Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ7853

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
19-04-2013
Zaaknummer
04/804125-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

1. "Voor het achterlaten in hulpeloze toestand is niet vereist dat de dader exact weet wat de medische klachten van het slachtoffer zijn. volstaat dat hij weet dat het slachtoffer hulp behoeft."

2. Zolang verdachte nog niet als zodanig is aangemerkt, en ook niet als zodanig aangemerkt hoefde te worden, is het geven van de cautie voorafgaand aan vragen niet geboden. De daarop door de, later als zodanig aangeduide, verdachte gegeven antwoorden kunnen als bewijsmiddel worden gebruikt."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 04/804125-11

Datum uitspraak: 17 april 2013

Tegenspraak overeenkomstig artikel 279 Wetboek van Strafvordering

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

Raadsman is mr. M.P.J.C. Heuvelmans, advocaat te Venlo.

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 27 februari 2013 en 3 april 2013.

De rechtbank heeft op 3 april 2013 gehoord: de officier van justitie en de raadsman van verdachte.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij in of omstreeks de nacht van 1 op 2 juni 2009 in de gemeente Venlo opzettelijk [slachtoffer 1] (zijnde de echtgenote van verdachte), tot wiens onderhoud en/of verpleging en/of verzorging hij, verdachte, krachtens wet of overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten, terwijl dat feit de dood van genoemde [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad immers heeft hij, verdachte, nadat genoemde [slachtoffer 1] "help me" riep, genoemde [slachtoffer 1] liggend op de vloer in hun woning aangetroffen en geprobeerd genoemde [slachtoffer 1] op te tillen, maar bij constatering van het feit dat genoemde [slachtoffer 1] haar ontlasting had laten lopen genoemde [slachtoffer 1] weer op de vloer teruggelegd, althans zittend achtergelaten en, nadat hij haar nog hoorde kreunen, naar bed is gegaan, althans is gaan internetten;(artikelen 255 jo 257 van het Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2009 tot en met 10 april 2010 te Molenhoek, in elk geval in de gemeente Mook en Middelaar, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, immers heeft hij, verdachte, met vorenomschreven oogmerk vals, listig en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zich ten opzichte van genoemde [slachtoffer 2] voorgedaan als een vermogend man,

- tegen genoemde [slachtoffer 2] gezegd dat hij van een bank in Duitsland nog een bedrag van EURO 551.000,-- tegoed had,

- genoemde [slachtoffer 2] verzocht een geldbedrag van EURO 28.800,--, in elk geval enig geldbedrag, over te boeken naar een notaris ter voldoening van de overdrachtsbelasting,waardoor genoemde [slachtoffer 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;(artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode van 12 januari 2010 tot en met 12 november 2010 in de gemeente Wijchen, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (een medewerker van) [slachtoffer 3], heeft bewogen tot de afgifte van goederen ten behoeve van de verbouwing van een badkamer en toilet, in elk geval van enig goed, immers heeft hij, verdachte, met vorenomschreven oogmerk vals, listig en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- zich ten opzichte van [slachtoffer 3] voorgedaan als een bonafide klant die bij [slachtoffer 3] een badkamer en een toilet ter aankoop had uitgezocht,- een daartoe opgemaakte offerte van [slachtoffer 3] heeft voorzien van zijn, verdachtes,

handtekening,waardoor (die medewerker van) [slachtoffer 3], werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht)

4.

hij in of omstreeks de periode van 5 maart 2010 tot en met 29 juni 2010 in de gemeente Venlo opzettelijk een geldbedrag van EURO 410,--, in elk geval een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan het [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geld verdachte anders dan door misdrijf, te weten als ceremoniemeester, in elk geval als beheerder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

(artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

-is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

-is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen.

Voor zover de raadsman zijn ter zitting voorgedragen preliminaire verweren bij pleidooi heeft herhaald, heeft de rechtbank daarop reeds ter terechtzitting uitspraak gedaan. De rechtbank verwijst daarvoor naar het proces-verbaal ter terechtzitting.

