Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ8771

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
03/700134-12 en 03/700010-11 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen afpersing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 03/700134-12 en 03/700010-11 (TUL)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 april 2013

in de strafzaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. R.J.H. Corten, advocaat te Sittard.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is (inhoudelijk) behandeld op de zittingen van 19 juli 2012 en 2 april 2013, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: samen met (een) ander(en) door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer]heeft gedwongen tot afgifte van € 800,00.

Subsidiair: samen met (een) ander(en) met geweld en/of bedreiging met geweld € 800,00 heeft gestolen van die [slachtoffer].

Meer subsidiair: samen met (een) ander(en) die [slachtoffer] heeft gedwongen om iets te doen, niet te doen of te dulden.

En/of: samen met (een) ander(en) die [slachtoffer] heeft mishandeld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met twee anderen schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde afpersing. Zij baseert haar standpunt op de aangifte en aanvullende verklaringen van [slachtoffer], de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte 1], de getuigenverklaring van [getuige 1] en de bankafschriften waaruit blijkt dat er op 15 december 2011 daadwerkelijk € 800,00 is gepind door aangever.

Het door verdachte toegepast geweld, dat heeft bestaan uit het meermalen met gebalde vuist slaan in het gezicht van [slachtoffer], heeft volgens de officier van justitie niet bijgedragen aan de primair tenlastegelegde afpersing, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

Volgens de officier van justitie kan op grond van de aangifte van [slachtoffer], de foto’s van het letsel en de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte 1] eveneens wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de alternatief tenlastegelegde mishandeling van [slachtoffer].

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op grond van het dossier niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op het plegen van de tenlastegelegde feiten. Verdachte wilde de overeenkomst die er tussen hem en [slachtoffer] was “buitengerechtelijk” ontbinden, omdat aangever [slachtoffer] zijn tatoeage had verprutst en dus

de overeenkomst niet deugdelijk was nagekomen. Volgens verdachte werd met wederzijds goedvinden afgesproken dat [slachtoffer] hem in dit kader een bedrag van € 800,00 zou betalen. Door verdachte en zijn medeverdachte(n) is weliswaar een en ander geroepen, maar van geweld en/of bedreiging met geweld was volgens verdachte geen sprake. Er is daarom

geen sprake van enig strafbaar handelen zijdens verdachte.

Voor wat de tenlastegelegde mishandeling betreft ontkent verdachte dat hij aangever heeft geslagen. Het letsel dat op de foto’s is te zien kan volgens de raadsman, gelet op de houding van [slachtoffer] tijdens het tatoeëren, eveneens zijn ontstaan door een onbesuisde handbeweging die verdachte uit boosheid heeft gemaakt toen hij zag dat de tatoeage werd verprutst.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 16 december 2011 deed [slachtoffer] aangifte bij de politie. [slachtoffer] verklaarde dat hij een eigen tattooshop heeft, gevestigd aan [S.P.straat] te Kerkrade. Op 15 december 2011 stond een afspraak gepland met een klant, genaamd [naam verdachte](hierna: verdachte). Verdachte wilde een zogenaamde ‘tribalsleeve’ laten tatoeëren op zijn linkerarm. De prijs van deze tatoeage was € 650,00. Op 12 november 2011 had [slachtoffer] al het eerste deel van de tatoeage gezet. Verdachte had die dag € 600,00 aanbetaald. Op 15 december 2011 zou de tatoeage worden afgerond.

Die dag, omstreeks 18.00 uur, kwam verdachte de tattooshop binnen. [slachtoffer] liep samen met verdachte naar de behandelruimte, waar verdachte plaatsnam. [slachtoffer] ging naast hem op een stoel zitten en begon met tatoeëren. Na 15 minuten stond verdachte plots op en schreeuwde: “Wat the fuck doe jij nou”. Direct daarop werd [slachtoffer] door verdachte meermalen met een gebalde vuist in het gezicht geslagen. [slachtoffer], die op dat moment nog steeds in de stoel zat, kwam op de grond terecht en raakte een paar seconden buiten bewustzijn. Toen hij weer bij kwam, voelde hij dat zijn lip open lag en dat zijn rechter oog opzwelde.

