezichtsbedekking) het café, gelegen aan de [adres], binnen is/zijn gegaan en/of (vervolgens) (een) mes(sen) en/of een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of overige cafébezoekers heeft/hebben gehouden, althans heeft/hebben getoond en/of (daarbij) heeft/hebben geroepen: "Geld, geef ons geld" en/of "Geld, ik wil geld", althans woorden van gelijke strekking, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 20 oktober 2012 in de gemeente [naam], opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door eerdergenoemde [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar de plaats des misdrijfs te vervoeren;

en/of

[mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] op of omstreeks 20 oktober 2012 in de gemeente [naam], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader], met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, met dat oogmerk (met gezichtsbedekking) het café, gelegen aan de [adres], binnen is/zijn gegaan en/of (vervolgens) (een) mes(sen) en/of een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of overige cafébezoekers heeft/hebben gehouden, althans heeft/hebben getoond en/of (daarbij) heeft/hebben geroepen: "Geld, geef ons geld" en/of "Geld, ik wil geld", althans woorden van gelijke strekking, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 20 oktober 2012 in de gemeente [naam], opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door eerdergenoemde [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] en/of [mededader] met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar de plaats des misdrijfs te vervoeren.

art. 317 / 47 / 48 Wetboek van Strafrecht

en/of

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

- is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

- is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

- zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

- zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Inzake feit 1 heeft de officier van justitie gevorderd dat bewezen zal worden verklaard de poging tot medeplegen van afpersing zoals primair onder b ten laste is gelegd.

Inzake feit 2 heeft de officier van justitie gevorderd dat bewezen zal worden verklaard het medeplegen van afpersing zoals primair onder b ten laste is gelegd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 1 primair en 2 primair ten laste aangezien de rol van verdachte niet gezien kan worden als die van medepleger van de overval op café [naam].

Inzak feit 1 heeft de verdediging zich voorts op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard de medeplichtigheid aan poging tot afpersing zoals subsidiair ten laste gelegd onder b.

Inzake feit 2 heeft de verdediging zich voorts op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard de medeplichtigheid aan afpersing zoals subsidiair ten laste gelegd onder b.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Bewijsmiddelen

[slachtoffer 1] deed op 20 oktober 2012 aangifte en verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt: “Op zaterdag 20 oktober 2012, omstreeks 01.45 uur, bevond ik mij in mijn eigen café aan de [adres]. In mijn café zaten een drietal kla[naam]: [naam], [naam] en [naam]. Op een gegeven moment zag ik een viertal mannen het café binnenkomen via de toegangsdeur. Ik zag dat drie mannen zwarte bivakmutsen droegen en dat de vierde man iets anders voor zijn gezicht droeg. Verder zag ik dat de drie mannen met de bivakmutsen alle drie een mes in hun handen hadden. Ik zag dat de man met het masker op heen barkruk ging zitten bij de kapstok, naast de toegangsdeur. Vervolgens hoorde ik dat de drie mannen riepen dat ze geld wilde hebben. Ik zag dat een van de drie mannen via de doorgang van de bar naar mij toe kwam gelopen. Ik hoorde dat hij zei dat hij geld wilde hebben en dat ik het geld in de witte zak moest doen. Ik liep naar de man en ik duwde de man weg. Ik zei tegen de man dat ze weg moesten gaan en dat ze niets kregen. Vervolgens zag ik dat de tweede man naar mij toe kwam gelopen. Ik hoorde dat hij zei dat hij geld wilde hebben. Ook hem duwde ik weg. Hierna zag ik dat de derde man naar me toe kwam gelopen. Ik hoorde dat hij ook zei dat hij geld wilde hebben. Wederom zei ik dat ze niets kregen en ik duwde hem weg. Op het moment dat ik hem wegduwde, voelde ik pijn aan mijn rechterhand. Later bleek dat ik een kleine wond aan mijn rechterhand ter hoogte van mijn duim had. Het volgende moment hoorde ik dat [naam] zei dat ze zijn beurs konden hebben. Ik zag dat [slachtoffer 2] zijn beurs aan een van de mannen gaf. Hierna zag ik dat de vier mannen vertrokken.”