De raadsman van verdachte heeft zich verder bij pleidooi ter zake feit 2 op het standpunt gesteld dat de officier van justitie in haar vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het bepaalde in artikel 316, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht niet in acht is genomen. Immers er is geen klacht door [slachtoffer 2] ingediend, wat in deze een vervolgingsbeletsel oplevert.

De rechtbank stelt vast dat de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen verdachte en mevrouw [slachtoffer 2] op 8 februari 2011 is ingeschreven. Op 14 april 2011 is er jegens verdachte een Europees Arrestatiebevel uitgevaardigd. Kortom: deze eerste daad van vervolging heeft plaatsgevonden na de inschrijving van de eerdergenoemde ontbinding. Ingevolge 316, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht vindt dan alleen vervolging plaats op een tegen verdachte gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd. De rechtbank heeft uit het dossier niet kunnen opmaken dat er een klacht door [slachtoffer 2] is gedaan, ook niet uit de aanvullende aangifte van [slachtoffer 2] van 2 mei 2011 (pag. 260/261). Daarenboven merkt de rechtbank op dat [slachtoffer 2] haar verklaringen heeft afgelegd tegenover brigadier van de politie [naam]. De rechtbank heeft uit het dossier niet kunnen opmaken dat deze de hoedanigheid heeft van hulpofficier van justitie als omschreven in artikel 165 van het Wetboek van Strafvordering. Om die reden was hij niet bevoegd een klacht te ontvangen, zo de verklaring van [slachtoffer 2] al als zodanig aangemerkt zou kunnen worden.

De rechtbank moet concluderen dat de politie kennelijk verzuimd heeft om op deugdelijke wijze een klacht op te nemen. De rechtbank ziet zich daarom genoodzaakt de officier van justitie in haar vervolging ten aanzien van feit 2 niet-ontvankelijk te verklaren. Voor het overige is de officier van justitie ontvankelijk.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn verder geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie verwijst hiervoor naar het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 juni 2009, het proces-verbaal van de forensisch deskundige, het voorlopige sectierapport, het sectierapport van het NFI, de bevindingen rondom het tijdstip van het overlijden en de bevindingen rondom het gebruik van internet. Daarnaast verwijst de officier van justitie nog naar de verklaring van de dochter van verdachte en slachtoffer en de verklaringen van verdachte zelf. Verdachte is geïrriteerd geraakt toen hij constateerde dat zijn vrouw na de val haar ontlasting had laten lopen. Hij liet haar vervolgens in hulpeloze toestand achter, tengevolge waarvan zijn vrouw na een helse lijdensweg is gestorven.

De officier van justitie stelt zich ten aanzien van feit 2 op het standpunt dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Hierbij wordt verwezen naar de verklaring van de verdachte, de verklaring van de dochter van verdachte, de bevindingen van de FIOD en naar overige geschriften (waaronder diverse nota’s en een akte van oprichting).

De officier van justitie stelt zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt dat dit feit eveneens wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Dat verdachte de [slachtoffer 3] heeft opgelicht, blijkt uit diverse stukken uit het dossier.

De officier van justitie stelt zich tenslotte ten aanzien van feit 4 op het standpunt dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie verwijst hierbij naar de aangifte van [naam], namens de vereniging [slachtoffer 4]. Daarnaast verwijst ze naar de email correspondentie en de verklaring van verdachte ter zake.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt dat het voorbehoud van het specialiteitsbeginsel beperkingen legt op de bruikbaarheid van het na de overlevering verkregen bewijsmateriaal. Verder wijst hij op een nagelaten cautie en voert hij een Salduz verweer.

