Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ0432

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
04-02-2013
Zaaknummer
04/856558-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gegrond-verklaring van het bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, nu de kinderrechter van oordeel is dat het feit dat veroordeelde het misdrijf heeft gepleegd als gevolg van onvermogen van haar kant om met bepaalde emoties om te gaan, alsmede het feit dat de door de veroordeelde uitgevoerde leerstraf hierop gericht was, en dat in de rapportage over die ondergane leerstraf wordt geconstateerd dat er nu slechts in zeer geringe mate sprake is van een recidiverisico, de toepassing van de uitzonderingsbepaling rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2013/48 met annotatie van R. de Jong
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Familie en Jeugd

Parketnummer: 04/856558-11

Rekestnummer: 12/1424

Beschikking van de rechtbank, op het op 26 november 2012 bij deze rechtbank ingekomen bezwaarschrift op de voet van artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna de Wet), van

[de veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

wonende te [woonplaats] aan de [adres],

domicilie kiezende te 5931 NG Tegelen aan de Bongerdstraat 4, ten kantore van diens raadsman mr. M.M.A.F.C. Lienaerts,

hierna te noemen: veroordeelde.

Het bezwaarschrift is tijdig ingediend en behandeld in raadkamer op 10 januari 2013.

Gehoord zijn de officier van justitie, veroordeelde en diens raadsman, mr. Lienaerts, advocaat te Tegelen, alsmede de moeder van veroordeelde.

Het bezwaarschrift richt zich tegen het bevel van de officier van justitie op grond waarvan celmateriaal van veroordeelde werd afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel.

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van het dossier in de strafzaak tegen verdachte (met bovenvermeld parketnummer) en van voornoemd bezwaarschrift.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige bezwaarschrift uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Veroordeelde is op 25 juni 2012 door de kinderrechter veroordeeld, ter zake van openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen tot een leerstraf ( Tools4U) voor de duur van 20 uren subsodiair 10 dagen jeugddetentie, alsmede een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiar 30 dagen jeugddetentie, waarvan 30 uur, subsidiait 15 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Op 2 oktober 2012 heeft de officier van justitie bevolen dat van veroordeelde celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek. Op 14 november 2012 is het celmateriaal afgenomen.

Standpunt van de verdediging

Namens veroordeelde is aangevoerd dat er sprake is van een uitzonderingssituatie. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat veroordeelde ten tijde van het plegen van de delicten waarop het bevel is gericht, net vijftien jaar was geworden. Veroordeelde had een blanco documentatie en het gepleegde feit was een incident, veroorzaakt door persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde. Deze hebben mede geleid tot het opleggen van een leerstraf naast een werkstraf. De taakstraf en de leerstraf zijn reeds voldaan en goed beoordeeld. De leerstraf heeft zich gericht op de oorzaak van het feit, namelijk het geprikkeld raken onder invloed van emoties. Nu het leertraject positief is afgesloten is er niet meer sprake van een verhoogde recidivekans.

Daarbij geldt dat bij minderjarigen in beginsel geen geldboetes worden opgelegd. Een meerderjarige hoeft bij het opleggen van een geldboete geen DNA-materiaal af te staan, terwijl een minderjarige, die als uitgangspunt een werkstraf krijgt, wel DNA-materiaal moet afstaan. Gelet op al deze omstandigheden acht de raadsman het opnemen van het DNA-profiel disproportioneel, en in strijd met het non-discriminatiebeginsel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de Hoge Raad, 13 mei 2008 LJN BC8234, heeft bepaald dat in de Wet geen plaats is voor een uitzonderingspositie voor minderjarigen. Voorts zijn bij de beslissing door de officier van justitie tot het afgeven van celmateriaal de belangen van veroordeelde afgewogen tegenover het algemeen maatschappelijk belang bij voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbarre feiten.

De beoordeling

Artikel 2, eerste lid, van de Wet bepaalt dat de officier van justitie bij de rechtbank die in eerste aanleg het vonnis gewezen heeft, beveelt dat van een veroordeelde wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA profiel.

De Hoge Raad (13 mei 2008, LJN BC8231) heeft in haar arrest overwogen dat de Wet geen generieke uitzondering voor minderjarigen bevat. Zodanige generieke uitzondering kan ook niet aan het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (hierna IVRK), worden ontleend.

Op de regel genoemd in artikel 2, eerste lid van de Wet bestaan twee uitzonderingen, waarvan thans alleen de uitzondering van artikel 2, eerste lid sub b van belang is. Volgens deze bepaling wordt een DNA-profiel opgemaakt en verwerkt, tenzij “redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en het verwerken van zijn DNA profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde”.

