Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ8772

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
03/700135-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen afpersing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 03/700135-12

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 april 2013

in de strafzaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. J. Schepers, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is (inhoudelijk) behandeld op de zittingen van 19 juli 2012 en 2 april 2013, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: samen met (een) ander(en) door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer]heeft gedwongen tot afgifte van € 800,00.

Subsidiair: samen met (een) ander(en) met geweld en/of bedreiging met geweld € 800,00 heeft gestolen van die [slachtoffer].

Meer subsidiair: samen met (een) ander(en) die [slachtoffer] heeft gedwongen om iets te doen, niet te doen of te dulden.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met twee anderen schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde afpersing. Zij baseert haar standpunt op de aangifte en aanvullende verklaringen van [slachtoffer], de verklaring van verdachte, de getuigenverklaring van [getuige 1] en de bankafschriften waaruit blijkt dat er

op 15 december 2011 daadwerkelijk € 800,00 is gepind door aangever.

Het door medeverdachte [naam medeverdachte 2] toegepaste geweld, dat heeft bestaan uit het meermalen met gebalde vuist slaan in het gezicht van [slachtoffer], heeft volgens de officier van justitie niet bijgedragen aan de primair tenlastegelegde afpersing, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat verdachte niet als “medepleger” kan worden aangemerkt. Uit het dossier blijkt niet dat er sprake was van een vooropgezet plan om [slachtoffer] te dwingen tot afgifte van geld, dan wel hem te beroven van geld. Daar komt bij dat [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte zich gedurende het hele gebeuren afzijdig heeft gehouden.

Uit de eigen verklaring van verdachte blijkt weliswaar dat hij een en ander zou hebben geroepen toen hij in de tattooshop was en dat hij vervolgens met [slachtoffer] en [naam medeverdachte 3]

is meegereden naar de pinautomaat in Kerkrade, maar dat is onvoldoende om te kunnen spreken van medeplegen. Bovendien heeft verdachte hele andere bewoordingen gebruikt

dan in de tenlastelegging staan genoemd.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat van wederrechtelijk handelen zijdens verdachte geen sprake was. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij zich gedwongen voelde om aan verdachte en zijn medeverdachten geld te betalen. Uit het dossier blijkt echter onvoldoende waaruit deze dwang heeft bestaan. Het enkele roepen tegen [slachtoffer] dat hij geld moest terugbetalen levert volgens de raadsman nog geen afpersing, dan wel diefstal met geweld, dan wel dwang op.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 16 december 2011 deed [slachtoffer] aangifte bij de politie. [slachtoffer] verklaarde dat hij een eigen tattooshop heeft, gevestigd aan de [S.P.straat]te Kerkrade. Op 15 december 2011 stond een afspraak gepland met een klant, genaamd [naam medeverdachte 2] (welke later bleek te zijn medeverdachte [naam medeverdachte 2]). [naam medeverdachte 2] wilde een zogenaamde ‘tribalsleeve’ laten tatoeëren op zijn linkerarm. De prijs van deze tatoeage was € 650,00. Op 12 november 2011 had [slachtoffer]

al het eerste deel van de tatoeage gezet. [naam medeverdachte 2] had die dag € 600,00 aanbetaald. Op 15 december 2011 zou de tatoeage worden afgerond.

Die dag, omstreeks 18.00 uur, kwam [naam medeverdachte 2] de tattooshop binnen. [slachtoffer] liep samen met hem naar de behandelruimte, waar [naam medeverdachte 2] plaatsnam. [slachtoffer] ging naast [naam medeverdachte 2] op een stoel zitten en begon met tatoeëren. Na 15 minuten stond [naam medeverdachte 2] plots op en schreeuwde: “Wat the fuck doe jij nou”. Direct daarop werd [slachtoffer] door [naam medeverdachte 2] meermalen met een gebalde vuist in het gezicht geslagen. [slachtoffer], die op dat moment nog steeds in de stoel zat, kwam op de grond terecht en raakte enkele seconden buiten bewustzijn. Toen hij weer bij kwam, voelde hij dat zijn lip open lag en dat zijn rechter oog opzwelde.

Op de letselfoto’s, welke zijn gevoegd bij de aangifte, is te zien dat [slachtoffer] letsel had aan zijn lippen. Tevens is een forse bloeduitstorting onder het rechter oog en een kleine snijwond op de bovenkant van de rechterwang zichtbaar.