Op de letselfoto’s, welke zijn gevoegd bij de aangifte, is te zien dat [slachtoffer] letsel had aan zijn lippen. Tevens is een forse bloeduitstorting onder het rechter oog en een kleine snijwond op de bovenkant van de rechterwang zichtbaar.

Toen [slachtoffer] weer was bijgekomen bleek dat er niemand meer in de zaak aanwezig was. Hij liep naar de receptie en zag dat verdachte samen met een ander persoon (welke later bleek te zijn medeverdachte [naam medeverdachte 3]) de tattooshop binnen kwam. Zij begonnen te schreeuwen en zeiden dat ze het geld terug wilden hebben. Ze wilden € 800,00 hebben. Verder schreeuwden zij: “Als ik het geld niet krijg dan verbouw ik je zaak.”

Tijdens een aanvullend verhoor verklaarde [slachtoffer] dat er, behalve verdachte en [naam medeverdachte 3], nog een derde persoon (welke later bleek te zijn medeverdachte [naam medeverdachte 1]) met verdachte en [naam medeverdachte 3] de zaak was binnen gekomen. Volgens [slachtoffer] waren zij alle drie aan het “flippen”. Ze riepen allemaal: “We willen geld!”, “We willen 800 euro” en “Anders verbouwen we je zaak.”

[slachtoffer] was bang en geschokt. Hij zei: “Ik heb geen geld hier, ik zal de pinpas thuis moeten halen”. [slachtoffer] werd vervolgens door verdachte, [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 1] geduwd, vastgepakt en min of meer de tattooshop uitgetrokken. Buiten werd hij door verdachte en [naam medeverdachte 3] nog diverse keren tegen een gevel aan geduwd. Zij zeiden steeds dat ze geld wilden hebben.

[slachtoffer] is vervolgens samen met [naam medeverdachte 3] in zijn eigen auto gestapt en naar zijn woning gereden om de bankpas op te halen. Vanaf dat moment heeft hij verdachte niet meer gezien. Thuis aangekomen zag hij dat een [merk auto] achter zijn auto stopte waaruit [naam medeverdachte 1] stapte. [slachtoffer] ging de woning binnen om de bankpas te pakken. De twee mannen ([naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3]) bleven wachten bij de voordeur. Vervolgens is [slachtoffer] samen met [naam medeverdachte 3] in zijn auto gestapt en naar de ABN Amro bank, gelegen aan de Markt te Kerkrade, gereden. [naam medeverdachte 1] volgde hen. [slachtoffer] parkeerde zijn auto ter hoogte van de Markt en liep samen met [naam medeverdachte 3] naar de pinautomaat. Hij pinde € 800,00 en gaf dit geld aan [naam medeverdachte 3]. [naam medeverdachte 1] stond erbij toen het geld werd overhandigd. Vervolgens zijn [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] samen weggereden in de [merk auto].

Uit de bankgegevens blijkt dat op 15 december 2011 € 800,00 is afgeschreven van de ondernemersrekening van “[naam zaak]” bij de ABN Amro bank, gelegen aan de Markt

te Kerkrade.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 15 december 2011 een afspraak had met [slachtoffer]. Het was de bedoeling dat die dag zijn tatoeage aan zijn linkerarm zou worden afgerond. Verdachte ging naar de tattooshop van [slachtoffer] en nam plaats op de behandeltafel. Hij had de indruk dat [slachtoffer] niet meer helemaal nuchter was, maar ging ervan uit dat hij wist wat hij deed. [slachtoffer] begon met tatoeëren. Na ongeveer een kwartier keek verdachte naar zijn arm. Hij zag toen dat de [slachtoffer] de tatoeage had verprutst en riep: “Wat the fuck doe jij nou”. Er ontstond vervolgens een woordenwisseling tussen hem en [slachtoffer], waarop verdachte opstond en kwaad de zaak verliet. Buiten heeft hij zijn vriend [naam medeverdachte 3] gebeld en hem verteld wat er was voorgevallen. [naam medeverdachte 3] kwam direct naar verdachte toe. Zij zijn vervolgens samen terug gegaan naar de tattooshop. Verdachte was nog steeds kwaad en zei met behoorlijke stemverheffing tegen [slachtoffer] dat hij zijn geld terug wilde hebben. [slachtoffer] ging daarmee akkoord en afgesproken werd dat hij een bedrag van € 800,00 aan verdachte zou betalen. Dit bedrag bestond uit het aankoopbedrag van de tatoeage en een bedrag van