De raadsman van verdachte stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 op de tenlastelegging onder verwijzing naar overgelegde jurisprudentie (arrest Gerechtshof Amsterdam d.d. 14 april 2011 (23/002342-10)). Niet kan worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had om zijn vrouw in hulpeloze toestand achter te laten. Het kan verdachte niet worden aangerekend dat hij niet wist dat de situatie waarin zijn vrouw zich bevond zo ernstig was dat hij haar niet kon achterlaten. Verdachte heeft de situatie verkeerd ingeschat en dat is verklaarbaar nu geen sprake was van uitwendig letsel. Daarbij dient te worden opgemerkt dat er die avond óók door verdachte veel alcohol was genuttigd. Het beoordelingsvermogen kon daardoor behoorlijk zijn beïnvloed.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman opgemerkt dat er geen sprake is van oplichting maar dat het een civiele aangelegenheid betreft, op grond waarvan vrijspraak zou moeten volgen.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van feit 3 op de tenlastelegging eveneens dient te worden vrijgesproken, omdat in dezen niet gesproken kan worden van oplichting. Verdachte was samen met zijn toenmalige partner [slachtoffer 2] in het bedrijf ([slachtoffer 3]) aanwezig en ze hebben samen tot de koop van de gekozen goederen besloten. Bovendien is de handtekening op de offerte niet van verdachte.

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van een (eventuele) bewezenverklaring van feit 4, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Voor zover de raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de verklaring van verdachte, afgelegd in het dienstvoertuig van politie, d.d. 2 juni 2009 niet mag worden gebruikt als bewijs omdat de politie aan verdachte heeft verzuimd de cautie te geven, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat nadat op 2 juni 2009 omstreeks 06.32 uur een melding binnenkwam inhoudende dat op de [adres] in Venlo een vrouw dood is aangetroffen door haar man, verbalisanten ter plaatse zijn gegaan. Verdachte opende de voordeur en werd door verbalisant [naam] gevraagd om in het dienstvoertuig plaats te nemen om een gesprek te hebben over hetgeen zich in de woning had afgespeeld. Verdachte werd op dat moment niet aangemerkt als verdachte, noch had de politie aanleiding daartoe.

De rechtbank stelt vast dat er op dat moment niet de noodzaak toe bestond om verdachte de cautie te geven. De rechtbank verwerpt dienaangaande het verweer van de raadsman.

Uit de stukken betreffende de overlevering van verdachte die de officier van justitie heeft overgelegd, blijkt dat verdachte met behoud van het specialiteitsbeginsel slechts afstand heeft gedaan van de termijn en rechterlijke toetsing van de overlevering. Uit het verhoor terzake blijkt dat zowel het oorspronkelijk Europees Aanhoudingsbevel, als de aanvulling daarop aan de orde zijn geweest. Dit betekent, met inachtneming van verdachtes voorbehoud, dat de overlevering betrekking heeft gehad op alle feiten die aan verdachte ten laste zijn gelegd. Dat deze niet alle uitdrukkelijk bij zijn verhoor aan de orde zijn gekomen en niet alle door hem zijn becommentarieerd, doet daaraan niet af.

De rechtbank overweegt dat het ‘Salduz’-verweer van de raadsman van verdachte ter zake de verklaring, afgelegd op 2 juni 2009, op het politiebureau, niet tot enig rechtsgevolg zal leiden, nu de rechtbank deze verklaring voor het bewijs niet zal gebruiken.

De rechtbank hanteert ten aanzien van feit 1 de volgende bewijsmiddelen.

Op 2 juni 2009 te 06.32 uur kregen verbalisanten [naam] en [naam] het verzoek om zich te begeven naar de [adres] te Venlo. Verbalisanten kwamen op 06.35 uur ter plekke. Na kloppen op de voordeur zag [naam] een manspersoon die de voordeur van de woning opende. Deze man gaf later op te zijn: [verdachte]. Verbalisant [naam] betrad de woning en zag op een gegeven moment een vrouw op de vloer in de keukenruimte liggen. [naam] rook in de ruimte een geur van ontlasting, hij zag dat de mond van de vouw wijd open stond en hij zag dat zij een blauwe kleur had. [naam] had [verdachte] laten plaatsnemen in het dienstvoertuig. [naam] vroeg aan hem wat er gebeurd was. Hij hoorde [verdachte] zeggen dat hij gisteren met zijn vrouw in de stad iets was gaan drinken. Bij thuiskomst zijn beiden televisie gaan kijken. [verdachte] zei verder dat omstreeks 22.00 uur zijn vrouw was opgestaan en naar de keuken was gelopen. Hij zei dat zijn vrouw in de keuken in elkaar was gezakt en dat hij daarop was opgestaan om haar te helpen. Hij vertelde [naam] dat hij in de keuken had gemerkt dat zijn vrouw haar ontlasting had laten lopen en dat hij haar niet overeind kreeg. De man zei tegen [naam] dat hij hierop boos was geworden en zijn vrouw had laten liggen. Hij vertelde daarna de trap te zijn opgelopen en boven in slaap te zijn gevallen. Hij vertelde vervolgens dat hij in de ochtend was opgestaan en naar beneden was gelopen, waar hij zijn vrouw, liggend op de keukenvloer had aangetroffen. De man vertelde dat zijn vrouw koud en levenloos aanvoelde.

