Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:CA0995

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
24-05-2013
Zaaknummer
503356 CV EXPL 12-4950
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudelijk geschil over betaling van premie ziektekostenverzekering. Eisende partij maakt in rechte niet duidelijk dat en waarom zij in plaats van de ziektekostenverzekeraar VGZ (uitsluitend) tot inning en invordering van die premie gerechtigd is. Met name kan niet uit de gestelde feiten en overgelegde stukken afgeleid worden dat er in de verhouding met de verzekeringnemer / verzekerde sprake is van een zodanige relatie tussen de debiteur, VGZ en Turien dat laatstgenoemde een zelfstandig vorderingsrecht ter zake van de verschuldigde premie heeft. Omdat bewijs te dien aanzien ook niet op de vereiste wijze (met de te verlangen precisie) aangeboden is, wordt de vordering afgewezen onder verwijzing van Turien in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2013/210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht / Kantonrechter

Zaaknummer 503356 CV EXPL 12-4950

Vonnis van 22 mei 2013

in de zaak

de commanditaire vennootschap TURIEN & CO.,

gevestigd en kantoorhoudend te Alkmaar ,

verder ook te noemen: Turien,

eisende partij,

gemachtigde: een ongenoemd gelaten persoon ten kantore van “LAVG B.V.” te Roermond

tegen

[NAAM GEDAAGDE PARTIJ],

wonend te [adresgegevens gedaagde partij],

verder ook te noemen: [naam gedaagde partij],

gedaagde partij,

gemachtigde: [naam moeder gedaagde partij] te Noorbeek (moeder van [naam gedaagde partij])

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Turien heeft [naam gedaagde partij] bij dagvaarding van 5 november 2012 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in het exploot van dagvaarding, tegelijk waarmee aan [naam gedaagde partij] (niet in persoon) drie ongenummerde en inhoudelijk onbesproken gelaten kopieën van brieven als ‘bijlage’ betekend zijn.

[naam gedaagde partij] heeft, na gevraagd en verkregen uitstel, ter rolzitting van 30 januari 2013 schriftelijk geantwoord onder bijvoeging van twee gefotokopieerde rekeningafschriften.

Vervolgens heeft Turien op 27 februari 2013 voor repliek geconcludeerd onder bijvoeging van tien producties.

Ter rolzitting van 27 maart 2013 heeft [naam gedaagde partij] bij wijze van dupliek (schriftelijk) volhard bij het eerder gevoerde verweer.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag gesteld is.

MOTIVERING

a. het geschil

Turien vordert veroordeling van [naam gedaagde partij] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 455,40, te vermeerderen met wettelijke rente over een daarvan deel uitmakend bedrag van € 353,92 ‘vanaf’ 9 oktober 2012 tot de voldoening en tot vergoeding van te liquideren proceskosten (‘de kosten naar de Wet’). Zij acht het opportuun om haar vordering (subsidiair) in die zin te limiteren dat ‘een en ander een bedrag van € 25.000,00 niet te bovengaande’ zal worden, maar de kans daarop is in het licht van het geformuleerde petitum uiteraard nihil. Turien poneert in het uiterst summiere en globale exploot dat zij ‘als gevolmachtigde van VGZ Zorgverzekeraar N.V.’ van [naam gedaagde partij] een onbetaald gelaten bedrag van € 353,92 aan premie ‘opeisbaar te vorderen’ heeft en noemt in dat verband drie premienota’s voor de maanden oktober/november 2011 en maart 2012. De nota’s betreffen volgens haar ‘een zorgverzekeringsovereenkomst (IZA Cura)’ die ‘via eiseres’ (‘als gevolmachtigde’) gesloten is en waarop ‘de algemene voorwaarden van eiseres’ van toepassing zouden zijn (niet gesteld is hoe die toepasselijkheid bedongen is, terwijl de bewuste voorwaarden, althans voor zover voor deze procedure relevant, evenmin ingebracht, geciteerd, geparafraseerd of anderszins in de processtukken beschreven zijn).

Naast de hoofdsom van € 353,92 vordert Turien bedragen van € 12,23 aan vervallen rente (berekend ‘vanaf de vervaldata van de facturen’, welke data niet nader geconcretiseerd zijn, tot 9 oktober 2012) en € 89,25 aan buitengerechtelijke kosten en daarover verschuldigde btw (volgens Turien ‘B.T.W.’). Concreet betalingsverzuim is niet genoemd of beschreven.

Blijkens de repliek zou het tussen [naam gedaagde partij] en Turien gegaan zijn om zowel een basisverzekering als een aanvullende verzekering per 1 januari 2011, doch heeft Turien de aanvullende verzekering per 1 januari 2012 ‘wegens wanbetaling beëindigd’, waarna [naam gedaagde partij] € 102,84 in plaats van de voordien geldende gecombineerde premie van € 125,54 per maand verschuldigd was.

Turien wijdt in haar repliek verder nog veel woorden aan een beschrijving van haar inspanningen om betaling te verkrijgen en aan de weerspreking van hetgeen [naam gedaagde partij] tot zijn verweer had doen aanvoeren of zelfs van zaken die deze niet expliciet aangevoerd had.

Zij biedt zowel bij exploot als bij repliek slechts in uiterst globale zin ‘bewijs door alle middelen en wegen rechtens’ aan zonder dit zelfs toe te spitsen op enig bewijsthema.