€ 150,00 ter genoegdoening van de verprutste tatoeage. Zij hebben vervolgens samen de shop verlaten om het geld te gaan halen. [naam medeverdachte 3] is bij [slachtoffer] in de auto gestapt. Zij zijn samen het geld gaan pinnen. [naam medeverdachte 1] is hen met zijn eigen auto achterna gereden. Verdachte had beperkt verlof uit de Mondriaankliniek en moest op tijd terug zijn. Hij was dus niet bij het pinnen aanwezig geweest. Hij heeft het geld wel achteraf van [naam medeverdachte 3] ontvangen.

Verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer] heeft geslagen. Verdachte had geen letsel gezien in het gezicht van [slachtoffer] toen hij de zaak binnen kwam. Hij kan niet verklaren hoe dit letsel is veroorzaakt.

[naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij in december 2011 op bezoek wilde gaan bij een vriend. Onderweg kwam hij verdachte en [naam medeverdachte 3] tegen. Verdachte was boos, omdat de eigenaar van tattooshop “[naam zaak]” de tatoeage had verprutst. [naam medeverdachte 1] is vervolgens samen met verdachte en [naam medeverdachte 3] teruggegaan naar de tattooshop. Zij gingen alle drie naar binnen. [naam medeverdachte 1] zag dat de eigenaar van de tattooshop (zijnde [slachtoffer]) een opgezwollen lip had. Verdachte had hem kort daarvoor verteld dat hij [slachtoffer] had geslagen, nadat hij had gezien dat [slachtoffer] de tatoeage had verprutst.

[naam medeverdachte 1] verklaarde voorts dat zij alle drie waren uitgeflipt tegen [slachtoffer]. Zij schreeuwden tegen hem en zeiden dat hij zo snel mogelijk het geld moest terugbetalen. Volgens [naam medeverdachte 1] werden er ook dreigementen geuit jegens [slachtoffer], maar wat er precies was gezegd wist hij niet meer. [naam medeverdachte 1] had met stemverheffing tegen [slachtoffer] gezegd dat hij maar snel het geld moest teruggeven, want anders zou hij een probleem hebben. [slachtoffer] stribbelde tegen, maar zei uiteindelijk dat het goed was en dat hij zijn pinpas zou pakken. Even later kwam [slachtoffer] terug en zei dat hij zijn pinpas niet in de zaak had liggen. Deze moest hij eerst ophalen bij zijn vrouw. [slachtoffer] probeerde buiten nog weg te rennen, maar werd tegengehouden door [naam medeverdachte 1]. [naam medeverdachte 3] is vervolgens bij [slachtoffer] in de auto gestapt en met hem naar de woning van de vriendin van [slachtoffer] gereden om de pinpas op te halen. [naam medeverdachte 1] is met zijn eigen auto achter hen aangereden. Verdachte was kort daarvoor al weggegaan, omdat hij op tijd terug moest zijn bij de Mondriaan. [naam medeverdachte 1] had tegen hem gezegd dat zij er voor zouden zorgen

dat hij zijn geld terug kreeg. Nadat [slachtoffer] thuis zijn pinpas had gepakt, is hij samen met [naam medeverdachte 3] in zijn eigen auto gestapt en naar de ABN Amro in het centrum van Kerkrade gereden. [naam medeverdachte 1] is wederom met zijn eigen auto achter hen aan gereden. Ter plaatse zijn

zij samen naar de pinautomaat gelopen. [naam medeverdachte 1] ging achter [slachtoffer] staan en [naam medeverdachte 3]

naast hem. [slachtoffer] heeft vervolgens € 800,00 gepind en aan [naam medeverdachte 3] gegeven. [naam medeverdachte 1] vond dat [slachtoffer] angstig over kwam. Zo zag hij er ook uit.

