Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:CA0914

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-05-2013
Datum publicatie
24-05-2013
Zaaknummer
04/850027-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging doodslag nu niet vaststaat hoe lang en met welke intensiteit de keel is dichtgeknepen en van bewustzijnsverlies evenmin is gebleken. Vrijspraak poging zware mishandeling nu (meerdere malen) schoppen met blote voeten geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert.

Noodweer(exces) niet aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 04/850027-12

Datum uitspraak: 17 mei 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

wonende te [adres].

Raadsman is mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 mei 2013.

De rechtbank heeft op 3 mei 2013 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 22 januari 2012 te Baexem, in de gemeente Leudal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [slachtoffer], terwijl zij op de grond zat, althans lag, met kracht de keel heeft dichtgeknepen en/of een sjaal, althans een stuk stof, in elk geval een voorwerp, in de mond van genoemde [slachtoffer] heeft gestopt en/of het gezicht van genoemde [slachtoffer] in een deken die op een bank lag heeft geduwd, waardoor genoemde [slachtoffer], niet kon ademen, althans geen lucht meer kreeg, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 287 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht);

althans indien ter zake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 22 januari 2012 te Baexem, in de gemeente Leudal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [slachtoffer], terwijl zij op de grond zat, althans lag, met kracht de keel heeft dichtgeknepen en/of een sjaal, althans een stuk stof, in elk geval een voorwerp, in de mond van genoemde [slachtoffer] heeft gestopt en/of het gezicht van genoemde [slachtoffer] in een deken die op een bank lag heeft geduwd, waardoor genoemde [slachtoffer], niet kon ademen, althans geen lucht meer kreeg, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 302 junto 45 van het Wetboek van Strafrecht);

2.

hij op of omstreeks 22 januari 2012 te Baexem, in de gemeente Leudal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel, in elk geval aan een persoon, genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [slachtoffer] tegen haar hele lichaam en/of hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 302 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht);

althans indien ter zake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 22 januari 2012 te Baexem, in de gemeente Leudal, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer], heeft geschopt en/of geslagen en/of aan haar haren heeft getrokken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

(art. 304 van het Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

-is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

-is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

-zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

-zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van zowel het onder 1 subsidiair als onder 2 primair ten laste gelegde.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van beide ten laste gelegde feiten, wegens het ontbreken van het opzet, ook in de voorwaardelijke variant.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het sub 1 en sub 2 telkens primair ten laste gelegde feit heeft begaan.De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

Ten aanzien van feit 1 primair

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat hij getracht heeft opzettelijk mevrouw [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank staat voor de vraag of het opzet van verdachte gericht was op haar dood. Uit de verklaring van verdachte kan opzet niet worden afgeleid.Zowel uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 3 mei 2013 als uit de verklaring van mevrouw [slachtoffer] leidt de rechtbank af dat verdachte mevrouw bij de keel heeft gepakt en de keel heeft dichtgeknepen.

Het dichtknijpen van de keel kan dodelijk letsel tot gevolg hebben maar dat is niet vanzelfsprekend het geval. In dit geval acht de rechtbank die kans niet aanmerkelijk, omdat niet vaststaat met welke intensiteit en hoelang is geknepen. Bovendien is van bewustzijnsverlies niet gebleken.Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet komen vast te staan dat er een aanmerkelijke kans heeft bestaan dat mevrouw [slachtoffer] zou komen te overlijden. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

Ten aanzien van feit 2 primair

Verdachte wordt onder meer verweten dat hij mevrouw [slachtoffer] tegen het hoofd heeft geschopt.

Nu verdachte het schoppen tegen heeft hoofd ontkend en mevrouw [slachtoffer] niet over het tegen haar hoofd schoppen heeft verklaard, acht de rechtbank dit onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen en zal zij verdachte hiervan vrijspreken.

Uit de verklaring van mevrouw [slachtoffer] blijkt dat verdachte op het moment dat hij haar tegen haar rug, benen en buik schopte, geen schoenen droeg.Naar het oordeel van de rechtbank is de kans dat het met blote voeten schoppen tegen het lichaam van een persoon, niet zijnde het hoofd, zwaar lichamelijk letsel oplevert niet zonder meer aanmerkelijk. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de aard van de verwondingen evenmin is af te leiden dat – door het samenstel van meerdere malen schoppen – er sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Immers, de verwondingen aan het lichaam van [slachtoffer] die juist bij het schoppen zouden kunnen passen, geven onvoldoende duidelijkheid over de kracht waarmee is geschopt.