Toen [slachtoffer] weer was bijgekomen bleek dat er niemand meer in de zaak aanwezig was. Hij liep naar de receptie en zag dat [naam medeverdachte 2] samen met een ander persoon (welke later bleek te zijn medeverdachte [naam medeverdachte 3]) de tattooshop binnen kwam. Zij begonnen te schreeuwen en zeiden dat ze het geld terug wilden hebben. Ze wilden € 800,00 hebben. Verder schreeuwden zij: “Als ik het geld niet krijg dan verbouw ik je zaak.”

Tijdens een aanvullend verhoor verklaarde [slachtoffer] dat er, behalve [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2], nog een derde persoon (welke later bleek te zijn verdachte) met [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] de zaak was binnen gekomen. Volgens [slachtoffer] waren zij alle drie aan het “flippen”. Ze riepen allemaal: “We willen geld!”, “We willen 800 euro” en “Anders verbouwen we je zaak.”

[slachtoffer] was bang en geschokt. Hij zei: “Ik heb geen geld hier, ik zal de pinpas thuis moeten halen”. [slachtoffer] werd vervolgens door verdachte, [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] geduwd, vastgepakt en min of meer de tattooshop uitgetrokken. Buiten werd hij door [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2] nog diverse keren tegen een gevel aan geduwd. Zij zeiden steeds dat ze geld wilden hebben.

[slachtoffer] was vervolgens samen met [naam medeverdachte 3] in zijn eigen auto gestapt en naar zijn woning gereden om de bankpas op te halen. Vanaf dat moment had hij [naam medeverdachte 2] niet meer gezien. Thuis aangekomen zag hij dat een [merk auto]achter zijn auto was gestopt waaruit verdachte stapte. [slachtoffer] ging de woning binnen om de bankpas te pakken. De twee mannen ([naam medeverdachte 3] en verdachte) bleven wachten bij de voordeur. Vervolgens was hij samen met [naam medeverdachte 3] in zijn auto gestapt en naar de ABN Amro, gelegen aan de Markt te Kerkrade, gereden. Verdachte volgde hen. [slachtoffer] parkeerde zijn auto ter hoogte van de Markt en liep met [naam medeverdachte 3] naar de pinautomaat. Hij pinde € 800,00 en gaf dit geld aan [naam medeverdachte 3]. Verdachte stond erbij toen het geld werd overhandigd. Vervolgens waren verdachte en [naam medeverdachte 3] samen weggereden in de [merk auto].

Uit de bankgegevens blijkt dat op 15 december 2011 € 800,00 is afgeschreven van de ondernemersrekening van “[naam zaak]” bij de ABN Amro, gelegen aan de Markt te Kerkrade.

[naam medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat hij op een dag in december 2011 een afspraak had met de eigenaar van tattooshop “[naam zaak]” (zijnde [slachtoffer]) voor de laatste sessie van de tatoeage op zijn linker bovenarm. [naam medeverdachte 2] ging, omstreeks 18.00 uur, de tattooshop binnen. Hij had de indruk dat [slachtoffer] niet meer helemaal nuchter was, maar besloot om toch plaats te nemen op de behandelstoel, in de veronderstelling dat [slachtoffer] wel wist wat hij deed. [slachtoffer] begon vervolgens met tatoeëren. Na ongeveer een kwartier keek [naam medeverdachte 2] naar zijn arm. Hij zag toen dat de [slachtoffer] de tatoeage had verprutst. [naam medeverdachte 2] werd kwaad en eiste zijn geld terug. [slachtoffer] had echter geen geld bij zich. Hierop heeft [naam medeverdachte 2] de zaak verlaten. Buiten heeft hij [naam medeverdachte 3] gebeld en hem verteld wat er was voorgevallen. [naam medeverdachte 3] kwam direct naar [naam medeverdachte 2] toe. Zij besloten om terug te gaan naar de tattooshop. Op dat moment kwam een vriend van [naam medeverdachte 3], genaamd [naam verdachte ], langsgereden. Hij ging ook mee naar de tattooshop. Samen liepen zijn naar binnen. [naam medeverdachte 2] was naar eigen zeggen nog steeds kwaad en zei

met behoorlijke stemverheffing tegen [slachtoffer] dat hij het aankoopbedrag van de tatoeage