[naam medeverdachte 3] heeft zich tijdens het verhoor bij de politie beroepen op zijn zwijgerecht.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Bij de bespreking van de tenlastelegging heeft de rechtbank er voor gekozen om een chronologische volgorde aan te houden en niet de volgorde van verwijten zoals die in

de tenlastelegging zijn opgesomd.

Op grond van de aangifte van [slachtoffer], de verklaring van [naam medeverdachte 1] inhoudende dat hij van verdachte gehoord heeft dat die [slachtoffer] heeft geslagen en de foto’s van het letsel, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] meermalen heeft geslagen.

Het letsel is van dien aard dat de rechtbank zich niet kan voorstellen dat het door een onbesuisde handbeweging is veroorzaakt. Daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank meer kracht nodig dan bij een onbesuisde handbeweging wordt gebruikt. Bovendien is het letsel zo gepositioneerd op het gezicht dat niet voorstelbaar is dat dit letsel door één klap veroorzaakt zou kunnen zijn. Het moet dus veroorzaakt zijn door meerdere klappen en ook dat laat zich niet rijmen met één onbesuisde handbeweging.

Op grond van de aangifte en de foto’s staat ook voldoende vast dat door de klappen pijn en letsel is veroorzaakt.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de klappen niet gegeven zijn om [slachtoffer] te bewegen tot afgifte van geld. Het is heel aannemelijk dat het een reactie was op wat verdachte zag en dat [slachtoffer] geld moest terugbetalen aan verdachte is immers pas later bij verdachte opgekomen. Nu er geen bewijs voorhanden is dat de klappen zijn gebezigd met het opzet geld af te dwingen zal verdachte van dit onderdeel in de primaire tenlastelegging worden vrijgesproken.

Wel acht de rechtbank de alternatief tenlastegelegde eenvoudige mishandeling bewezen.

Vervolgens heeft de rechtbank zich afgevraagd of [slachtoffer] wederrechtelijk gedwongen is door geweld en/of bedreiging met geweld tot de afgifte van een geldbedrag.

Dat [slachtoffer] € 800,00 heeft betaald aan verdachte staat op grond van de verklaringen van [slachtoffer] en verdachte, alsmede het overzicht van de pintransactie voldoende vast. Daarmee staat echter nog niet vast dat die betaling ook is geschied onder invloed van wederrechtelijke dwang door middel van geweld en/of bedreiging met geweld.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij, nadat hij was bijgekomen, werd geconfronteerd met drie opgefokte personen die in zijn zaak stonden, hard schreeuwden, riepen dat ze geld wilden, aan hem duwden en trokken en hem daarna de winkel uit hebben geleid. Ook heeft [slachtoffer] verklaard dat hij bang was. De rechtbank heeft geen reden om aan voornoemde verklaring van [slachtoffer] te twijfelen. Zij heeft daarbij gelet op de verklaring van [naam verdachte] dat hij boos was en hard schreeuwde en de verklaring van [naam medeverdachte 1], inhoudende dat ze alle drie waren uitgeflipt, riepen dat hij het geld moest terugbetalen en dat hij [slachtoffer] heeft tegengehouden.

Vast staat ook dat de medeverdachten [slachtoffer] hebben vergezeld naar zijn woning om de pinpas op te halen en van daaruit naar een pinautomaat zijn gereden. Bij die pinautomaat stonden beide medeverdachten om [slachtoffer] heen terwijl die pinde.

De rechtbank beschouwt het duwen en trekken in de tattooshop als een vorm van geweld.

Nu dat geweld gepaard ging met roepen om geld was het kennelijk ook het oogmerk van de betrokkenen om met dat geweld [slachtoffer] tot betaling te bewegen.