Op 2 juni 2009 te 07.30 uur werd een forensisch onderzoek ingesteld naar aanleiding van het overlijden van een vrouw in de woning, gelegen aan de [adres] te Venlo. Verbalisanten [naam], [naam] en [naam] zagen dat de overledene op de stenen vloer van de keuken lag. Verbalisanten zagen dat de broek van het slachtoffer besmeurd was met lichtbruine ontlasting. Om 08.10 uur werd ter plaatse door de aangewezen lijkschouwer [naam] een schouw verricht in de woning. Op 2 juni 2009 is om 10.30 uur het stoffelijk overschot door [naam] in beslag genomen. Het stoffelijk overschot werd op 11.25 uur overgebracht naar het mortuarium van het ziekenhuis VieCurie te Venlo, alwaar het (na de lijkschouw) door [naam] werd geplaatst in een gewaarmerkte afgesloten koelcel. /

Het slachtoffer werd herkend door de echtgenoot van het slachtoffer, [verdachte].

Op 3 juni 2009 is het in beslag genomen lichaam van [slachtoffer 1] overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk. Daar werd het lichaam om 12.30 uur overgedragen aan de onderzoekende patholoog anatoom.

Blijkens het voorlopige rapport epicrise van arts-patholoog [naam] d.d. 3 juni 2009 was hartspierweefselversterf de directe oorzaak van het intreden van de dood van [slachtoffer 1]. Aangaande de vraag of snelle medische hulp het intreden van de dood zou hebben kunnen voorkomen is vooralsnog zekere uitspraak mogelijk anders dan dat het niet bieden van snelle medische hulp de kans het dodelijk verlopen van de bevindingen substantieel heeft vergroot.

Blijkens het pathologisch deskundigenrapport d.d.16 oktober 2009 is het hartspierweefsel-versterf opgetreden ten gevolge van massaal bloedverlies en stress gerelateerde hartspierontsteking ten gevolge van massaal bloedverlies. Dit bloedverlies is opgetreden ten gevolge van een beenbreuk met massale weefselbeschadiging. De sectiebevindingen en dan met name de combinatie van afwezigheid van reeds langer bestaand hartspierweefselversterf en een vorderende ontstekingsreactie van de verschillende letsels wijzen zeer sterk in de richting van een scenario waarbij het slachtoffer langere tijd in kommervolle toestand heeft verbleven voordat er, als gevolg van bloedverlies, hartinfarcering ontstond. Aangaande het al dan niet te bieden van snelle medische interventie kan worden gesteld dat de bevindingen van dien aard zijn dat het bieden van snelle medische interventie de kans op het dodelijk verlopen van het geheel beduidend zou hebben verkleind.

Blijkens het Verslag Forensisch Onderzoek d.d. 5 november 2009 is door verbalisant [naam] op 2 juni 2009 informatie ingewonnen bij de waarnemer huisarts. [slachtoffer 1] was bij haar huisarts bekend met o.a. operatief behandelde borstkanker (2005 en 2007), zwakte na een beroerte in 2000, te snel werkende schildklier en chronisch alcoholmisbruik waardoor het syndroom van Wernicke-Korsakov was ontstaan (een neurologische aandoening waarbij het korte termijn geheugen gestoord is en spierzwakte en coördinatiestoornissen kunnen voorkomen).