Het voor [naam gedaagde partij] in twee ronden gevoerde en gehandhaafde verweer behelst een betwisting van enige schuld omdat - in de woorden van de gemachtigde moeder - “mijn zoon alles betaald (heeft) aan Turein en Co, ofwel IZA Cura”, hetgeen geadstrueerd wordt met overgelegde afschriften van bancaire afschrijvingen d.d. 2 november 2011 aan Turien (dagafschrift 18 november 2011) en 2 maart 2012 aan IZA CURA (dagafschrift 23 maart 2012). Hij / zijn moeder benadrukt dat een en ander al aan de gemachtigde ‘LAVG’ voorgelegd was, ‘maar niemand komt er niemand wijs uit de administratie van zowel Turein als IZA Cura’. Als er desondanks een betalingsverplichting zou resteren, wenst [naam gedaagde partij] die via een aflossingsregeling in te lossen. In ieder geval is zijn moeder van oordeel dat [naam gedaagde partij] niet voor de ‘extra kosten’ hoeft op te draaien, al is het maar omdat hem de betalingsverplichting nooit goed uitgelegd is. Bij dupliek is daaraan toegevoegd dat de incassokosten niet reëel zijn ‘en buiten proportie’.

b. de beoordeling

De uitdrukkelijke betwisting van een financiële verplichting van [naam gedaagde partij] aan Turien heeft tot gevolg dat de kantonrechter het door Turien aangevoerde feitensubstraat en de juridische grondslag die onder de ingestelde vordering(en) gelegd wordt, aan een extra kritisch onderzoek dient te onderwerpen. Daartoe zou hij overigens voor wat betreft de globale gegrondheid en rechtmatigheid van de vordering in een consumentenzaak als de onderhavige ook ambtshalve en zelfs bij verstek gehouden zijn. Al bij oppervlakkige beschouwing van het exploot en de eerste passages van de repliek met de verwijzing naar de tweede productie (de ‘VOLMACHT’) valt direct op dat Turien de onderhavige vordering pro se instelt, terwijl zij niet de premiegerechtigde verzekeraar is en evenmin stelt dat zij door cessie of anderszins directe eigendomsrechten op die premie kan uitoefenen. Het motiverende fundament in het exploot start met de opmerking: “Eiseres treedt op als gevolmachtigde van VGZ Zorgverzekeraar N.V. (rechtsopvolger van Trias Zorgverzekeraar N.V.)”. Die stelling wordt in de conclusie van repliek toegespitst op het aangaan van een overeenkomst tot verzekering van kosten van gezondheidszorg ‘als gevolmachtigde van VGZ Zorgverzekeraar’. Turien verwijst in de repliek te dien aanzien naar een als prod. 2 bijgevoegde kopie van een volmacht. Deze van 19 februari 2001 daterende en in algemene termen gestelde volmacht echter verleent Turien - blijkens de ondubbelzinnige en dus niet voor andere uitleg vatbare bewoordingen - niet een eigen recht op invordering van premie, al dan niet langs processuele weg, doch slechts het recht om ‘in naam van ondergetekende’ (als hoedanig thans de verzekeraar VGZ te gelden heeft) premies te ontvangen en te dien aanzien rechtsvorderingen aanhangig te maken ‘ter uitoefening van enig aan ondergetekende als verzekeraar toekomend recht’ (wederom is hier VGZ, nu als ondertekenaar, bedoeld). Of een verdergaande bevoegdheid in de vorm van een eigen vorderingsrecht van Turien (en dan speciaal de positie als waarvan art. 7: 936 BW blijk geeft) door VGZ ten aanzien van Turien beoogd is, kan de kantonrechter op basis van de hier ontvouwde summiere stelling(en) en het ter adstructie toegevoegde maar daartoe ontoereikende document niet beoordelen. Turien heeft immers niet gesteld en/of bij tegenspraak van de gedaagde partij aangetoond dat zij als tussenpersoon bij (nadere) overeenkomst de verplichtingen van de verzekeringnemer tegenover de verzekeraar VGZ tot betaling van premie en kosten als eigen schuld geheel overgenomen heeft en daartegenover een eigen recht verworven heeft jegens in dit geval [naam gedaagde partij]. Er zijn geen polisgegevens ten aanzien van de relatie VGZ / Turien /.[naam gedaagde partij] in het geding gebracht (ook niet door middel van prod. 1 bij repliek) die wijzen op een dergelijk ‘delcredere beding’ of op een vorm van middellijke vertegenwoordiging als gevolg waarvan Turien als tussenpersoon ‘in eigen naam’ (dus niet als vertegenwoordiger van VGZ) handelt.

Een en ander impliceert dat de vordering van Turien, wat daar verder ook van zij, afgewezen moet worden omdat onder die omstandigheden slechts VGZ als partij in rechte had kunnen verschijnen en Turien als haar ‘gevolmachtigde’ bijgevolg niet pro se de vordering had mogen instellen. Omdat Turien daarenboven niet specifiek en onder aanduiding van concrete bewijsmiddelen te bewijzen aangeboden heeft dat haar een rechtstreeks vorderingsrecht toekomt, moet haar het recht op bewijslevering ontzegd worden, als de gebreken in de naleving van haar stelplicht zich al voor herstel langs die weg zouden lenen.

Als geheel in het ongelijk gestelde partij dient Turien de proceskosten te dragen.

Die kosten worden aan de zijde van [naam gedaagde partij] bepaald op een bedrag van € 25,00 wegens met het leveren van verweer gemoeide uitgaven voor / kosten van reizen en correspondentie.

BESLISSING

De vordering wordt afgewezen.

Turien wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [naam gedaagde partij] begroot op een totaalbedrag van € 25,00, te voldoen binnen veertien dagen na vonnisdatum op een bij Turien bekend te veronderstellen rekeningnummer van [naam gedaagde partij].

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht,

en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.