Het schreeuwen om geld alsmede de begeleiding door zijn medeverdachten van [slachtoffer] op weg van de winkel naar zijn huis en daarna naar de pinautomaat, beschouwt de rechtbank

als een bedreiging met geweld. Daarbij betrekt de rechtbank dat [slachtoffer] kort daarvoor door verdachte meerdere keren op zijn gezicht was geslagen. De medeverdachten waren daarvan ook op de hoogte, gelet op de verklaring van [naam medeverdachte 1] dat verdachte verteld had dat hij [slachtoffer] geslagen had en het letsel dat zij zelf in het gezicht van [slachtoffer] konden waarnemen.

Het was [slachtoffer] dus duidelijk dat verdachte geweld niet zou schuwen en dat zal zeker hebben doorgewerkt in de dreiging die uit het schreeuwen, duwen en begeleiden naar de pinautomaat voortvloeide. En ook voor verdachte en zijn medeverdachten moet het duidelijk zijn geweest dat hun handelen daardoor extra dreigend op [slachtoffer] zou overkomen.

Verdachte heeft zijn medeverdachten en [slachtoffer] zelf niet begeleid naar de woning en

de pinautomaat. De rechtbank beschouwt dit traject echter als een onderdeel van het gezamenlijk plan van verdachte en de medeverdachten om zijn geld terug te krijgen.

Verdachte is aan dit onderdeel dus schuldig als medepleger.

Zijdens de verdediging is nog naar voren gebracht dat het om een ‘buitengerechtelijke ontbinding’ zou gaan. Dit verweer kan worden opgevat als een verweer dat gericht is

tegen de wederrechtelijkheid van het handelen.

Echter, zelfs indien [slachtoffer] fouten heeft gemaakt bij het plaatsen van de tatoeage – dat staat overigens niet vast – dan nog dient verdachte zich te houden aan de wettelijke mogelijkheden voor het vaststellen en innen van een vordering. Het staat hem niet vrij om door geweld en/of bedreiging met geweld zijn geld terug te halen. Wie dat toch doet, zoals verdachte, pleegt eigenrichting en handelt daarmee dus wederrechtelijk.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 15 december 2011 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer]heeft gedwongen tot de afgifte van 800 euro, toebehorende aan verdachte, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij verdachte en zijn mededaders tegen die [slachtoffer] hebben gezegd: "als ik mijn geld niet krijg, dan verbouw ik je zaak", althans woorden van dergelijke aard en strekking, en die [slachtoffer] gewelddadig hebben vastgepakt en geduwd en die [slachtoffer] in diens auto naar een geldautomaat hebben laten rijden en die [slachtoffer] 800 euro hebben laten pinnen en die [slachtoffer] dat geld hebben laten afgeven;

en,

op 15 december 2011 te Kerkrade, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) meermalen met kracht heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en,

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft tevens gevorderd om aan het voorwaardelijke deel van de straf de bijzondere voorwaarde te koppelen van reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt dat verdachte dient mee te werken aan een ambulante behandeling bij de Mondriaan.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht, mocht zij tot een bewezenverklaring komen van een of meer tenlastegelegde feiten, om aan verdachte op te leggen een deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Volgens de raadsman zou daarnaast eventueel nog een taakstraf kunnen worden opgelegd.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en - samen met twee anderen - aan afpersing. Gelet op de aard en de ernst van deze feiten en het letsel dat bij het slachtoffer is veroorzaakt, zou in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats zijn. De rechtbank zal daar in het onderhavige geval echter van af zien en wel om de volgende redenen.

De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer] heeft geslagen in een opwelling, omdat [slachtoffer] een tatoeage die hij bij verdachte aan het ‘zetten’ was, in ieder geval in verdachtes ogen, had verprutst. Ook ten aanzien van datgene wat daarna is gebeurd, te weten het duwen/trekken van/aan [slachtoffer], het dreigen en het met hem meegaan om geld te pinnen en te krijgen, acht de rechtbank het aannemelijk dat dit is gebeurd omdat verdachte het geld dat hij voor de (verprutste) tatoeage had betaald terug wilde. Hoewel het begrijpelijk is dat iemand schrikt als hij ziet dat een tatoeage niet goed is uitgevoerd en hij dus zijn geld terug wil, maakt dit het handelen van verdachte en zijn mededaders niet minder verwijtbaar. Door te slaan en het geld terug te eisen door middel van geweld en/of bedreiging met geweld is sprake geweest van eigenrichting en dat is niet te tolereren.