De verdachte heeft op 27 mei 2011 verklaard dat zijn vrouw ([slachtoffer 1]) was gestruikeld en dat hij haar opgeholpen heeft. Hij heeft haar zittend neergezet op de vloer in de woonkamer. Toen hij de ontlasting zag is hij boos weggegaan. Hij interpreteerde het als symptomen van Korsakov. Hij dacht ”Oh nee, toch weer niet Korsakov”. Toen verdachte wegging zat zijn vrouw in de woonkamer. Verdachte heeft verklaard dat hij meent dat hij om 22.00 uur naar bed is gegaan en direct in slaap is gevallen.

Blijkens het proces-verbaal van [naam] van Bureau Digitale Expertise d.d. 13 juli 2009 is onderzoek gedaan naar de laptop die in de woning van verdachte is aangetroffen. Het onderzoek leidt tot onder meer het volgende resultaat. [naam] stelt vast dat op 1 juni 2009 te 22.34 uur een aantal bestandjes op de laptop geplaatst zijn en om 22.38 uur bezoekt de gebruiker [gebruikersnaam] weer zijn inbox in Hotmail. Hierna wordt Live, een onderdeel van Hotmail, bezocht. Om 22.43 uur verandert er dan even niets tot 23.00 uur. Er volgt wederom een bezoek aan Live om 23.07 uur. Om 23.15 uur wederom een bezoek aan Live. Om 23.27 uur wordt verder gegaan met een bezoek aan www.startpagina.nl. De laatst geregistreerde verandering die dag en tevens het laatste aangemaakte bestand op de laptop is om 23.34 uur op 1 juni 2009.

De dochter van verdachte en slachtoffer, [dochter slachtoffer], heeft op 2 juni 2009 verklaard dat haar moeder drie jaar geleden in een soortgelijke situatie door haar vader (verdachte) is aangetroffen. Ze had toen een soort aanval gehad. Ze had hierbij haar ontlasting laten lopen en was tegen de verwarming in de slaapkamer gevallen. Haar vader heeft toen gebeld naar de huisarts en ze is toen met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Haar moeder bleek Korsakov te hebben. Vanaf dat moment had haar moeder veel zorg nodig. Verder verklaart de dochter dat haar moeder twee keer borstkanker heeft gehad en dat haar vader (verdachte) al drie jaar de zorg voor haar draagt

Blijkens het proces-verbaal bevindingen d.d. 9 juni 2011 heeft verbalisant [naam] contact opgenomen met forensisch geneeskundige [naam], die verbonden is aan de GGD te Venlo. Genoemde [naam] deelde verbalisant [naam] mede dat er geen of geen volledig herstel mogelijk was van het syndroom van Wernicke-Korsakoff.

Conclusie

De rechtbank stelt aan de hand van bovenstaande bewijsmiddelen vast dat de echtgenote van verdachte, [slachtoffer 1], in de avond van 1 juni 2009 is gevallen in hun woning, gelegen aan de [adres] te Venlo. Verdachte heeft vervolgens getracht haar te helpen, maar heeft naar eigen zeggen zijn vrouw zittend neergezet. Toen hij geconstateerd had dat zijn vrouw haar ontlasting had laten lopen, is hij boos geworden en heeft vervolgens zijn vrouw achtergelaten. Zelfs dacht verdachte: “Oh nee, toch weer niet Korsakov”. Verdachte heeft verklaard dat hij rond 22.00 uur naar bed is gegaan en meteen in slaap is gevallen. Blijkens de bevindingen van verbalisant [naam] is die verklaring niet geloofwaardig daar door [naam] is vastgesteld dat op 1 juni 2009 tussen 22.34 uur en 23.34 uur internetactiviteiten hebben plaatsgevonden. In de ochtend heeft verdachte zijn vrouw levenloos op de keukenvloer aangetroffen. De rechtbank gaat uit van verdachtes verklaring, afgelegd in het dienstvoertuig op 2 juni 2009, waar hij heeft verklaard dat zijn vrouw in de keuken was gevallen en dat hij haar niet overeind kreeg en haar daar heeft laten liggen, hetgeen ook correspondeert met de bevindingen van verbalisant [naam].