[slachtoffer 2] deed op 20 oktober 2012 aangifte en verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt: “Op vrijdag 19 oktober 2012 omstreeks 23.00 uur kwam ik aan in café [naam] aan de [adres]. Omstreeks 01.45 uur zat ik samen met [naam] [naam] en [naam] aan de bar. Opeens hoorde ik de deur van het café opengaan. Ik zag dat er drie mannen met bivakmutsen en één man met een leeuwenmasker op het café binnen liepen. Ik zag dat drie van de vier mannen een koksmes vasthielden. Toen het groepje van vier in het café stond, bleven zij in eerste instantie een beetje staan tussen de deur/ingang en de bar. Vervolgens stapte één van de jongens, met de bivakmuts op, naar voren en liep links langs de bar af en kwam bij kastelein [slacht[naam] uit. Ik zag dat kastelein [slacht[naam] bij de ‘binnenkomst’ van de bar ging staan om de overvaller de toegang te blokkeren. Ik hoorde dat de man zei: “Geld, ik wil geld” of woorden van gelijke strekking. Hierop zag ik dat de man het mes vasthield en deze inmiddels op enkele afstand hield van de borst van kastelein [slacht[naam]. Vervolgens hoorde ik de man wederom zeggen: “Geld, geef ons geld” of woorden van gelijke strekking. Op dat moment realiseerde ik mij dat het niet goed was en voelde ik dat de dreiging van de overvallers richting ons groter werd. Vooral de man tegenover kastelein [slacht[naam] bleef aandringen op het geld. De overige drie overvallers bleven een beetje tussen de ingang/deur en de bar staan. Ik hoorde dat kastelein [slacht[naam] zei: “Ga weg” of woorden van gelijke strekking en dat hij op dat moment bijna borst tegen borst stond met de overvaller.

De situatie werd ontzettend dreigend. Ik zag dat [naam] en [naam] vanaf hun kruk opstonden. Ik hoorde de overvaller welke bij [slacht[naam] stond tegen de andere overvallers zeggen: “Kom maar met dat vuurwapen” of woorden van gelijke strekking. Hierop zag ik dat één van de overvallers vanuit zijn heup een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tevoorschijn haalde. Ik schrok hier zo van en voelde mij dusdanig bedreigd dat ik tegen kastelein [slacht[naam] zei dat hij naar de linkerzijde achter de bar moest gaan. Vervolgens haalde ik mijn portemonnee uit mijn achterzak en legde deze op de bar. Ik zei tegen de overvallers: “Hier is mijn portemonnee, ik wil niet dat er gewonden vallen” of woorden van gelijke strekking. Hierop pakte één van de overvallers mijn portemonnee van de bar. Vervolgens ging alle vier de overvallers weer naar buiten.”