(€ 650,00) en daarnaast € 150,00 als genoegdoening van de verprutste tatoeage wilde hebben. [slachtoffer] ging daarmee akkoord, maar moest eerst zijn pinpas ophalen. Zij hebben vervolgens samen de zaak verlaten om de pinpas en het geld te gaan halen. [naam medeverdachte 3] ging bij [slachtoffer] in de auto zitten en samen zijn zij weggereden. [naam medeverdachte 2] had beperkt verlof uit de Mondriaankliniek en moest op tijd terug zijn en is daarom niet meegegaan met pinnen. Hij had het geld naderhand van [naam medeverdachte 3] ontvangen.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij in december 2011 op bezoek wilde gaan bij een vriend. Onderweg kwam hij [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] tegen. [naam medeverdachte 2] was boos, omdat de eigenaar van tattooshop “[naam zaak]” zijn tatoeage had verprutst. Verdachte is vervolgens met [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] teruggegaan naar de tattooshop. Zij gingen alle drie naar binnen. Verdachte zag dat de eigenaar van de zaak ([slachtoffer]) een opgezwollen lip had. [naam medeverdachte 2] had hem kort daarvoor verteld dat hij [slachtoffer] had geslagen, nadat hij had gezien dat [slachtoffer] zijn tatoeage had verprutst.

Verdachte heeft voorts verklaard dat zij alle drie waren uitgeflipt tegen [slachtoffer]. Zij schreeuwden tegen hem en zeiden dat hij zo snel mogelijk het geld moest terugbetalen. Volgens verdachte werden er ook dreigementen geuit jegens [slachtoffer], maar wat er precies

was gezegd wist hij niet meer. Verdachte had met stemverheffing tegen [slachtoffer] gezegd dat hij maar snel het geld moest teruggeven, want anders zou hij een probleem hebben. [slachtoffer] stribbelde tegen, maar zei uiteindelijk dat het goed was en dat hij zijn pinpas zou pakken. Even later kwam [slachtoffer] terug en zei dat hij zijn pinpas niet in de zaak had liggen. Deze moest hij eerst ophalen bij zijn vrouw. [slachtoffer] probeerde buiten nog weg te rennen, maar werd tegengehouden door verdachte. [naam medeverdachte 3] is vervolgens bij [slachtoffer] in de auto gestapt en met hem naar de woning van de vriendin van [slachtoffer] gereden om de pinpas op te halen. Verdachte is met zijn eigen auto achter hen aangereden. [naam medeverdachte 2] was reeds kort daarvoor weggegaan, omdat hij op tijd terug moest zijn bij de Mondriaan. Verdachte had tegen hem gezegd dat zij er voor zouden zorgen dat hij zijn geld terug kreeg. Nadat [slachtoffer] thuis zijn pinpas had gepakt, is hij samen met [naam medeverdachte 3] in zijn eigen auto gestapt en naar de ABN Amro bank in het centrum van Kerkrade gereden. Verdachte is wederom met zijn eigen auto achter hen aan gereden. Ter plaatse zijn zij samen naar de pinautomaat gelopen. Verdachte ging achter [slachtoffer] staan en [naam medeverdachte 3] naast hem. [slachtoffer] heeft vervolgens € 800,00 gepind en aan [naam medeverdachte 3] gegeven. Verdachte vond dat [slachtoffer] angstig over kwam. Zo zag hij er ook uit.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Bij de bespreking van de tenlastelegging heeft de rechtbank er voor gekozen een chronologische volgorde van de hiervoor beschreven gebeurtenissen aan te houden.

De rechtbank stelt op grond van de aangifte van [slachtoffer], de verklaring van verdachte inhoudende dat hij van [naam medeverdachte 2] gehoord heeft dat die [slachtoffer] heeft geslagen en de foto’s van het letsel, vast dat [slachtoffer] door [naam medeverdachte 2] meermalen met een gebalde vuist in het gezicht is geslagen.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat deze gedragingen van [naam medeverdachte 2] niet aan verdachte kunnen worden toegerekend, aangezien hij daar geen enkele rol in heeft gespeeld. Daarbij komt dat de klappen naar het oordeel van de rechtbank niet zijn gegeven om [slachtoffer] te bewegen tot afgifte van geld. Verdachte zal daarom in ieder geval worden vrijgesproken van dit onderdeel in de primaire tenlastelegging.