Anderzijds is verdachte momenteel bezig zijn leven op de rails te krijgen. Hij is bezig met een langdurig traject bij Mondriaan, waarin hij zelf al veel tijd en moeite heeft geïnvesteerd en wat de maatschappij al veel geld heeft gekost. De signalen die de rechtbank uit de kliniek hebben bereikt wijzen er op dat verdachte zich zeer inspant om zijn verblijf tot een succes te maken. Indien dit traject nu wordt doorkruist door een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf is alle tijd, geld en moeite echter voor niets geweest en valt te vrezen dat hij na terugkeer in de maatschappij weer terugvalt. Vanuit het oogpunt van preventie is dat onwenselijk. Daarom acht de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf niet opportuun.

Alles overwegende zal de rechtbank volstaan met verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 180 uur, bij niet (goed) verrichten te vervangen door 90 dagen hechtenis, met als stok achter de deur een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar. Om zoveel mogelijk te waarborgen dat verdachte zijn behandeling doorzet zal de rechtbank voorts reclasseringstoezicht opleggen.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.584,40, waarvan € 1084,40 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade. De materiële post is opgebouwd uit een bedrag van € 800,00 ter zake gestolen geld, € 21,84 voor reiskosten en

€ 262,56 aan gederfde inkomsten.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, nu verdachte naar zijn mening moet worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering onvoldoende

is onderbouwd. Daar komt bij dat de vordering door verdachte wordt betwist. Ook daarom moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt.

De door de benadeelde partij verzochte vergoeding voor reiskosten en het weggenomen geld zijn voor toewijzing vatbaar, aangezien de rechtbank voldoende acht onderbouwd dat [slachtoffer] deze schade als gevolg van het bewezen verklaarde handelen heeft geleden.

De door de benadeelde partij verzochte vergoeding wegens gederfde inkomsten acht de onvoldoende onderbouwd. Het verschaffen van een nadere gelegenheid aan benadeelde om die schade verder te onderbouwen acht de rechtbank in deze fase van het proces onevenredig belastend voor het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank dat in gevallen waarbij geen sprake is van fysiek letsel, slechts in een beperkt aantal gevallen immateriële schade kan worden toegekend. Deze gevallen zijn limitatief in de wet opgesomd (artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).

[slachtoffer] heeft in dit geval fysiek letsel opgelopen als gevolg van de door verdachte gepleegde mishandeling. De rechtbank acht voor de pijn die [slachtoffer] dientengevolge heeft geleden een immateriële schadevergoeding van € 500,00 op zijn plaats.

Voorts blijkt uit de aangifte van [slachtoffer] en het schadevergoedingsformulier dat de afpersing een behoorlijke impact heeft gehad op [slachtoffer]. De rechtbank begrijpt dat de benadeelde partij ook deze negatieve gevoelens graag op de dader zou willen verhalen. De wet stelt echter strenge eisen aan het verhalen (op daders) van deze negatieve gevoelens. Verhaal is alleen dan mogelijk indien er sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. Hiervan is slechts sprake indien het geestelijk letsel een voldoende ernstig karakter heeft. Gevoelens van angst, schrik, onzekerheid en nervositeit vallen niet onder het bereik van het wetsartikel. Eventuele ernstigere psychische schade is

op basis van de door [slachtoffer] aangevoerde gegevens onvoldoende onderbouwd, zodat hij ten aanzien van dat deel van de immateriële schade niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Resumerend wijst de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] deels toe voor een bedrag van € 1.321,84 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2011 tot aan de dag van volledige voldoening. De rechtbank zal de vordering met betrekking tot de materiële schade die [slachtoffer] heeft geleden als rechtstreeks gevolg van de door verdachte en zijn mededaders gepleegde afpersing hoofdelijk toewijzen.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, aangezien de verdere behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank tevens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

Ter terechtzitting is gelijktijdig behandeld de vordering van de officier van justitie tot de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van zes maanden, aan de verdachte opgelegd bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank d.d. 29 juni 2012, gewezen onder parketnummer 03/700075-12. De vordering voldoet aan de bij de wet gestelde eisen.

