Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:CA1910

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-06-2013
Datum publicatie
07-06-2013
Zaaknummer
04/850455-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- onvoldoende bewijsmateriaal, om de ernst van het toegepaste geweld te kunnen duiden, leidt tot vrijspraak van poging zware mishandeling;

- verwerping verweer onbetrouwbaarheid getuige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 04/850455-10

Datum uitspraak: 7 juni 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

wonende te [adres].

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

24 mei 2013.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 21 november 2010 in de gemeente Weert in café [naam] opzettelijk mishandelend [slachtoffer] heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(art. 300 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 21 november 2010 in de gemeente Weert in de keuken van café [naam] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [slachtoffer] heeft geslagen en/of getrapt, ook terwijl genoemde [slachtoffer] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 302 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien ter zake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 21 november 2010 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] heeft geslagen en/of getrapt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

(art. 300 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 24 mei 2013 gevorderd dat het onder 1 en het onder 2 primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

Ten aanzien van het feit 1 stelt de officier van justitie dat diverse getuigen hebben verklaard dat er over en weer is geslagen door verdachte en [slachtoffer] en dat verdachte heeft gezegd dat hij naar [slachtoffer] toe liep omdat hij verhaal wilde halen. Hieruit blijkt naar de mening van de officier van justitie dat verdachte de confrontatie heeft gezocht.

Na het gebeuren in de bar heeft een medewerker van het café [slachtoffer] ontzet en in de keuken laten plaatsnemen. Toen hadden de schermutselingen moeten stoppen. Echter verschillende getuigen hebben verklaard dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] beiden de keuken in zijn gerend. [slachtoffer] is daar geslagen en geschopt. Naar de mening van de officier van justitie kan het schoppen en slaan van een persoon die op de grond ligt onder omstandigheden leiden tot zwaar lichamelijk letsel.

De raadsman heeft zich in zijn pleitnota op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en het onder 2 primair ten laste gelegde. Met betrekking tot het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 1] als onbetrouwbaar dienen te worden uitgesloten van het bewijs, dit zowel voor het onder 1 als voor het onder 2 primair ten laste gelegde. Voor feit 1 stelt de raadsman dat [slachtoffer] verdachte bewust met een voorwerp op diens hoofd heeft geslagen. Voorts blijkt ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde niet dat sprake is geweest van pijn of letsel bij [slachtoffer]. Met betrekking tot hetgeen door getuige [getuige 1] zou zijn gezien in de keuken (feit 2) stelt de raadsman dat deze pas nadat getuige [getuige 2] de keuken is ingelopen, achter haar de keuken in is gelopen. [getuige 2] kwam pas in de keuken op het moment dat [slachtoffer] [medeverdachte] al in de buik had gestoken, zodat [getuige 1] nooit gezien kan hebben wat er zich voorafgaand aan het steken door [slachtoffer] heeft afgespeeld. Voorts stelt de raadsman dat niet blijkt dat het geweld, zoals dat kennelijk heeft plaatsgevonden, geschikt was om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Van het voorwaardelijk opzet op een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan naar de mening van de raadsman dan ook geen sprake zijn.

7.2.Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair is ten laste gelegd. Het schoppen en slaan van iemand die op de grond ligt kan naar het oordeel van de rechtbank onder omstandigheden leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Echter uit de bewijsmiddelen blijkt niet duidelijk of door verdachten – in een klein keukentje – daadwerkelijk is uitgehaald en hoe heftig er geslagen/geschopt is. Bovendien is er bij [slachtoffer] slechts gering letsel geconstateerd. Ook hieruit valt niet af te leiden dat grof geweld is gebruikt. Nu niet is komen vast te staan in welke mate geweld is gebruikt, valt evenmin vast te stellen dat de verdachten willens en wetens de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel hebben aanvaard. De verdachte moet van het onder 2 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