Vervolgens heeft de rechtbank zich afgevraagd of [slachtoffer] wederrechtelijk gedwongen is door geweld en/of bedreiging met geweld tot de afgifte van een geldbedrag.

Dat [slachtoffer] € 800,00 heeft betaald aan [naam medeverdachte 2] staat op grond van de verklaringen van [slachtoffer] en [naam medeverdachte 2], alsmede het overzicht van de pintransactie voldoende vast. Daarmee staat echter nog niet vast dat die betaling ook is geschied onder invloed van wederrechtelijke dwang door middel van geweld en/of bedreiging met geweld.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij, nadat hij was bijgekomen, werd geconfronteerd met drie opgefokte personen die in zijn zaak stonden, hard schreeuwden, riepen dat ze geld wilden, aan hem duwden en trokken en hem daarna de winkel uit hebben geleid. Ook heeft [slachtoffer] verklaard dat hij bang was. De rechtbank heeft geen reden om aan voornoemde verklaring van [slachtoffer] te twijfelen. Ze heeft daarbij gelet op de verklaring van [naam medeverdachte 2] dat hij boos was en hard schreeuwde en de verklaring van verdachte, inhoudende dat ze alle drie waren uitgeflipt, riepen dat hij het geld moest terugbetalen en dat hij [slachtoffer] heeft tegengehouden.

Vast staat ook dat verdachte en [naam medeverdachte 3] [slachtoffer] hebben vergezeld naar zijn woning om

de pinpas op te halen en van daaruit naar een pinautomaat zijn gereden. Bij die pinautomaat stonden verdachte en [naam medeverdachte 3] om [slachtoffer] heen terwijl die pinde.

De rechtbank beschouwt het duwen en trekken in de tattooshop als een vorm van geweld.

Nu dat geweld gepaard ging met roepen om geld was het kennelijk ook het oogmerk van de betrokkenen om met dat geweld [slachtoffer] tot betaling te bewegen.

Het schreeuwen om geld en de begeleiding van [slachtoffer] op weg van de tattooshop naar zijn huis en daarna naar de pinautomaat, beschouwt de rechtbank als een bedreiging met geweld. Daarbij betrekt de rechtbank dat [slachtoffer] kort daarvoor door [naam medeverdachte 2] meerdere keren op zijn gezicht was geslagen. Verdachte en [naam medeverdachte 3] moeten daarvan op de hoogte zijn geweest, gelet op het feit dat verdachte had gehoord van [naam medeverdachte 2] dat hij [slachtoffer] had geslagen en het letsel dat zij zelf in het gezicht van [slachtoffer] konden waarnemen.

Het was [slachtoffer] dus duidelijk dat [naam medeverdachte 2] geweld niet zou schuwen en dat zal zeker hebben doorgewerkt in de dreiging die uit het schreeuwen, duwen en begeleiden voortvloeide. Ook voor verdachte en zijn medeverdachten moet het duidelijk zijn geweest dat hun handelen daardoor extra dreigend op [slachtoffer] zou overkomen.

Medeplegen

De rechtbank is – anders dan de raadsman heeft betoogd – van oordeel dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de afpersing van [slachtoffer]. Uit het vorenstaande blijkt dat verdachte samen met [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte ] naar de tattooshop is gegaan en aldaar heeft geschreeuwd dat [slachtoffer] maar snel het geld moest terug betalen, anders had hij problemen. Toen zij buiten stonden en [slachtoffer] wilde wegrennen, heeft verdachte hem tegengehouden.

Hij zei nog tegen [naam medeverdachte 2] dat zij ervoor zouden zorgen dat hij zijn geld terug zou krijgen. Vervolgens heeft verdachte samen met [naam medeverdachte 3] [slachtoffer] begeleid naar een pinautomaat. Voornoemde gedragingen van verdachte duiden naar het oordeel van de rechtbank op een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten, zodat verdachte kan worden aangemerkt als medepleger. Ten slotte merkt de rechtbank in dit verband nog op dat het verweer van de raadsman, inhoudende dat verdachte zich tijdens het hele gebeuren afzijdig heeft gehouden, reeds zijn weerlegging vindt in de eigen verklaring van verdachte.