Uit het systeem van de wet volgt, aldus de Memorie van toelichting, dat de uitzondering genoemd in artikel 2, lid 1 onder b, slechts beperkte reikwijdte heeft. Het DNA onderzoek dient achterwege te blijven ingeval komt vast te staan dat geen opsporingsbelang ter zake van reeds gepleegde strafbare feiten of enig relevant recidivegevaar aanwezig is. Een concreet recidivegevaar is daarbij niet vereist.

De maatstaf “bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd” hangt volgens de Hoge Raad samen met de persoon van de veroordeelde.

Het gaat dan om een situatie dat een DNA-onderzoek, ondanks de veroordeling voor een misdrijf, in de gegeven omstandigheden niet kan worden gerechtvaardigd. Andere dan bovengenoemde maatstaven doen volgens de Hoge Raad afbreuk aan het door de wetgever beoogde systeem van ruime afname van DNA-materiaal, waarin slechts plaats is voor de twee bovengenoemde beperkt uit te leggen uitzonderingen. Voor een verdere belangenafweging is in het systeem van de wet dus geen plaats. Voorts bestaat er geen ruimte voor een generieke uitzondering voor minderjarigen.

In dit verband merkt de kinderrechter nog op dat ook het door de raadsman gedane beroep op rechtsongelijkheid – zakelijk weergegeven inhoudende: aan jeugdigen wordt eerder een taakstraf opgelegd dan een geldboete – niet kan slagen.

Voor zover dit argument juist is, geeft immers de uitzonderingsgrond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, de mogelijkheid om met bijzondere omstandigheden rekening te houden. In een concrete zaak zou dat ook de door de raadsman, in deze zaak echter slechts in het algemeen gestelde, rechtsongelijkheid kunnen zijn.

Wat betreft de bijzondere omstandigheden merkt de kinderrechter op dat bezwaarde is veroordeeld voor twee openlijke geweldplegingen tot een werkstraf van 60 uur sub. 30 dagen jeugddetentie, waarvan de helft voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en tevens tot een taakstraf van 20 uur, bestaande uit het volgen van Tools4U.

Bezwaarde is twee keer betrokken bij ruzies. In beide gevallen betrof het ruzies tussen meiden onderling waar het een en ander uitgesproken diende te worden nadat er over en weer verwijten waren gemaakt. In beide zaken stelde bezwaarde dat zij, naar aanleiding van een eerdere scheldpartij dan wel geroddel door het slachtoffer, de zaak wilde uitpraten. De wijze waarop bezwaarde dit deed is mede aanleiding geweest voor de ruzies/vechtpartijen, waarbij meerdere jongeren betrokken waren en waarbij over en weer klappen zijn uitgedeeld.

Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 20-12-2011 blijkt dat bezwaarde zegt dat ze vaak wordt uitgescholden, een duw krijgt of een elleboogstoot en dat ze niet weet hoe ze in die situaties moet handelen. De Raad noemt het recidiverisico gemiddeld, met name gelet op de zwakke punten bij bezwaarde, zoals groepsbeïnvloeding de vriendenkeuze en het onvermogen om ruzies op een andere wijze op te lossen. Gelet hierop wordt de leerstaf Tool4U geadviseerd.

Bij vonnis d.d. 25 juni 2012 heeft de kinderrechter bezwaarde onder meer tot deze taakstraf veroordeeld.

Inmiddels heeft bezwaarde zowel de werkstraf als Tool4U goed afgerond. Uit de rapportage van Tools4U blijkt dat bezwaarde goed heeft meegewerkt en veel heeft geleerd. In het verslag wordt tenslotte opgemerkt: “Als ze vragen blijft stellen en als het nodig is uit een situatie stapt, lijkt, gezien de training, de kans op een nieuw delict erg klein”.

Ter terechtzitting van 9 januari 2013 heeft de moeder aangegeven dat haar dochter sinds de strafbare feiten en het daaropvolgend traject veel beter functioneert. Ze is rustig en kan het aangeven als ze ergens mee zit.

Gelet op het bovenstaande, het feit dat bezwaarde niet eerder is veroordeeld en de jeugdige leeftijd ( 14 ten tijde van het plegen van de feiten) is de kinderrechter van oordeel dat , hoewel het handelen van bezwaarde strikt genomen onder de strekking van de wet valt, de persoon van bezwaarde de toepassing van de uitzonderingsbepaling rechtvaardigt.

De kinderrechter acht het bepalen en opslaan van het dna-profiel van veroordeelde disproportioneel en zal het bezwaarschrift dan ook gegrond verklaren.

Beslissing

De kinderrechter:

verklaart het bezwaarschrift gegrond;

beveelt de officier van justitie er voor zorg te dragen dat het op 14 november 2012 bij veroordeelde afgenomen celmateriaal zal worden vernietigd.

Deze beslissing is gegeven door mr. E.J.M. Boogaard-Derix, in tegenwoordigheid van mr. C.J. de Looff-Pranger, griffier en uitgesproken op 23 januari 2013.