7.3.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 1 en onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Het genoemde geschrift is slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Op 21 november 2010 verklaart [slachtoffer] – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Op 21 november 2010 ben ik naar café [naam] te Weert gegaan. Ik had daar afgesproken met een kennis, genaamd [getuige 1]. [getuige 3], het meisje dat in het café werkt, kwam omstreeks 18.15 uur even bij ons zitten. Zij had al gezegd dat zij werd lastig gevallen door iemand met een witte trui en door ene [verdachte]. Toen [getuige 3] bij ons kwam zitten begon het weer. Zij is toen even weggegaan en toen ze terugkwam begon [verdachte] [getuige 3] weer lastig te vallen. Die man met die witte trui kwam eerst en toen kwam [verdachte]. Ik zei toen tegen die man met die witte trui dat zij weg moesten gaan. Ik zag toen dat hij weg liep. [verdachte] kwam toen naar mij toe en hij sloeg mij twee keer vol in mijn gezicht met kracht en met een gebalde vuist. Ik voelde daardoor hevige pijn en viel tegen de bar. Ik ben toen naar de keuken gegaan. Toen ik in de keuken was, zag ik dat die man met die witte trui in de keuken kwam. Ik zag en voelde dat hij mij met een fles op mijn hoofd sloeg. Ik ging hierdoor tegen de grond in de hoek. Ik ben toen buiten westen geweest. Toen ik weer bij kwam lag ik aan het andere eind van de keuken. Ik zag [verdachte], die man met die witte trui en nog een derde persoon op mij liggen. Ik zag ook de man met de witte trui aan de voorzijde bloed op zijn trui had. Ik wilde opstaan, maar was nogal dizzy. [verdachte] schopte en sloeg mij opnieuw. Die man met die witte trui heeft mij toen weer geslagen. Mijn hoofd doet erg pijn. Ik heb een scheur in mijn oor, mijn nek, ribben, en scheen doen zeer. Ademen doet ook zeer.”

Op 23 november 2010 verklaart [slachtoffer] – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Ik verklaar nader dat op 21 november 2010 de jongen met het witte shirt, [medeverdachte], naar ons toe kwam gelopen. Ik zag dat [medeverdachte] heel dicht tegen [getuige 3] aan kwam staan. Ik zag dat [medeverdachte] met zijn hand naar de billen van [getuige 3] greep. Ik zag en hoorde dat [getuige 3] hier niet van gediend was. Ik hoorde dat [getuige 3] zei: "Niet doen, ga weg, dat wil ik niet". Ik zei hierop ook tegen [medeverdachte]: "Ga nou weg". Ik zag dat [medeverdachte] daarop naar zijn vrienden liep. Plots hoorde ik geschreeuw. Ik zag dat [verdachte] vlak bij mij stond en werd tegen gehouden door anderen. Ik hoorde dat [verdachte] schreeuwde: " Wie ben jij wel. Nu heb je de verkeerde. Ik maak je af". Ik zag dat [verdachte] werd weggeduwd richting zijn vrienden. Plotsklaps voelde ik dat ik twee keer vol in mijn gezicht, met een vuist op mijn neus en mond werd geslagen. Ik zag dat [verdachte] mij twee keer met gebalde vuist sloeg. Door de vuistslagen viel ik achterover. Ik viel met mijn achterhoofd tegen de railing van de bar. Ik zag vervolgens dat [verdachte] weer op mij af kwam en dat ik zag hij bloedde aan zijn voorhoofd. Ik ben daarna de keuken ingegaan op aanraden van [getuige 4]. Ik ben in de hoek gaan staan. Die keuken is maar heel klein. Op een gegeven moment zag ik dat de man in de witte trui, [medeverdachte] dus, door de klapdeuren kwam gestormd. Ik zag dat hij een lege fles pakte en zag en voelde dat hij mij met die fles midden op mijn hoofd sloeg. Ik zakte onderuit. Ik zag in een schim [verdachte] de keuken instormen. Ik zag [verdachte] in mijn richting schoppen. Daarna was het licht voor mij uit. Kennelijk ben ik even buiten bewustzijn geweest. Op het moment dat ik weer bij bewustzijn was zag ik dat ik aan de andere kant in de keuken op de grond lag en dat [verdachte] en [medeverdachte] mij aan het slaan en het trappen waren. Ik zag dat [verdachte] opstond en met twee benen richting mijn gezicht kwam. In een reactie draaide ik mij liggend naar links en voelde ik dat ik in mijn rechterzij en aan mijn rechterarm werd geraakt.”

In het dossier bevindt zich medische informatie met betrekking tot [slachtoffer], opgemaakt door de forensisch geneeskundige [naam], welk geschrift onder meer inhoudt – zakelijk weergegeven – :

-“Waargenomen letsel bij [slachtoffer]: een klein (ca. 2 mm) wondje achter het rechter oor en sprake van zeer gering uitwendig bloedverlies.

-Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 22 november.”