De rechtbank komt op grond van al het vorenstaande tot de conclusie dat het aan verdachte primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat verdachte partieel zal worden vrijgesproken van het (meermalen) slaan in het gezicht van [slachtoffer].

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 15 december 2011 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer]heeft gedwongen tot de afgifte van 800 euro, toebehorende aan die [slachtoffer], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij verdachte en zijn mededaders tegen die [slachtoffer] hebben gezegd: "als ik mijn geld niet krijg, dan verbouw ik je zaak", althans woorden van dergelijke aard en strekking en die [slachtoffer] gewelddadig hebben vastgepakt en geduwd en vervolgens die [slachtoffer] in diens auto naar een geldautomaat hebben laten rijden en die [slachtoffer] 800 euro hebben laten pinnen en die [slachtoffer] dat geld aan zijn mededader heeft laten afgeven.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Primair:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft erop gewezen dat de verdachte zijn leven thans goed op orde. Indien aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, zal hij alles verliezen wat hij tot nu toe heeft opgebouwd. Daar is vanuit preventief oogpunt noch de verdachte, noch de maatschappij bij gebaat.

De raadsman heeft, gelet op het vorenstaande, verzocht om bij een bewezenverklaring van het primaire, subsidiaire of meer subsidiaire tenlastegelegde feit te volstaan met de oplegging van een deels voorwaardelijke straf, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en daarnaast eventueel een taakstraf.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan afpersing. De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] wilde helpen het geld van [naam medeverdachte 2] terug te krijgen nadat de tatoeage van [naam medeverdachte 2] was mislukt. Maar zelfs als die tatoeage inderdaad mislukt zou zijn – wat nog niet vaststaat - maakt dit het handelen van verdachte en zijn medeverdachten niet minder verwijtbaar. Door het geld terug te eisen door middel van geweld en/of bedreiging is sprake geweest van eigenrichting en dat is niet te tolereren.

Daar staat tegenover dat [naam verdachte ] eigenlijk toevallig in de situatie verzeild is geraakt, omdat hij net op het verkeerde moment langs de tattooshop van [slachtoffer] kwam en daar [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] zag. [naam verdachte ] heeft zich vervolgens laten meeslepen en is hierbij, in zijn pogingen om [naam medeverdachte 2] te helpen het geld terug te krijgen, over de grens van het toelaatbare gegaan. Hier komt bij dat van het handelen van verdachte voornamelijk dreiging is uitgegaan. Het door hem gebruikte geweld is van de lichtste vorm geweest. Verdachte heeft een nagenoeg blanco strafblad. In het Reclasseringsrapport leest de rechtbank dat verdachte zijn leven goed op orde heeft, er zijn nauwelijks risicofactoren en het recidiverisico wordt dan ook ingeschat als laag. Hij heeft inkomen (uitkering) en beschikt over eigen woonruimte.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf – zoals door de officier van justitie geëist - niet noodzakelijk. Alles

overwegende zal de rechtbank volstaan met verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 80 uur, te vervangen door 40 dagen hechtenis indien verdachte deze straf niet / niet goed uitvoert, met als stok achter de deur een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.584,40, waarvan € 1084,40 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade. De materiële post is opgebouwd uit een bedrag van € 800,00 ter zake gestolen geld, € 21,84 voor reiskosten en

€ 262,56 aan gederfde inkomsten.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voornoemd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, nu verdachte naar zijn mening moet worden vrijgesproken van de aan hem tenlastegelegde feiten.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat post “verlies arbeidsinkomen” onvoldoende is onderbouwd, zodat de vordering ten aanzien van die post zal moeten worden afgewezen. De door [slachtoffer] gevorderde immateriële schade acht de raadsman aan de hoge kant. Hij heeft de rechtbank verzocht, mocht zij een immateriële schadevergoeding op zijn plaats vinden, om het door [slachtoffer] gevorderde bedrag te matigen.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, voldoende komen vast te staan dat [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt.

De door [slachtoffer] gevorderde vergoeding voor reiskosten en het weggenomen geld zijn voor toewijzing vatbaar, nu voldoende is onderbouwd dat [slachtoffer] deze schade als gevolg van het bewezen verklaarde handelen heeft geleden.