De rechtbank acht de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling niet bewezen en zij zal verdachte daarvan vrijspreken.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen de feiten 1 en 2 telkens subsidiair, doch zij zal verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair van onderdelen vrijspreken. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Aan verdachte wordt verweten dat hij getracht heeft mevrouw [slachtoffer] zwaar lichamelijk letstel toe te brengen door haar keel dicht te knijpen.De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte haar geen zwaar lichamelijk letsel kan hebben toegebracht door haar de keel dicht te knijpen. De intensiteit en duur van het knijpen zijn niet bekend en verdachte had ook niet het opzet zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

De rechtbank overweegt daaromtrent dat het - ook kortstondig - dichtknijpen van de keel van een persoon in zijn algemeenheid een aanmerkelijke kans met zich meebrengt dat ten gevolge daarvan zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Op die plaats bevinden zich immers kwetsbare en vitale delen van de hals. Dat zulks had kunnen gebeuren, blijkt uit de letselrapportage van de forensisch arts. De arts constateert namelijk dat er sprake is van onder meer bloeduitstortingen rechts in de hals, striemen in de nek en drukplekken (bloeduitstortingen) achter met name het rechteroor. De arts concludeert dat de letsels passen bij fors fysiek geweld.

Aldus is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. De gedraging van verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte willens en wetens die aanmerkelijke kans heeft aanvaard. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Wat betreft de overige onderdelen van het onder feit 1 subsidiair ten lastegelegde is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

4.4 Gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Het genoemde geschrift is slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen

Tijdens de terechtzitting van 3 mei 2013 heeft verdachte verklaard dat hij op 22 januari 2012 te Baexem [slachtoffer], de vrouw met wie hij een relatie had en samenwoonde, bij de keel heeft gegrepen en haar keel heeft dichtgeknepen. Ook heeft hij haar geslagen en aan haar haren getrokken.

Aangeefster mevrouw [slachtoffer] heeft tegenover de politie verklaard dat verdachte haar met een van zijn handen bij haar haren pakte en hier hard aan trok. Zij ondervond hiervan veel pijn. Vervolgens pakte verdachte haar met twee handen bij haar keel, terwijl zij op de grond zat naast de bank. Ze voelde dat ze geen adem kreeg. Nadat ze weer op de bank zat, zag en voelde zij dat verdachte haar met zijn linker en rechter vlakke hand hard tegen haar gezicht sloeg. Zij voelde pijn op haar wangen. Toen ze vervolgens over haar mond wreef, zag zij dat er bloed uit haar mond kwam. Vervolgens zag ze dat verdachte haar met zijn blote voeten schopte op haar rug, haar benen en op haar buik. Hij schopte hard en zij voelde daardoor pijn.

De politie relateert dat op 22 januari 2012 de forensisch arts [naam] een onderzoek heeft ingesteld naar de verwondingen van aangeefster.

De forensisch geneeskundige [naam] heeft de verwondingen van betrokkene/aangeefster onderzocht en onder meer het volgende bevonden.

Bloeduitstortingen rechts in de hals, striemen in de nek en drukplekken (bloeduitstortingen) achter me name het rechteroor.

Letsel/zwelling van de rechterknie en het rechter- en linkeronderbeen.Schaafwonden, ontvellingen en zwellingen op armen, gezicht en onderrug.De arts concludeert dat de letsels passen bij fors fysiek geweld.

De raadsman heeft tijdens de terechtzitting de betrouwbaarheid van aangeefster mevrouw [slachtoffer] en de unus testis kwestie ter sprake gebracht. De raadsman heeft echter aan zijn betoog geen conclusie verbonden. Daarom zal de rechtbank dit betoog van de raadsman niet beschouwen als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging en het betoog niet bespreken.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 22 januari 2012 te Baexem, in de gemeente Leudal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [slachtoffer], terwijl zij op de grond zat, met kracht de keel heeft dichtgeknepen,waardoor genoemde [slachtoffer] niet kon ademen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 22 januari 2012 te Baexem, in de gemeente Leudal, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [slachtoffer], heeft geschopt en geslagen en aan haar haren heeft getrokken, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1 De strafbaarheid

De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 subsidiair als verweer aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld in een noodweersituatie en dat verdachte derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte werd onverhoeds door mevrouw [slachtoffer] aangevallen, waarbij zij heeft getracht in het geslachtsdeel van verdachte te bijten. Tegen deze aanval moest hij zich verweren.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De eerste vraag waarvoor de rechtbank zich ziet gesteld is de vraag of er sprake is geweest van zo een aanranding of dreigend gevaar.