Blijkens het voorlopige rapport was hartspierweefselversterf de directe oorzaak van het intreden van de dood van [slachtoffer 1]. Blijkens het pathologisch deskundigenrapport d.d.16 oktober 2009 is het hartspierweefselversterf opgetreden ten gevolge van massaal bloedverlies en stress gerelateerde hartspierontsteking ten gevolge van massaal bloedverlies. Dit bloedverlies is opgetreden ten gevolge van een beenbreuk met massale weefselbeschadiging. De sectiebevindingen wijzen zeer sterk in de richting van een scenario waarbij het slachtoffer langere tijd in kommervolle toestand heeft verbleven voordat er, als gevolg van bloedverlies, hartinfarcering ontstond. Een snelle medische interventie zou de kans op het dodelijk verlopen van het geheel beduidend hebben verkleind.

Dat verdachte op de hoogte was van de medische gesteldheid van zijn vrouw blijkt mede uit zijn eigen verklaring en de verklaring van zijn dochter [dochter slachtoffer]. Gebleken is dat [slachtoffer 1] drie jaar eerder in een soortgelijke situatie door verdachte is aangetroffen. Verdachte heeft toen wel gebeld naar de huisarts en zijn vrouw is toen met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Daar bleek uiteindelijk dat zij Korsakov had. Vanaf dat moment had zij veel zorg nodig.

De rechtbank stelt aan de hand van het voorgaande vast dat [slachtoffer 1] zich in een hulpeloze toestand bevond, hetgeen verdachte zich ook realiseerde, daar hij getracht heeft haar te helpen. Bovendien was verdachte op de hoogte van het feit dat zijn vrouw leed aan Korsakov. Hij had bij een eerdere aanval (drie jaar tevoren) de huisarts en een ambulance wel ingeschakeld. Niet is vereist dat verdachte exact wist wat zijn echtgenote mankeerde. Volstaat dat het hem duidelijk was dat zij hulp behoefde. Deze hulp heeft hij haar onthouden.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zijn vrouw in de nacht van 1 op 2 juni 2009 bewust in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. De rechtbank acht feit 1 bewezen, als hierna onder 4.4 beschreven.

Feit 3

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken, welk standpunt is opgenomen onder 4.2.

De rechtbank kan slechts dan tot een bewezenverklaring komen indien de verweten gedragingen kunnen worden aangemerkt als een verfeitelijking van het tenlastegelegde onderdeel: ‘een samenweefsel van verdichtsels’. De rechtbank kan in casu daartoe pas concluderen wanneer vast is komen te staan dat reeds op het moment dat de overeenkomst getekend werd, er geen sprake zou zijn van enige vorm van geplande/bedoelde (toekomstige) betaling. De rechtbank kan die conclusie niet trekken. Immers verdachte bevond zich samen met zijn toenmalige partner in de winkel toen de aankoop/bestelling werd gedaan. Verdachte had samen met zijn partner een geregistreerd partnerschap en maakte destijds gebruik van haar financiële middelen. De rechtbank zal - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - verdachte vrijspreken van het onder 3 tenlastegelegde.

Feit 4

[naam] heeft op 29 juni 2010 namens de vereniging “[slachtoffer 4]” aangifte gedaan van verduistering. Op 5 maart 2010 werd in “[hotel]” een feestavond met receptie van de vereniging “[slachtoffer 4]” gehouden. Tijdens de feestavond werden er giften, in de vorm van geld, gedaan door gasten aan de vereniging. [verdachte] (verdachte) was lid van de vereniging en trad die avond op als ceremoniemeester. Hij nam het geld in ontvangst. De totale opbrengst was € 410,- (€ 165,- aan giften en € 245,- van de verkoop van cd’s). Na diverse mailcontacten, waarin aan [verdachte] werd verzocht om het geld aan de penningmeester van de vereniging te overhandigen, is het geld niet in het bezit gekomen van de vereniging.