De officier van justitie heeft gevorderd een last tot tenuitvoerlegging te geven van de aan verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van zes maanden, nu verdachte zich in de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

De raadsman heeft verzocht de proeftijd te verlengen.

De rechtbank acht het, gelet op hetgeen zij hiervoor onder punt 6 heeft overwogen, niet opportuun om de eerder aan verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden nu ten uitvoer te leggen. De rechtbank zal dit dan ook niet doen, maar ze zal wel de nog lopende proeftijd verlengen met één jaar.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing van de rechtbank berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van

het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van twee jaar de algemene voorwaarden of de bijzondere voorwaarde heeft overtreden;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt, en,

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte:

- zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij

de naleving van deze voorwaarden;

- veroordeelt verdachte tevens tot een werkstraf voor de duur van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging

van de opgelegde werkstraf, naar rato van twee uur per dag.

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 821,84 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 december 2011 tot aan de dag van volledige voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte

niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 16 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover voornoemd bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte voorts tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer],van een bedrag van € 500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 december 2011 tot aan de dag van volledige voldoening;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 10 dagen hechtenis,

met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij voornoemd ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij voornoemd voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat zij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Vordering tot tenuitvoerlegging

- verlengt de proeftijd van de bij vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 juni 2012 (03/700075-12) opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Romme, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 april 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 15 december 2011 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer]heeft gedwongen tot de afgifte van 800 euro, althans van een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) die [slachtoffer] (meermalen) (in het gezicht) heeft/hebben geslagen en/of (vervolgens) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: "als ik mijn geld niet krijg, dan verbouw ik je zaak", althans woorden van dergelijke aard en/of strekking en/of (vervolgens) die [slachtoffer] (gewelddadig) heeft/hebben vastgepakt en/of geduwd en/of (vervolgens) die [slachtoffer] in diens auto naar een geldautomaat heeft/hebben laten rijden en/of die [slachtoffer] 800 euro, althans een hoeveelheid geld heeft/hebben laten pinnen en/of die [slachtoffer] dat geld aan hem en/of zijn mededader(s) heeft/hebben laten afgeven;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 15 december 2011 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 800 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s), die [slachtoffer] (meermalen) (in het gezicht) heeft/hebben geslagen en/of (vervolgens) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: "als ik mijn geld niet krijg, dan verbouw ik je zaak", althans woorden van dergelijke aard en/of strekking en/of (vervolgens) die [slachtoffer] (gewelddadig) heeft/hebben vastgepakt en/of geduwd en/of (vervolgens) die [slachtoffer] in diens auto naar een geldautomaat heeft/hebben laten rijden en/of die [slachtoffer] 800 euro, althans een hoeveelheid geld heeft/hebben laten pinnen en/of die [slachtoffer] dat geld aan hem en/of zijn mededader(s) heeft/hebben laten afgeven;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 15 december 2011 te Kerkrade, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, te weten door het slaan en/of schreeuwen en/of uitflippen gericht tegen [slachtoffer], en/of zeggen tegen [slachtoffer] dat als hij, verdachte en/of zijn mededader(s) het geld niet krijg(t)(en) dan verbouwd hij zijn zaak, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) die [slachtoffer] vastgepakt en/of geduwd en/of (vervolgens) die [slachtoffer] in diens auto naar een geldautomaat laten rijden en/of die [slachtoffer] 800 euro, althans een hoeveelheid geld laten pinnen en/of die [slachtoffer] dat geld aan hem en/of zijn mededader(s) laten afgeven;

en/of

hij op of omstreeks 15 december 2011 te Kerkrade, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) een of meermalen met kracht heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.