[getuige 1] verklaart op 22 november 2010 – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Ik ben op 21 november 2010 naar café [naam]l[adres] te Weert gegaan. Ik had afgesprokenmet [slachtoffer]. Hij was al aanwezig. Ik zag dat [getuige 5] met zijn vriendin in het café aanwezig was en ook zag ik dat [getuige 3] aanwezig was. Zij is werkzaam in café [naam]. Verder was als personeelslid [getuige 4] aanwezig. Er waren nog een aantal personen aanwezig, dit was het groepje waar de ruzie door ontstaan is. Ik hoorde na het voorval enkele voornamen vallen. Ik hoorde de voornaam van [medeverdachte]. Dit is de persoon die naar het ziekenhuis is gegaan. Verder heb ik de naam gehoord van [verdachte]. In het middenstuk van de bar in het café zaten [slachtoffer], [getuige 3] en ik. [getuige 3] ging even pinnen en bij terugkomst deed ze haar jas uit toen ze het café binnen kwam. Het groepje van [medeverdachte] en [verdachte] maakte toen een opmerking. Ik zag dat [medeverdachte] [getuige 3] vastpakte tussen haar benen. [getuige 3] zei hem dat hij op moest sodemieteren. Ik zag dat [medeverdachte] steeds om [getuige 3] heen bleef hangen. Hij bleef haar irriteren. Ik hoorde dat [slachtoffer] toen tegen [medeverdachte] zei dat hij op moest houden. [slachtoffer] draaide zich om. Ik zag toen dat [verdachte] in de richting van [slachtoffer] liep en ik hoorde dat hij tegen [slachtoffer] riep: "Wie ben je wel niet". Hij sloeg [slachtoffer] met een vuist tegen zijn gezicht. Ik zag dat [verdachte] met zijn tot vuist gebalde rechterhand [slachtoffer] sloeg. Ik zag dat [slachtoffer] door de klap achter uit van zijn kruk viel. Hij viel tegen de bar waardoor er glaswerk is gevallen. Ik zag dat [slachtoffer] iets terug deed. Ik heb niet gezien wat [slachtoffer] terug heeft gedaan. Gelijktijdig kwam [getuige 5] tussenbeide. [getuige 5] was bezig om [verdachte] weg te houden. Vervolgens zag ik dat [slachtoffer] opstond en achter de bar door naar de keuken liep. Ik zag toen dat achter [getuige 4] door [verdachte] en [medeverdachte] met daarachter een derde persoon achter de bar door naar de keuken liepen. Ik hoorde een heleboel lawaai vanuit de keuken. Ik hoorde fles- en glasgerinkel. Ik zag dat [slachtoffer] in een hoekje op de grond in de keuken lag. Ik zag dat [slachtoffer] zijn armen voor zijn gezicht hield om zich te verdedigen. Ik zag dat [verdachte] en [medeverdachte] aan ieder een zijde van [slachtoffer] stonden. Ik zag dat [medeverdachte] en [verdachte] op [slachtoffer] aan het inbeuken waren met alles wat ze konden vinden. In de keuken zag ik verder dat [verdachte] een lege fles van Johnny Walker in zijn handen had. Ik zag dat hij met deze lege fles [medeverdachte] op zijn hoofd sloeg. Volgens mij had [verdachte] de bedoeling om [slachtoffer] met de fles te slaan en kwam [medeverdachte] er tussen waardoor deze de fles op zijn hoofd kreeg. [medeverdachte] reageerde niet op de klap met de fles. De fles is niet kapot gegaan. [medeverdachte] en [verdachte] bleven door gaan met het slaan en schoppen van [slachtoffer], terwijl deze op de grond lag. Terwijl [slachtoffer] op de grond lag en geslagen en geschopt werd heeft hij op een of andere manier een mes kunnen pakken. Ik zag dat [slachtoffer] [medeverdachte] stak in zijn buik. Ik zag toen dat [medeverdachte] geraakt was. [getuige 2] was aan [verdachte] aan het trekken om hem weg te krijgen van [slachtoffer]. Ik trok aan [medeverdachte] ook om hem weg te krijgen. [medeverdachte] merkte toen dat hij geraakt was. Wij hebben zowel [verdachte] als [medeverdachte] mee teruggenomen naar het cafégedeelte. Toen [verdachte] zich realiseerde dat [medeverdachte] was gestoken werd hij weer erg kwaad. Ik hoorde dat [verdachte] riep: “Ik laat mijn maatje niet neersteken, ik maak hem kapot.” Ik zag dat [verdachte] de deur naar de keuken wilde openen. Ik wilde dat voorkomen. Ik pakte hem in een soort houdgreep vast. [verdachte] was helemaal opgefokt. [slachtoffer] was nog in de keuken en ik wilde voorkomen dat [verdachte] en [slachtoffer] bij elkaar kwamen. Uiteindelijk lukte het mij om [verdachte] achter de bar vandaan te krijgen.”