Verdachte verklaarde op 6 februari 2013 te 10.19 uur – zakelijk weergegeven – als volgt: “Op vrijdag 19 oktober 2012 kwam [medeverdachte] met het idee om dat café in [naam] te overvallen. Vervolgens werd besproken hoe we de overval gingen doen. Ik wilde wel eventueel rijden. U vraagt mij wat er aan wapens werd meegenomen. Een bibi-gun en een paar keukenmessen. U vraagt mij of er ook vermommingen zijn meegenomen. Ja, handschoenen, bivakmutsen en een leeuwenmasker. Toen reden we richting [naam]. Ik zei: “Dan ga ik een pakje sigaretten kopen in dat café.” Zoals eerder afgesproken zou ik dan de zaak kunnen voorverkennen. Ik ben toen naar het café gelopen. Ik zag dat er binnen een aantal mannen aan de bar zaten. Ik heb de man achter de bar gevraagd om een pakje Marlboro. Ik heb dit gekregen en afgerekend. Ik ga dan naar buiten terug naar de jongens. We hebben het over de mensen in het café gehad, of ze groot en breed waren. Ze wilden wel geen klappen krijgen. Op enig moment wilden ze het gaan doen. Ik reed met alle vier in mijn auto naar het café. Bij het café stapten [naam], [medeverdachte], [medeverdachte] en [medeverdachte] uit en ik zag dat ze richting de struiken renden tegenover het café in [naam]. Zoals [medeverdachte] had gezegd ben ik achter het café op een zandpad gaan staan. Ik heb daar met mijn auto gestaan. De motor liep en de verlichting was uit. Ik hoorde na 20 à 25 minuten stemmen. Ik hoorde geschreeuw van de jongens. Ze kwamen toen alle vier aangerend en sprongen als gekken in mijn auto. Ik reed vervolgens weg.”

Algemene overwegingen inzake feit 1 en 2

Verdachte heeft zowel tegenover de politie als ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd voor wat betreft zijn betrokkenheid bij de overval op café [naam] te [naam], gepleegd op 20 oktober 2012. Gelet op het voormeld standpunt van de verdediging, dient de rechtbank te beoordelen of de rol van verdachte die van medepleger of, indien dat niet bewezen kan worden, van medeplichtige is.

De rechtbank stelt voorop dat voor medeplegen is vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen welke samenwerking gericht dient te zijn op de in de tenlastelegging genoemde gedragingen.

De rechtbank constateert dat verdachte vanaf de eerste bespreking tot het vluchten van de overval betrokken was. Weliswaar was er mogelijk sprake van enige groepsdynamiek waarbij iets dat in eerste instantie als grap werd opgevat, toch uiteindelijk resulteerde in een concreet plan om het café te overvallen. Maar verdachte heeft ook zelf aangegeven wel te willen rijden, heeft zijn medeverdachten ook daadwerkelijk gebracht en weer opgewacht na de overval om hen vervolgens weg te brengen. Bovendien – en naar het oordeel van de rechtbank tevens kenmerkend en van belang voor de rol van verdachte – heeft verdachte een zogenaamde voorverkenning uitgevoerd door voorafgaand aan de overval sigaretten te kopen in het café. Deze combinatie van omstandigheden maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de rol van verdachte niet enkel faciliterend was, maar zelfs cruciaal voor het eventuele slagen van de overval. Geen van de mededaders beschikte immers over een auto. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte enerzijds en zijn medeverdachten anderzijds. De rol van verdachte kan dan ook worden aangemerkt als medepleger, zodat het aan hem onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde bewezen kan worden.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of onderhavige overval, die ten laste is gelegd als twee afzonderlijke feiten gebaseerd op de verschillende slachtoffers, aan te merken is als (poging tot) diefstal met geweld, afpersing of beide. De rechtbank merkt op dat het bij diefstal met geweld in het bijzonder gaat om een wegnemingshandeling van de dader. Bij afpersing daarentegen staat niet de wegnemingshandeling van de dader centraal, maar de handeling van het slachtoffer die door dwang, geweld of bedreiging met geweld bewerkstelligd wordt.

Overwegingen van de rechtbank in het bijzonder inzake feit 1

Uit de aangiftes van [slacht[naam] en [slachtoffer 2] blijkt dat medeverdachten meermalen ‘gevraagd’ hebben om geld, waarbij de messen als middel gebruikt werden om [slacht[naam] te overtuigen daadwerkelijk geld in een zak te stoppen. Er werd dan ook geprobeerd de afgifte van geld te bewerkstelligen door de dreiging met de messen. Anderzijds blijkt uit het dossier dat twee medeverdachten als taak hadden geld, drank en sigaretten te pakken, maar aangezien het zover nooit is gekomen en aangezien de daadwerkelijk uitgevoerde handelingen kennelijk tot doel hadden [slacht[naam] te bewegen tot afgifte van geld, komt de rechtbank niet tot bewezenverklaring van een poging tot diefstal met geweld, maar tot bewezenverklaring van poging tot afpersing, gepleegd door meerdere personen. Overigens kan voor wat betreft aangever [slacht[naam] niet bewezen worden verklaard het tonen van een pistool, aangezien hij dit niet gezien heeft.

