Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ1476

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
19-02-2013
Zaaknummer
506377 CV EXPL 12-5335
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis direct na antwoord. Vordering uit onherroepelijk geworden bestuursrechtelijk heffingsbesluit ter zake van financieel toezicht met nevenvorderingen. Slechts de - ook buiten rechte - onbetwist gelaten hoofdsom komt voor toewijzing in aanmerking. Penibele financiële situatie van (de onderneming van) debiteur al geruime tijd bij AFM bekend (te veronderstellen). In weerwil van art. 6:29 BW was AFM op grond van art. 6:2 lid 1 BW in redelijkheid gehouden hte maximale te beproeven om Pisters niet met extra kosten van invordering op te zadelen. Nu ook niet gesteld is dat, wanneer en waarom al buiten rechte betalingsverzuim aan de zijde van de debiteur bewerkstelligd is, komt slechts de hoofdsom voor toewijzing in aanmerking en worden de proceskosten geheel gecompenseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht / Kantonrechter

Zaaknummer 506377 CV EXPL 12-5335

Vonnis van 30 januari 2013

in de zaak

STICHTING AUTORITEIT FINANCIËLE MARKTEN,

gevestigd te Amsterdam,

verder ook te noemen: AFM,

eisende partij,

gemachtigden: A. Niekus en mr. E. Krom, deurwaarders te Amsterdam

tegen

[NAAM GEDAAGDE PARTIJ],

wonend en zaakdoend te [woonplaats gedaagde partij],

verder ook te noemen: [gedaagde partij],

gedaagde partij,

in persoon procederend

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

AFM heeft [gedaagde partij] bij dagvaarding van 27 november 2012 in rechte betrokken voor een vordering als omschreven en beargumenteerd in het exploot, tegelijk waarmee aan [gedaagde partij] een meervoudige productie in fotokopievorm (brief plus factuur) betekend is.

[gedaagde partij] heeft ter eerst diende datum, 18 december 2012, schriftelijk geantwoord onder bijvoeging van een reeks ongenummerde fotokopieën als producties.

De rolrechter heeft vervolgens in verband met aard en inhoud van het verweer en ook overigens met het oog op overwegingen van proceseconomie direct eindvonnis bepaald, zodat heden uitspraak gedaan wordt.

MOTIVERING

a. het geschil

AFM vordert veroordeling van [gedaagde partij] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 1.225,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf ‘vervaldatum van de factuur / facturen’ tot de datum van volledige voldoening en tevens verwijzing van [gedaagde partij] in de proceskosten en in de buiten rechte gemaakte kosten die zij inclusief verschuldigde ‘B.T.W.’ (btw) op € 178,50 fixeert. AFM baseert haar (hoofd)vordering - samengevat - op een onherroepelijk geworden bestuursrechtelijk heffingsbesluit in de vorm van een van haar als bevoegd uitvoeringsorgaan afkomstige en aan [gedaagde partij] gerichte factuur d.d. 30 juli 2010 voor financieel toezicht gedurende het jaar 2010. Omdat [gedaagde partij] bezwaar (en/of beroep) in de zin van de Awb achterwege gelaten heeft, heeft het besluit tot heffing ‘formele rechtskracht’ verkregen en moet van zijn rechtmatigheid uitgegaan worden, zodat AFM thans in rechte betaling vordert van het factuurbedrag van € 1.225,00. Omdat AFM ‘zich genoodzaakt gezien heeft’ haar vordering ter incasso ‘uit handen te geven’, acht zij [gedaagde partij] tevens het forfaitaire bedrag van € 178,50 aan vergoeding van (daarmee gemoeide, doch verder niet verbijzonderde) kosten verschuldigd. Tot slot voert AFM art. 6:119 BW aan als grondslag voor haar aanspraak op wettelijke rente over de hoofdsom (het onbetaald gelaten heffingsbedrag) omdat zij van oordeel is dat voor de factuur een ‘vervaldatum’ gold.

