Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ6852

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
10-04-2013
Zaaknummer
03/830040-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hennepteelt en diefstal van elektriciteit. Geslaagd beroep op ontbreken Salduzmededeling t.a.v. diefstal elektriciteit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/830040-11

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 april 2013

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Raadsvrouw is mr. K.D.M. Schepers, advocaat te Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 12 augustus 2011, 10 oktober 2011 en 26 maart 2013. Verdachte is op de eerste twee zittingen wel verschenen, maar op de laatste zitting niet. Wel is steeds verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De ter terechtzitting van 10 oktober 2011 gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met (een) ander(en) meermalen 623 hennepplanten heeft geteeld;

Feit 2: samen met (een) ander(en) elektriciteit heeft gestolen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Daarbij heeft zij aangevoerd dat verdachte volgens buurtbewoners alleen in de betreffende woning woonde. Verdachte is dan ook verantwoordelijk voor de aangetroffen hennepplantage. De door verdachte aangedragen medepleger bestaat naar het oordeel van de officier van justitie niet.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van beide tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft zij primair aangevoerd dat de machtiging tot binnentreden voor meerdere woningen bruikbaar is, maar slechts door een hulpofficier van justitie is verstrekt. Dit maakt het binnentreden onrechtmatig en al hetgeen is aangetroffen dient van het bewijs te worden uitgesloten.

Subsidiair is de raadsvrouw van mening dat er onvoldoende verdenking was jegens verdachte. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de hennepgeur op een parkeerplaats wordt geroken en dat nog een andere woning de aandacht van de politie had. De verrichte netmeting omvat meerdere woningen en de woning die in het proces-verbaal van de warmtemeting is te zien, komt niet overeen met de woning van verdachte zoals die op internet te zien is. Ook is de warmtemeting blijkens de foto’s verricht ter hoogte van de begane grond van de woning, waar geen hennepplantage is aangetroffen. Daarbij komt dat er geen aandacht is besteed aan eventuele isolatie van de woning. De gestelde hogere temperatuur wordt niet nader onderbouwd. Hierdoor is sprake van onrechtmatig binnentreden en dient bewijsuitsluiting te volgen.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat niet is voldaan aan de Salduz-regels. Enerzijds is verdachte door de politie onjuist voorgelicht, in die zin dat de politie hem heeft meegedeeld dat hij een eigen advocaat mocht bellen, maar dat de kosten daarvan voor verdachte waren. Anderzijds is verdachte niet opnieuw meegedeeld dat hij recht had op rechtsbijstand toen hij werd verhoord ter zake van de diefstal van stroom. Verdachte is immers aangehouden in het kader van de Opiumwet. De diefstal van stroom is daardoor een nieuw aanvullend feit en verdachte had daarom opnieuw gewezen moeten worden op zijn recht op bijstand door een advocaat.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de diefstal van stroom is ontdekt doordat de verbalisanten in de meterkast hebben gekeken. Nu deze handeling te kwalificeren is als doorzoeken, valt dit niet binnen de reikwijdte van de machtiging tot binnentreden, waardoor het binnentreden onrechtmatig was en er bewijsuitsluiting dient te volgen.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Onbevoegd afgegeven machtiging?

Een hulpofficier van justitie is krachtens artikel 3 van de Algemene Wet op het Binnentreden bevoegd tot het afgeven van een machtiging tot binnentreden op een specifiek adres. In casu is op de betreffende machtiging niet alleen aangekruist dat zonder toestemming van de bewoner mag worden binnengetreden in de woning gelegen aan de [adres], maar ook in iedere woning waarin de bedoelde persoon/het bedoelde goed zich bevindt of verondersteld wordt zich te bevinden. De rechtbank verbindt hieraan geen consequenties nu van deze verdergaande bevoegdheid geen gebruik is gemaakt, er is immers enkel binnengetreden aan de [adres]. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte niet in zijn belangen is geschaad en dat het binnentreden op grond van de daartoe afgegeven machtiging rechtmatig heeft plaatsgevonden.

Onvoldoende verdenking?

Naar aanleiding van een melding door een stadsdeelcoördinator – inhoudende dat hij een hennepgeur ruikt afkomstig uit een loods aan de Voskuilenweg – heeft de politie samen met een medewerker van[naam bedrijf]een netmeting en een warmtemeting op het adres [adres]gedaan. Die metingen registreerden een positief resultaat. Op de foto met nummer 590 is duidelijk te zien dat er op de bovenverdieping van de woning werd gemeten, alwaar de plantage ook is aangetroffen – en niet, zoals de raadvrouw stelt, op begane grond.

De rechtbank passeert ook het verweer dat de meting niet is uitgevoerd op de woning van verdachte. Dat de foto’s niet zien op de betreffende woning, zoals de raadsvrouw stelt, is door de rechtbank niet vast te stellen. Gelet op het ambtsedig proces-verbaal waarin is gerelateerd dat de foto’s wel degelijk betrekking hebben op de woning van verdachte aan [adres] te Heerlen, gaat de rechtbank uit van de juistheid van de foto’s.

Naar het oordeel van de rechtbank leveren bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, het redelijke vermoeden op dat zich in de woning van verdachte een hennepkwekerij bevond.

Salduz

Ingevolge het arrest HR 30 juni 2009, NJ 2009, 349 heeft een verdachte die door de politie is aangehouden, op grond van art. 6 EVRM recht op rechtsbijstand die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen en dat de aangehouden verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat.