Overwegingen van de rechtbank in het bijzonder inzake feit 2

Uit de aangifte van [slachtoffer 2] blijkt dat ondanks de tegenwerking van [slacht[naam] de overvallers het ‘vragen’ om geld volhielden en daarbij op een gegeven moment zelfs een op een vuurwapen gelijkend voorwerp toonden. Dit met de kennelijke bedoeling alsnog te slagen in hun opzet. In deze steeds dreigendere situatie heeft [slachtoffer 2] uiteindelijk besloten zijn portemonnee af te staan, welke vervolgens door de daders werd meegenomen. Weliswaar waren de handelingen van de daders klaarblijkelijk in eerste instantie niet gericht op [slachtoffer 2], maar gezien de omstandigheden kon [slachtoffer 2] zich daarentegen wel degelijk ook bedreigd en gedwongen tot afgifte van geld voelen. Naar het oordeel van de rechtbank aanvaarden de daders – óók verdachte – deze, als aanmerkelijk te achten, kans welbewust door met meerdere personen, gewapend en vermomd een café binnen te gaan zoals hiervoor beschreven.

Naar het oordeel van de rechtbank kan onder deze omstandigheden tot bewezenverklaring van zowel diefstal met geweld als afpersing gekomen worden. Enerzijds heeft [slachtoffer 2] zijn portemonnee op de bar gelegd en is die vervolgens gepakt door een van de daders, hetgeen een wegnemingshandeling impliceert en daarmee diefstal. Anderzijds kan dit bezien worden als afpersing, aangezien [slachtoffer 2] zijn portemonnee als gevolg van de dreigende situatie, die door de daders is gecreëerd, heeft afgestaan. Aangezien beide varianten wettig en overtuigend bewezen te achten zijn, komt de rechtbank tot bewezenverklaring van diefstal met geweld òf afpersing.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht ten laste van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

1. primair

b]. hij op 20 oktober 2012 in de gemeente [naam], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slacht[naam] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan voornoemde [slacht[naam], met een zijn mededaders, met dat oogmerk (met gezichtsbedekking) het café, gelegen aan de [adres], binnen is gegaan en (vervolgens) messen heeft getoond en (daarbij) heeft geroepen: "Geld, geef ons geld" en/of "Geld, ik wil geld", althans woorden van gelijke strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. primair

a]. hij op 20 oktober 2012 in de gemeente [naam], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee, toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en voornoemde [slachtoffer 2] en overige cafébezoekers, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, met zijn mededaders, met dat oogmerk (met gezichtsbedekking) het café, gelegen aan de [adres], binnen is gegaan en (vervolgens) messen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of overige cafébezoekers heeft gehouden en/of (daarbij) heeft geroepen: "Geld, geef ons geld" en/of "Geld, ik wil geld", althans woorden van gelijke strekking;

of

b]. hij op 20 oktober 2012 in de gemeente [naam], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 2], zijn mededaders, met dat oogmerk (met gezichtsbedekking) het café, gelegen aan de [adres], binnen is gegaan en (vervolgens) messen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of overige cafébezoekers heeft gehouden en (daarbij) heeft geroepen: "Geld, geef ons geld" en/of "Geld, ik wil geld", althans woorden van gelijke strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2 De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

feit 1 primair onder b.

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

feit 2 primair onder a.

diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

of

feit 2 primair onder b.