Verdachte heeft op 28 mei 2011 bij de politie verklaard dat hij lid is geweest van de vereniging “[slachtoffer 4]” en dat het waar is dat hij geld onder zich had dat niet van hem was en dat hij dat geld ook onder zich heeft gehouden.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gelden van de [slachtoffer 4] onder zich had. Deze had hij onder zich gekregen in zijn hoedanigheid van ceremoniemeester. Ondanks herhaald aandringen van de vereniging heeft verdachte deze gelden deels verrekend en verder ondanks herhaalde aanmaningen en toezeggingen nadien zo lang onder zich gehouden zonder daar verder op terug te komen, dat de rechtbank van oordeel is dat hij zich dit geld heeft toegeëigend.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij in de nacht van 1 op 2 juni 2009 in de gemeente Venlo opzettelijk [slachtoffer 1] (zijnde de echtgenote van verdachte), tot wiens onderhoud en verpleging en verzorging hij, verdachte, krachtens wet verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gelaten, terwijl dat feit de dood van genoemde [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad, immers heeft hij, verdachte, genoemde [slachtoffer 1] liggend op de vloer in hun woning aangetroffen en geprobeerd genoemde

[slachtoffer 1] op te tillen, maar bij constatering van het feit dat genoemde [slachtoffer 1] haar ontlasting had laten lopen genoemde [slachtoffer 1] weer op de vloer teruggelegd, naar bed is gegaan, althans is gaan internetten;

4.

hij in de periode van 5 maart 2010 tot en met 29 juni 2010 in de gemeente Venlo opzettelijk een geldbedrag van EURO 410,--, toebehorende aan het [slachtoffer 4], welk geld verdachte anders dan door misdrijf, te weten als ceremoniemeester, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2 De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

Feit 1:

opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging hij krachtens wet verplicht is, in een hulpeloze toestand laten, de dood ten gevolge hebbend

Feit 4:

verduistering

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij de artikelen 255 juncto 257 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

6.De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

7.De oplegging van straf

7.1De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar.

7.2Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat mocht tot een bewezenverklaring worden gekomen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, passend is. De raadsman merkt wel op dat ook rekening dient te worden gehouden met de tijd die verdachte in overleveringsdetentie heeft gezeten en dat het oude feiten betreft.

7.3Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft in de nacht van 1 op 2 juni 2009 zijn echtgenote [slachtoffer 1] in hulpeloze toestand achtergelaten, nadat zij in de woning op de keukenvloer was gevallen. Verdachte was op de hoogte van de slechte medische gesteldheid van zijn vrouw en was zich bewust van het feit dat zij hulpbehoevend was en niet enkel op die bewuste avond. Al drie jaar lang was zij afhankelijk van de zorg die zij van verdachte kreeg. [slachtoffer 1] is (als blijkt uit het sectierapport d.d. 16 oktober 2009) na een helse lijdensweg en op een mensonterende manier gestorven en dat enkel omdat verdachte boos was omdat zij haar ontlasting, na de val, had laten lopen. Verdachte heeft, nadat hij naar boven was gegaan, niet eens meer de moeite genomen om de toestand van zijn vrouw te controleren. Integendeel, verdachte liet haar alleen achter, ging nog een uurtje internetten en vervolgens slapen.

Daarnaast heeft verdachte geld verduisterd van een Vereniging waar hij lid van was en waarbij hem het vertrouwen van ceremoniemeester was geschonken. De rechtbank acht dit betreurenswaardig.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank voorts gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 november 2012, waaruit blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank bij de straftoemeting gelet op de omstandigheid dat de bewezenverklaarde feiten van oudere datum zijn.

De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende reactie vormt, waarbij vooral de nadruk ligt op het bewezenverklaarde feit onder 1. De rechtbank zal aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van twee jaar met aftrek van het voorarrest én de tijd die verdachte in overleveringsdetentie heeft gezeten.