De gevorderde vergoeding wegens gederfde inkomsten is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Het verschaffen van een nadere gelegenheid aan [slachtoffer] om die schade verder te onderbouwen acht de rechtbank in deze fase van het proces onevenredig belastend voor het strafgeding. [slachtoffer] zal daarom ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de gevorderde immateriële schade. Zij overweegt hiertoe dat [slachtoffer] weliswaar fysiek letsel heeft opgelopen, doch dit letsel is niet het rechtstreeks gevolg geweest van de bewezen verklaarde afpersing, zodat om die reden toekenning van immateriële schade niet aan de orde is. In gevallen waarbij geen sprake is van fysiek letsel kan slechts in een beperkt aantal gevallen immateriële schade worden toegekend. Deze gevallen zijn limitatief in de wet opgesomd (artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).

Uit de aangifte van [slachtoffer] en het schadevergoedingsformulier blijkt dat de afpersing een behoorlijke impact heeft gehad op [slachtoffer]. De rechtbank begrijpt dat de benadeelde partij deze negatieve gevoelens graag op de dader zou willen verhalen. De wet stelt echter strenge eisen aan het verhalen (op daders) van deze negatieve gevoelens. Verhaal is alleen dan mogelijk indien er sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt

als een aantasting van de persoon. Hiervan is slechts sprake indien het geestelijk letsel een voldoende ernstig karakter heeft. Gevoelens van angst, schrik, onzekerheid en nervositeit vallen niet onder het bereik van het wetsartikel. Eventuele ernstigere psychische schade is

op basis van de door genoemde benadeelde partij aangevoerde gegevens onvoldoende aangevoerd.

Resumerend wijst de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] deels toe voor een bedrag van € 800,00 + € 21,84 = € 821,84 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2011 tot aan de dag van volledige voldoening. De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, aangezien de verdere behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank tevens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 47, 36f en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging

van de opgelegde taakstraf, naar rato van twee uur per dag.

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 821,84 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 december 2011 tot aan de dag van volledige voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij voornoemd ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 16 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover voornoemd bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- verklaart de benadeelde partij voornoemd voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat zij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Romme, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 april 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte istenlaste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 december 2011 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer]heeft gedwongen tot de afgifte van 800 euro, althans van een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) die [slachtoffer] (meermalen) (in het gezicht) heeft/hebben geslagen en/of (vervolgens) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: "als ik mijn geld niet krijg, dan verbouw ik je zaak", althans woorden van dergelijke aard en/of strekking en/of (vervolgens) die [slachtoffer] (gewelddadig) heeft/hebben vastgepakt en/of geduwd en/of (vervolgens) die [slachtoffer] in diens auto naar een geldautomaat heeft/hebben

laten rijden en/of die [slachtoffer] 800 euro, althans een hoeveelheid geld heeft/hebben laten pinnen en/of die [slachtoffer] dat geld aan hem en/of zijn mededader(s) heeft/hebben laten afgeven;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 15 december 2011 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 800 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s), die [slachtoffer] (meermalen) (in het gezicht) heeft/hebben geslagen en/of (vervolgens) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: "als ik mijn geld niet krijg, dan verbouw ik je zaak", althans woorden van dergelijke aard en/of strekking en/of (vervolgens) die [slachtoffer] (gewelddadig) heeft/hebben vastgepakt en/of geduwd en/of (vervolgens) die [slachtoffer] in diens auto naar een geldautomaat heeft/hebben laten rijden en/of die [slachtoffer] 800 euro, althans een hoeveelheid geld heeft/hebben laten pinnen en/of die [slachtoffer] dat geld aan hem en/of zijn mededader(s) heeft/hebben laten afgeven;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 15 december 2011 te Kerkrade, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, te weten door het slaan en/of schreeuwen en/of uitflippen gericht tegen [slachtoffer] en/of zeggen tegen [slachtoffer] dat als hij, verdachte en/of zijn mededader(s) het geld niet krijg(t)(en) dan verbouwd hij zijn zaak, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) die [slachtoffer] vastgepakt en/of geduwd en/of (vervolgens) die [slachtoffer] in diens auto naar een geldautomaat laten rijden en/of die [slachtoffer] 800 euro, althans een hoeveelheid geld laten pinnen en/of die [slachtoffer] dat geld aan hem en/of zijn mededader(s) laten afgeven;