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Feit 1 primair onder b is strafbaar gesteld bij de artikelen 45 juncto 312 juncto 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2 primair onder a is strafbaar gesteld bij de artikelen 310 juncto 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2 primair onder b is strafbaar gesteld bij de artikelen 312 juncto 317 van het Wetboek van Strafrecht.

6. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

7. De oplegging van straf en/of maatregel

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 4 jaren met aftrek ex art. 27 Sr waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – onder verwijzing naar diverse vonnissen – verzocht om op te leggen een gevangenisstraf in de bandbreedte van 9 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk tot 24 maanden onvoorwaardelijk.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft samen met anderen een gewapende overval gepleegd op een café. Onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en messen werden de slachtoffers afgeperst en/of bestolen, althans werd dat geprobeerd. De rechtbank acht het zorgwekkend dat verdachte, ondanks zijn nog jeugdige leeftijd, is overgegaan tot het plegen van deze zeer ernstige feiten. Verdachte heeft bijgedragen aan het ontstaan van een groepsdynamiek die het alsnog afzien van de snode plannen niet meer mogelijk maakte, ook al waren daar diverse geschikte momenten voor. Dat de slachtoffers daarbij zeer angstige momenten kunnen doormaken op het moment dat zij bedreigd worden met een op een wapen gelijkend voorwerp en/of een mes, was blijkbaar van ondergeschikt belang. Uit de verklaringen van de slachtoffers blijkt dat zij de gebeurtenis niet alleen als traumatiserend hebben ervaren, maar dat dit ook negatieve gevolgen heeft gehad voor hun dagelijkse functioneren.

Gelet op de brutaliteit en gemak waarmee te werk is gegaan, lijkt het erop alsof het voor verdachte de normaalste zaak van de wereld is om dit soort feiten te plegen. Verdachte moet zich echter realiseren dat zulk gedrag absoluut niet getolereerd wordt.

Gelet op de ernst van de feiten is een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende strafmodaliteit.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank echter ook rekening met het feit dat verdachte blijkens zijn strafblad niet eerder ter zake enig strafbaar feit is veroordeeld en met de jeugdige leeftijd waarop verdachte de feiten heeft gepleegd. Bovendien heeft verdachte er ter zitting blijk van gegeven dat hij de onjuistheid van zijn handelen inziet en neemt hij zijn verantwoordelijkheid voor de gepleegde overvallen. De rechtbank merkt voorts op dat weliswaar sprake is geweest van medeplegen, maar dat de rol van verdachte toch anders, beperkter, gezien zal worden dan die van zijn medeverdachten.

Gelet hierop, maar ook met het oog op het voorkomen van recidive, acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend.

Alles overwegend acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar een gerechtvaardigde straf.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank voorts acht geslagen op de voorlichtingsrapportage van de Reclassering d.d. 27 februari 2013. Gelet op de daarin geschetste omstandigheden acht de Reclassering een toezicht op bijzondere voorwaarden geïndiceerd. De rechtbank onderschrijft dit. Gelet hierop zal de rechtbank aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen straf de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht en het volgen van de cognitieve vaardigheidstraining koppelen.

8. De benadeelde partij [slacht[naam]

8.1 De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1], [adres] vordert een immateriële schadevergoeding van € 1.900,00 euro terzake van feit 1.

8.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering integraal zal worden toegewezen en dat de betalingsverplichting hoofdelijk zal worden opgelegd.

8.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen en de betalingsverplichting niet hoofdelijk op te leggen, maar op 1/5 deel van het totaalbedrag.

8.4 Het oordeel van de rechtbank

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit (art. 45 jo. 312 jo. 317 Sr) bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als

volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 750,00 in onderhavige zaak alleszins redelijk is. De vordering immateriële schade, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook gedeeltelijk voor toewijzing vatbaar. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 20 oktober 2012 tot de dag der algehele voldoening.