Ingevolge het arrest HR 22 januari 2013, BY7892, is het recht om een advocaat te raadplegen ook van toepassing ingeval een verdachte voor het feit waarop het verhoor ziet niet is aangehouden, maar hem op dat moment uit andere hoofde zijn vrijheid is ontnomen.

Uit het dossier blijkt dat verdachte op 21 september 2010 is aangehouden. Bij deze aanhouding is verdachte, geheel conform het vereiste van de Salduz-jurisprudentie, gewezen op zijn recht voorafgaand aan zijn verhoor kosteloos met een advocaat te spreken. Verdachte heeft te kennen gegeven hier geen gebruik van te willen maken, waardoor er op dit punt geen sprake is van een schending van artikel 6, tweede lid, van het EVRM.

Uit het dossier blijkt echter ook dat verdachte slechts is aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet en niet tevens op grond van diefstal (van elektriciteit). In zijn verhoor is verdachte daarentegen wel bevraagd over deze diefstal van elektriciteit. De rechtbank is het met de raadsvrouw eens dat verdachte voorafgaand aan zijn verhoor over de diefstal van de stroom opnieuw gewezen had moeten worden op zijn consultatierecht. Het betrof hier immers een nieuw strafbaar feit, terwijl verdachte op dat moment was aangehouden voor een ander strafbaar feit en dus uit andere hoofde zijn vrijheid was ontnomen.

Dit brengt met zich dat de rechtbank hetgeen verdachte over de diefstal van elektriciteit heeft verklaard niet als bewijs zal gebruiken. Op grond hiervan zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde onder 2, nu de enkele aangifte van[naam bedrijf]B.V. onvoldoende bewijs vormt om tot een bewezenverklaring te komen. Het overige verweer van de raadsvrouw ten aanzien van de diefstal van elektriciteit behoeft geen verdere bespreking.

Bewijs hennepplantage

Op 21 september 2010 is binnengetreden in de woning aan de [adres] te Heerlen. Verdachte heeft aangegeven bewoner te zijn van deze woning. In de woning werden in drie ruimtes hennepplantages aangetroffen. Er werden 623 hennepplanten in beslag genomen. ,

Verdachte heeft verklaard dat hij de woning aan de [adres] sinds maart 2009 huurt om hier samen met een andere persoon hennep te telen. Later is hij op die verklaring teruggekomen in die zin dat een ander de huurder zou zijn die de plantage zou onderhouden en dat hij pas vlak voor de ontdekking, toen die ander spoorloos was verdwenen, enkele keren water aan de planten zou hebben gegeven.

Nog los van het feit dat ook deze verklaring impliceert dat hij de hennepplanten in vereniging heeft gekweekt – zij het gedurende een veel kortere tijd – hecht de rechtbank hieraan geen geloof. Er is immers geen enkele geloofwaardige verklaring gegeven voor het feit dat verdachte zich dan in zijn eerste verhoren zo zwaar, maar onjuist, zou hebben belast.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander hennep heeft geteeld.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 april 2009 tot en met 21 september 2010 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander meermalen opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van ongeveer 623 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een taakstraf van 100 uur voorwaardelijk, bij niet verrichten te vervangen door 50 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaar.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met het blanco strafblad van verdachte. Gelet op het tijdsverloop heeft zij daarnaast verzocht geen onvoorwaardelijke straf op te leggen. Ook heeft zij gewezen op het feit dat verdachte meteen openheid van zaken heeft gegeven.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft samen met een onbekend gebleven persoon gedurende 18 maanden hennep geteeld.

Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaat met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Het is algemeen bekend dat de inwoners van Zuid-Limburg veel overlast ondervinden van de handel in verdovende middelen. Verdachte heeft daaraan een bijdrage geleverd door een hennepplantage te exploiteren.

Als uitgangspunt voor het bepalen van de op te leggen straf zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten van het LOVS ter zake van hennepkwekerijen. Voor de aangetroffen hoeveelheid van 623 hennepplanten wordt als uitgangspunt een gevangenisstraf van 12 weken genomen.

In het blanco strafblad van verdachte en het tijdsverloop ziet de rechtbank aanleiding om in het onderhavige geval van het uitgangspunt van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf af te wijken en te volstaan met oplegging van een voorwaardelijke taakstraf.

Alles overwegende vindt de rechtbank passend om verdachte op te leggen een taakstraf van 100 uur voorwaardelijk, bij niet verrichten te vervangen door 50 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaar.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij[naam bedrijf]B.V. vordert een schadevergoeding van € 24.443,49 ter zake van feit 2.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen en tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering af te wijzen. Subsidiair is zij van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en daardoor niet eenvoudig is van aard. Daarnaast heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de uurtarieven van de inspecteur en de uitvoerder te hoog zijn en dat ten onrechte de verkoopprijs van de elektriciteit wordt berekend. Het verzoek tevens de wettelijke rente toe te wijzen dient te worden afgewezen, nu verdachte al twee keer een betalingsregeling heeft aangevraagd, die door[naam bedrijf]geweigerd is.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering, nu zij verdachte zal vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde feit.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot taakstraf voor de duur van 100 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij[naam bedrijf]BV in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij[naam bedrijf]BV in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en

mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 april 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2009 tot en met 21 september 2010 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 623 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2009 t/m 21 september 2010 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan[naam bedrijf]B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) het het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak of verbreking.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/830040-11

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 9 april 2013 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsvrouw is mr. K.D.M. Schepers, advocaat te Venlo.