De getuige [getuige 3] verklaart op 21 november 2010 – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Ik ben werkzaam als barmedewerkster bij café [naam] gelegen [adres] te Weert. Op 21 november 2010 omstreeks 15.00 uur waren er onder meer vier personen, die alleen bier hebben gedronken. Tussen 15.00 uur en 17.00 uur kwam [slachtoffer], een vaste klant van [naam], gekomen. Ook een andere vaste klant, [getuige 1], kwam het café binnen. Hij is bij [slachtoffer] gaan zitten. De vier manspersonen begonnen steeds luidruchtiger te worden. Een jongen in een zwart T-shirt betastte mij. Ik zei tegen hem: “dat flik je me niet meer”. Ik ben toen andere klanten gaan helpen en heb die 4 personen genegeerd. Omstreeks 18.00 uur kwam [getuige 4], mijn collega, mij aflossen. Ik ben bij [slachtoffer] en [getuige 1] aan de bar gaan zitten. Toen ik even weg was geweest en omstreeks 19.30 uur weer terug was in het café, hoorde ik één van die vier mensen wat roepen. Ik ben weer bij [slachtoffer] en [getuige 1] gaan zitten. Die jongen met het zwarte T-shirt kwam op een gegeven moment naar mij toe gelopen. Hij zei iets tegen mij. Ik zei tegen hem: "Luister eens, ik ben klaar met werken. Ik heb niet zo’n zin om met je te praten dus laat me met rust". Die jongen bleef toch tegen mij praten. [slachtoffer] heeft op een gegeven moment tegen die jongen gezegd: "Ga nou weg en laat haar met rust". Ik zag toen dat die jongen met het zwarte T-shirt op [slachtoffer] af vloog. Er is geslagen over en weer. Ik heb gezien dat die jongen in het zwarte T-shirt met zijn vriend die een wit T-shirt droeg de keuken invlogen. Wat daar is gebeurd weet ik niet omdat de klapdeuren dicht waren. Na een paar minuten zag ik dat de jongen gekleed in het witte T-shirt de keuken uit kwam gelopen. Ik zag dat zijn witte T-shirt rood van het bloed gekleurd was. Ik ben naar buiten gerend.”

De getuige [getuige 5] verklaart op 30 november 2010 – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Op 21 november 2010 was ik met mijn partner naar café [naam] te Weert gegaan. Ik zag dat bij [naam] aanwezig waren: [slachtoffer], [medeverdachte], achternaam weet ik niet, en [verdachte]. Er was nog een persoon bij. Ik had de indruk dat die derde persoon bij [verdachte] en [medeverdachte] hoorde. Er was onenigheid tussen [verdachte] en [slachtoffer]. De ruzie tussen [verdachte] en [slachtoffer] werd gesust door de aanwezige mensen. Ineens kwamen [verdachte] en [slachtoffer] weer bij elkaar. Er is toen over en weer tussen [verdachte] en [slachtoffer] geslagen. Ik heb dit niet precies gezien want ik zat met zijn rug naar hen toe. [slachtoffer] en [verdachte] zijn weer uit elkaar gehaald door de aanwezigen. Ik meen dat de barmedewerker, [getuige 4], [slachtoffer] mee naar de keuken nam. Op een gegeven moment zag ik dat [medeverdachte] naar de keuken liep. Nadat [medeverdachte] in de keuken was, zag ik dat [verdachte] ook naar de keuken liep. De derde persoon was volgens mij naar de wc of stond nog aan de bar. Ik hoorde vervolgens een heleboel lawaai. Ik hoorde kapot gaand glas en borden. Ik ben toen richting keuken gelopen, tot aan de klapdeuren. Ik zag toen een heleboel bloed in de keuken. Ik zag [verdachte], [medeverdachte] en [slachtoffer]. Volgens mij stond [getuige 1], wiens achternaam ik niet weet, ook in de keuken. Op het moment dat ik door de klapdeur keek, zag ik dat er tussen [verdachte], [medeverdachte] en [slachtoffer] over en weer geslagen, geduwd en getrokken werd. [getuige 1] was volgens mij de zaak aan het sussen. [getuige 2] is volgens mij later gekomen.”