Voor het deel van de vordering dat voormeld bedrag van overstijgt, is de vordering niet voor toewijzing vatbaar en zal de rechtbank de vordering met betrekking tot het restant afwijzen.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededader(s), hoofdelijk, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte en zijn mededader, hoofdelijk, de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 750,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 20 oktober 2012 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 15 dagen, te betalen ten behoeve van [slacht[naam] voornoemd.

De rechtbank zal het voorstel van de verdediging om in plaats van een hoofdelijke veroordeling de verplichting tot schadevergoeding op ponds-ponds-wijze te verdelen niet volgen. Het incassorisico dient immers niet bij het slachtoffer te liggen.

9. De benadeelde partij [naam]

9.1 De vordering van de benadeelde partij

De benadeeld[naam], [adres] vordert een immateriële schadevergoeding van € 750,00 euro terzake van feit 2.

9.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering integraal zal worden toegewezen en dat de betalingsverplichting hoofdelijk zal worden opgelegd.

9.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering af te wijzen, aangezien [naam] voornoemd niet is aan te merken als een slachtoffer ex art. 51a Sv.

9.4 Het oordeel van de rechtbank

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 2 ten laste gelegde feit (art. 310 jo. 312 jo. 317 Sr) bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

[naam] voornoemd is weliswaar niet bij naam genoemd in de tenlastelegging, maar hij was ten tijde van onderhavig incident wel als cafébezoeker aanwezig en in die zin ook in de tenlastelegging opgenomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [naam] voornoemd wel kan worden aangemerkt als een slachtoffer ex art. 51a Sv. [naam] voornoemd kan dan ook worden ontvangen in zijn vordering.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als

volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 250,00 in onderhavige zaak alleszins redelijk is. De vordering immateriële schade, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook gedeeltelijk voor toewijzing vatbaar. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 20 oktober 2012 tot de dag der algehele voldoening.

Voor het deel van de vordering dat voormeld bedrag van overstijgt, is de vordering niet voor toewijzing vatbaar en zal de rechtbank de vordering met betrekking tot het restant afwijzen.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededader(s), hoofdelijk, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte en zijn mededader, hoofdelijk, de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 250,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 20 oktober 2012 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 5 dagen, te betalen ten behoeve van [naam] voornoemd.

De rechtbank zal ook hier het voorstel van de verdediging om in plaats van een hoofdelijke veroordeling de verplichting tot schadevergoeding op ponds-ponds-wijze te verdelen niet volgen. Het incassorisico dient immers niet bij het slachtoffer te liggen.

10. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 45, 57, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van twee jaar de algemene voorwaarde(n) of de bijzondere voorwaarde(n) heeft overtreden;

- stelt als algemene voorwaarde(n) dat de verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en,

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde(n) dat de verdachte:

- zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering;

- deel zal nemen aan de gedragsinterventie Cognitieve vaardigheidstraining;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij [slacht[naam]

- wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1];

- veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 1], [adres], te betalen een bedrag van € 750,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 20 oktober 2012 tot de dag der algehele voldoening;

- wijst af de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 750,00 subsidiair 15 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 (art. 45 jo. 312 jo. 317 Sr) voornoemd, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

- veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 20 oktober 2012 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door verdachtes mededader(s) is voldaan;

Benadeelde partij [naam]

- wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij [naam];

- veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [naam], [adres], te betalen een bedrag van € 250,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 20 oktober 2012 tot de dag der algehele voldoening;

- wijst af de vordering van de benadeelde partij [naam] voor het overige;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 250,00 subsidiair 5 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 2 (art. 310 jo. 312 jo. 317 Sr) voornoemd, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

- veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 20 oktober 2012 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door verdachtes mededader(s) is voldaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter, mr. V.P. van Deventer en mr. C.C.W.M. Aretz, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.A.G. Corten, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 juni 2013.

Buiten staat

Mr. C.C.W.M. Aretz is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.