Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ0429

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
04-02-2013
Zaaknummer
816312-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongegrond-verklaring van het bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, nu de kinderrechter van oordeel is dat hetgeen van de kant van veroordeelde is aangevoerd, waaronder de huidige persoonlijke ontwikkeling van de veroordeelde, en zijn wantrouwen jegens justitie, alsmede het feit dat de veroordeelde reeds eerder met justitie in aanraking is geweest, niet kan leiden tot de conclusie dat in dit geval sprake is van een van de uitzonderingen waarop in artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden wordt gedoeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2013/47 met annotatie van R. de Jong
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Familie en Jeugd

Parketnummer: 816312-11

Rekestnummer: 12/1351

Beschikking van de kinderrechter, op het bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna de Wet), van

[de veroordeelde], hierna te noemen: veroordeelde,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

wonende te [woonplaats] aan de [adres]

domicilie kiezende te 5913 AM Venlo, aan de Burgemeester van Rijnsingel 8, ten kantore van diens raadsman mr. D.P.J. Grommen.

Het bezwaarschrift is tijdig -13 november 2012- ingediend en behandeld in raadkamer op

9 januari 2013.

Gehoord zijn de officier van justitie, de veroordeelde, de raadsman van veroordeelde mr. D.P.J. Grommen.

Het bezwaar richt zich tegen het bevel van de officier van justitie op grond waarvan celmateriaal van veroordeelde werd afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel.

De kinderrechter heeft kennis genomen van de inhoud van het dossier in de strafzaak tegen verdachte (met bovenvermeld parketnummer) en van voornoemd bezwaarschrift.

De kinderrechter gaat bij de beoordeling van het onderhavige bezwaar uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Veroordeelde is op 16 april 2012 door de kinderrechter veroordeeld, ter zake van openlijk geweld gepleegd tegen personen en goederen, tot een werkstraf voor de duur van 40 uur subsidiair 20 dagen jeugddetentie, waarvan 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Op 8 oktober 2012 heeft de officier van justitie bevolen dat van veroordeelde celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel. Op

31 oktober 2012 is het celmateriaal afgenomen.

Standpunt van de veroordeelde

Zakelijk samengevat voert de raadsman aan dat het bevel van de officier van justitie niet kan worden gerechtvaardigd gezien de navolgende omstandigheden. Er was sprake van openlijk geweld, waarbij het aandeel van de veroordeelde gering was. Veroordeelde is niet eerder veroordeeld door de kinderrechter. Veroordeelde heeft zijn taakstraf naar behoren uitgevoerd, en heeft begrepen dat hij fout heeft gehandeld. Veroordeelde doet het goed op school. Hij heeft weinig vertrouwen in justitie en maakt zich zorgen over de opname van het DNA-materiaal voor de toekomst. Het feit was een misstap, waarvoor veroordeelde niet zijn leven moet boeten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de wetgever geen uitzonderingspositie voor minderjarigen beoogt.

Voorts zijn bij de beslissing door de officier van justitie tot het afgeven van celmateriaal de belangen van veroordeelde afgewogen tegenover het algemeen maatschappelijk belang bij voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten.

Het bezwaar dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De beoordeling

Artikel 2, eerste lid, van de Wet bepaalt dat de officier van justitie bij de rechtbank die in eerste aanleg het vonnis gewezen heeft, beveelt dat van een veroordeelde wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA profiel.

De Hoge Raad (13 mei 2008, LJN BC8231) heeft in zijn arrest overwogen dat de Wet geen generieke uitzondering voor minderjarigen bevat. Zodanige generieke uitzondering kan ook niet aan het IVRK, worden ontleend.

Op de regel genoemd in artikel 2, eerste lid van de Wet bestaan twee uitzonderingen, waarvan thans alleen de uitzondering van artikel 2, eerste lid sub b van belang is. Volgens deze bepaling wordt een DNA-profiel opgemaakt en verwerkt, tenzij “redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en het verwerken van zijn DNA profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde”.

Uit het systeem van de wet volgt, aldus de Memorie van toelichting, dat de uitzondering genoemd in artikel 2, lid 1 onder b, slechts beperkte reikwijdte heeft. Het DNA onderzoek dient achterwege te blijven ingeval komt vast te staan dat geen opsporingsbelang ter zake van reeds gepleegde strafbare feiten of enig relevant recidivegevaar aanwezig is. Een concreet recidivegevaar is daarbij niet vereist.

Naast de aard van het misdrijf en de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, acht de kinderrechter in het algemeen tevens de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het begaan van het misdrijf, de reële ernst van het feit, de zwaarte van de opgelegde straf of maatregel, eventuele eerdere contacten van de minderjarige met politie of justitie en eventuele eerdere veroordelingen, alsmede de overige persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde van belang.

De kinderrechter is van oordeel dat hetgeen van de kant van veroordeelde is aangevoerd, waaronder de huidige persoonlijke ontwikkeling van de veroordeelde, en zijn wantrouwen jegens justitie, niet kan leiden tot de conclusie dat in dit geval sprake is van een van de uitzonderingen waarop in artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden wordt gedoeld. Daarbij overweegt de kinderrechter bovendien dat uit de gegevens van de Justitiële Informatiedienst blijkt dat veroordeelde eerder in aanraking is geweest met de politie en in verband met de overtreding van de Wet Wapens en Munitie als transactie 16 uur werkstraf heeft verricht. Het bezwaar dient dan ook ongegrond verklaard te worden.

Beslissing

De kinderrechter:

verklaart het bezwaar ongegrond;

Deze beslissing is gegeven door mr. E.J.M. Boogaard-Derix, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.J. de Looff-Pranger, griffier en uitgesproken op 23 januari 2013.