Op 24 november 2010 verklaart de getuige [getuige 2] – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Over een vechtpartij op 21 november 2010, rond 19.30 uur in café [naam], [adres] te Weert, zeg ik dat ik toen werkte in brasserie[adres]” aan [adres] te Weert. Op dat tijdstip kwam [getuige 3], die als barkeepster werkt bij “[naam]” naar binnen gelopen. Ze huilde en riep dat er ruzie was, gevochten werd en de boel vernield werd. Ik ben vervolgens naar het café gegaan. Ik zag een man in een zwart c.q. donker T-shirt. Deze werd tegengehouden door [getuige 1]. Beiden stonden volgens mij bij de ingang van de bar aan de heren wc kant. De man met het zwarte T-shirt wilde de keuken in. Zowel [getuige 1] als ik hebben hem tegengehouden en probeerden hem weg te trekken. Die man schreeuwde: “laat me los, ik maak hem kapot.” Het was duidelijk dat hij de keuken in wilde. Door de openstaande klapdeuren vanaf het café naar de keuken zag ik [slachtoffer] staan. Ik had tevoren bij de lange tafel een persoon in een witte blouse zien staan. Deze was helemaal onder het bloed. [getuige 1] en ik hebben vervolgens die jongen met het zwarte T-shirt achter de bar uitgetrokken.“

Verdachte verklaart ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – als volgt:

“Ik was toen in café [naam] met [medeverdachte]. [medeverdachte] had met een barmeisje gesproken en [slachtoffer] riep iets. Ik ben toen naar hem toe gegaan om verhaal te halen.”

Met betrekking tot het door de raadsman aangevoerde overweegt de rechtbank als volgt.

De raadsman heeft gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 1] onbetrouwbaar zijn en dienen te worden uitgesloten van het bewijs, dit zowel ten aanzien van het onder 1 als het onder 2 primair ten laste gelegde. [slachtoffer] draait om het feit heen dat hij [verdachte] met een voorwerp tegen het hoofd heeft geslagen. Zijn vriend [getuige 1] bevestigt verder de lezing van [slachtoffer], vooral over wat er in de keuken zou zijn gebeurd, terwijl hij een en ander niet heeft kunnen waarnemen. Immers, uit de verklaring van [getuige 1] volgt dat hij pas na de getuige [getuige 2] de keuken is binnen gegaan. Dat was nadat [medeverdachte] was gestoken.

Met betrekking tot het feit onder 1 is de rechtbank van oordeel dat, wat er ook zij van de verklaringen dat [slachtoffer] verdachte zou hebben geslagen met een waxinelichtjeshouder, het niet alleen uit de verklaringen van de [slachtoffer] en [getuige 1] blijkt dat de eerste klappen zijn uitgedeeld richting [slachtoffer] door verdachte. Dit wordt namelijk ook bevestigd door de hiervoor vermelde verklaring van de getuige [getuige 3]. Bovendien heeft verdachte gezegd dat hij naar [slachtoffer] ging om verhaal te halen. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 1] geloofwaardig.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het feit onder 2 als volgt:

Uit de bewijsmiddelen volgt dat er in elk geval twee verschillende momenten zijn de onderscheiden waarin getuige [getuige 1] in de keuken of bij de deuropening was tijdens de vechtpartij. Het eerste moment is waar hij ziet dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] achter [slachtoffer] de keuken ingaan. Dan ziet hij het schoppen en slaan door verdachten en het steken met een mes door [slachtoffer] in de buik van [medeverdachte]. Daarna gaan verdachte en [medeverdachte] de keuken uit en het café weer in. Nadat verdachte in de gaten heeft dat zijn maatje [medeverdachte] ernstig gewond is, wil hij weer op [slachtoffer] (die nog steeds in de keuken is) af en wordt hij tegengehouden door [getuige 1]. Dit is het moment waarop de getuige [getuige 2] het café in komt. Daar waar getuige [getuige 1] verklaart dat getuige [getuige 2] al bij het eerste moment in de keuken aanwezig was, berust dit op een vergissing. Dat [getuige 2] [getuige 2] in de keuken [slachtoffer] heeft zien staan terwijl zij zag dat verdachte de keuken in wilde gaan, wil naar het oordeel van de rechtbank niet zeggen dat [getuige 1] niet gezien kan hebben dat verdachte samen met [medeverdachte] in de keuken op [slachtoffer] aan het inbeuken was. [getuige 2] verklaart over het moment dat de verdachten al uit de keuken waren teruggekeerd. Zij had namelijk voordat zij [slachtoffer] bij de keuken zag staan, in het café een persoon in een witte blouse gezien, terwijl deze helemaal onder het bloed zat. Dat [getuige 1] ten tijde van de mishandelingen in de keuken was en dus kon zien wat er gebeurde vindt eveneens bevestiging in de verklaring van de [getuige 5] die verklaard heeft dat [getuige 1] volgens hem ook in de keuken stond en dat [getuige 2] later is gekomen, toen [getuige 1] de zaak al gesust had. Dat [getuige 1], zijnde bevriend met [slachtoffer], – kort gezegd – zijn vriend wilde helpen door het afleggen van onbetrouwbare verklaringen, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Immers [getuige 1] verklaart ook dat hij [slachtoffer] in de keuken heeft zien steken met een mes, waarbij hij [medeverdachte] in zijn buik stak. Een dergelijke uitlating past niet binnen een als “vriendendienst” gemanipuleerde verklaring. De verklaring van [getuige 1] van 22 november 2010 over het slaan door verdachte met een fles op het hoofd van [medeverdachte] kan bovendien niet door [getuige 1] met [slachtoffer] zijn afgestemd, nu uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] op 21 november 2010 te 20.15 uur is aangehouden en op 22 november 2010 om 11.15 uur in verzekering is gesteld. Er was dus geen gelegenheid voor [getuige 1] om met [slachtoffer] te spreken. De verklaring van [getuige 1] op dit vlak spoort met de geconstateerde hoofdwond van [medeverdachte] (pag. 90 proces-verbaal).

De verweren van de raadsman worden, gelet op het vorenstaande, alle verworpen.

7.4.Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 1 en het sub 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 21 november 2010 in de gemeente Weert in café [naam] opzettelijk mishandelend [slachtoffer] heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer] pijn heeft ondervonden;

2 subsidiair:

hij op 21 november 2010 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] heeft geslagen en getrapt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1.De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

8.2.Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

t.a.v. feit 1:

mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht;

t.a.v. feit 2 subsidiair:

medeplegen van mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezen verklaarde. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

10.De straffen en/of maatregelen

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 24 mei 2013 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf geen verweer gevoerd.

10.3.De overwegingen van de rechtbank

Bewezen verklaard is dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer] tijdens een caféruzie heeft geslagen, en tevens dat verdachte samen met zijn medeverdachte [medeverdachte] vervolgens deze [slachtoffer], toen deze zich in de keuken van het café bevond, nogmaals heeft geslagen en getrapt. Verdachte verkeerde ten tijde van de feiten onder invloed van alcoholische drank.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Verdachte en zijn medeverdachte vertoonden in het café bijzonder hinderlijk gedrag jegens een barmedewerkster en toen zij daarop door [slachtoffer] werden aangesproken ontstond een ruzie, die ontaardde in een handgemeen, hetgeen uit de hand is gelopen. Verdachte en zijn medeverdachte bleven de ruzie opzoeken, ondanks diverse pogingen van andere aanwezigen om de boel te sussen. Een vechtpartij als de onderhavige in een café, een openbare ruimte waar mensen komen om elkaar te ontmoeten en om te ontspannen, acht de rechtbank een ernstige zaak.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 maart 2012, waaruit blijkt dat hij weliswaar eerder door de strafrechter voor een soortgelijk feit is veroordeeld, doch dat deze veroordeling reeds lang geleden is (18 maart 1991). De rechtbank heeft daarnaast gelet op het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport d.d. 24 februari 2011. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte 19 dagen in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank zal bij de strafoplegging tevens rekening houden met het feit dat de bewezen verklaarde feiten tweeëneenhalf jaar geleden hebben plaatsgevonden.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, zulks met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, een gepaste bestraffing vormt.

11.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 22c, 22d, 27, 47, 57, 300.

12.Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 2 subsidiair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 38 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid;

beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 19 dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht en bepaalt dat de aftrek aldus zal geschieden dat tegenover één dag inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis welke verdachte

heeft ondergaan twee uren taakstraf worden gesteld.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, V.P. van Deventer en C.C.W.M. Aretz, rechters, van wie mr. V.P. van Deventer voorzitter, in tegenwoordigheid van C. van Est als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 7 juni 2013.

Mr. C.C.W.M. Aretz is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.