Het verweer, waarin de hoofdvordering niet bestreden wordt, strekt ertoe te betogen dat AFM zonder redelijke noodzaak de weg van gerechtelijke invordering kiest. AFM en haar (incasso)gemachtigde is immers bekend dat [gedaagde partij] door financiële problemen (hij tracht zijn onderneming sinds 2008 te behoeden voor een faillissement) al geruime tijd niet in staat is openstaande schulden (niet alleen aan AFM) direct te voldoen. Voor het eerst in 2009 heeft het ook thans voor AFM optredende deurwaarderskantoor aan [gedaagde partij] laten blijken niet te willen meewerken aan een betalingsregeling, met alle vervolgens veroorzaakte extra kosten van dien. [gedaagde partij] acht deze handelwijze onnodig, onwenselijk en onredelijk en hij vraagt de kantonrechter de eisen die de betaling van de hoofdsom te boven gaan, af te wijzen. Hij is immers alleszins tot betalen bereid, zij het dat hij daartoe niet ineens en volledig in staat is.

b. de beoordeling

In een zaak als de onderhavige, waarin de debiteur onbetwist een bedrag in hoofdsom gelijk aan € 1.225,00 verschuldigd is, kan AFM zich beroepen op de regel dat zij niet gehouden is met betaling van die hoofdsom in gedeelten genoegen te nemen (art. 6:29 BW). Daar staat evenwel tegenover dat schuldeiser en schuldenaar gehouden zijn zich jegens elkaar te gedragen naar de regels van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 1 BW). Onder omstandigheden zoals hier overduidelijk aan de orde zijn, impliceert dit dat de al enige jaren bij AFM en haar gemachtigde bekend te veronderstellen penibele financiële situatie van (de onderneming van) [gedaagde partij] een rechtsplicht voor AFM oplevert om het maximale te beproeven ter beperking van (extra) kosten die louter zien op invordering van hetgeen haar toekomt dan wel de verkrijging van een gerechtelijke titel tot tenuitvoerlegging, zeker waar de redelijke noodzaak van zulke stappen minst genomen aan twijfel onderhevig is. Gesteld noch gebleken is dat AFM zich daaraan (en dus aan het belang van haar debiteur) ook maar iets gelegen heeft laten liggen. Dat klemt temeer omdat ter zake van de onderhavige vordering zelfs uit het exploot niet afgeleid kan worden dat en waarom [gedaagde partij] op een bepaalde datum die aan dagvaarding voorafging, voor de opgelegde heffing in betalingverzuim geraakt is, zodat zulk verzuim eerst per 27 november 2012 als uitvloeisel van de daad van dagvaarding ingetreden is. Dat laatste impliceert dan echter dat AFM daarvoor een onjuist want buitenproportioneel middel toegepast heeft, waar zij voor het bereiken van het doel (doen intreden van verzuim) had kunnen volstaan met een eenvoudige ingebrekestelling waarvoor zelfs een deurwaardersexploot niet vereist is doch een eenvoudige (eventueel aangetekend verzonden) brief volstaat. Daarom blijft de veroordeling van [gedaagde partij] beperkt tot € 1.225,00 in hoofdsom en de wettelijke rente daarover vanaf de datum van ingebrekestelling / dagvaarding d.d. 27 november 2012 en worden de proceskosten in het geheel gecompenseerd. Het overigens door AFM gevorderde wordt afgewezen op voornoemde gronden.

De kantonrechter meent er tot slot van te mogen uitgaan dat AFM alsnog een methode / weg vindt om met [gedaagde partij] zonder verdere complicaties en kosten in de executiefase tot overeenstemming te komen over het tempo waarin deze, waar mogelijk rekening houdend met zijn financiële positie doch tevens met het belang van AFM bij volledige en spoedige betaling, de uit dit vonnis voortvloeiende betalingsverplichting plus zijn overige schuld aan AFM gaat inlossen. Daartoe zal ook [gedaagde partij] zich maximaal moeten inspannen.

BESLISSING

[gedaagde partij] wordt veroordeeld om aan AFM tegen bewijs van kwijting een bedrag van € 1.225,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 november 2012 tot de datum van volledige voldoening.

De proceskosten worden aldus gecompenseerd, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Het vonnis wordt bij voorraad uitvoerbaar verklaard.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht,

en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.