De rechtbank stelt voorop dat er uit het dossier geen aanwijzing is te putten die de lezing van verdachte - als hierboven weergegeven – ondersteunt doch daarmee is niet gezegd dat reeds om die reden de verklaring van verdachte en daarmee de aanval door het slachtoffer op hem niet aannemelijk zou kunnen zijn. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat de lezing van verdachte over de aanval door het slachtoffer niet aannemelijk is geworden.

De rechtbank stelt vast dat verdachte, noch bij de politie noch bij zijn voorgeleiding voor de rechter-commissaris en in raadkamer op enig moment over een aanranding van de zijde van het slachtoffer heeft verklaard. De rechtbank vindt het frappant dat verdachte bij de politie wel heeft verklaard dat het slachtoffer zou hebben gezegd dat zij verdachte “in zijn ballen zou bijten” maar dat verdachte daar toen niet aan heeft toegevoegd dat het slachtoffer ook zou hebben geprobeerd om verdachte op die plek te bijten en dat hij zich daarop moest verdedigen. Eerst ter terechtzitting heeft verdachte zulks verklaard.

In het licht van het vorenstaande acht de rechtbank het niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een (dreigende), ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer waartegen verdachte zich moest verdedigen, zodat de rechtbank het beroep op noodweer verwerpt.

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2 De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

poging tot zware mishandeling

ten aanzien van feit 2 subsidiair:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt begaan tegen zijn levensgezel

Het misdrijf sub 1 subsidiair is strafbaar gesteld bij de artikelen 302 in verband met 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf sub 2 subsidiair is strafbaar gesteld bij de artikelen 300 in verband met 304 van het Wetboek van Strafrecht.

6.De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 subsidiair als verweer aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld in een hevige gemoedstoestand en dat verdachte daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank is van oordeel dat nu er geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte (noodweersituatie) er ook geen sprake kan zijn van noodweerexces. De rechtbank zal daarom het verweer van de raadsman verwerpen.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

7.De oplegging van straf en/of maatregel

7.1De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de tijd van 365 dagen waarvan 268 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede als bijzonder voorwaarde toezicht van de reclassering.

7.2Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair naar voren gebracht dat aan verdachte geen straf dient te worden opgelegd gelet op de bepleite vrijspraak, subsidiair dat een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest van verdachte voldoende is.

7.3Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bewezen is verklaard een poging tot zware mishandeling alsmede een mishandeling van mevrouw [slachtoffer], de toenmalige levensgezel van verdachte. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat zij hierdoor letsel en pijn heeft bekomen.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van de straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting volgens welke voor zware mishandeling zonder gebruik van een wapen een gevangenisstraf van 3 maanden gebruikelijk is en voor een poging aldus 2 maanden. Aansluiting bij de oriëntatiepunten straftoemeting voor mishandeling, welke een geldboete voorstellen, acht de rechtbank evenwel niet op zijn plaats nu de mishandeling heeft plaatsgevonden jegens de levensgezel van verdachte hetgeen naar het oordeel van de rechtbank strafverhogend dient te werken. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het gegeven dat de bewezenverklaarde feiten hebben plaatsgevonden in de woning van het slachtoffer waar zij zich veilig en geborgen zou moeten voelen.

Tevens is rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte, die nog niet eerder ter zake van agressiedelicten met justitie in aanraking is gekomen, als gevolg van de voorlopige hechtenis die hij onderging in het kader van de onderhavige strafzaak, zijn werk en huisvesting is kwijtgeraakt.

De rechtbank zal niet overgaan tot het opleggen van een voorwaardelijke straf teneinde nieuwe strafbare feiten te voorkomen. Het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden binnen de relatie tussen verdachte en mevrouw [slachtoffer]. Nu deze relatie niet langer bestaat en verdachte tijdens de terechtzitting heeft aangegeven in te zien dat hij fout heeft gehandeld en in staat is de dreiging van soortgelijke situaties te onderkennen en het hoofd te bieden, acht de rechtbank het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf en toezicht van de reclassering niet zinvol.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf gelijk aan de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht een passende straf is.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 45, 57, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

-spreekt verdachte vrij van de sub 1 primair en sub 2 primair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

-verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.5 is omschreven;

-spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

-verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

-verklaart verdachte strafbaar;

BESLISSING:

Straffen

-veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 96 dagen;

-bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A.K. Kleine, P.M.S. Dijks, voorzitter, en

C.C.W.M. Aretz, rechters, in tegenwoordigheid van J.A.H. Bicker, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 mei 2013.