8.De benadeelde partij

8.1 De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 2], [adres], heeft ter zake feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend ter hoogte van € 36.050,95.

De benadeelde partij [slachtoffer 3], [adres], heeft ter zake feit 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend ter hoogte van 17.806,73.

De benadeelde partij Vereniging [slachtoffer 4], [adres]

heeft ter zake feit 4 een vordering tot schadevergoeding ingediend ter hoogte van € 456,-.

De benadeelde partij [slachtoffer 5], [adres], heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend ter hoogte van € 5.633,97.

8.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor een gedeelte, groot € 28.800,- dient te worden toegewezen. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard, daar de tenlastelegging enkel ziet op de overdrachtsbelasting.

De officier stelt zich verder op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] integraal dient te worden toegewezen. De vordering is op een deugdelijke wijze onderbouwd.

De officier van justitie stelt zich voorts op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij Vereniging [slachtoffer 4] voor een gedeelte, groot € 410,-, dient te worden toegewezen. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De officier van justitie stelt zich ten slotte op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5], niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het feit waarvoor zij een vordering heeft ingediend niet is tenlastegelegd.

8.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. In de visie van de raadsman dient de officier van justitie ten aanzien van feit 2 niet ontvankelijk te worden verklaard en ten aanzien van feit 3 dient vrijspraak te volgen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Vereniging [slachtoffer 4]

refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.4 Het oordeel van de rechtbank

Feit 2

Gelet op de omstandigheid dat de officier van justitie ter zake feit 2 in haar vervolging niet-ontvankelijk wordt verklaard, kan de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet in haar vordering worden ontvangen. De benadeelde partij voornoemd zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

Feit 3

Gelet op de omstandigheid dat de verdachte ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken, kan de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet in zijn vordering worden ontvangen. De benadeelde partij voornoemd zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

Feit 4

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij Vereniging [slachtoffer 4] door het hiervoor onder 4.4 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot een bedrag van 410,- euro. Nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering tot dat bedrag worden toegewezen. Voor het overige gedeelte (groot € 46) zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, daar deze schade niet rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde strafbare feit.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Overigens zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk verklaren, omdat het feit waarvoor zij een vordering heeft ingediend niet is tenlastegelegd.

De rechtbank zal respectievelijk [slachtoffer 2], [naam] en [naam] veroordelen in de kosten terzake van deze vorderingen geleden door verdachte. De rechtbank zal deze kosten begroten op nihil.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 36f, 57, 255, 257 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.De beslissing

De rechtbank:

Niet-ontvankelijk

-verklaart de officier van justitie in haar vervolging ten aanzien van feit 2 niet-ontvankelijk;

Vrijspraak

-spreekt verdachte vrij van het onder 3 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

-verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

-spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

-verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

-verklaart verdachte strafbaar;

Straf

-veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 jaren;

-bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest en in overleveringsdetentie heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

-verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [adres], niet-ontvankelijk in haar vordering;

-veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 2] voornoemd in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

-verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende te [adres], niet-ontvankelijk in zijn vordering;

-veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 3] voornoemd in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

-verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5], wonende te [adres] niet-ontvankelijk in haar vordering;

-veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 5] voornoemd in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

-veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij Vereniging [slachtoffer 4] (gemachtigde [naam]), te betalen een bedrag van € 410,- aan materiële schadevergoeding;

-verklaart de vordering van de benadeelde partij voornoemd voor het overige niet-ontvankelijk;

-legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 410,- subsidiair 8 dagen hechtenis;

-bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 410,-, ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

-veroordeelt de verdachte in de kosten, door de benadeelde partij voornoemd ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.P.J. van Deventer, voorzitter, mr. A.K. Kleine en

mr. N.H.W. Montulet-Van der Meer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Penders, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 april 2013.

Buiten staat

Mr. N.H.W. Montulet-Van der Meer en mr. M.J.M. Penders zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.